#Article 1: Albert Speer (3072 words)


Berthold Konrad Hermann Albert Speer (Mannheim, 19 maart 1905 – Londen, 1 september 1981) was een Duits architect en stedenbouwkundige. Tijdens de naziheerschappij over Duitsland (1933-1945) was hij vanaf 1937 rijksarchitect en vanaf 1942 rijksminister van Bewapening en Munitie. Door zijn vriendschap met Adolf Hitler en zijn ministerschap gold hij als een van de machtigste mannen van het Derde Rijk. Na de oorlog werd Speer in Neurenberg veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf.

Het gezin waarin Speer werd geboren, was wat ze in het Duits noemen grossbürgerlich; in Nederlandse termen gegoede burgerij of bourgeoisie. Zijn vader en grootvader waren beiden architecten. Om financiële redenen studeerde Speer aanvankelijk in Karlsruhe. Van de lente van 1924 tot de zomer van 1925 zette hij zijn studie vervolgens voort aan de technische hogeschool van München. In de herfst van 1925 verhuisde hij naar Berlijn en probeerde hij vergeefs aan de Technische Hogeschool in Berlijn-Charlottenburg in het seminarie van Hans Poelzig toegelaten te worden. In 1926 ontving Heinrich Tessenow, een architect van de behoudende school met een zeer bescheiden en niet megalomane stijl, een leerstoel. Speer werd in dat jaar een van zijn studenten. Na zijn diploma te hebben behaald in 1927 bleef Speer nog meerdere jaren, als Tessenows assistent, aan de hogeschool verbonden.

Speer was niet bijzonder geïnteresseerd in politiek. Hij werd echter reeds in januari 1931 lid van de NSDAP nadat hij in december 1930 een toespraak van Adolf Hitler had bijgewoond in de Berlijnse Hasenheide. Deze toespraak had een diepe indruk gemaakt op Speer. Zelf schreef hij dat hij een maand had getwijfeld, maar dat hij uiteindelijk toch besloten had om lid te worden, omdat Hitler helemaal niet stereotiep was overgekomen in de toespraak. Het was een zeer rustige toespraak waarin het woord 'Jood' niet één keer was gevallen.

In 1932 verliet Speer Berlijn en ging terug naar Mannheim. Hij vestigde zich daar als architect, maar hij kreeg geen opdrachten.
In 1934 werd hem gevraagd de meivieringen van de partij vorm te geven. Speers originele idee was om rond het veld in Neurenberg waar de parades werden afgenomen een reeks zoeklichten recht omhoog te laten schijnen. Hierdoor ontstond een mooi lichtspel wat een koepel van licht boven het paradeveld veroorzaakte. Hitler was hierover zeer enthousiast en zo werd Speer Hitlers huisarchitect.

Toen Hitlers toenmalige Hofarchitekt, de uit München afkomstige Paul Ludwig Troost, in 1934 overleed, nam Speer diens taken over, waarmee hij zijn formele leidinggevende Rudolf Hess feitelijk snel overschaduwde in macht en ook in aanzien bij Hitler. Speer ontwierp talrijke gebouwen in klassieke stijl, die als doel hadden de pracht en de macht van het Derde Rijk te tonen en te onderstrepen. In het Deutsche Arbeitsfront (DAF) leidde hij de afdeling Schönheit der Arbeit. Verder werd hij de chef van de onderafdeling van de Rijkspropagandaleiding en verantwoordelijk voor de stedenbouw in de staf van Rudolf Hess.

Voor de wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs ontwierp hij het Duitse paviljoen. Het hoofdbestanddeel bestond uit een enorme toren in classicistische stijl met een grote Duitse adelaar erop. Speer kreeg er de Grand Prix met een gouden medaille voor.

De belangrijkste gebouwen en de aanleg van urbane ruimtes voor het Derde Rijk ontwierp Speer echter in Berlijn en Nürnberg. Berlijn als rijkshoofdstad en bestuurscentrum lag voor de hand. In Nürnberg werden voor de machtsovername al diverse zogenaamde partijdagen gehouden, propagandistische massabijeenkomsten georganiseerd door de NSDAP, om het nationaalsocialisme te etaleren aan de Duitse kiezers. Deze Beierse stad lag niet ver van München, de bakermat van de nazi-partij, en was daarbij goed bereikbaar via een uitgebreid verkeersnetwerk en bezat als toeristische trekpleister voldoende hotels om veel volk onderdak te bieden. Nürnberg kozen de nazi's ook meer symbolisch als zijnde een belangrijke vroegere rijksstad van het Heilige Roomse Rijk, de plek waar men destijds de rituele symbolen van de keizerlijke macht bewaarde zoals de rijksappel, de scepter en de kroon. De nazi's zetten met de keuze van Nürnberg een eeuwenoude traditie van jaarmarkten, machtige keizers en kastelen voort door daar de nazi-partijdagen te laten plaatsvinden. Na de verkiezingsoverwinning in 1933 ging het terrein van de partijdagen grondig op de schop en werd in opdracht van Hitler flink uitgebreid.

In 1937 werd hij benoemd tot regeringscommissaris voor de bouw in de staf van de Führer en inspecteur-generaal voor de bouwnijverheid in Berlijn. Zijn ontwerpen waren naar de smaak van Hitler die hield van gebouwen in een neoclassicistische stijl met een minimalistische uitstraling maar dan vergroot tot buitensporige afmetingen. Voor de spaarzame aankleding wilde Hitler het liefst de klassieke Arische beelden gebruiken van de hand van de door Hitler bewonderde Arno Breker. Vooral voor Berlijn had Hitler grootse plannen. Deze stad zou na de Endsieg herdoopt worden in Germania (overigens is Speer de enige bron die dit beweerde). Met talloze statige bouwwerken en brede boulevards wilde Hitler aan zijn hoofdstad een enorme grandeur geven. Hitlers en Speers megalomane motto was: 'hoe groter hoe beter'. Speer ordonneerde stabiliteitstesten in de moerassige grond van Berlijn om na te gaan of deze het enorme gewicht van de geplande gebouwen kon dragen. Daartoe bouwde de firma Dyckerhoff  Widmann AG in 1941 tegen de prijs van 400 000 Reichsmark aan de rand van Berlijn het Schwerbelastungskörper. Het betrof een betonnen 12 360 ton wegende cilinder met een diameter van 21 m. De nog intact zijnde kolos veroorzaakte volgens Speers metingen een verzakking van 19 cm. De Berlijnse ondergrond was bijgevolg geschikt voor het bouwen van dergelijke grootschalige bouwwerken. 
Tevens werd een begin gemaakt met het aanleggen van de weids opgezette boulevards. In 1938 en 1939 werd in recordtijd de bouw van de nieuwe Rijkskanselarij aan de Wilhelmstrasse en de Voßstraße voltooid. Speer toonde zich hier al als een goede bouworganisator. Het bouwwerk met gigantische afmetingen (het geheel mat 200 ha) was voor Hitler een representatieve plaats om de buitenlandse gasten en diplomaten te ontvangen. Zij moesten op deze wijze onder de indruk raken van de grootsheid van het Duitse Rijk. Het merkwaardigste onderdeel van het geheel betrof een lange rechte galerij van 146 m lengte, twee maal zo lang als de spiegelzaal in Versailles van 73 meter, met een spiegelgladde vloer die leidde naar de persoonlijke ontvangstruimten van Hitler; deze straat werd der lange Marsch der Diplomaten genoemd. Sommigen maakten de opmerking dat de gladde vloer eigenlijk wel gevaarlijk was om op te lopen. Hitler wimpelde deze bezwaren weg met de woorden: “Diplomaten zijn wel gewend om zich op glad ijs te begeven”. Door het uitbreken van de oorlog moesten verdere plannen echter opgeschort worden. Gereed kwamen wel het vliegveld Tempelhof dat nog steeds een van de grootste luchthavengebouwen ter wereld heeft. Ook het nog steeds gebruikte Olympisch Stadion van 1936 was een onderdeel van de herbouw van Berlijn. Hitlers nieuwe kanselarij werd tijdens de eindstrijd in 1945 zwaar beschadigd en kort na de oorlog afgebroken.

In deze vroegere Rijksstad, in het Nederlands wordt de stad meestal Neurenberg genoemd, ontwierp Speer vanaf 1934 een aantal gebouwen op het Reichsparteitagsgelände (de terreinen van de rijkspartijdagen) vertrekkende van het masterplan van architect-urbanist Paul Ludwig Troost. Troost kreeg van de partij opdracht om een recreatiegebied aan de stadsrand om te vormen tot een geschikte locatie voor een massa-evenement het zogenoemde Reichtsparteigelände, een gebied van 11 km². Men verplaatste daartoe de dierentuin en de vuurtoren brak men af. Men voorzag in een Große Straße van 1,5 km lengte en 50 m breed die visueel aansloot op de middeleeuwse keizerlijke burcht van Nürnberg. Gevangenen van het concentratiekamp Flossenbürg en Mauthausen kapten het graniet voor de 6 000 tegels waarover de soldaten zouden marcheren. Langs deze lange straatas plande men de Luitpoldarena, het Zeppelinveld, het Deutsches Stadion, een Hitlerjugendstadion, een Marsveld en twee treinstations. Slechts het Zeppelinveld met dito tribune naar een ontwerp van Speer werd afgewerkt. De kosten van de oorlogsindustrie beletten de verdere uitbouw van al deze megalomane plannen. Voor de tribune met een lengte van 360 m stond het antieke kleinschaligere Pergamonaltaar model. 320 000 toeschouwers konden de parades op het Zeppelinfeld volgen. Bij nacht schenen 250 grote spots de lucht in als een van ver te ziene lichtkathedraal. Nu is de plek herschapen tot een ruïne en op eigen risico te betreden. Via Google Earth kan men inzoomen op het Zeppelinveld en krijgt men een beeld van de huidige vervallen toestand.

Op deze plek filmde Leni Riefenstahl Hitlers propagandafilm Triumph des Willens over de aldaar gehouden rijkspartijdag van 5 september 1934. Neurenberg is ook bekend van de Rassenwetten van Neurenberg en het ontnemen van burgerrechten aan Joden. In deze stad grepen ook de naoorlogse processen van Neurenberg plaats. Door misleiding van het tribunaal wist Speer aan de doodstraf te ontkomen.

Toen Hitler later meer en meer door de oorlog werd opgeslokt, verminderde zijn aandacht voor Speer maar hij verloor Speer omwille van zijn goede managerskwaliteiten niet echt uit het oog. Op 8 februari 1942 werd Speer, ondanks (of misschien wel dankzij) zijn vrij geringe politieke aspiraties, door Hitler benoemd als opvolger van de bij een vliegtuigongeluk omgekomen rijksminister voor Bewapening en Munitie, Fritz Todt. Speer gebruikte al zijn organisatietalent, reorganiseerde de productie van wapens en munitie en wist zo de productie in 1944 tot een viervoud te brengen van die van 1942 ondanks de vele geallieerde bombardementen. Vele historici menen daarom ook dat het vooral Speer is die ervoor gezorgd heeft dat de Tweede Wereldoorlog misschien wel een jaar langer geduurd heeft dan anders het geval zou zijn geweest. Het is ontnuchterend te bedenken dat in dat ene laatste jaar net zoveel doden vielen als in de gezamenlijke vier jaren ervoor.

In de laatste weken van de oorlog weigerde hij Hitlers bizarre bevelen nog langer uit te voeren. Hitler wist dat de oorlog verloren was en wilde het Duitse volk, dat in zijn ogen in zijn missie gefaald had, met hem mee de afgrond in sleuren in een soort Götterdämmerung met het Nero-bevel. Dit moest bereikt worden door het vernietigen van de nog overgebleven, vitale delen van Duitsland en de bezette gebieden: de tactiek van de verschroeide aarde. Speer dacht al aan het overleven van de bevolking en de wederopbouw van Duitsland na de oorlog en gaf Hitlers bevelen niet meer door aan de afdeling die voor de uitvoering moest zorgen. Een eerder voorbeeld was Hitlers bevel in 1944 om Parijs te vernietigen toen de geallieerden de stad naderden. Doordat de Duitse commandant van Parijs (luitenant-generaal Dietrich von Choltitz) hier niet aan meewerkte en ook door de zeer snelle omsingeling en verovering van Parijs werd dit verhinderd.

Op 24 april 1945 vloog Speer, die Berlijn al was ontvlucht, speciaal terug om in de bunker onder de Rijkskanselarij afscheid van zijn Führer te kunnen nemen. Hitler pleegde uiteindelijk op 30 april zelfmoord, samen met Eva Braun die even tevoren met hem getrouwd was, en liet zijn instortende Derde Rijk in totale chaos achter. Op 23 mei 1945 werd Speer samen met Karl Dönitz (door Hitler per testament aangewezen als zijn opvolger) gearresteerd in Flensburg, van waaruit verschillende nazileiders, die niet in Berlijn waren gebleven, tevergeefs vredesonderhandelingen met de geallieerden trachtten te voeren.

Op 1 oktober 1946 werd Speer op het Proces van Neurenberg veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf, vooral vanwege het feit dat onder zijn leiding één miljoen van de in totaal zes miljoen dwangarbeiders uit de bezette gebieden tijdens de oorlogsjaren in de wapenindustrie te werk waren gesteld. Van alle veroordeelde nazikopstukken was hij de enige die zich verantwoordelijk verklaarde voor de misdrijven van de nazistaat. Desondanks pleitte hij niet schuldig met als argument dat hij nooit persoonlijk opdrachten ondertekend had om gevangenen te deporteren. Speer schoof zijn volledige schuld af op de Minister van Arbeid, Fritz Sauckel die wel werd opgehangen. Zijn straf zat hij grotendeels uit in de Spandaugevangenis in Berlijn. Op 1 oktober 1966 kwam hij vrij.

Speer heeft tijdens het proces in Neurenberg als enige top-nazi bekend medeverantwoordelijk te zijn aan de misdaden die tijdens het Derde Rijk zijn begaan. Dit medeschuldig zijn werd door hemzelf echter weer snel gebagatelliseerd: hij schilderde zichzelf af als iemand die verblind was door Hitlers megalomane dromen. Vooral de mogelijkheid om zijn gigantische architectonische ontwerpen, met behulp van Hitlers steun, onbegrensd te kunnen verwezenlijken had Speer, naïef als hij toen volgens zichzelf was, over de streep getrokken. Met deze zienswijze suggereerde Speer dat zijn medewerking aan het regime toch enigszins buiten zijn schuld om was gebeurd: hij wist niet beter. Van de gruwelijke toestanden in de vernietigingskampen en de Jodenvervolging had Speer (naar eigen zeggen) sowieso keine Ahnung (geen weet).

Verder schreef hij, om zich te verdedigen tijdens het Neurenberg-proces, nog enkele goede maatregelen op zijn naam; zo verklaarde hij bij het zien van de slaapplaatsen van de dwangarbeiders in de steenhouwerijen en fabrieken van V2-raketten voor betere verblijfplaatsen te hebben gezorgd.

Speer woonde na zijn vrijlating in de villa in Heidelberg die zijn vader in 1905 had laten bouwen.
Hij kwam daarna niet echt meer voor het voetlicht, op een enkel interview na, en besteedde zijn tijd aan het uitwerken van zijn aantekeningen en het publiceren ervan in verscheidene boeken. Door de inkomsten van zijn boeken en, zoals later bleek, ook door de heimelijke verkoop van tijdens de oorlog geroofde schilderijen kon Speer tot zijn dood een welgesteld leven leiden.
In 1981, tijdens een bezoek aan Londen, overleed Speer vrij onverwacht aan een herseninfarct.

Speer liet veel tekeningen en een enorme hoeveelheid dagboekaantekeningen na, die uit de gevangenis waren gesmokkeld. Deze werden in 1969 in boekvorm uitgegeven onder de titel Spandauer Tagebücher (later vertaald in het Engels onder de titel Spandau – the secret diaries). Zijn levensverhaal vertelt hij in Erinnerungen (Herinneringen). Ook over de rol van de SS schreef hij een boek: Der Sklavenstaat: Meine Auseinandersetzungen mit der SS. Tot slot is ook het boek Technik und Macht min of meer van zijn hand, namelijk Speers woorden, vastgelegd door Adelbert Reif.

Niet lang voor Speers onverwachte dood kwamen Duitse onderzoekers op het spoor van Speers werkelijke verantwoordelijkheid voor oorlogsmisdrijven. Speers vroegere medewerker Wolters was een fanatiek nazi gebleven en was zo verontwaardigd over Speers verraad van Hitler dat hij op zijn beurt onthullingen deed over Speer. Zo was het Speer die regelde dat tijdens de voorbereidingen voor de aanleg van de brede boulevards in Berlijn de Duitse bewoners van 23 765 onteigende woningen de woningen van Joden kregen toegewezen. De Joodse bewoners werden op transport gezet naar de concentratiekampen. Albert Speer heeft zijn ontmaskering niet meer meegemaakt.

Onderzoek dat na de dood van Speer door Matthias Schmidt werd gepubliceerd, toonde aan dat Speer een zorgvuldig web van misleiding rond zijn werkelijke aandeel in de oorlogsmisdaden had geweven. Nauwkeurig historisch onderzoek van de Duitse historicus Magnus Brechtken ontkracht systematisch de door Speer geschapen mythe van Hitlers onwetende architect. Speer stelde onder meer niet aanwezig te zijn geweest bij de beruchte rede in Posen waarin Heinrich Himmler de nazileiders betrok bij de massamoord op de Joden. Himmler sprak op de geluidsopname daarentegen rechtstreeks tot Speer, dat wil zeggen, alsof Speer aanwezig was. Ook een document waarop materiaal voor de bouw van crematieovens en lijkenkelders in een concentratiekamp werd vrijgegeven met Speers handtekening van goedkeuring erop was voor Speer zeer belastend. In overleg met SS leider Heinrich Himmler besprak en leidde Speer als Generalbauinspektor de uitbreiding van het concentratiekamp Auschwitz. De kampen Sachsenhausen en Mauthausen ontstonden op aansturen van Speer om slavenarbeiders te leveren voor de ontginning van graniet, nodig voor Speers monumentale nazibouwwerken.

Speer heeft zijn medeplichtige Rudolf Wolters na de oorlog opdracht gegeven om belastende documenten te vernietigen. In de memoires liegt Speer over zijn bezigheden vlak voor de val van het Derde Rijk. Speer heeft een kostbare collectie romantische schilderijen, gestolen of afgeperst uit Joods bezit, verborgen. Na zijn vrijlating heeft hij de schilderijen voorzichtig en anoniem verkocht. De contant uitbetaalde opbrengst werd weggesluisd, waarschijnlijk naar zijn jonge maîtresse. De kunstwerken brachten een miljoen mark op. De opbrengst van de speculatie met een van de Joodse bankierserfgename Marie-Anne von Goldschmidt-Rothschild afgeperst stuk kostbare bouwgrond aan de oever van Schwanenwerder bij Berlijn moest Speer restitueren. Dat heeft hij ondanks een veroordeling nooit gedaan.

Gesprekken met Gitta Sereny leidden tot een boek van haar hand. Ze portretteerde Speer als een man die niet met zichzelf in het reine kon komen.

Speer bedacht het Ruinenwert-principe. Dit hield in dat de ontwerper een gebouw zo moest vormgeven dat het ook als ruïne mooi zou ogen. De aftakeling van Speers gebouwen startte vlugger dan voorzien. De tribune van het Zeppelinveld van het Reichsparteigelände in Nürnberg brokkelde af vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw. Het stadsbestuur moest daartoe in 1967 een deel van de bouwvallige zuilengalerij afbreken. De tienduizenden toeristen die de gebouwen jaarlijks bezoeken maken nu hun selfies op eigen risico.
Het grootschalige karakter van Speers bouwwerken en de nu nog grote aanwezigheid ervan vooral in Nürnberg, plaatsen de Duitsers voor een moeilijke gewetensoefening om hoe om te gaan met dit beladen erfgoed dat voortdurend herinnert aan de naziperiode. Het Nürnbergse stadsbestuur is nu (2016) gewonnen voor het idee om dit patrimonium ondanks de oplopende kosten in stand te houden en in te richten als plek van educatie en herinnering. Daartoe bouwde men in 2001 al een Dokumentationszentrum Reichsparteitagsgelände aan de noordelijk gelegen kop van het congrescentrum dat in 1935 gebouwd werd door architect Ludwig Ruff op het terrein. Aldaar ingerichte tentoonstellingen geven een beeld van de Ursachen, Zusammenhängen und Folgen der nationalsozialistischen Gewaltherrschaft.

Nauwkeurig en uitvoerig bronnenonderzoek leidt tot de conclusie dat Speer tijdens het twaalf jaar (1933-1945) durend nazi-bewind twee doelen nastreefde: de nationaalsocialistische leer helpen uitvoeren en zichzelf verrijken. Tijdens de Neurenbergse processen en nadien stelde Speer alles in het werk om dit te verdoezelen en zichzelf neer te zetten als een nette onwetende technocraat die slechts voor het regime burgerlijke bouwwerken bedacht en uitvoerde. Daarbij kreeg hij uitgebreide hulp van journalist/historicus Joachim Fest en betrokken partij uitgeverij Siedler.
De Duitse historicus Magnus Brechtken, directeur van het Institut für Zeitgeschichte in München, deed in dit verband een oproep om memoires, gedenkboeken en interviews nooit meer aan te wenden bij geschiedschrijving. Zij vormen in het slechtste geval een slinks samenstel van afleidingstrucs, retorische rookgordijnen en onversneden leugens. Een wake-up call in tijden van alom aanwezig fake news.

Albert Speer had zes kinderen. Een van zijn zonen, Albert Speer jr. (1934-2017), was eveneens een bekend architect en stadsplanner en ontwerper van voetbalstadions in Qatar voor het WK van 2022.

Verder bestaat er een boek Die intelligente Stadt, auteur Albert Speer, maar in dit geval betreft het Speers oudste zoon.




#Article 2: Andre Agassi (554 words)


Andre Kirk Agassi (Las Vegas, 29 april 1970) is een voormalig tennisser uit de Verenigde Staten van Amerika. Zijn vader is afkomstig uit Iran en van Armeense en Assyrische afkomst.

In 1999 werd Agassi de vijfde speler in de geschiedenis van de sport die een career slam won: alle vier de grandslamtoernooien (maar niet in één seizoen): het Australian Open, het Open Franse tenniskampioenschap, Wimbledon en het US Open. In totaal won hij acht grandslamtoernooien en hij staat hiermee op de lijst van grandslamtitels op een gedeelde negende plaats.

Agassi is de enige speler ooit die alle grandslamtoernooien én de Tennis Masters Cup heeft gewonnen, deel uitmaakte van een winnend Davis Cup-team en een olympische gouden medaille heeft gewonnen. Daarnaast won hij zeventien Tennis Masters Series-titels. Hoewel hij daarmee recordhouder was toen hij op het US Open 2006 afscheid nam als speler, hebben meerdere spelers dat aantal sindsdien overtroffen.

Hij is op 22 oktober 2001 getrouwd met de voormalige Duitse toptennisspeelster Steffi Graf – ze hebben twee kinderen.

Agassi leerde tennis van zijn vader, Mike Agassi, een bokser die ooit op de Olympische Spelen voor Iran uitkwam. Zoon Andre genoot zijn verdere opleiding op de tennisschool van Nick Bollettieri. Aan het begin van zijn carrière viel hij vooral op door zijn voor die tijd kleurrijke kledingkeuze en lange haardos. Het leverde hem de bijnaam 'The Las Vegas Kid' op. Alleen op Wimbledon paste hij zijn kledingkeuze aan (hoofdzakelijk wit) omdat de organisatie dat van de spelers vereist.

In 1992 won hij zijn eerste grandslamtoernooi op het 'heilige gras' van Wimbledon door in de finale de Kroaat Goran Ivanišević te verslaan. Twee jaar later won hij zijn tweede grandslamtitel op het US Open en het jaar daarop won hij ook het Australian Open. Dat toernooi zou hij in totaal vier keer winnen en daarmee alleen recordhouder worden: hij was in Australië de beste in 1995, 2000, 2001 en 2003. Het US Open won hij twee maal: in 1994 en 1999, het jaar waarin hij geschiedenis schreef.

Hij werd de tweede man in het open tijdperk (vanaf 1968) en de vijfde aller tijden die alle vier grandslam­toernooien op zijn naam wist te schrijven. Hij won Roland Garros door in een beklijvende finale de Oekraïner Andrej Medvedev in vijf sets te kloppen – het werd 1-6, 2-6, 6-4, 6-3 en 6-4.

Op 3 september 2006 speelde hij zijn laatste wedstrijd. Hij verloor in de derde ronde van het US Open 2006 van Benjamin Becker. Het publiek gaf hem na afloop een staande ovatie.

Om het nieuwe uitschuifbare dak op 17 mei 2009 in te huldigen speelde hij nog één keer op Wimbledon in een exhibitiewedstrijd aan de zijde van zijn vrouw Steffi Graf in een dubbelspel tegen de Brit Tim Henman en de Belgische Kim Clijsters. De overwinning ging naar Henman en Clijsters.

Op 28 oktober 2009 werd bekend dat Agassi tijdens zijn loopbaan de drug Chrystal Meth heeft gebruikt. Tevens maakte hij bekend dat zijn woeste haardos een toupet was. Die bekentenissen deed de Amerikaan in zijn in november 2009 uitgegeven autobiografie. In 1997 werd hij ook daadwerkelijk positief bevonden, maar toen wist hij de ATP ervan te overtuigen dat hij het niet opzettelijk had gebruikt.

Tijdens het ATP-toernooi van Newport werd Andre Agassi op 9 juli 2011 opgenomen in de internationale Tennis Hall of Fame.




#Article 3: Groen (partij) (1015 words)


Groen is een Vlaamse, progressieve en groene politieke partij, die 10.000 leden telt (2018). Pacifisme, sociale rechtvaardigheid en ecologie (duurzame ontwikkeling) zijn drie pijlers van het Groen-programma. De partij noemt 'de kwaliteit van leven' de 'groene draad door haar programma'. Groen is een zusterpartij van het Frans- en Duitstalige Ecolo.

Van 1979 tot 15 november 2003 heette de partij 'Agalev'. Daarna werd de naam 'Groen!'. Begin 2012 werd het uitroepteken weggelaten. De huidige voorzitter is Meyrem Almaci.

In 2017 had de partij 9.484 leden en is daarmee de kleinste in het parlement vertegenwoordigde Vlaamse partij wat het aantal partijleden betreft.

Na een korte chaotische periode in de zomer van 2003 neemt Vera Dua het roer over van Dirk Holemans en brengt de rust terug in het groene kamp. De zware klap voor de groenen heeft nog meer gevolgen: honderden nieuwe leden melden zich aan. Intussen wordt er getimmerd aan een nieuw inhoudelijk project. De sleutelwoorden van deze vernieuwde missie zijn solidariteit, lange termijn en grenzen. Om de vernieuwing volop duidelijk te maken voor de buitenwereld kiest men ook voor een nieuwe naam die meer gelijkenis vertoont met die van de andere Europese groene partijen, kortweg Groen!.

Op het congres van november 2003 wordt het partij-jargon nog meer gemoderniseerd: Dua mag zich als eerste groene voorzitter laten noemen in plaats van politiek secretaris. Voor het eerst mogen de groene verkiezingskandidaten ook persoonlijke affiches gebruiken. Ook enkele andere oude principes sneuvelen om efficiënter te kunnen werken. Desalniettemin blijft de uiteindelijke beslissingsmacht bij het ledencongres liggen.

Een aantal bekende gezichten (zoals het Antwerps boegbeeld Fauzaya Talhaoui en de toenmalige minister Ludo Sannen) stapten vóór de verkiezingen van 2004 over naar het kartel sp.a - Spirit.

Groen! kiest voor de verkiezingen van 13 juni voor een gerichte campagne. Met als inzet Vera zoekt… 280.000 mensen worden alle creatieve en weinig kostende middelen ingezet voor een dynamische campagne. Groen! spreekt haar kiezers rechtstreeks aan met de verkiezingsslogan De bal ligt in uw kamp. Het is een spannende campagne, maar op de avond van de verkiezingen blijkt dat Groen! het gehaald heeft: de partij haalt opnieuw scores die ruim boven de kiesdrempel uitsteken: 7,6% voor het Vlaamse, 9,8% voor het Brusselse en 8% voor het Europees Parlement. In Limburg slaagde de partij er echter niet in om de kiesdrempel te halen.

Na de verkiezingen beslist de partij om in de oppositie te gaan. In de periode na de verkiezingen van 2004 keert de rust een beetje weer in de partij. Ondanks het feit dat de financiële en personele gevolgen van de nederlaag van 2003 nog zwaar doorwegen, wordt er gewerkt aan de versterking van de partij met het oog op de volgende jaren. Er wordt sterk geïnvesteerd in inhoud met congressen in 2005 en 2006.

Bij de federale verkiezing in 2007 slaagt Groen! er in terug in Kamer en Senaat te komen.

In 2007 had Groen! vier zetels in de Kamer van volksvertegenwoordigers, twee in de Senaat, zes in het Vlaams Parlement, één in het Brusselse en één in het Europees Parlement. In het Europees Parlement zetelt ex-Volksunie Europarlementariër Bart Staes voor de Europese Federatie van Groene Partijen/Europese Vrije Alliantie; hij vormt daar met het Nederlandse GroenLinks een transnationale fractie.

Op 10 november 2007 werd tijdens een partijcongres een opvolger gekozen voor partijvoorzitster Vera Dua. Tussen zes kandidaten werd Mieke Vogels in twee stemronden verkozen.

Na de Vlaamse verkiezingen op 7 juni 2009 vergrootte Groen! zijn aantal zetels in het Vlaams Parlement van 6 naar 7. Na de Europese verkiezingen die ook op 7 juni gehouden werden, bleef Bart Staes de enige vertegenwoordiger in het Europees Parlement voor de Vlaamse groene partij.

Eind 2009 beslisten zowel Groen! als de Sociaal-Liberale Partij dat SLP voortaan deel zou uitmaken van Groen!. Niet iedereen was daar echter mee akkoord: ex-minister Jef Tavernier en Rita Brauwers, fractieleidster in de Brugse gemeenteraad, verlieten uit onvrede de partij.

In het voorjaar van 2008 werd Wouter Van Besien, die bij de voorzittersverkiezingen tweede was, aangeduid als ondervoorzitter.

Op 11 januari 2012 veranderde de naam Groen! in Groen. De partij nam ook een nieuw logo en een nieuwe ondertitel aan: Werkt voor iedereen.

Voor het eerst slaagt de partij erin op provinciaal niveau deel uit te maken van het bestuur, namelijk in Vlaams-Brabant. Op zaterdag 15 december 2012 legde Luc Robijns de eed af als provinciaal gedeputeerde. Hij werd in september 2014 opgevolgd door Tie Roefs.

Sinds begin 2019 waren milieu en ecologie uitgegroeid tot een van de belangrijkste politieke thema's met bijzonder veel persaandacht voor onder meer de klimaatstakingen en diverse klimaatbetogingen. De partij had de beweging ontstaan rond Anuna De Wever ook van bij de start ondersteund en aangemoedigd. Toen peilingen in het voorjaar van 2019 Groen tot 16% deden pieken, met eventuele uitschieters richting 19% rekening houdend met de foutenmarge, waren de verwachtingen zeer hoog gespannen. Die verwachtingen werden echter niet ingelost: ongeveer 10 procent in het Vlaams Parlement en net geen 10 procent in de Kamer. De partij boekte daarmee een winst van iets meer dan een procentpunt op Vlaams niveau en ongeveer een procentpunt op federaal niveau. Ten opzichte van de lokale verkiezingen van 14 oktober 2018 ging de partij zelfs achteruit. Analisten linkten dit verlies mede aan twee dossiers waar de partij niet lang voor de stemslag in het defensief werd gedrongen: het afschaffen van het fiscaal interessante statuut van de salariswagen enerzijds en het invoeren van een vermogenskadaster anderzijds. Dat laatste werd op basis van de tekst die de partij in de memorie van toelichting neerschreef door Het laatste nieuws omschreven als: Je moet elke fles wijn in je kelder en elk boek in je kast aangeven, wat nuancering verdiende.

Agalev, zoals de partij tot 2003 heette, kende geen echte partijvoorzitter. Zowel het wekelijkse Uitvoerend Comité (partijbestuur) als de maandelijkse Stuurgroep (partijraad) werden voorgezeten door een gespreksleider. Het dagelijks bestuur lag bij de secretaris(sen) enerzijds en de fractieleiders in de parlementen anderzijds. De voorzitter en ondervoorzitter worden door de leden op een congres verkozen voor een termijn van vijf jaar. Zij moeten een verschillende genderidentiteit hebben.

Minister en staatssecretaris van Groen waren:




#Article 4: Anthony Fokker (1063 words)


Antonij Herman Gerard (Anthony) Fokker (Kediri, 6 april 1890 – New York, 23 december 1939) was een Nederlandse luchtvaartpionier en vliegtuigbouwer. Het vliegtuigbedrijf Fokker is naar hem genoemd.

Anthony Fokker, lid van de patriciaatsfamilie Fokker, werd op 6 april 1890 geboren op Java, in het toenmalige Nederlands-Indië, als zoon van de koffieplanter Herman Fokker. Vier jaar later verhuisde de familie naar Haarlem om Tony en zijn oudere zus Toos een Nederlandse opvoeding te kunnen geven, maar Anthony hield het op school niet uit. Hij speelde liever met zijn modeltrein en zijn stoommachine, en verliet de middelbare school voortijdig. Hij vond een lekvrije autoband uit, maar de uitvinding bleek al door een ander gepatenteerd. Een vliegshow in Brussel verlegde zijn interesse. Hij begon vliegtuigmodelletjes te maken en kwam er uiteindelijk achter hoe een vliegtuig stabiel kon worden gemaakt.

In de zomer van 1910 stuurde zijn vader hem naar een technische school te Bingen voor een opleiding in autotechniek. Fokker wilde echter liever vliegen, en besloot naar de Automobil Fach-Schule in Zahlbach bij Mainz te gaan, waar ook een vliegtuig werd gebouwd. Zijn eerste propellervliegtuigje, dat hij in 1910 ontwierp en construeerde, noemde hij De Spin. Hij testte zelf zijn modellen. December 1910 lukte het om er mee te vliegen, maar, niet goed gekleed, liep hij er een longontsteking mee op. Op 31 augustus 1911 gaf hij ter opluistering van Koninginnedag in Haarlem een vliegdemonstratie vanaf het kermisterrein bij de Schoterveense Molen.

In 1912 vertrok Fokker naar Flugplatz Johannisthal, een vliegveld in de buurt van Berlijn, waar hij succesvolle demonstratievluchten maakte en een bedrijf oprichtte, Fokker Aeroplanbau. Hij kreeg er zijn eerste opdracht van 10.000 Mark voor twee vliegtuigen. In de jaren daarop construeerde hij diverse verbeterde vliegtuigen. In 1913 maakte Anthony Fokker zijn eerste looping. Hij was daarmee, na de Rus Pyotr Nesterov, de tweede. Ondanks verwoede pogingen van Fokker om ook vliegtuigen aan Nederland te verkopen, was Nederland alleen geïnteresseerd in Franse en Engelse toestellen. Dat deed Fokker toen definitief besluiten om voor de Duitsers te werken. Die gaven hem alle ruimte en waardeerden zijn werk. Bij het uitbreken van de oorlog werd de fabriek door de staat overgenomen en verplaatst naar Schwerin, waar Fokker aanbleef als directeur. Hij bouwde tijdens de Eerste Wereldoorlog ca. 4.000 vliegtuigen.

Fokker bezocht het front en bezorgde de Duitsers een nagenoeg oppermachtige positie in de lucht, dankzij zijn revolutionaire synchronisatiesysteem. Door dit systeem werd de mitrailleur door een simpele op de propelleras gemonteerde nok geblokkeerd zodra een propellerblad zich voor de loop bevond. Dit zorgde ervoor dat men bij verschillende toerentallen van de propeller toch recht naar voren kon schieten zonder de propeller te raken. De Entente (Frankrijk en Engeland) vloog met metalen plaatjes op de propellers om de afgeschoten kogels af te doen ketsen. Het systeem van Fokker was vele keren effectiever dan dat van de geallieerden.

Het eerste bekende en succesvolle vliegtuig dat Fokker produceerde, was de Fokker Eindecker, met de gesynchroniseerde mitrailleur. Deze techniek paste hij ook toe op twee zeer succesvolle vliegtuigen, de Dr.I Dreidecker en de D.VII. De Duitsers vroegen Anthony Fokker om de productie grootscheeps aan te pakken, waarop in zijn fabriekshallen in Schwerin duizenden arbeiders werden ingezet die tientallen toestellen per dag bouwden.

Fokker raakte bevriend met de grote man van de Duitse oorlogsvliegers, Manfred von Richthofen, bijgenaamd de Rode Baron. De Fokker Dr.I werd vooral bekend toen Von Richthofen met dit toestel ging vliegen. De Fokker D.VII wordt beschouwd als het beste vliegtuig uit de hele Eerste Wereldoorlog. De geallieerden waren zo beducht dat ze aan het eind van de oorlog eisten dat alle D.VII’s vernietigd of ingeleverd werden. Ongeveer 140 vliegtuigen werden naar de Verenigde Staten verscheept.

In 1919 keerde Anthony Fokker met een trein vol D.VII's en reserveonderdelen terug in Nederland en sloot zich aan bij de N.V. Trompenburg. Op 21 juli 1919 richtte hij de Nederlandse Vliegtuigenfabriek op. Dit kon hij doen met steun van zijn familie, de Steenkolen Handels Vereniging (SHV) (eigendom van de families Van Beuningen en Fentener van Vlissingen) en enkele rijke particulieren.

Hij trouwde op 25 maart 1919 in Haarlem met Sophie Marie Elisabeth von Morgen, dochter van generaal Curt von Morgen. Dit huwelijk strandde na vier jaar.

In 1922 vertrok Fokker naar de Verenigde Staten, waar hij zich tot Amerikaan liet naturaliseren. Al in 1923 begon hij ook daar met een eigen vliegtuigfabriek die uiteindelijk de grootste ter wereld werd. Er was interesse om in zijn bedrijf te investeren, en General Motors Company kocht 40 procent van de aandelen. Van het Amerikaanse leger stroomden de opdrachten binnen. Ingenieurs van GM vonden echter dat Fokker er wel erg conservatieve constructiemethodes op na hield. Dat zou uiteindelijk ook zijn zwaktepunt worden: terwijl andere vliegtuigbouwers technische vernieuwing nastreefden, zoals geheel metalen vliegtuigen, borduurde Fokker voortdurend door op bestaande ontwerpen. Fokker zou daardoor uiteindelijk uit de markt worden gedrukt. Daarom werd Anthony Fokker op een zijspoor gezet.

Hij hertrouwde in juli 1927 in New York met Violet Austman, die anderhalf jaar later overleed na een sprong uit het raam van haar appartement.

Fokker keerde terug naar Nederland. Zijn Nederlandsche Vliegtuigenfabriek draaide slecht omdat er geen behoefte meer was aan zijn hout-en-linnen vliegtuigen, en overleefde omdat met de dreiging van de fascistische dictatuur in Duitsland behoefte ontstond aan militaire toestellen. Door de verkooprechten voor Douglas passagiersvliegtuigen in Europa te verwerven verdiende hij meer dan ooit. In 1937 kocht hij een huis in Amerika en besteedde zijn tijd aan het ontwerpen van jachten.

Anthony Fokker overleed op 49-jarige leeftijd als gevolg van complicaties na een operatie aan zijn neusbijholten. Zijn as werd bijgezet in het familiegraf op de begraafplaats Westerveld in Driehuis.

Anthony Fokker kreeg de bijnaam The flying Dutchman. In 1957 verscheen de biografische film De Vliegende Hollander over zijn leven, met Ton Kuyl als Fokker. In de Amerikaanse oorlogsfilm Von Richthofen and Brown uit 1971 werd hij geportretteerd door Hurd Hatfield. In de televisieserie Vliegende Hollanders (2020) wordt de rol van de jonge Anthony Fokker vertolkt door Bram Suijker en de oudere door Fedja van Huêt. Naar het scenario van deze serie schreef Chris Houtman een gelijknamige roman (2020). In de Vlaamse stripreeks Suske en Wiske wordt Tante Sidonia in het album De briesende bruid naar de periode rond de Eerste Wereldoorlog geflitst. Daar ontmoet ze Anthony Fokker met wie ze hoopt een relatie te kunnen beginnen. Hij is echter meer geïnteresseerd in zijn vliegtuig.




#Article 5: Albert Plesman (240 words)


Albert Plesman ('s-Gravenhage, 7 september 1889 – aldaar, 31 december 1953) was een Nederlands luchtvaartpionier en de eerste president-directeur van de KLM.

Plesman werd geboren als zoon van een eierenhandelaar te 's-Gravenhage. Toen Plesman dertien jaar oud was, overleed zijn moeder.

Hij trouwde op 27 december 1917 met Susanna Jacoba (Suus) van Eijk (1895–1974), dochter van een kaasfabrikant te Gouda. Uit dit huwelijk werden een dochter en drie zoons geboren.

Plesman was in 1915 gelegerd te Soesterberg, waar hij als beroepsofficier bij de gemobiliseerde Luchtvaartafdeeling der Koninklijke Landmacht (LVA) in 1918 zijn militaire vliegbrevet behaalde.

Plesman was mede-organisator van de Eerste Luchtverkeer Tentoonstelling Amsterdam die van 1 augustus tot 14 september 1919 gehouden werd. Er kwamen 800.000 bezoekers op af. Voor deze gelegenheid waren expositiehallen gebouwd, die na het evenement in gebruik werden genomen door Anthony Fokker, voor zijn nieuw op te richten Nederlandsche Vliegtuigenfabriek, het latere Fokker, te Amsterdam-Noord.

Al deze activiteiten leidden op 7 oktober 1919 tot de oprichting van de N.V. Koninklijke Luchtvaart Maatschappij voor Nederland en Koloniën (KLM), waarvan Plesman eerst administrateur en later directeur werd. Na de Tweede Wereldoorlog werd Plesman benoemd tot president-directeur van de KLM. Na het herstel van de door de oorlog geleden schade werd het bedrijf onder zijn leiding een luchtvaartmaatschappij van grote allure.

Plesman stierf in 1953 in zijn geboortestad aan een hart- en vaatziekte.

Twee zonen van Plesman vonden de dood tijdens de uitoefening van hun vak als piloot. 




#Article 6: Alan Turing (640 words)


Alan Mathison Turing (Maida Vale (Londen), 23 juni 1912 – Wilmslow, 7 juni 1954) was een Britse wiskundige, computerpionier en informaticus, mathematisch bioloog en logicus.

Alan Turing was het tweede kind van Julius Mathison en Ethel Sara Turing. Hij had één oudere broer: John Turing. Julius werkte voor de Indian Civil Service, die hem in Brits-Indië plaatste. Daar ontmoette hij Ethel, met wie hij later in het huwelijk trad. Door de overzeese tewerkstelling van hun vader groeiden Alan en John op in verschillende pleeghuizen. In die pleeghuizen werden originaliteit, wetenschap en expressie ontmoedigd. Desondanks las Turing in zijn jeugd het boek Natural Wonders Every Child Should Know, waarover hij later zei dat het een grote invloed op hem had gehad.

In juni 2012 liet de Turingexpert Jack Copeland op een congres weten dat Turings dood een ongeluk kan zijn geweest. De appel zou, volgens deze bron, nooit op cyanide zijn onderzocht. Bovendien waren er in Turings gedrag kort voor zijn dood geen aanwijzingen dat het niet goed met hem ging. Ook is bekend dat Turing thuisexperimenten met cyanide uitvoerde, waarbij hij slordig met dit materiaal zou zijn omgegaan. In ieder geval bleek een blootstelling aan cyanide bij de autopsie de doodsoorzaak.

In zijn (niet getrouw verfilmde) Turing-biografie brengt wiskundige en schrijver Andrew Hodges de mogelijkheid naar voren dat Turing inderdaad zelfmoord heeft gepleegd, maar zijn 'experimenten' gebruikte om voor zijn moeder de gedachte open te laten dat zijn dood een ongeval was.

Anno 2009 gingen er stemmen op in het Verenigd Koninkrijk die pleitten voor een postuum eerherstel. In september dat jaar heeft premier Gordon Brown namens de regering postuum excuses aangeboden aan Alan Turing.

In het plaatsje Ipswich is door een vriend van Alan (Chrispin Rope) een fors herdenkingsmonument opgericht, waarin door de vormgeving de wiskunde tot uiting komt. De Zweedse schrijver David Lagercrantz schreef in 2009 een biografische thriller over Turing,´´Syndafall i Wilmslow´´, waarvan de Nederlandse vertaling in 2016 verscheen met als titel De val van Turing.

Op 24 december 2013 verleende koningin Elizabeth II Alan Turing gratie en werd zijn veroordeling wegens homoseksualiteit uit de boeken geschrapt.

De Bank of England maakte op 15 juli 2019 bekend dat het portret van Alan Turing op het 50 pond biljet zal verschijnen vanaf eind 2021. Hiermee zal Turing de wetenschappers Matthew Boulton en James Watt van het biljet verstoten die daarop stonden afgebeeld vanaf 2 november 2011. Turing is uitgekozen uit een shortlist van 12 mogelijke kandidaten te weten: Mary Anning, Paul Dirac, Rosalind Franklin, Stephen Hawking, William  Caroline Herschel, Dorothy Crowfoot Hodgkin, Ada Lovelace  Charles Babbage, James Clerk Maxwell en Srinivasa Ramanujan.

Alan Turing heeft tijdens zijn leven veel belangrijk werk verricht. Het belangrijkst zijn zonder twijfel zijn theoretische vorderingen op het gebied van de berekenbaarheid geweest, en de turingmachine, een mechanisch model van berekening en berekenbaarheid en daarmee een model voor een computer.

Het bekendst bij het grote publiek is de turingtest, en zijn betrokkenheid bij het kraken van de Enigma-code (waardoor de Britten tijdens de Tweede Wereldoorlog op de hoogte zijn geweest van de locaties van de onderzeeërs van de Duitsers).

In de jaren 80 schreef Hugh Whitemore Breaking the Code, een toneelstuk over het leven van Alan Turing. In 1989 werd de Nederlandse versie (De verbroken Code) in de regie van Jo Dua op de planken gebracht. De hoofdrol werd gespeeld door Willem Nijholt. In de Londense versie werd de hoofdrol vertolkt door Derek Jacobi.

In 2001 werd het kraken van de code verfilmd onder de titel Enigma, gebaseerd op de roman Enigma uit 1995 van Robert Harris. In deze film speelde Dougray Scott de rol van de briljante wiskundige Thomas Jericho, maar die rol was gebaseerd op de figuur van Alan Turing.

In 2014 kwam de Brits-Amerikaanse film The Imitation Game uit over het leven van Turing. Hij wordt hierin gespeeld door Benedict Cumberbatch.




#Article 7: Algoritme (1044 words)


Een algoritme is een recept om een wiskundig of informaticaprobleem op te lossen. Wiskundig geformuleerd is het een eindige reeks instructies die vanuit een gegeven begintoestand naar een beoogd doel leidt. De term algoritme is afkomstig van het Perzische woord Gaarazmi: خوارزمي, naar de naam van de Perzische wiskundige Al-Chwarizmi. Algoritmen staan in beginsel los van computerprogramma's, al worden voor de uitvoering van algoritmen vaak computers gebruikt.

Het doel van een algoritme is een probleem oplossen, met een duidelijk resultaat. De instructies kunnen in het algemeen omgaan met eventualiteiten (fouten, datakwaliteitsproblemen, inconsistenties, randeffecten) die bij het uitvoeren kunnen optreden. Algoritmen hebben in het algemeen stappen (sequentie) die zich kunnen herhalen (iteratie) of die beslissingen (logica of vergelijkingen) vereisen om de taak te voltooien.

Eenzelfde taak kan gewoonlijk op verschillende manieren worden opgelost. Het verschil ligt dan meestal in de hoeveelheid tijd, ruimte of inspanning die het algoritme vergt; dit kan een indicatie zijn voor de complexiteit of de efficiëntie van het algoritme. Bij het correct uitvoeren van een computerprogramma is het belangrijk dat het algoritme inderdaad de beoogde functie uitvoert en dat het algoritme goed door het computerprogramma wordt uitgevoerd. Eventuele fouten of problemen moeten hierbij worden gerapporteerd.

Algoritmen in formele systemen zijn essentieel voor bijvoorbeeld de manier waarop computers informatie verwerken, omdat een computerprogramma een formeel algoritme is dat de computer vertelt welke specifieke stappen in een specifieke volgorde uitgevoerd moeten worden om een bepaald eindresultaat te bereiken. Een groter probleem wordt opgesplitst in meerdere deelproblemen.

In het algemeen wordt bij algoritmen informatie verwerkt; de informatie (data) wordt gelezen van een invoerapparaat en weggeschreven naar een uitvoerapparaat; de informatie kan ook bewaard worden voor later. Opgeslagen data worden bij het analyseren van algoritmen gezien als de interne toestand van het apparaat dat het algoritme uitvoert.

Voor elk rekenkundig proces moet een algoritme nauwkeurig gedefinieerd worden: het specificeert namelijk hoe het apparaat zal reageren op elke mogelijke invoer en interne toestand. Omdat een algoritme een exacte lijst is met exacte stappen, is de volgorde waarin de berekening gebeurt kritisch voor het correct functioneren van het algoritme. Uniek aan het concept van formele algoritmen is de toewijzing van een waarde aan een variabele. Dit komt voort uit de notie van het geheugen als werkruimte.

Waar een algoritme de beschrijving is van een oplossing van een probleem, is een computerprogramma (in een of andere programmeertaal) de implementatie van dat algoritme. Een algoritme voor een berekening met reële getallen kan bijvoorbeeld uitgaan van exacte berekeningen, terwijl de implementatie bepaalt hoe groot de afrondfouten kunnen zijn. De nauwkeurigheid van het eindresultaat kan (bij gelijkwaardige wijze van afronden van tussenresultaten) wel van het algoritme afhangen, dus bij het ontwerp van het algoritme moet er vaak al rekening mee worden gehouden dat er in de implementatie niet exact gerekend wordt. Dit geldt overigens niet alleen bij computergebruik, maar ook bij een handberekening met tussentijdse afrondingen.

Grotere systemen en algoritmen worden opgesplitst in deelsystemen, modules, functies en statements, waarbij het ontwerp top-down of bottom-up wordt verwezenlijkt. In principe is het algoritme onafhankelijk van de fysieke implementatie op een bepaald computersysteem. Toch kan er in het ontwerp rekening (moeten) worden gehouden met een bepaalde architectuur. In dat geval worden de specifieke functies in een afzonderlijke module ondergebracht. Als het systeem moet worden vervangen blijven de wijzigingen beperkt tot een enkele module.

De verschillende manieren om tegen een probleem aan te kijken en het te beschrijven hebben in de loop van de jaren ook verschillende vormen van programmeren opgeleverd: imperatief programmeren, objectgeoriënteerd programmeren, aspectgeoriënteerd programmeren, logisch programmeren, symbolisch programmeren, functioneel programmeren.

In imperatief programmeren worden instructies expliciet opgeschreven, waarbij de berekening bovenaan begint en vervolgens stap voor stap naar beneden verloopt. Dit heet de control flow van een algoritme.

Een andere manier om tegen algoritmen aan te kijken is functioneel programmeren. In programma's van dit type worden algoritmen gezien als wiskundige functies die elkaar kunnen aanroepen. Diezelfde functies kunnen ook aan variabelen worden toegewezen en zelfs als parameter in een functieaanroep gebruikt worden.

Een voorbeeld van een algoritme is het algoritme van Euclides, dat de grootste gemene deler van twee strikt positieve getallen in de variabelen a en b geeft. De informele beschrijving van dit algoritme is als volgt:

In pseudocode:

 function ggd(a,b)
   if a = b
     return a
   else if a  b
     return ggd(a, b-a)
   else
     return ggd(a-b, b)
 end

Dit algoritme is recursief.

Het woord algoritme is een verbastering van het Oudengelse woord algorism, dat van het Latijnse woord algorismus komt, dat weer voortkomt uit de naam van de Perzische wiskundige Al-Chwarizmi (ca. 780 - ca. 845). Hij was de auteur van het boek al-Kitab al-mukhtasar fi hisab al-jabr w'al-muqabala (Boek van de beknopte rekenkundige algebra en handelsbalans) dat de algebra in de Westerse wereld introduceerde. Het woord algebra zelf komt van al-Jabr uit de titel van het boek. Het woord algorisme verwees oorspronkelijk alleen naar de regels voor het rekenen met Arabische cijfers, maar was in de 18e eeuw naar algoritme geëvolueerd. Het woord algoritme wordt nu gebruikt voor alle eindige procedures om problemen op te lossen of taken uit te voeren.

Het eerste voor een computer geschreven algoritme is te vinden in de notities van Ada Byron over de analytische machine, geschreven in 1842. Daarom wordt zij wel als 's werelds eerste computerprogrammeur beschouwd.

Het ontbreken van wiskundige strengheid in de definitie van een goed gedefinieerde procedure voor een algoritme vormde een probleem voor de wiskundigen en logici van de 19e en begin 20e eeuw. Dit probleem werd grotendeels opgelost met de beschrijving van de turingmachine, een abstract model van een computer, door Alan Turing, en de demonstratie dat elke tot dan toe gevonden methode om goed gedefinieerde procedures te beschrijven op een turingmachine uitgevoerd kon worden (een uitspraak die wel bekend is als de stelling van Church-Turing).

Tegenwoordig is het formele criterium voor een algoritme dat het een procedure is die geïmplementeerd kan worden op een volledig gespecificeerde turingmachine, of een van de equivalente formalisaties. Turings eerste interesse lag bij de berekenbaarheidstheorie: welke functies en problemen kunnen met een algoritme opgelost worden. In de praktijk is ook de complexiteitstheorie van belang, waarbij het niet gaat om de vraag welke functies berekenbaar zijn, maar om de vraag of het kan worden opgelost, en hoe efficiënt de oplossing dan is.




#Article 8: Alpen (5145 words)


De Alpen (van Latijn Alpes, van de stam alb- = wit) zijn een bergketen in Europa, die zich uitstrekt van de Franse Middellandse Zeekust in het zuidwesten tot de Pannonische vlakte in het oosten. De oppervlakte van het gebergte is meer dan 200.000 km². De Alpen spreiden zich over acht staten: Oostenrijk (29%), Italië (27%), Frankrijk (21%), Zwitserland (13%), Duitsland (5,8%), Slovenië (3,5%), Liechtenstein (0,08%) en Monaco (0,001%). Er kan echter gesteld worden dat Hongarije hier ook toe behoort, aangezien het op zijn grens gelegen Ödenburgergebergte ook wel tot de Alpen wordt gerekend. In totaal wonen er tegen de 13 miljoen mensen in de gehele Alpen.

De Alpen worden begrensd door de Golf van Genua, de Rhônevlakte, de Povlakte, de Zwitserse Hoogvlakte, het Alpenvoorland van Beieren en de Kleine Hongaarse Laagvlakte. De boog van de Alpen begint bij de Golf van Genua, waar het gebergte oostwaarts overgaat in de Apennijnen. Vanaf hier loopt het gebergte naar het noorden, om dan oostwaarts rond de Povlakte om te buigen. In deze ombuiging komen de Alpen samen met de Jura om dan verder naar het oosten geleidelijk lager te worden. Bij Wenen zijn de Alpen gescheiden van de geologisch verwante Karpaten door het Bekken van Wenen.

Slechts in het westen van de Alpen liggen toppen boven de 4000 meter. De hoogste top is de Mont Blanc (4810 m) en daarnaast zijn er 128 toppen hoger dan 4000 meter. De Alpen is een relatief jong gebergte, gevormd tijdens de Alpiene orogenese in het Tertiair. In de Alpen ontspringen vele grote rivieren van Europa, zoals de Rhône, de Rijn, de Po en de Inn.

De Alpen vormen een belangrijke klimatologische en geografische barrière in Europa. Ze vormen de waterscheiding tussen het noorden en zuiden van Europa en scheiden het mediterrane klimaat van Zuid-Europa van de door de Atlantische Oceaan beïnvloede gematigde klimaten van Noord- en Midden-Europa. Sinds de prehistorie vormen de Alpenpassen belangrijke verbindingen tussen Zuid- en Noord-Europa.

De Alpen zijn het grootste en hoogste gebergte van West-Europa. De naam heeft oorspronkelijk betrekking gehad op de veeweiden op de niet te steile en rotsige berghellingen. Men spreekt in de Duitstalige alpine gebieden trouwens nog van Ätzalpen (zomerweiden) en Heualpen (schralere graslanden die uitsluitend of hoofdzakelijk als hooiland worden gebruikt). Daarnaast kent men onder meer Sennalpen (bergweiden voor melkvee dat gehouden wordt ten behoeve van de bergkaasbereiding) en Galtalpen.

Het hoogste punt van de Alpen is de 4810 meter hoge Mont Blanc, letterlijk ‘witte berg’ dankzij de eeuwige sneeuw op de top van de berg. Andere bekende alpen-reuzen zijn de Matterhorn, Zugspitze, Eiger en Großglockner. Vele grote rivieren ontspringen in de Alpen, de belangrijkste zijn: de Rhône, de Rijn en de Po. Bovendien wordt de Donau voor een belangrijk deel gevoed door Alpenrivieren. Daarnaast zijn er in de Alpen en in de directe nabijheid daarvan vele meren, de grootste zijn: het Meer van Genève, het Bodenmeer, het Gardameer en het Lago Maggiore.

De Alpen worden verdeeld in oostelijke en westelijke Alpen, waarbij de grens op de lijn Bodenmeer-Chur-Splügenpas-Comomeer ligt. Daarnaast worden de oostelijke Alpen van noord naar zuid in drie groepen ingedeeld: de Noordelijke Kalkalpen, de Centrale Alpen en de Zuidelijke Kalkalpen. Rond de 'echte' Alpen liggen verschillende bergmassieven die men kent als de Voor-Alpen. Afhankelijk van de definitie van de Alpen worden deze Voor-Alpen al dan niet tot de Alpen gerekend.

Als meest zuidwestelijke pas van de 'echte' Alpen wordt de Tendapas genomen. Een andere mogelijke scheiding is de grens tussen Alpen en Apennijnen bij de Cadibonapas. Tussen beide liggen de Ligurische Alpen.

Het oostelijke einde van de 'echte' Alpen op de kam van de Niedere Tauern wordt soms bij de Radstädter Tauernpas, de Schoberpas (849 m) of op de Leopoldsberg bij Wenen gelegd. De Schoberpas markeert het oostelijke einde van de Niedere Tauern. Aan de oostzijde wordt naast de hoofdkam over de Hohe en Niedere Tauern soms een tweede hoofdkam naar de Julische Alpen onderscheiden. Deze laatste verloopt vanaf de Dreiherrnspitze via het Toblachzadel en de Camporossopas naar de Julische en Kamnische Alpen. 

Volgens de conventies van de UIAA zijn er in totaal 100 toppen in de Alpen boven de 4000 meter, zogeheten vierduizenders. De hoogste Alpentop is de Mont Blanc, waarvan de eerste meting in 1775 een hoogte van 4775 meter aangaf. Sinds de nieuwste metingen in 2013 is de berg officieel 4810 meter en 2 centimeter hoog. De Mont Blanc ligt op de Frans-Italiaanse grens, vlak bij Chamonix-Mont-Blanc in de Franse Alpen. De Mont Blanc werd lange tijd beschouwd als hoogste berg van Europa, maar sinds de Kaukasus tot Europa gerekend wordt, valt die eer ten deel aan de Elbroes (5642 m).

De hoofdkam van de Alpen loopt gelijk met de waterscheiding tussen verschillende stroomgebieden. Dit zijn voornamelijk de stroomgebieden van vier grote Europese rivieren: de Rhône, Rijn en Donau aan de noordzijde en de Po aan de zuidzijde. Belangrijke zijrivieren van deze stromen die in de Alpen ontspringen zijn de Durance, Drac, Isère, Voor-Rijn, Achter-Rijn, Ticino, Inn, Drau, Salzach, Enns en Mur. Andere stroomgebieden van rivieren die rechtstreeks in de Middellandse Zee uitmonden zijn die van de Roya en de Var in het zuidoosten van Frankrijk en dat van de Adige en de Piave in het noordoosten van Italië.

Tussen de Pizzo Pesciora en de Lunghinpas vormt de hoofdkam van de Alpen eveneens de Europese waterscheiding tussen de Atlantische Oceaan (Rijn) in het noorden en de Middellandse Zee (Rhône, Po en Donau) in het zuiden.
De Pizzo Pesciora (eigenlijk een wat lagere top even ten noorden ervan) vormt het tripelpunt tussen de stroomgebieden van de Rhône, Rijn en Po. De Lunghinpas vormt een drievoudige waterscheiding tussen Rijn, Donau en Po. Ten westen van de Pizzo Pesciora en ten oosten van de Lunghinpas stromen beide zijden van de Alpen af naar de Middellandse Zee.

De Alpen vormen een onderdeel van een Tertiaire gordel van gebergtes die langs de zuidelijke grens van de continenten Europa en Azië loopt. Deze gordel van gebergtes werd gevormd tijdens de Alpiene orogenese. De gordel lijkt niet continu door te lopen, er zitten gaten tussen bijvoorbeeld de Alpen en de Karpaten. Gebergtevorming heeft wel degelijk overal plaatsgevonden, maar latere tektonische daling van de tussengelegen stukken lithosfeer heeft ervoor gezorgd dat de bergen niet continu doorlopen.

De Alpen zijn ontstaan als gevolg van platentektoniek, om precies te zijn het naar elkaar bewegen van de Afrikaanse en Euraziatische tektonische platen, waardoor het stuk van de lithosfeer dat Italië bevat als het ware in Europa gedrukt werd. Dit gebeurde in een aantal fasen, te beginnen in het Krijt (rond 110 miljoen jaar geleden) en met het hoogtepunt tijdens het Paleogeen, zo'n 50 tot 35 miljoen jaar geleden. Ook tegenwoordig gaat het naar elkaar toe bewegen van de platen nog door.

Tijdens gebergtevorming worden delen van de aardkorst omhoog gestuwd, geplooid en over elkaar geschoven. In de centrale zone van het gebergte, waar de twee platen aan elkaar grenzen, bewegen stukken lithosfeer diep de aardmantel in (dit proces noemt men subductie). Sommige van deze delen komen daarna weer omhoog, maar hebben bij hun reis door de diepte metamorfose ondergaan, verandering van de mineralen waaruit het gesteente bestaat.

Net als andere gebergten hebben de Alpen een opbouw met een centrale zone in het midden en aan weerszijden een voorland en een achterland. De centrale zone bestaat uit metamorfe gesteenten uit de diepere delen van de continenten en fragmenten van de aardmantel of van de ooit tussen de twee continenten gelegen oceaankorst. Dit zijn voornamelijk gneisen en schisten.

De randen van de continenten werden voor de gebergtevorming, in het Jura en Krijt, bedekt met warme ondiepe binnenzeeën, waar veel organismen leefden die skeletjes uit kalk opbouwden. De randen van de continenten waren daarom bedekt met dikke lagen kalksteen. Tijdens de vorming van de Alpen werd deze kalksteen omhoog gestuwd, geplooid en over elkaar geschoven. Tegenwoordig vormen de dikke lagen kalksteen de Noordelijke en Zuidelijke Kalkalpen aan weerszijden van de centrale zone.

Ten slotte liggen aan zowel de zuidelijke als noordelijke flank van de Alpen grote bekkens, waar de aardkorst onder het gewicht van het gebergte naar beneden beweegt. Hier verzamelde zich veel erosiemateriaal uit het gebergte in de vorm van sediment. In het zuiden is dit het Pobekken, in het noorden het Molassebekken in Zwitserland en Zuid-Beieren.

Het reliëf van bergen en dalen is vergeleken met deze processen relatief nieuw. Het werd voornamelijk gevormd in het Kwartair (de laatste 2,5 miljoen jaar), tijdens diverse perioden van flinke vergletsjering (glacialen), waarbij niet alleen de Alpen, maar ook omliggende gebieden bedekt waren met gletsjers. In het gebergte hebben de gletsjers diepe trogdalen uitgesleten en materiaal uit het gebergte meegevoerd naar de vlakkere gebieden in het voor- en achterland. Voorbeelden van door gletsjers gevormde dalen zijn de grote meren van Noord-Italië.

Een gedetailleerde beschrijving van het klimaat van de Alpen kan moeilijk worden gegeven, omdat de plaatselijke invloeden heel sterk zijn. Deze hangen van verschillende omstandigheden af, zoals de hoogte, de ligging, in een dal of tegen een helling, waarbij het verder van belang is of het dal noord-zuid, dan wel oost-west loopt en in welke richting de helling ligt. Als gevolg van zo veel uiteenlopende situaties kunnen de klimaten van dicht bij elkaar liggende plaatsen sterk verschillen. Toch kunnen wel enkele redelijke algemeen geldende klimatologische kenmerken worden gegeven.

's Winters bevindt zich boven de Alpen veelal een gebied van hoge luchtdruk, dat in het algemeen wordt versterkt door de lage temperaturen in het gebergte. Onder deze omstandigheden vindt, vooral gedurende de nacht, door uitstraling sterke afkoeling plaats, vooral in de dalen. Daardoor komt het, dat de temperaturen daar dan belangrijk lager zijn dan op enige hoogte langs de hellingen. Door de lage temperaturen ontstaan in die dalen dan vaak mist en laaghangende wolken, terwijl de hoger gelegen gedeelten van de hellingen en ook de toppen geheel vrij van wolken zijn. Dit is o.a. een gevolg van de dalende beweging die de lucht in een hogedrukgebied gewoonlijk ondergaat.

In de zomermaanden ligt de hoge druk in het algemeen iets verder naar het noorden. Door de zonnestraling bereikt de temperatuur in de dalen, vooral in die naar het zuiden open liggen, althans overdag hoge waarden, terwijl het langs de hellingen betrekkelijk koel blijft. De atmosfeer wordt daardoor onstabiel, warme lucht stroomt tegen de hellingen omhoog en als gevolg daarvan vormen zich langs deze hellingen en om de toppen wolken, die eventueel kunnen uitgroeien tot cumulonimbus (een grote stapelwolk) waarin buien en onweer tot ontwikkeling komen, die na enige tijd tot de dalen kunnen doordringen. Uit het bovenstaande volgt, dat 's winters op grote hoogte in het algemeen meer zonneschijn zal worden aangetroffen dan in de dalen, terwijl 's zomers juist de hoger gelegen plaatsen de minste zonneschijn zullen hebben. Lente en herfst vormen overgangsjaargetijden waarin er weinig verschil tussen hoog en laag gelegen plaatsen bestaat wat de zonneschijnduur betreft.

Met betrekking tot de temperatuur kan men stellen, dat het 0,58 °C kouder wordt per 100 m hoogtetoename. Op 1000 m hoogte hebben ca. 200 dagen per jaar een gemiddelde temperatuur van ten minste 5 °C, terwijl op 2000 m hoogte dit nog bij ca. 125 dagen het geval is.

Neerslag is meestal gebonden aan storingen, die hetzij ten noorden, hetzij ten zuiden van de Alpen van west naar oost trekken. Een gevolg hiervan is, dat de totale neerslag in deze richting in het algemeen afneemt. Door opstuwing valt de neerslag vooral tegen de berghellingen, met name tegen de noord- en zuidhellingen. De dalen, in het bijzonder de lengtedalen, zijn daardoor relatief droog. De minste neerslag valt in het dal van de Rhône, minder dan 600 mm per jaar; tegen de hellingen van de Walliser Alpen, op een afstand van ongeveer 30 km, wordt ongeveer de grootste neerslag uit het gehele gebied aangetroffen, meer dan 3200 mm. Of de neerslag als sneeuw of als regen valt hangt geheel af van de temperatuur. In de zomer bestaat de neerslag vaak in de hogere niveaus uit sneeuw, beneden uit regen.

In het zuidelijk gedeelte van de Alpen valt de neerslag vooral in de vorm van hevige buien met een maximum in het najaar. In het noordelijk gedeelte is de neerslagintensiteit gewoonlijk kleiner maar duurt de neerslag langer, met name gedurende de winter. Hoewel in de zomer ook daar buien voorkomen, is de veranderlijkheid van de neerslag van jaar tot jaar er toch gewoonlijk kleiner dan in het zuiden.

De wind is in de Alpen in het algemeen zwak. Plaatselijk kan echter de lucht met grote snelheid over de passen en door gunstig gelegen dalen stromen. Een bekend voorbeeld is de Tauernwind, een koude noordelijke wind ten noorden van Lienz. Overigens treft men in de dalen gewoonlijk een dagelijkse gang van de windrichting aan, waarbij de lucht overdag dalopwaarts stroomt en 's nachts in de tegengestelde richting.
Een opvallend windverschijnsel is de föhn, die als warme valwind grote snelheden kan vertonen en in het algemeen een sterk buiig karakter heeft. Men kan onderscheid maken tussen noordföhn en zuidföhn, resp. een noordelijke wind die vooral in de zuidelijke en een zuidelijke wind die vooral in de noordelijke Alpendalen voorkomt. De laatste is het meest opvallende verschijnsel omdat hij tot de sterkste temperatuurstijgingen aanleiding geeft, vaak 10 °C binnen 24 uur, in extreme gevallen zelfs meer dan 20 °C. Noordföhn is in het algemeen iets frequenter dan zuidföhn. Zo komt de eerste plaatselijk in de zuidelijke Alpen op ruim 70 dagen per jaar voor, terwijl zuidföhn gewoonlijk op 30 tot 50 dagen per jaar wordt waargenomen. Föhn komt het meest in het voorjaar voor, ongeveer 35% van het totaal aantal gevallen. Tijdens föhnsituaties ontwikkelen zich aan de lijzijde van de bergruggen vaak de zogenaamde lenticulariswolken, die gewoonlijk neerslag binnen 24 uur aankondigen.

Het belangrijkste klimatologische aspect van de Alpen is zonder twijfel het feit dat zij door hun west-oost-ligging de klimaatscheiding tussen Centraal-Europa en het Middellandse Zeegebied vormen. Speciaal geldt dat koude (en dus zware) uit de poolstreken afkomstige lucht op haar weg naar het zuiden door de gemiddeld ongeveer 2000 m hoge muur wordt tegengehouden of althans afgeremd. Hier ligt een van de belangrijkste oorzaken voor het klimaatverschil tussen bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Zuid-Europa. Vergelijk New York en Napels, beide op ca. 41° breedte, met juli- en januaritemperaturen van 23 en 24 °C, resp. -1 en +8 °C. Voor zover koude polaire lucht tot het Middellandse Zeegebied doordringt, stroomt zij gewoonlijk ten westen van de Alpen naar het zuiden.

Het WWF telt vrijwel het hele gebied tot de ecoregio PA0501.
Toch verschilt de natuur van de Alpen sterk tussen noord en zuid: terwijl de noordelijke Alpen tot de bioom der winterkoude gebergten met bladverliezend bos behoren (zonobioom IV) behoren de zuidelijke Alpen tot de mediterrane zonobioom VI. Daartussenin ligt de sterk continentale begroeiing in de dalen van de centrale Alpen. De natuur in gebergten varieert sterk naar hoogte en wordt ingedeeld in zones met elk hun specifieke vegetatie en soorten. Deze zones liggen in het zuiden, waar het klimaat warmer is, hoger dan in het noorden. In het centrale deel van de Alpen liggen ze ook hoger dan aan de randen.

In de colline zone, die in de Alpen tot ongeveer 400 meter hoogte ligt, komen van nature dezelfde soorten voor als in omringend laagland. Wanneer men iets hoger komt beginnen de submontane en montane zones, waar naaldbos groeit. De soorten die hier voorkomen zijn vergelijkbaar met de boreale zone op hogere breedtegraad.

In de noordelijke Alpen (de zogenaamde Helvetische zone) is de volgorde van laag naar hoog: eerst zomereiken, daarna beuken en ten slotte fijnsparren. In de drogere centrale (of Penninische) zone van de Alpen is de volgorde: grove dennen, fijnsparren en daarboven lorken en alpendennen. Aan de zuidkant van de Alpen (de Insubrische Zone) komen lager steeneiken voor, daarboven tamme kastanjes en Griekse eiken, daarboven zomereiken en ten slotte beuken.

Nog hoger, tussen de 1400 en 2200 meter hoogte, bevindt zich de boomgrens met daarboven de subalpiene, alpiene en nivale zones. Elke zone kent zijn eigen natuurlijke begroeiing en soorten. De boomgrens ligt in de centrale Alpen gemiddeld 400 tot 600 meter hoger dan aan de rand van de Alpen en varieert sterk in hoogte, ook omdat ze door menselijk ingrijpen vaak naar beneden verschoven is. De alpenweiden worden gebruikt om vee op te laten grazen.

De subalpiene zone ligt tussen 1900 en 2300 meter en is een overgangszone (ecotoon) tussen het naaldbos en de alpenweide. Hier groeien vooral struiken, die niet hoger dan twee meter worden. Voorbeelden zijn rododendrons en op kalkige bodems bergdennen (Pinus mugo); terwijl op lemige bodems eerder witte elzen (Alnus viridis) voorkomen.

De alpiene zone ligt tussen de 1800 en 3000 meter hoogte en bestaat uit bodembedekkende planten. De vegetatie wordt sterk beïnvloed door de duur van de sneeuwbedekking in de winter, het gesteentetype in de ondergrond en de hoeveelheid wind. Een klein aantal plantensoorten groeien op hoogtes tot 2800 meter; veel ervan zijn kussenvormig zoals schildkruid en het stengelloze lijmkruid. Door deze aanpassingen zijn deze planten zowel tegen planteneters als vochtverlies beschermd. Bovendien worden de jonge loten zo tegen wind en bevriezing gevrijwaard. Ook edelweiss groeit op deze hoogten.

De nivale zone ligt boven de sneeuwgrens (in de Alpen rond de 3000 meter hoogte). Planten groeien hier alleen op plekken waar de sneeuw niet het hele jaar kan blijven liggen en de vegetatie bedekt de bodem niet sluitend. Rond de 150 soorten zaadplanten komen nog boven de 3000 meter voor, daarnaast komen er ook korstmossen voor. Tot de soorten die het hoogst groeien behoren de gletsjerranonkel (Ranunculus glacialis) en de steenbreek (Saxifraga biflora). Ook op sneeuw en ijs komen nog soorten voor. De groenalg Chlamydomonas nivalis groeit op firnvlakten en veroorzaakt een rode kleur in de sneeuw, een effect dat bloedsneeuw genoemd wordt.

In de Alpen groeit een veelheid van planten en bloemen, zowel in de dalen als op de hoge alpenweiden. Boven de colline zone vormen de Alpen een geïsoleerd eiland voor veel soorten, die niet in de lagere gebieden buiten de Alpen kunnen overleven. Deze soorten zijn typisch voor een kouder klimaat en hebben Europa na de laatste ijstijd vanuit het oosten gekoloniseerd. Met het warmer worden van het klimaat werden ze later weer uit de lagere regionen verdreven en tegenwoordig groeien ze in Midden-Europa alleen in hogere gebieden.

De typische alpendierenwereld leeft boven de boomgrens (1725–2400 m). De lucht is hier ijl, de temperatuur laag, de vochtigheid tamelijk hoog. Boven de sneeuwgrens leven zelfs nog ongeveer 400 soorten, tal van geleedpotige dieren, enkele slakken en platwormen; 27 soorten hiervan komen zelfs alleen in dit gebied voor.

Vele alpenbewoners (eekhoorn, alpenlandsalamander, adder en vele insecten) zijn donkerder van kleur dan hun soortgenoten uit lagere streken. Dit komt doordat ze koudbloedig zijn -behalve de eekhoorn- en de koelere omgeving compenseren door een donkere kleur, waardoor efficiënter zonnewarmte wordt opgenomen. Veel soorten insecten (hommels, vliegen) zijn sterk behaard.

Van de zoogdieren leven de gems, de alpensteenbok, de sneeuwhaas, de sneeuwmuis en de alpenmarmot alleen in dit gebied; de sneeuwmuis komt hoger voor dan enig zoogdier in Europa (tot 4100 m). De alpenvogels zijn zowel stand- als trekvogels. Bekende soorten zijn de steenarend, de alpenkauw, de alpengierzwaluw, de alpenkraai, de rotskruiper en het alpensneeuwhoen, welke beide laatste tot aan de grens van de eeuwige sneeuw voorkomen. De kleine of levendbarende hagedis en de adder leven tot ca. 2750 m, de zwarte alpensalamander zelfs tot 3000 m. Onder de talrijke geleedpotigen zijn er de hooggebergtemijt en verschillende soorten insecten, zoals de gletsjervlo en de rotsspringer (Machilis nivicomes). Sommige slakken komen nog tot 3000 m voor. Door toedoen van de mens zijn verschillende soorten van lagere naar hoger gelegen gordels verdreven.

Vanouds steunde de industrie in de Alpen op de plaatselijk aanwezige grondstoffen en mogelijkheden. Zo vormde de aanwezigheid van ijzererts, hout en waterkracht vooral in het oosten de basis voor de ijzerindustrie. Aanvankelijk was deze gebonden aan de bergstreken, daar de mechanische kracht voor de ijzerbewerking door het stromende water van de bergrivieren moest worden geleverd. De bouw van grote waterkrachtcentrales (onder meer Genissat in Frankrijk, Grande Dixence in Zwitserland, Limbergsperre in Oostenrijk) maakte enerzijds energie transportabel en anderzijds werden dergelijke industriële vestigingen minder aan een plaats gebonden. Veel zware industrie heeft zich dan ook in de beter toegankelijke brede dalen kunnen ontwikkelen. Daarnaast is energie zelf een belangrijk exportproduct geworden. De bosbouw (vooral in Zwitserland, Zuid-Duitsland en Oostenrijk) vormt de basis voor de omvangrijke hout-, papier- en celstofindustrie.

Bij de landbouw in de Alpen overheerst traditioneel de veeteelt. In de noordelijke en oostelijke Alpen komt vrijwel uitsluitend veeteelt voor. De vooral in de meer centraal gelegen delen voorkomende akkerbouw staat volledig in dienst van de veeteelt. In de zuidelijke Alpen komt ook intensieve (exportgerichte) akkerbouw voor (naast graan ook fruit, wijn, tabak, bloemen). Akkerbouw wordt slechts in enkele grote en warme dalen overwegend uitgeoefend. De hoogtegrens voor graanverbouw varieert van ca. 1000 m in de noordoostelijke Alpen tot ca. 2000 m in enkele zuidelijk gelegen gebieden.

De veeteelt neemt in de Alpen bijzondere vormen aan. Omdat de dalbodem niet voldoende grasland oplevert, zijn er vormen ontstaan waarbij het rundvee gedurende de zomer naar hogere weiden wordt overgebracht. Op de schraalste en hoogste weiden vormen schapen de veestapel. Akkerbouw en veeteelt zijn in de 20e eeuw sterk achteruitgegaan. De zogenaamde “topografische omstandigheden” maken een moderne bedrijfsvoering vrijwel onmogelijk, terwijl de toegenomen ontwikkeling van de industrie en het sterk gegroeide toerisme aantrekkelijker en winstgevender vormen van werkgelegenheid opleverden. Bovendien werkte de sterk verbeterde toegankelijkheid van het Alpengebied de concurrentie vanuit andere gebieden in de hand. De laatste 20 jaar heeft zich in de landbouw dan ook een sterke hoogtevlucht ingezet.

De mijnbouw is in de Oostelijke Alpen van meer betekenis dan in de Westelijke Alpen. De kolenhoudende zone in het oosten (vooral bruinkool) zet zich ook in de bekkens ten oosten van de Alpen voort. Van betekenis zijn voorts de aan de Triasformatie in de noordelijke Kalkalpen gebonden zoutlagen (plaatsnamen met ‘Salz’ of ‘Hall’). Zoutmijnen zijn soms door pekelleidingen verbonden met minerale badplaatsen (Bad Ischl, Bad Aussee, Bad Reichenhall). De Alpen bevatten een grote verscheidenheid van mineralen, doch de voorkomens zijn niet groot. De hoofdertszone is het gebied van de zo genaamde grauwacken en leigesteenten, waarin de vindplaatsen vaak namen dragen met ‘Arz’, ‘Erz’ of ‘Reichen’. Hier worden voornamelijk koper-, zilver- en ijzererts aangetroffen, dit laatste vooral in Stiermarken (Eisenerz), waar het in dagbouw wordt gewonnen. In de Kalkalpen van Zuid-Karinthië komen lood-, wolfraam- en zinkerts voor, in de Hoge Tauern enig goud en in de zuidoosthoek kwik (Idrija). Er is veel winning van steensoorten (marmer, porfier), terwijl in de Kalkalpen op verscheidene plaatsen cement wordt gemaakt.

Talrijk zijn ook de minerale en thermische bronnen: zij liggen vooral in het oostelijke en zuidelijke randgebied en omvatten zowel zoutbaden en minerale baden (staalbaden van Sankt Moritz) als thermische baden.

De regionaal verschillende bedrijfsvoering, klimaattypen en topografische omstandigheden vormen een belangrijke verklaring voor de verschillende soorten “nederzettingen” die men in de Alpen aantreft. In de regenrijke, sterk versneden noordelijke Alpen, waar de veehouderij uniek aanwezig is, overheersen alleenstaande boerderijen (Einzelhöfe). Dergelijke afzonderlijke hoeven vormen samen met enkele andere hoeven een kerkdorp. Bij de kerk vindt men vaak een school, een herberg en enige woonhuizen. Men noemt deze gehuchten ‘Weiler’. In deze van de veeteelt afhankelijke streeken heerst meestal een bergweidecultuur (Duits: Dreistufenwirtschaft). Daarbij drijven boeren hun vee naar plaatsen waar voer verkrijgbaar is. Dat betekent dat ze jaarlijks enkele keren van stallen moeten wisselen naargelang van het seizoen. Deze vorm van veehouderij wordt nog steeds beoefend in delen van Beieren, Oostenrijk, Slovenië, Italië en Zwitserland. De bergweidecultuur is nog steeds van groot belang voor de vervaardiging van kaas.

In de zuidelijke Alpen, met intensieve akkerbouw en bredere dalen, overheerst het compacte, gesloten dorp.
Grote steden zijn zeldzaam in de Alpen; slechts Grenoble, Salzburg, Innsbruck en Trente kunnen worden genoemd. De groei van de industrie en het toerisme heeft een aantal landbouwnederzettingen in snel tempo onherkenbaar veranderd.
De regionale verscheidenheid in bouwmaterialen uit zich in de aanwezige bebouwing. In de noordelijke Alpen overheerst hout als bouwmateriaal maar zuidelijk is ook steen in trek. Daarnaast treden in de huizenvorm regionaal sterke verschillen op die voor een deel zijn te verklaren door het verschil in bedrijfsvoering.

Het Alpengebied is een van de drukst bezochte toeristengebieden ter wereld. Door het sterk reliëf en de grote hoogteverschillen worden in de Alpen verschillende bergsporten beoefend, zowel zomersporten als wintersport.

De zomersporten zijn vooral fietsen, kajakken, bergwandelen en bergbeklimmen. Bij de wintersporten zijn er vooral het skiën en het snowboarden, maar ook sleeën, langlaufen en sneeuwwandelen in de vele wintersportgebieden. De Alpen tellen honderden skigebieden, waarvan enkele tientallen (deels) op gletsjers gelegen zijn, zodat er het hele jaar door geskied kan worden.

Ook tal van “nieuwe wintersporten worden er beoefend. Dit zijn bijvoorbeeld kite-sleeën (met een vlieger) en hybride fietsen (met skilatten).

In juli passeert elk jaar de Ronde van Frankrijk, een prestigieuze wielerwedstrijd. De wilde rivieren in de Franse Alpen lenen zich uitstekend tot watersporten als raften, kajakken en kanoën. Een goed voorbeeld van zo'n rivier is de Rhône. Ze ontstaat door smeltende sneeuw op de Alpen. De Mont Blanc, een van de hoogste bergen van Europa, is het mekka van de bergbeklimmers.

In de Italiaanse Alpen ligt een aantal grote meren, waaronder het Lago Maggiore, het Gardameer en het Comomeer. De Dolomieten zijn bekend om de roodroze hoge pieken met puinhellingen. Ook in Italië vindt de nationale wielerronde, de Giro, vaak gedeeltelijk in de Alpen plaats.

Zwitserland heeft net als buurland Oostenrijk veel mogelijkheden om te skiën. Een van de beroemdste Zwitserse skioorden is Sankt Moritz. Dit komt dankzij de hoge ligging en de vele kilometers piste die rondom dit dorpje zijn gelegen. Het is eveneens de plaats waar al 2 keer de Olympische Winterspelen werden gehouden. Het is er mogelijk om te wandelen op sneeuwschoenen, waarbij men kan overnachten in een iglo of baden in warm bronwater. Voorbeelden van dergelijke baden zijn er in Leukerbad en Scuol. Op de Jungfraujoch, een berg vlak bij Interlaken, rijdt een treintje naar boven. Het station Jungfraujoch is het hoogste station van Europa.

Het Meer van Genève is een groot meer op de grens tussen Zwitserland in het noorden en Frankrijk in het zuiden. Het heeft een oppervlakte van 584 km². Het meer is maximaal 310 m diep. Het wordt vooral gevoed door de Rhône, die het meer in het zuidoosten bereikt en in het zuidwesten bij Genève weer verlaat.
Bekende plaatsen aan het meer zijn, behalve Genève: Lausanne, Montreux, Nyon, Vevey en, in Frankrijk, Thonon-les-Bains.

Ook in Oostenrijk zijn veel voorzieningen voor zowel wintersport als voor zomers toerisme. De belangrijkste stad in de Oostenrijkse Alpen, tevens hoofdstad van de regio Tirol, is Innsbruck. Deze streek is vooral belangrijk vanwege een ruime keuze aan wintersportmogelijkheden, maar ook andere minder bekende sporten zoals muurklimmen, paragliding en deltavliegen. Een andere Oostenrijkse Alpenstad is Salzburg. Het is naast de geboortestad van Mozart een plaats die beroemd is geworden door haar barokarchitectuur. Verder is Bludenz in Vorarlberg een Alpenstad van belang: Bludenz is het centrum van een bergregio met de vijf valleien Walgau en Montafon, Brandnertal, Klostertal, Arlbergpas en het Großwalsertal. Het Biosphärenpark Großes Walsertal is Vorarlbergs eerst UNESCO-biosfeerreservaat en richt zich op winter- en zomersport dicht bij de natuur.

De oostelijkste uitloper van de Alpen, het Ödenburgergebergte, ligt niet alleen in Oostenrijk, maar ook deels in Hongarije. De hoogste top in deze Hongaarse Alpen is de Magas-Bérc, die 557 meter hoog is. Er staat een uitkijktoren op deze top.

Doordat in de Alpen een bijzondere vorm van de veehouderij beoefend wordt (bergweidecultuur), ontstond er een groot aantal Alpiene kaassoorten. De bergweidecultuur zorgt ervoor dat koeien door het eten van Alpiene kruiden een aromatische melk van hoge kwaliteit geven, de zogenoemde Heumilch (hooimelk). Het gebruik van hooimelk bij de kaasmakerij draagt bij tot de markante smaak die vele kazen uit de Alpiene regio bepaalt. Voorbeelden hiervoor zijn de Bergkäse – waaronder de Appenzeller en de Gruyère – en de Alpkäse, die uitsluitend in de zomer op hooggelegen bergweides wordt vervaardigd.

In de Duitse Alpen bestaat er nog een traditionele drank: bier. Al eeuwenlang brouwt men hier zijn eigen streekbier. Vroeger werd dat vooral met honing gedaan om een soort mede te maken. Nu doet men dit in speciaal gebouwde brouwerijen om bier in massa te produceren.

Het werd in de jaren 80 duidelijk dat het milieubeleid in het alpengebied drastisch zou moeten veranderen. De explosieve groei van het massatoerisme, de toenemende bevolkingsdruk en de daarmee gepaard gaande uitbreidingen van infrastructuur en wintersportvoorzieningen, alsook de groei van het verkeer in en door het gebied, hebben diepgaande gevolgen gehad voor het milieu. Het bleek dat de massale teruggang van het bomenbestand (onder andere voor de aanleg van hotels, vakantiewoningen en ski-pistes) het verdwijnen van veel plant- en diersoorten tot gevolg heeft gehad. Ook veroorzaakte de kap steeds sterkere erosie, aardverschuivingen, lawines, modderstromen en overstromingen, waarbij een toenemend aantal menselijke slachtoffers viel te betreuren. De toenemende vervuiling van de gletsjers en de daaruit ontspringende beken en rivieren door uitlaatgassen en afval begint ernstige vormen aan te nemen.

De inrichting van natuurreservaten en beschermde wildparken bleek niet het beoogde effect te hebben. In het begin van de jaren 80 hebben de alpenlanden Oostenrijk, Duitsland, Joegoslavië (nu Slovenië), Italië, Zwitserland en Frankrijk samenwerking gezocht om de problemen het hoofd te bieden. Later in de jaren 80 kreeg de samenwerking vorm in de Alpen-Adria-groep, die een deel van de Alpen omspant. Ook is de CIPRA (Internationale commissie ter bescherming van het Alpengebied) opgericht.

Als gevolg van de klimaatverandering smelten de Alpengletsjers drastisch af. Klimaatschommelingen zijn niet onbekend en de gletsjers zijn een klimaatarchief. Terugtrekking van de gletsjers is vandaag de dag echter sneller dan voorheen het geval was. Volgens metingen verloren de gletsjers sinds het begin van de industrialisatie een derde van het oppervlak en de helft van hun massa. Sinds 1980 is 20 tot 30 procent van het volume van ijs ontdooid. Hoewel studies aantonen dat ook vroeger klimaatschommelingen voorkwamen en gletsjerijs duizenden jaren geleden aan grote smelt onderhevig is geweest, betekent dit niet dat de mens passief kan blijven.

In een onderzoek dat in het blad The Cryosphere. werd gepubliceerd voorspellen onderzoekers aan de hand van nieuwe computermodellen  dat het volume van de Alpengletsjers in 2050 met 50% zal zijn afgenomen ten opzichte van het huidige (2018/9) volume. Een directe inperking nu van de wereldwijde emissie van broeikasgassen ( kooldioxide en methaan bv) zou daar volgens hen (eerste auteur Harry Zekollari, TU Delft) nauwelijks invloed op hebben. Gletsjers reageren met vertraging op de opwarming van de aarde. Zelfs zonder verdere opwarming blijven de gletsjers de komende decennia ijs verliezen. Pas na 2050 worden de gevolgen zichtbaar van de verschillende scenario's: drastische inperking van de emissies of weinig of niets doen of iets daartussenin. Wordt het eerste scenario gevolgd dan zal  in het jaar 2100  67% van het huidige ijsvolume van de Alpengletsjers verdwenen zijn, bij het tweede scenario   ruim 90% 




#Article 9: Astronomie (1154 words)


Astronomie of sterrenkunde is de wetenschap die zich bezighoudt met de observatie en de studie van alle fenomenen buiten de atmosfeer van de Aarde. Het woord astronomie komt van het Griekse woord αστρονομία (astronomia), een samenstelling van ἄστρον (astron, ster of sterrenbeeld) en νόμος (nomos, wet): het toekennen van wetmatigheden aan sterren.

De astronomie bestudeert niet alleen sterren en sterrenstelsels in het heelal, maar ook de planeten van het zonnestelsel. Een onderdeel van de astronomie is de astrofysica, een tak van de natuurkunde die de processen die zich afspelen in de kosmos probeert te verklaren met natuurkundige wetten. Veel astronomen hebben dan ook een stevige achtergrond in de fysica en wiskunde.

Daarentegen is de astronomie een van de weinige wetenschappen waar ook hobbyisten of 'amateurastronomen' een actieve rol in kunnen spelen, vooral bij het ontdekken en observeren van voorbijgaande astronomische gebeurtenissen, zoals kometen en meteoren. De namen van veel (eenmalige) kometen bijvoorbeeld zijn meestal ontleend aan amateurastronomen die deze komeet als eerste waarnamen.

Astrofysica is een latere ontwikkeling van de astronomie, die mogelijk werd door het begrip dat:

Kosmologie is een tak van de sterrenkunde die zich met de structuur, het ontstaan, de algemene geschiedenis en toekomst van het heelal bezighoudt.

De astronomie is een zeer oude wetenschap die al bestond in het oude Egypte, Sumerië, India in de oudheid en het Chinese keizerrijk. In het prille begin hield de astronomie zich alleen bezig met de bewegingen van de objecten langs de hemel, zoals de zon, de maan, planeten en andere hemellichamen. Men kon langzamerhand spectaculaire verschijnselen voorspellen, zoals zons- en maansverduisteringen. Ook het verschijnen van kometen sprak erg tot de verbeelding. Deze aan het hemelgewelf waargenomen verschijnselen werden door Babylonische astronomen in verband gebracht met gebeurtenissen op Aarde, wat ook het begin betekende van de astrologie. De astronomie was in die begintijd beperkt tot de objecten die met het blote oog zichtbaar zijn. De oude Grieken brachten de astronomie een stuk verder, bijvoorbeeld door de definitie van de dierenriem, een band van 12 sterrenbeelden waardoorheen de zon, maan en planeten bewegen.

Tijdens de middeleeuwen stond de ontwikkeling van de astronomie vrijwel stil, met uitzondering van het werk van enkele Arabische astronomen. Veel namen van sterren stammen daarom uit het Arabisch. In 1543 stelde Copernicus een theoretisch astronomisch model op, waarin de Zon in het midden staat van het zonnestelsel (heliocentrisme). Zijn werk werd verdedigd en verder ontwikkeld door Galileo Galilei en Johannes Kepler. Dankzij de uitvinding van de telescoop aan het eind van de 16e eeuw, was het mogelijk om de ruimte diepgaander te bestuderen. Kepler beschreef als eerste op een correcte manier de bewegingen van de planeten rondom de Zon. Kepler had echter geen inzicht in de achterliggende oorzaak van de Wetten van Kepler die hij afleidde uit zijn waarnemingen.

Begrip van zwaartekracht en hemelse dynamica waren ontdekkingen van Isaac Newton, die daarmee de bewegingen van de planeten volledig verklaarde.

Men ontdekte dat sterren heel ver van ons verwijderd zijn. Met de uitvinding van de spectroscopie werd bewezen dat sterren gelijksoortige objecten zijn als onze eigen Zon, maar met een grote variëteit aan temperaturen, massa's en omvang. Dat de Melkweg bestaat uit een aparte groep van sterren werd pas bewezen in de twintigste eeuw. Toen werden ook andere sterrenstelsels ontdekt, alsmede nevels en gaswolken. Kort daarop werd de uitdijing van het heelal aangetoond op grond van de roodverschuiving die ontstaat door het dopplereffect. Hieruit blijkt dat de meeste van die andere sterrenstelsels van ons af bewegen.

Aanvankelijk meende men dat het zonnestelsel ophield bij de baan van Pluto. Een probleem bleef echter de herkomst van kometen met vaak hyperbolische banen, die erop wijzen dat ze van zeer grote afstand komen. De astronoom Jan Hendrik Oort stelde in 1950 de Oortwolk voor: een reservoir van miljarden komeetachtige lichamen die overgebleven zijn na de vorming van het zonnestelsel en zich uitstrekt tot wel één à twee lichtjaar rondom het zonnestelsel. In 1951 werd het bestaan van de Kuipergordel gesuggereerd door de Nederlands-Amerikaanse Gerard Kuiper. Hier zouden de kortperiodieke kometen vandaan komen; dat wil zeggen de kometen met een omlooptijd van tussen de 50 en een paar duizend jaar en met de grootste concentratie van komeetlichamen net voorbij de baan van Neptunus. Inmiddels zijn er al verscheidene objecten tussen de afmetingen van kometen en Pluto in gevonden in deze gordels waarmee het bestaan hoogstwaarschijnlijk is bewezen.

Het vakgebied kosmologie werd met enorme sprongen voorwaarts gebracht in de 20e eeuw door het model van de oerknal. Een theorie die door bewijsmateriaal vanuit de astronomie en de natuurkunde wordt ondersteund, zoals de kosmische microgolf achtergrondstraling, de wet van Hubble en het relatieve voorkomen van de verschillende elementen in het heelal.

In 1995 werd bij de ster 51 Pegasi de eerste planeet buiten het zonnestelsel ontdekt met behulp van betere telescopen. In de daaropvolgende jaren zijn er nog veel meer van deze exoplaneten ontdekt.

Met de komst van de ruimtevaart zijn astronomische ontdekkingen in een grote versnelling terechtgekomen. Uit de algemene relativiteitstheorie volgt de mogelijkheid van het bestaan van zwarte gaten, die ook al direct zijn waargenomen.

Informatie over astronomische objecten kan alleen verkregen worden door waarnemingen. De meeste waarnemingen worden gedaan door middel van detectie en analyse van elektromagnetische straling, dus fotonen. Een andere informatiebron is de kosmische straling, zoals neutrino's. Verwacht wordt dat in de toekomst ook zwaartekrachtgolven informatie over kosmische gebeurtenissen aan ons kunnen overbrengen.

De optische astronomie maakt gebruik van zichtbaar licht. Het meest gebruikte instrument daarvoor is de telescoop, aangevuld met elektronische beeldverwerkingstechnieken en spectrogrammen.

De infraroodastronomie voert waarnemingen uit bij langere golflengten dan die van het zichtbare licht. Ook dit wordt gedaan met behulp van telescopen, die speciaal worden ontworpen voor het waarnemen van infrarood. Omdat infrarood licht sterk wordt geabsorbeerd door waterdamp, worden infraroodwaarnemingen meestal uitgevoerd op hoge locaties, bijvoorbeeld op een berg. Bekende hoge locaties zijn de observatoria op de Andes in Chili, op Hawaï en de Canarische Eilanden. Vroeger werden ook vaak instrumenten aan ballonnen gebruikt die op grote hoogte waarnemingen deden. De ruimtetelescoop heeft daarbij nog grotere voordelen, omdat daarmee nog meer ruis vanuit de atmosfeer kan worden geëlimineerd.

Radioastronomie gebruikt geheel andere instrumenten, namelijk radiotelescopen om radiostraling met een golflengte van millimeters of centimeters waar te nemen. De ontvangers lijken op de ontvangers voor normale radio-ontvangst. Momenteel bouwt ASTRON (Netherlands foundation for research in astronomy) de grootste radiotelescoop ter wereld, LOFAR genoemd.

Voor röntgenstraling, gammastraling en ultraviolette straling is de atmosfeer vrijwel ondoorzichtig, met uitzondering van een paar golflengten, waarvoor de atmosfeer wel transparant is. Deze waarnemingen worden dus veelal ook vanuit de ruimte gedaan, of vanuit luchtballonnen. De röntgenastronomie en gamma-astronomie met behulp van vooral satellieten leidde tot vele nieuwe inzichten.

Sinds enige jaren wordt in het SETI-Project gezocht naar signalen uit het heelal die op ander leven duiden.

Hieronder zijn ook belangrijke wis- en natuurkundigen die bijdroegen aan de kennis van de hemellichamen en de werking van de kosmos. Zie ook de lijst van astronomen.




#Article 10: Abel Tasman (1495 words)


Abel Janszoon Tasman (Lutjegast, 1603 – Batavia, 10 oktober 1659) was een Nederlands ontdekkingsreiziger in dienst van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Hij is het bekendst door zijn reizen tussen 1642 en 1644, opgezet door Antonie van Diemen. Tijdens deze reis ontdekte hij Tasmanië, Nieuw-Zeeland en Tongatapu. Alleen op het laatste eiland werd de bemanning vriendelijk onthaald.

Tasman had als opdracht het land te onderzoeken dat toen bekendstond als Nieuw-Holland (het tegenwoordige Australië), waarvan de westkust al door Nederlanders ontdekt was, om vast te stellen of het land deel uitmaakte van het vermeende Terra Australis, een zuidelijk continent, dat zou moeten bestaan om de aarde in evenwicht te houden. De VOC hoopte dat door deze reis dit onbekende continent voor de handel geopend en vervolgens geëxploiteerd zou kunnen worden.

In 1633 vertrok Tasman in dienst van de VOC vanuit Amsterdam naar Batavia. In 1637 was hij weer terug. In 1639 was hij tweede man van de expeditie van Matthijs Quast, waarbij de zeeën ten oosten van Japan werden onderzocht. Tasman had voor tien jaar getekend, zodat hij zijn vrouw kon meenemen. In 1640 bezocht hij als schipper Nederlands Formosa. Hij had geschenken aan boord voor de shogun in Edo, die had verordonneerd dat de handelspost van Hirado naar Dejima moest worden verplaatst.

In opdracht van Antonie van Diemen, Cornelis van der Lijn, Joan Maetsuycker, Justus Schouten, Salomon Sweers, Cornelis Witsen en Pieter Boreel vertrok Tasman als commandant van Batavia (het huidige Jakarta) met twee kleine schepen, de Heemskerck en de Zeehaen eerst naar Mauritius om goederen en post af te leveren. Daar kwamen de schepen op 5 september aan. De schepen, die in slechte conditie waren, werden gerepareerd, er werd brandhout gehakt en de bemanning had toestemming om te jagen en zich te goed te doen aan vlees, verse groenten en fruit. Op 8 oktober vertrok hij met gunstige wind oostwaarts tot een zuidelijker breedte dan tot dan toe gedaan was. Op 6 november begon het te sneeuwen en hagelen en commandant Tasman besloot de koers naar het noorden te verleggen.

Ze voeren verder dan Pieter Nuyts had gedaan en ontdekten op 24 november na zo'n 9000 km zeilen het eiland Tasmanië. Hij doopte het Antonie van Diemensland. Deze naam werd behouden door de Britten die er, eeuwen later, de strafkolonie Van Diemensland vestigden. Op 1 december werd aan land gegaan om verse groente en zoet water te zoeken. De bemanning hoorde muziek en zag rookpluimen, maar niemand van de lokale bevolking, de Tasmaniërs, liet zich zien. Met veel moeite werd een vlag geplant en de beide schepen voeren verder naar het oosten. 

Op 13 december 1642 kregen Tasman en zijn mannen een groot hoog verheven landt in zicht. Ze zagen als eerste Europeanen de westkust van het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland, nu Okarito. De Zeehaen en de Heemskerck voeren noordwaarts langs de westkust van Nieuw-Zeeland. Tasman noemde het land Statenland, denkende dat het het eiland was zuidelijk van Kaap Hoorn, dat door Jacques l'Hermite zo was genoemd. Nabij de noordpunt van het Zuidereiland zette hij het anker uit in een baai. Bij het binnenlopen werd door een Maori op een soort trompet geblazen. Tasman liet deze begroeting op zijn beurt beantwoorden met trompetsignalen. De bevolking benaderde de beide schepen, maar bleek niet geïnteresseerd in de textiel die ze werd voorgehouden. Bovendien konden ze elkaar niet verstaan. Het bleek dat de woordenlijst voor de Salomonseilanden die Tasman bezat, afkomstig van Jacob le Maire, niet voldeed.

De volgende dag werden vier scheepslieden van de Zeehaen, die in een prauw aan land wilden gaan of het andere schip wilden bezoeken, gedood. Waarschijnlijk werden de trompetsignalen van de vorige dag door de Maori's als oorlogsverklaring uitgelegd. Tasman gaf deze plaats de naam Moordenaarsbaai en besloot noordwaarts te zeilen. Niettemin kwamen er 22 prauwen achter hen aan, waarvan de voorste man een wit vlaggetje in de hand had. Hij werd beschoten door de woedende bemanning van de Zeehaen en een verdere achtervolging bleef achterwege.

Tegenwoordig heet Moordenaarsbaai Golden Bay. In deze mooie maar afgelegen baai, nabij de plek waar men denkt dat Abel Tasman zijn schepen voor anker gingen, werd in 1942 een monument opgericht. Dit monument werd na een opknapbeurt in 1992 door koningin Beatrix tijdens een staatsbezoek aan Nieuw-Zeeland opnieuw onthuld.

Op 20 december miste Tasman de zeestraat die later Straat Cook zou gaan heten, die het Noorder- en het Zuidereiland scheidt, en nam aan dat het ontdekte land een deel van Terra Australis was, het onbekende Zuidland. Begin januari 1643 ontdekte hij de Driekoningeneilanden. Hij zeilde verder naar de Tonga-eilanden, die hij 20 januari in zicht kreeg. Op het eiland Amsterdam (nu Tongapatu) ruilde hij water, tientallen varkens, 70 kippen, kokosnoten en bananen tegen wit katoen, een stuk oud zeildoek, diverse spijkers, twee spiegels en wat kralen. De expeditie voer langs Vanua Levu, behorend tot de Fiji-eilanden en via de Salomonseilanden kwamen de twee schepen na zes weken regen terecht in de Bismarckarchipel, ten noordoosten van Nieuw-Guinea.

De Papoea's, die in hun versierde prauwen langs kwamen, toonden nauwelijks belangstelling voor de stukken oude zeildoek en de spijkers die hen werden aanboden. In april voer Tasman langs het vulkanische Karkar dat in 1616 door Willem Schouten en Jacob le Maire het hoge eiland werd genoemd. Onderweg kochten ze op de Schouteneilanden 6000 kokosnoten en honderd trossen bananen voor oude spijkers en messen. De scheepsraad besloot op 24 mei van Halmahera rechtstreeks terug te varen naar Batavia, vanwege de heersende wind en stroom. Op 5 juni zwom een van de bemanningsleden, die verdacht werd van aanranding van de kajuitsknecht, stiekem naar de kust. Via Boeton kwamen de schepen op 15 juni aan in Batavia. Gedurende de hele reis had Tasman slechts vijftien bemanningsleden verloren.

Op zijn tweede reis, in 1644, volgde hij de zuidkust van Nieuw-Guinea. Hij wendde de steven al voordat hij de Straat Torres tussen Nieuw-Guinea en Australië had kunnen ontdekken, en zette zijn reis westwaarts voort langs de noordkust van Australië, die hij volledig in kaart bracht.

Vanuit het oogpunt van de VOC waren Tasmans ontdekkingen een mislukking; zijn verkenningen waren te oppervlakkig. Hij was te weinig aan land gegaan en had geen geschikt handelsgebied gevonden, noch verbeterde zeeroutes naar bekende gebieden. Gedurende meer dan een eeuw (tot de tijd van James Cook), zou de reis van Tasman het enige Europese bezoek aan Tasmanië en Nieuw-Zeeland blijven. Australië werd nog wel enkele malen bezocht, meestal bij toeval.

In april 1648 kreeg Tasman de leiding over een expeditie van acht schepen met 900 zeelui en 250 soldaten die als doel had om bij de Filipijnen de Spaanse zilvervloot uit Mexico te onderscheppen. Het nieuws van de op 30 januari van dat jaar gesloten Vrede van Münster was nog niet doorgedrongen in Zuidoost-Azië. Het is niet onmogelijk dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op deze manier probeerde de Spanjaarden nog een flinke slag toe te brengen. De expeditie slaagde er echter niet in een Spaans galjoen te veroveren. Een door de Nederlanders achtervolgd Spaans schip zette de kostbare lading overboord en bracht zichzelf tot zinken. Teleurgesteld trokken de schepen van Tasman langs de Filipijnen waarbij in het kustgebied werd geplunderd.

Na dit mislukte eerste deel van de opdracht zeilde het eskader door naar Ayutthaya om daar als tweede deel van de opdracht de koning bij te staan in een oorlog. De oorlogsplannen van de koning van Ayutthaya waren echter gewijzigd, krijgshulp van de VOC was daardoor niet meer nodig. In januari 1649 keerden ze terug in Batavia. Tegen Tasman werd een aanklacht ingediend omdat hij zonder vorm van proces een matroos had laten ophangen. Tasman moest een forse schadevergoeding betalen en zijn reputatie was beschadigd.

Tasman nam in 1652 ontslag bij de VOC. Hij behoorde inmiddels tot de rijkste inwoners van Batavia. Na zijn overlijden in 1659 werd het vermogen verdeeld tussen zijn vrouw Jannetje en Klaasje, dochter uit Tasmans eerste huwelijk. De diaconie van zijn geboorteplaats Lutjegast ontving een bedrag van 25 gulden ten behoeve van de armen.

Naar Tasman zijn de Tasmanzee en een nationaal park genoemd, evenals een berg, gletsjer, meer, rivier, baai en een Indie band (Able Tasmans). Het Golden Bay Museum in de hoofdstraat van Takaka heeft een permanente expositie over het leven van Abel Tasman en zijn ontdekking van Nieuw-Zeeland.

In 1988 onthulde koningin Beatrix tijdens een staatsbezoek aan Australië een monument ter ere van Abel Tasman in Hobart, Tasmanië. Ook kent Hobart een Tasman Bridge.
In juni 2018 werd bekend dat voor de Australische Marine de Hunterklasse gebouwd wordt, waarvan het eerste schip, de Hunter, in 2022 in de vaart zal worden genomen. Het derde schip uit deze uit negen Type 26-fregatten bestaande serie zal de naam Abel Tasman dragen.
 

In Nederland zijn in veel plaatsen straten en pleinen naar Tasman genoemd. In Groningen is behalve de Abel Tasmanbrug een torenflat en een afdeling van de Groningse Schoolvereniging naar hem vernoemd. Ook Utrecht kent een Tasmanbrug. In zijn geboortedorp Lutjegast is een museum over zijn leven en speciaal zijn ontdekkingsreizen.




#Article 11: Anna Enquist (402 words)


Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945) is het pseudoniem van de Nederlandse schrijfster en dichteres Christa Widlund-Broer. Ze is psychoanalytica en debuteerde in 1991 met de poëziebundel Soldatenliederen. Met haar eerste roman Het Meesterstuk (1994) vestigde ze meteen haar naam als schrijfster.

Veel romans en bundels van Anna Enquist zijn ook uitgebracht als E-boek, grootletterboek of Luisterboek (voorgelezen door Enquist zelf) of Daisy-luisterboek, en daarnaast in diverse talen vertaald.

Christa Broer groeide op in Delft en studeerde na het gymnasium-A klinische psychologie in Leiden; vervolgens studeerde ze piano aan het Koninklijk Conservatorium (Den Haag), met bijvak cello. Daarna doceerde ze psychologie in Amsterdam en begon begin jaren 80 aan een gespecialiseerde opleiding psychoanalyse. In 1987 begon ze haar werk als psychoanalytica en stopte ze met haar muzikale carrière. Tegelijkertijd begon ze gedichten te schrijven. Het tijdschrift 'Maatstaf' publiceerde in 1988 haar eerste gedichten. In 1991 kwam haar eerste dichtbundel uit: Soldatenliederen. Haar eerste roman Het meesterstuk werd gepubliceerd in 1994, en is geschreven op het stramien van de opera Don Giovanni van Mozart. Het boek kwam in de boeken-toptien en werd bekroond met de Debutantenprijs.

Beide ambities uit haar leven, muziek en de psychoanalyse, zijn terug te vinden in haar literaire werk. Zo is een van de twee hoofdpersonen in de roman Het Geheim een pianiste.

Ongeveer tien jaar na haar debuut als schrijfster kreeg Enquist veel bekendheid door haar bespiegelingen rond voetbal, die gepubliceerd werden in Hard gras.

Broer trouwde met de Zweedse cellist Bengt Widlund, met wie ze twee kinderen kreeg. Op 3 augustus 2001 kwam hun toen 27-jarige dochter Margit op de Dam te Amsterdam om het leven bij een verkeersongeluk, toen zij op haar fiets werd overreden door een vrachtwagen zonder dodehoekspiegel die afsloeg naar rechts. Mede dankzij Broer werd zo'n spiegel bij vrachtwagens verplicht gesteld vanaf 2003. Het tragische verlies komt terug in haar roman Contrapunt (2008), waarin het hoofdpersonage als pianist probeert Bach's Goldbergvariaties te doorgronden, om het verlies van haar dochter te verwerken.

Op 16 september 2008 werd door het feministische maandblad Opzij beweerd dat Broer zou stoppen met schrijven. Een dag later meldde uitgeverij De Arbeiderspers dat dit niet klopte, en dat een citaat uit zijn verband getrokken was.

In februari 2014 werd bekend gemaakt dat zij voor twee jaar de stadsdichter van Amsterdam werd. Zij schreef als zodanig onder meer drie teksten voor zitbankjes geplaatst boven de Noord/Zuidlijn, zoals aan de Ferdinand Bolstraat.




#Article 12: Acteur (339 words)


Een acteur (vaak actrice voor vrouwen) is iemand die een personage uitbeeldt in een verhaal of rollenspel.

Een acteur kan zijn werk doen in een theatervoorstelling of in een film, op televisie, als trainingsacteur tijdens een communicatietraining en hij kan zijn stem lenen aan tekenfilmfiguren en reclameboodschappen. Moderne acteurs kunnen ook een personage in een computerspel uitbeelden. Elk van deze disciplines vereist een eigen techniek.

De acteur kan lijken op het personage, maar de twee kunnen ook in allerlei opzichten tot en met leeftijd en sekse van elkaar verschillen. De acteur kan sommige lichamelijke aspecten (bijvoorbeeld een baard of snor, maar in extreme gevallen ook het lichaamsgewicht) van het uit te beelden personage aannemen. Ook kan met schmink een andere gelaatsuitdrukking of zelfs een ander gelaat worden aangenomen, waarbij een pruik kan worden gebruikt om de haardracht aan te passen.

Er is onderscheid in het soort rollen dat een acteur graag speelt of dat hem of haar wordt aangeboden. Iemand als Sylvester Stallone wordt vaak gecast in stoere rollen, terwijl Dustin Hoffman meestal comedy's speelt. De ene acteur is op zijn best in een komische film of blijspel, de ander speelt het liefst klassieke toneeldrama's, hoewel een en dezelfde acteur vaak ook beide vormen beheerst.

Ook voor het spelen in een musical of opera is acteerkunst nodig, naast de muzikale eisen die daaraan worden gesteld.

Over wat acteren precies is en hoe het beste resultaat wordt bereikt, wordt verschillend gedacht. De een ziet het als in de huid van een ander kruipen, terwijl de ander dit verafschuwt en liever alle nodige emoties voor de rol uit de eigen ervaring naar boven haalt (methodacting).

Tot circa 1980 waren de meeste toneelacteurs aangesloten bij een toneelgezelschap. Sinds het verdwijnen van steeds meer van deze veelal gesubsidieerde ensembles en de opkomst van de veelal commerciële vrije producties, zijn de meesten onafhankelijk (freelance). Ze worden ofwel rechtstreeks gevraagd om een rol te spelen, of ze doen mee aan een screentest, waarbij voor een of meer rollen uit verschillende kandidaten gekozen wordt.

Zie hiervoor:




#Article 13: Ad Melkert (1142 words)


Adrianus Petrus Wilhelmus (Ad) Melkert (Gouda, 12 februari 1956) is een Nederlands politicus en bestuurder. Hij is lid van de Partij van de Arbeid (PvdA) en was voor deze partij Kamerlid, minister en fractievoorzitter. Van juli 2009 tot 1 oktober 2011 was Melkert Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties in Irak. Sedert 2016 is hij lid van de Raad van State in buitengewone dienst.

De van huis uit rooms-katholieke kapperszoon Melkert bracht zijn jeugd door in Gouderak en ging in Gouda naar het Coornhert Gymnasium.

Melkert was aanvankelijk (bestuurs)lid van de progressief-christelijke Politieke Partij Radikalen. Als lid van de Godebaldgroep was Melkert voorstander van samenwerking van de PPR met de PvdA en D66 in plaats van met de Communistische Partij van Nederland en de Pacifistisch Socialistische Partij. Hij stapte in 1981 over naar de PvdA. Hij was tot 1986 directeur interne zaken van de Novib. Van 1986 tot 1994 was hij lid van de Tweede Kamer. Hij profileerde zich toen onder meer als woordvoerder financiën en buitenlandse zaken.

Van 22 augustus 1994 tot 3 augustus 1998, tijdens het eerste kabinet-Kok, was hij minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In die periode kwam hij met een opzet om langdurig werklozen aan werk te helpen door middel van gesubsidieerde banen, in het bijzonder bij gemeenten en dergelijke instellingen, specifiek bedoeld voor langdurig werklozen, met uitzicht op een vaste baan. Deze banen werden de melkertbanen genoemd. Vanaf 13 juli 1998 tot mei 2002 was hij fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer en voorzitter van de vaste Kamercommissie voor Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten.

Bij de verkiezingen van 15 mei 2002 was Melkert lijsttrekker voor de PvdA en daarmee opvolger van Wim Kok. Campagneleider was het latere Kamerlid Jacques Monasch. Melkert legde in de campagne de nadruk op samen doen, Pim Fortuyn op de puinhopen van Paars. Berucht is het televisiedebat op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen op 6 maart 2002, waarin Melkert Fortuyn met tegenzin feliciteerde met zijn verkiezingsoverwinning in Rotterdam.

Na deze uitslag trad Melkert af als partijleider en verliet hij de actieve Nederlandse politiek. In mei 2006, vier jaar na de moord op Pim Fortuyn, vertelde Melkert in het televisieprogramma van oud-politicus Paul Rosenmöller te hebben gefaald in de verkiezingsstrijd van 2002 en zich 'te veel in de toren van de bestuurder te hebben verschanst', waardoor zijn optreden iets bevoogdends kreeg, 'iets dat de kiezer totaal niet aansprak'.

Na zijn vertrek werd Melkert Nederlands bewindvoerder bij de Wereldbank in Washington D.C.. In januari 2006 werd bekend dat hij de tweede man zou worden bij het Verenigde Naties-Ontwikkelingsprogramma (UNDP), het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties. Eerder was Melkert nog in de race om de nieuwe directeur van de UNDP te worden, de keus viel toen echter op de Turk Kemal Derviş. De UNDP wordt daarmee officieel door Kemal Derviş geleid, die zich echter een ceremoniële rol heeft toebedacht. Melkert is daardoor in de praktijk het hoofd van de UNDP, een organisatie met een budget van vijf miljard dollar en kantoren in 166 landen.

In 2007 dook Melkerts naam op in een kwestie betreffende de president van de Wereldbank, Paul Wolfowitz. Er was hevige kritiek op Wolfowitz omdat hij zijn vriendin Shaha Riza een exceptioneel hoge promotie en salarisverhoging gegeven zou hebben.

De Wall Street Journal, in een opiniestuk over de kwestie waarin Wolfowitz grotendeels werd vrijgepleit, concludeerde dat Melkert, als lid van de ethische commissie van de Wereldbank, een 'buitengewone laffe rol' lijkt te hebben gespeeld.
De Ethische Commissie had echter geen zeggenschap over personeelszaken en gaf slechts het advies door aan de persoon die dat wél had. In een later artikel in The Washington Post wordt Melkert opgevoerd als iemand die als enige doel had zijn verantwoordelijkheid te ontlopen. Melkert zou echter niet verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het advies, zoals de hoogte van de promotie en de salarisverhoging.

In 2007 waarschuwde Tony Shkurtaj, van november 2004 tot september 2006 leider van de UNDP-missie in Noord-Korea, naar eigen zeggen in e-mails en memo's dat er miljoenen dollars aan hulpgelden naar het communistische regime van dat land vloeiden zonder dat UNDP enig zicht had op de besteding van het geld. Een van Shkurtajs gewaarschuwde meerderen zou Ad Melkert zijn geweest. Uit New York kwam echter geen enkele reactie, beweerde Shkurtaj, waarna hij aanklopte bij de toenmalige Amerikaanse ambassadeur bij de VN, John Bolton. De Amerikanen eisten inzage in de accountantsrapporten van de UNDP-programma's in Noord-Korea. De problemen rond Noord-Korea speelden al voor de komst van Melkert bij de UNDP, maar Bolton en andere Amerikaanse conservatieven verweten Melkert dat hij er niet tegen was opgetreden. Ze bekritiseerden hem openlijk en zochten zijn vertrek.

Tony Shkurtajs tijdelijke contract werd niet verlengd. Deze beëindiging werd door Melkert als een reguliere gang van zaken bestempeld, Shkurtaj zelf wilde bescherming als klokkenluider.

Er werd een interne onderzoekscommissie op de zaak gezet, onder leiding van de Hongaarse oud-premier Miklós Németh. De commissie maakte op 2 juni 2008 haar rapport bekend. Hierin werden Melkert en de UNDP vrijgepleit van de ernstigste beschuldigingen van roekeloos boekhouden en een doofpotcultuur bij het UNDP.

In juli 2009 werd Melkert Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties Ban Ki-moon en hoofd van UNAMI, de VN-missie in Irak. Daarmee volgde hij Staffan de Mistura op, die deze functie sinds september 2007 had bekleed.

Op 19 oktober 2010 werd er op een VN-konvooi met daarin Melkert een aanslag gepleegd. Melkert bleef daarbij ongedeerd.

Op 1 oktober 2011 werd Melkert opgevolgd door de Duitser Martin Kobler, voorheen VN-gezant voor Afghanistan.

In december 2011 werd Melkert door het kabinet-Rutte I voorgedragen als kandidaat voor de post van directeur-generaal van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), als opvolger van de Chileen Juan Somavía. Op 12 maart 2012 maakte de ILO bekend dat Melkert een van de 9 kandidaten is voor de post, die echter op 28 mei is toegewezen aan de Brit Guy Ryder.

Op 27 november 2012 maakte Hans Spekman bekend dat Melkert voorzitter is van een commissie die moet onderzoeken welke aanpassingen nodig zijn in de Nederlandse economie om de crisis te boven te komen. Het is de eerste binnenlandse klus van Melkert sinds zijn vertrek uit de Nederlandse politiek.

Op 29 augustus 2018 kozen de leden van de koepelorganisatie ziekenhuizen Melkert per 1 december dat jaar als voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ), als opvolger van Yvonne van Rooy.

Per februari 2018 werd Melkert voorzitter van de Raad van Commissarissen van voetbalclub ADO Den Haag.

Ad Melkert is gescheiden en vader van twee kinderen.

Onder VVD'ers had Melkert de bijnaam Rupsje Nooitgenoeg, omdat hij als minister én als fractievoorzitter altijd het onderste uit de kan probeerde te halen. Inderdaad, ik ben nooit tevreden, zei Melkert daar zelf eens over. Hij gold daarbij als een koele rekenaar en een geslepen vos, vandaar dat hij door collega-politici ook wel Sluwe Ad werd genoemd.




#Article 14: Aannemer (740 words)


Een aannemer is een onderneming die de verantwoordelijkheid op zich neemt om bouwactiviteiten te realiseren en te coördineren; de aannemer verzorgt, voor een in het contract bepaalde prijs en binnen een overeengekomen termijn, de levering van een volledig voltooid bouwwerk.
De opdrachtgever of bouwheer kan op zijn beurt een architect of architectenbureau inschakelen, die het ontwerp en soms het toezicht op de bouwplaats voor zijn rekening neemt. Het ontwerp van de architect (of anderszins) resulteert vaak in een bestek en tekeningen waarin de beschrijving van het werk is opgenomen en hetgeen een onderlegger vormt voor en onderdeel is van de overeenkomst tussen opdrachtgever en aannemer. Het bestek en de tekeningen beschrijven zo nauwkeurig mogelijk wat de kwaliteits- en kwantiteitseisen zijn die de opdrachtgever aan het werk stelt.

UAV 2012: de aannemer: de natuurlijke of rechtspersoon, aan wie het werk is opgedragen.

 
De beoogde kwaliteit van het werk wordt door opdrachtgever of architect vastgelegd in gedetailleerde bestekken en bestektekeningen.

Het komt voor dat aannemer als ondernemer opereert, bijvoorbeeld wanneer hij zelfstandig een bouwproject begint op een door hem verworven bouwperceel, deze vorm (projectontwikkeling) vindt het meest plaats bij de bouw van woningen en kantoren.

Bij andere projecten, zoals bedrijfsgebouwen, scholen, bankgebouwen, winkels, maar ook weg- en waterbouwkundige projecten, is er vrijwel altijd sprake van een opdrachtgever.

Er zijn verschillende soorten van aanbesteden:

De Europese aanbesteding is de meest uitgebreide vorm van aanbesteden en kent de onder andere de varianten Open (zonder voorafgaande selectieronde) en Niet-open (met voorafgaande selectieronde). Een Europese aanbesteding is bij sommige projecten verplicht.

Van alle beschikbare vormen van aanbesteding wordt de traditionele openbare aanbesteding het meest gehanteerd. Verder is er de aanbesteding met voorafgaande selectie, waarbij een aantal aannemers worden uitgenodigd al dan niet op basis van objectief vastgestelde criteria zich aan te melden. Indien blijkt dat zij na aanmelden aan de criteria voldoen mogen zij alsnog inschrijven op het werk.

De 'onderhandse aanbesteding' of niet-openbare aanbesteding is een benaming van het aanbesteden van een werk aan slechts een beperkt aantal willekeurig te selecteren partijen. Deze vorm van aanbesteden komt vooral in de particuliere aanbesteding van vooral woningen veel voor.

Het aanbesteding in regie is een vorm waarbij de afgesproken prijs niet gerelateerd is aan het te realiseren project maar gebaseerd op vooraf overeengekomen uurlonen, materieel- en materiaalprijzen, opslagpercentages voor algemene kosten, winst en risico. Deze vorm van aanbesteding is bijzonder geschikt als het gaat om onderhoudswerkzaamheden of bij calamiteiten waarvan van tevoren niet bekend is in welke aantallen de verschillende werken zullen gaan voorkomen.

De gunning is de toewijzing van het werk aan een van de aanbieders door de opdrachtgever. De gunning vond in het verleden vrijwel altijd plaats op basis van de laagste prijs. Met de invoering van de aanbestedingswet per 1 april 2013, is ook gunnen op basis van de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) uitgangspunt geworden bij in elk geval Europees aanbesteden en moet de aanbestedende dienst goed motiveren als deze toch besluit om op laagste prijs te gunnen.  
De laatste tijd worden naast deze traditionele manier van aanbesteden steeds vaker innovatieve manieren van aanbesteden gehanteerd. Het gaat dan vooral om contract- en aanbestedingsvormen waarbij de aannemer verantwoordelijk is voor zowel het ontwerp als de uitvoering, eventueel in combinatie met exploitatie en financiering.

Tijdens het bouwproces heeft de aannemer te maken met allerhande wet- en regelgeving zoals het Bouwbesluit, de Woningwet, het Bouwstoffenbesluit en de UAV (in Nederland). Verder bestaat regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden, milieu, voorschriften van nutsbedrijven enz.

Naast administratief personeel heeft een aannemer 

in dienst. 
Tot zijn productiepersoneel behoren meestal timmerlieden, metselaars en opperlieden.

In de weg- en waterbouw kraanmachinisten en grondwerkers.
Daarnaast zijn er nog talloze disciplines in de bouw werkzaam, zoals steigerbouwers, vloerenleggers, stukadoors, tegelzetters, loodgieters, installateurs, elektriciens, schilders, voegers enz.
Deze laatste vaklieden worden meestal ingezet door het inschakelen van zogenaamde onderaannemers.

Persoon of organisatie die in opdracht van een aannemer, zonder bij de aannemer in dienst te zijn, het aangenomen werk geheel of gedeeltelijk uitvoert, vaak tegen een vastgestelde prijs.

Wanneer de opdracht is verstrekt en de nodige vergunningen geregeld zijn kan de aannemer aan de slag. De bouwplaats moet worden ingericht, een werkplanning gemaakt, keten en bouwhekken geplaatst, personeel en materieel worden gepland, materialen en onderaannemersdiensten worden ingekocht. De aannemer is in de moderne bouw meer een coördinerend dan een uitvoerend bedrijf.

Op de bouwplaats is een belangrijke taak weggelegd voor de uitvoerder, deze ziet toe op de dagelijkse gang van zaken op de bouwplaats.




#Article 15: Amsterdam Anders/De Groenen (275 words)


Amsterdam Anders/De Groenen (AA/DG) was een plaatselijke politieke partij in de gemeente Amsterdam.

AA/DG is voortgekomen uit de vereniging Amsterdam Anders (opgericht in 1997) en de afdeling Amsterdam van de partij De Groenen. De partij haalde bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1998 drie zetels en bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2002 één zetel. In 2006 kwam de partij drie stemmen tekort voor een zetel, en verdween ze uit de gemeenteraad.

AA/DG wil volgens eigen zeggen de samenleving bevrijden uit het ideologische keurslijf van marktwerking. De partij wil tegengaan dat de overheid grote bedrijven dient die ongebreidelde winst en steeds uitbreidende economische groei nastreven. Ze ziet solidariteit en eerlijke handel als noodzakelijk voor het voortbestaan van de wereld. In Amsterdam heeft AA/DG zich onder andere ingezet tegen luchtvervuiling, voor lage huren voor sociale en culturele instellingen, voor eerlijke cacaohandel in de Amsterdamse haven, voor buitenlandse straatartiesten en voor een tweede fietsboot bij het station Amsterdam Centraal.

Amsterdam Anders/De Groenen was vertegenwoordigd in de Amsterdamse stadsdeelraden Centrum (2 zetels) en Oud-Zuid (1 zetel). Een bekend raadslid van AA/DG was René Danen, initiatiefnemer en coördinator van het platform Keer het Tij. Bekend is ook de revolutionair marxist Joost Kircz, deelraadslid in Amsterdam Centrum. Kircz is lid van de Vierde Internationale en haar Nederlandse sectie Socialistisch Alternatieve Politiek (SAP).

Bij de Statenverkiezing van 7 maart 2007 steunde AA/DG de lijst Noord-Holland Anders/De Groenen. Lijsttrekker was het voormalige deelraadslid Westerpark Ronald Schönberger. De partij besloot niet mee te doen aan de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2010, omdat er te weinig nieuwe leden waren die de partij konden dragen.

Ronald Schönberger is sinds mei 2010 raadslid voor De Groenen in het nieuwe stadsdeel West.




#Article 16: Amstel (rivier) (1343 words)


De Amstel (naar Aeme-stelle, een Oudnederlands woord voor waterachtig gebied) is een gekanaliseerde rivier in het zuiden van Noord-Holland, voor een deel op de grens van Noord-Holland met Zuid-Holland en Utrecht. Het gebied langs de rivier wordt aangeduid als Amstelland. Amsterdam heeft zijn naam te danken aan de Amstel.

De Amstel begon oorspronkelijk bij de samenvloeiing van de Drecht en de Kromme Mijdrecht, iets ten zuidwesten van Uithoorn. Door kanalisatie en aanleg van het Amstel-Drechtkanaal in 1825 is het gedeelte tussen Uithoorn en Ouderkerk aan de Amstel onderdeel van dit kanaal geworden.

Dit kanaal begint bij de Tolhuissluis bij de samenkomst van de Drecht en het Aarkanaal, iets ten noordwesten van Nieuwveen, en loopt via Uithoorn naar Ouderkerk waar de Bullewijk erin uitmondt. Vanaf daar tot in Amsterdam heet het water officieel nog steeds Amstel. Het deel van het Aarkanaal tot de Bullewijk is 18,5 km lang, vanaf daar tot de monding meet het water 12,5 km.

Behalve de Kromme Mijdrecht en de Bullewijk stroomt het riviertje de Waver in de Amstel, bij het westelijkste punt van de polder de Ronde Hoep.

Stroomopwaarts even na Ouderkerk aan de Amstel ten zuiden van de huidige brug van de A9 maakte de Amstel een scherpe bocht. Hier is de Amstel in de 18e eeuw rechtgetrokken en is het Amsteleiland ontstaan. Hier bevond zich een scheepswerf die inmiddels is ontruimd. Na sanering van de vervuilde grond is het eiland bouwrijp gemaakt en krijgt een nieuwe bestemming.

Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat de huidige Amstel mogelijk al een voorloper had in de vorm van een kreek die aftakte van het Oer-IJ, dat aanvankelijk bij Castricum in verbinding stond met de Noordzee. Voorts is de Amstel via de Angstel en de Vecht een restant van een noordelijke arm van de Rijndelta.

In de Middeleeuwen, vanaf ongeveer het jaar 1000, begon de bevolking vanaf de rivier het veen te ontginnen: het veenland werd in gebruik genomen voor agrarische doeleinden. De Bisschop van Utrecht was hierin een drijvende kracht. De oudste nederzetting aan de Amstel is waarschijnlijk Ouderkerk, dat zo'n twee eeuwen ouder is dan Amsterdam.

Later werd ook turf gewonnen; de afgestoken veengrond werd tot turf verwerkt en als brandstof gebruikt. Zo ontstond waarschijnlijk rond het begin van de dertiende eeuw in het veengebied ten westen van Ouderkerk het veenwerkersgehucht Amstelveen. Het gebied ten oosten van de Amstel werd Ouder-Amstel, het gebied ten westen werd Nieuwer-Amstel.

Er is een theorie dat de benedenloop van de Amstel voor de twaalfde eeuw anders liep. Door het inklinken van het veen daalde de bodem van het Amstelland en draaide de stroomrichting van de Amstel naar het oosten, om via het Diemermeer een uitweg naar de Zuiderzee te zoeken. Daar was de uitwatering niet optimaal. De veronderstelling dat het deel tussen de Omval nabij het Amstelstation – de plek waar de rivier afboog naar het Diemermeer – en de Blauwbrug gegraven zou zijn wordt door archeologisch onderzoek weerlegd. In diepere grondlagen ligt sediment dat wijst op oude rivierafzettingen.

Na enkele stormvloeden in de 12e eeuw, waarvan vooral de Allerheiligenvloed in 1170 en de Sint-Nicolaasvloed in 1196 een grote impact hadden, kwam de Amstel via het IJ en de Zuiderzee in open verbinding te staan met de Noordzee, waardoor de wateroverlast langs de oevers toenam. Langs de oevers van het IJ en de Zuiderzee werden vervolgens dijken gebouwd en ook dammen in de riviertjes die daarin uitmondden. In het derde kwart van de 13e eeuw werd ook een dam gelegd (onder de huidige Dam) nabij de samenvloeiing van de Amstel en het IJ.

Door de nieuw ontstane waterverbindingen ontwikkelde zich langs de oevers van de Amstel een gunstige locatie voor het ontstaan van een handelsnederzetting, die in de loop der eeuwen sterk zou groeien. De oudste vermelding van Amstelredam dateert van 27 oktober 1275; kort na 1300 verwierf deze plaats stadsrechten van de graaf van Holland.

Het dorp groeide uit tot het stadje Amsterdam, dat door zijn ligging aan de Zuiderzee met verbinding over zee naar Duitsland en Scandinavië enerzijds en de zuidelijke rivierverbinding met Dordrecht en Antwerpen anderzijds, vanaf de 14e eeuw steeds belangrijker werd.

Oorspronkelijk mondde de rivier via het huidige Rokin en Damrak uit in het IJ, nu eindigt de Amstel in de binnenstad van Amsterdam bij het Muntplein. Het laatste stuk van de straat langs de Amstel in Amsterdam heet ook wel Binnen Amstel. De noordelijke oever van het laatste stuk heet echter sinds 1913 's-Gravelandseveer. Via duikers onder het gedempte deel van het Rokin en de Dam stroomt het water overigens nog altijd via het Damrak het IJ in, hoewel het meeste via de Amsterdamse grachten wordt omgeleid.

Het gebied rond de rivier de Amstel heet vanouds het Amstelland. Ook heette het waterschap hoogheemraadschap Amstelland tot de fusie met Gooi en Vechtstreek tot hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht.

Op initiatief en naar ontwerp van mathematicus en burgemeester Johannes Hudde werden in 1673 tussen de Prinsengracht en de Singelgracht de Amstelsluizen gebouwd. Om de waterverversing van de getijrivier de Amstel en de Burgwallen te verbeteren werden deze sluizen aangelegd. Dit om de sterk toegenomen vervuiling van Amstel en grachten tegen te gaan, na de vergroting van de grachtengordel met de vierde uitleg. Met deze uitbreiding kwam de Amstel tussen de Blauwbrug en de Hogesluis binnen de stad te liggen. De aanvankelijk onregelmatige oevers werden rechtgetrokken en van kademuren voorzien. De uitvoering was ook in handen van Hudde, in samenwerking met Gerard Hasselaer en Cornelis van Oudshoorn.

In de 17e en 18e eeuw stonden er vele buitenverblijven van rijke Amsterdammers langs deze rivier. De meeste hiervan zijn inmiddels verdwenen. Drie oude landhuizen langs de Amsteldijk bestaan nog: Amstelrust, Wester-Amstel en Oostermeer. In de Rivierenbuurt zijn naar voormalige buitenhuizen in deze omgeving twee pleinen (en straten) vernoemd: Borssenburgplein en Meerhuizenplein.

In de 20e eeuw breidde de stad zich in zuidelijke richting uit, waardoor de Amstel tussen de Omval en de Hogesluis nu ook door stadswijken omzoomd wordt. Naast de functie in de waterbeheersing heeft de Amstel nog steeds een rol in het scheepvaartverkeer voor bedrijven langs het Amstel-Drechtkanaal en verder richting Zuid-Holland en voor de recreatieve vaart, onder meer voor het roeien.

Tijdens de uitgesproken warme en droge zomer van 2003 dreigde watergebrek omdat in het Groene Hart grote hoeveelheden boezemwater werd ingelaten in de polders. Voor het eerst in de geschiedenis werd toen besloten de stroomrichting van de Amstel om te draaien om daarmee water uit het IJmeer naar de Rijnlandse boezem in Zuid-Holland te voeren via de zogenaamde Tolhuissluisroute (Singelgracht - Amstel - Amstel-Drechtkanaal - Tolhuissluis) naar de Rijnlandse boezem in het Aarkanaal. Het gemaal Zeeburg pompte het water nu naar de Amstel, waarvoor de sluizen in de binnenstad moesten worden gesloten. De rivier stroomde toen dus tijdelijk zuidwaarts.

Een aantal bekende Amsterdamse bruggen ligt over de Amstel. Van noord naar zuid:

Zie ook: Bruggen van Amsterdam.

Verder stroomopwaarts zijn er in het Amstel-Drechtkanaal nog de volgende bruggen:

In mei 2014 werd ten noorden van Uithoorn en Amstelhoek een aquaduct ingebruik genomen waardoor hier een ongelijkvloerse kruising met de gelijktijdig geopende omgelegde N201 ontstond. Het aquaduct kreeg de naam Amstel Aquaduct.

Ter hoogte van Theater Carré in het centrum van Amsterdam tussen de Magere Brug en de Hogesluis bevinden zich de Amstelsluizen.

Tijdens de renovatie van de Nieuwe Amstelbrug tussen 1983 en 1986 voer uitsluitend voor voetgangers en fietsers ten zuiden van de te vernieuwen brug het veerpontje de Assistent.

Voor de bouw van de Utrechtsebrug was er een Gemeenteveer tussen de Amsteldijk en de Zuidergasfabriek. Dit werd opgeheven in 1956 nadat deze brug voor verkeer werd opengesteld.

De naam van de wegen en paden langs de oevers hebben verschillende namen en hebben in de stroomrichting van de Amstel gezien de volgende namen: (Zie ook Lijst van straten in Amsterdam)

Enkele kunstschilders die de Amstel in kunstwerken hebben weergegeven:

Naar drie van deze schilders zijn drie hoge kantoorgebouwen aan de Amstel aan de Omval genoemd: Rembrandttoren, Breitnertoren en Mondriaantoren. Een standbeeld van Rembrandt staat langs de Amstel bij de Kalfjeslaan.

Ieder voorjaar worden op de Amstel twee grote roeiwedstrijden gehouden:




#Article 17: AEX (2581 words)


De AEX Index (afgeleid van Amsterdam Exchange Index) is de belangrijkste Nederlandse beursindex. De index geeft het beeld weer van de koersontwikkeling van de 25 aandelen met de grootste marktkapitalisatie op de Amsterdamse effectenbeurs. Uit het gewogen gemiddelde van de koersen van deze aandelen wordt de stand van de AEX berekend. De Amsterdamse effectenbeurs is onderdeel van Euronext. Middelgrote bedrijven worden weergegeven in de AMX Index en de kleinste aandelen in de AScX Index. 

De AEX is opgericht op 4 maart 1983 onder de naam de EOE-index, genaamd naar de toenmalige optiebeurs de European Options Exchange. De index was een idee van Tjerk Westerterp, destijds directeur van de optiebeurs, die het concept in de Verenigde Staten had opgepikt; het leek hem een goed idee om opties op een beurs te kunnen verhandelen. De optiebeurs was een paar jaar daarvoor in 1978 als eerste optiebeurs in Europa opgericht en kon wel een stimulans gebruiken voor de optiehandel. Tot op dat moment bestond alleen de CBS Herbeleggingsindex, die tweemaal per dag werd berekend en de gemiddelde koersontwikkeling van alle aandelen weergaf. Met de continu uitgerekende AEX-index werd optiehandel op de index mogelijk. De AEX was de eerste aandelenindex in Europa die continu uitgerekend werd, de Duitse DAX, Franse CAC 40 en de Britse FTSE 100 volgden enkele jaren later.

Door het lanceren van de EOE-index kon men vanaf dat moment speculeren op bewegingen van de beurs als geheel. De eerste dertien fondsen in de index waren ABN, Ahold, Akzo, Amro, Gist-Brocades, Heineken, Hoogovens, KLM, Koninklijke Olie, Nationale Nederlanden, Philips, Unilever en Nedlloyd. Deze dertien fondsen waren ook de enige waarop optiehandel geïntroduceerd was. De AEX ging op de tweede handelsdag van maart in 1983 van start, maar de waarde van de index werd fictief teruggerekend tot de stand op de eerste handelsdag van het jaar. Die stond toen op 100 punten (omgerekend naar euro's was het 45,38 punten). Drie maanden na de start werd ook Aegon toegevoegd. Geleidelijk aan werd de index tot 1990 uitgebreid tot het uiteindelijke aantal van 25 fondsen. Sinds 1 januari 1994 is de naam EOE-index officieel veranderd in AEX. Hoewel de koers van de AEX gezien wordt als graadmeter voor algehele Nederlandse economie is dit verband niet zo eenduidig. Men gaat er grofweg van uit dat de beurskoersen een half jaar voorlopen op de ontwikkelingen in de echte economie.

In de AEX zijn de 25 grootste aandelen (fondsen) van de Amsterdamse beurs opgenomen. Om voor opname in de AEX in aanmerking te komen worden de fondsen gerangschikt naar handelsomzet van het aandeel. De handelsomzet van een aandeel is grofweg de gemiddelde koers van een aandeel keer het verhandelde volume. De 25 fondsen met het grootste handelsvolume worden in principe opgenomen in de AEX.

Voor de weging in de index wordt geen rekening gehouden met het handelsvolume, maar wordt het wegingspercentage toegekend op basis van de marktkapitalisatie. Hierbij wordt rekening gehouden met de free float, oftewel het percentage aandelen dat niet in vaste handen zit maar vrij verhandelbaar is. Het gewicht van individuele fondsen (op dat moment) mag niet groter zijn dan 15% waardoor de invloed van zeer grote ondernemingen, zoals die van Royal Dutch Shell, wordt beperkt. Een beursindex die gedomineerd wordt door één fonds voegt weinig waarde toe.

De index wordt tweejaarlijks geherwaardeerd. Sinds 2008 vindt er daarnaast op de eerste handelsdag van september een interim review plaats waarbij zo nodig opengevallen plaatsen worden opgevuld. Bij elke herziening wordt een mandje aandelen bepaald, waarbij voor elk fonds een wegingsfactor wordt vastgesteld. De wegingsfactor per fonds wordt via een rekenmodel zo veel mogelijk op gehele getallen afgerond. Deze aantallen worden zo gekozen dat hun waarde op dat moment zo veel mogelijk in verhouding tot de bovengenoemde weging is, en tevens zo dat de waarde van het mandje door de herziening nauwelijks verandert. De index is een honderdste van de waarde van het mandje aandelen in euro's. De index wordt tijdens handelsuren elke 15 seconden uitgerekend.

De AEX-index is de totale beurswaarde van de fondsen die deel uitmaken van deze index gedeeld door een getal (de divisor) om de waarde van de index aan te laten sluiten op de laatste slotkoersen voorafgaande aan een wijziging van de samenstelling van de index. Van de beurswaarde wordt alleen het percentage aandelen of certificaten van aandelen dat daadwerkelijk op de markt verhandelbaar is (de free float) meegeteld. Voor de grootste fondsen (Royal Dutch Shell en Unilever) is er een capping factor (plafond).

Aanvankelijk werd de EOE-index nog eenvoudiger uitgerekend met de formule (nieuwe stand) = (vorige stand) + (gemiddelde procentuele verandering). Zodoende wogen alle fondsen even zwaar waardoor het kleine Gist Brocades een even grote invloed had op de koersontwikkeling als de grote fondsen als ING en Koninklijke Olie. Slimme handelaren manipuleerden de index eenvoudig door grote orders te doen in de kleinere fondsen. Het eerste jaar van de index (1983) was zodoende ook veruit het beste jaar ooit met 61 procent rendement, hoewel dit door het gebroken jaar niet officieel meegeteld wordt. Tegenwoordig is deze makkelijke koersmanipulatie van de index niet meer mogelijk.

In tegenstelling tot de CBS-herbeleggingsindex en de Duitse DAX wordt de hoogte van de index alleen bepaald door de koersen, en bepaalt deze dus alleen het koersrendement. Het totale rendement dat men behaalt indien men het mandje aandelen in bezit heeft omvat ook het dividendrendement van ongeveer drie procent.

De euro is op de effectenbeurs ingevoerd op 4 januari 1999. De index, die een honderdste was van de waarde in guldens van een bepaald mandje aandelen werd een honderdste van de waarde in euro's van datzelfde mandje aandelen, en daardoor door 2,20371 gedeeld. Anders dan bij de CBS-koersindices moeten bij vergelijkingen van historische waarden van de AEX-index waarden van vóór 1999 dus omgerekend worden. Andere indices in Europa hebben geen omrekening naar de Euro gemaakt.

De basis voor de AEX vormen de koersen op 3 januari 1983, waarvan de indexwaarde gesteld werd op 100 punten. Deze 100 punten was in guldens, op basis van euro's begon de AEX op 45,38 punten.

De AEX bereikte op 7 augustus 1997 de oude duizend-puntengrens (in euro’s: 453,78 punten), waar destijds veel ophef over was. De koers noteerde vervolgens zijn hoogtepunt op 4 september 2000, toen de beurs sloot op een koers van 701,56 punten (in euro's). De hoogste intraday-koers die dag en daarmee ook de hoogste koers aller tijden was 703,18 punten. Vervolgens zette de koers een dalende lijn in, met als dieptepunt de koers van 12 maart 2003 door het klappen van de internetzeepbel, toen de AEX op 218,44 punten sloot. Na dit dieptepunt steeg de AEX weer en op 2 januari 2007 doorbrak de AEX de magische 500-punten grens. Na een top op 560 punten, wierp in 2008 de kredietcrisis roet in het eten. Het tot nu toe absolute dieptepunt werd bereikt op maandag 9 maart 2009 waar een intraday-dieptepunt werd genoteerd van 194,99

De AEX daalde in januari 2008 door de toenemende onzekerheid op de Amerikaanse hypotheekmarkt naar een dieptepunt van 401 punten. Mede door de grote weging van financiële instellingen zoals Fortis, Aegon en ING fluctueerde de AEX hevig door berichten over de Amerikaanse hypotheekmarkt en een ophanden zijnde recessie in de Verenigde Staten.

Na een kort herstel in het voorjaar van 2008 tot bijna 500 punten, ging het onder aanvoering van de financiële waarden wederom snel bergafwaarts met de AEX. Maandag 29 september 2008 daalde de index 8,8 procent en een week later op 6 oktober 2008 was het nog dramatischer met een daling van ruim 9 procent. Als gevolg van de zich uitbreidende kredietcrisis daalde de AEX op 8 oktober 2008 onder de 300 puntengrens. De paniek was compleet toen Wall Street op donderdag 9 oktober 2008 nog eens met meer dan 7 procent daalde. Als gevolg hiervan daalde de AEX op vrijdag 10 oktober 2008 met nog eens bijna 10 procent tot een tussentijds dieptepunt van 254 punten. Na een kort herstel tot boven de 300 punten, begon de AEX, als gevolg van de razendsnel om zich heengrijpende diepe wereldwijde recessie, opnieuw te dalen. Op 21 november 2008 was het dieptepunt 220,12, niet veel hoger dan het intraday-dieptepunt van 217,80 punten van 12 maart 2003. Hierna veerden de koersen weer op tot ongeveer 250 punten.

Op 31 december sloot de AEX 2008 af op 245,94 punten. Vergeleken met de slotstand van 31 december 2007 van 515,77 daalde de AEX met bijna 270 punten ofwel 52 procent. Hiermee was 2008 het slechtste beleggingsjaar sinds de introductie van de AEX. Wereldwijd gezien bevond de AEX zich hiermee onderaan in de rangorden van indices. Over de periode 1998-2008 was de AEX zelfs de slechtst presterende index ter wereld, op IJsland na.

Op 31 december sloot de AEX 2010 af op 354,57 punten. Een stijging van een kleine zes procent ten opzichte van de slotkoers van 2009. De AEX bleef gevangen in de neutrale bandbreedte tussen 300 en 360 punten.

 Grootste winsten AEX op een handelsdag:

Hoe breder de tijdspanne is waarin men de koersuitslagen bekijkt, hoe meer de dagelijkse uitschieters elkaar compenseren. Opvallend is dat de eerste jaren na de introductie van de AEX frequent voorkomen in positieve uitslagen per maand. Dit komt mede door de afwijkende manier van indexberekening in de eerste jaren, waarbij koersuitslagen in kleine fondsen grote invloed hadden op de algehele AEX. Omdat de stand van de AEX niet gecompenseerd wordt voor het uitgekeerde dividend van de aandelen is dit rendement niet meegenomen. Het meeste dividend wordt in april uitgekeerd.

 Grootste verliezen AEX per maand:

 Grootste winsten AEX per maand:

Met behulp van de FTI future kan men relatief eenvoudig en goedkoop handelen in het hele mandje aandelen. De aanduiding FTI is anno 2009 nog steeds de naam van de future en staat voor Financiële Termijn Index. De contractwaarde van een heel futurepunt op de AEX is 200 euro, en de minimale tick grootte is 0,05 punt. De omgerekende waarde van een futurecontract op de AEX is gelijk aan 200 euro maal de stand van de future. Dit komt neer op 50.000 euro bij een AEX stand van 250 punten. De future wordt op beursdagen verhandeld tussen 8:00 en 22:00 uur. De handel in de futures gaat dus eerder van start dan de aandelen waarop het betrekking heeft, en gaat ook langer door.

Er vindt een levendige handel plaats in opties op de AEX-index. Deze opties op de AEX zijn oorspronkelijk ook de reden van de introductie van deze index in 1983. De standaardopties op de index hebben een maximale looptijd van vijf jaar. In 2007 zijn er echter ook weekopties geïntroduceerd die elke week aflopen. Eind maart 2008 zijn er ook dagelijks aflopende opties geïntroduceerd die een looptijd hebben van slechts een dag (de daily's). Hiermee is de Amsterdamse optiebeurs de eerste in Europa.

De koers van een indextracker heeft [vrijwel exact] hetzelfde verloop als de koers van de index zelf. Een verschil tussen de twee kan verklaard worden door de kosten die de beheerder van de indextracker moet maken. De koers van de tracker is gekoppeld aan de koers van de index, vaak in een verhouding 1:10. Dus als de AEX op 320 staat, zal de AEX Tracker ongeveer 32 euro noteren.

De formele naam voor de tracker is een ETF, oftewel een Exchange-traded fund. Dat wil zeggen dat de aandelen van een ETF aan een effectenbeurs staan genoteerd in een doorlopende notering en dus gedurende de gehele beursdag worden verhandeld.

Er kleeft een aantal bezwaren aan de AEX-index als maatstaf voor de Nederlandse beurs en economie. Analisten zijn vrijwel unaniem van mening dat de verdeling van de fondsen in de index scheef is. De weging van de financiële instellingen gold voor het uitbreken van de kredietcrisis als onevenredig zwaar met bijna 40%. Bovendien ontbreken ondernemingen uit andere sectoren zoals de automobielindustrie. Ten tweede zijn er ook ondernemingen opgenomen die nauwelijks enige binding met Nederland hebben zoals super zwaargewicht ArcelorMittal en in een verder verleden Gucci. Voor veel wetenschappelijke analyses maakt men daarnaast geen gebruik van de AEX door de beperkte koershistorie. Als de oudste beursindex van Europa loopt de geschiedenis evengoed slechts tot 1983, terwijl de Amerikaanse SP 500 en Dow Jones van start gingen in 1957 respectievelijk 1896. Ten slotte is de relevantie van nationale indices aan het afbrokkelen omdat beleggers en vermogensbeheerders internationaler opereren en hun prestaties niet langer koppelen aan de AEX maar aan internationale indices zoals met name de Euro Stoxx 50. Voor Nederland blijft de AEX echter een sterk merk dat grote naamsbekendheid kent en in de media ook gevolgd wordt als mandje van grote bedrijven.

De exacte weging van de index verandert dagelijks, omdat bijvoorbeeld sterk gestegen aandelen aan wegingspercentage winnen. Herweging vindt tweemaal per jaar plaats na de eerste handelsdag van maart en van september, en in het geval van het verdwijnen van aandelen van de beurs (overname, faillissement) of het uitkeren van superdividend zullen er kleine aanpassingen gemaakt worden. Standaard telt de AEX-index 25 aandelen.

In maart 2007 kwamen Mittal en Randstad in de AEX en Getronics verhuisde naar de Midkap index waarna het door de overname door KPN helemaal van de beurs is verdwenen. Door meerdere overnames werd Mittal plotseling een onderneming met een grote omvang. Daardoor is deze debutant onmiddellijk een zwaargewicht in de index, wat een uitzonderlijke situatie is. Op 10 oktober 2007 verdween zwaargewicht ABN AMRO uit de index en later diezelfde maand volgde Numico na de overname door Danone. De AEX-index telde vanaf 4 maart 2008 weer 25 fondsen, maar na een week werd Hagemeyer overgenomen; ook de fondsen Vedior, Corporate Express en Tele Atlas verdwenen door overname uit de index, zodat de index van juli 2008 tot september 2008 maar 21 fondsen telde. In maart 2009 werden Fortis en USG People vervangen door Air France-KLM en Boskalis.

Sinds de splitsing van ArcelorMittal in ArcelorMittal en roestvaststaalpoot Aperam, bestond de AEX-index in 2011 tijdelijk uit 26 bedrijven. Bij de herweging van de AEX-index per 18 maart 2011 werd bouwbedrijf BAM naar de Midkap gedegradeerd. TNT splitste zich in twee aandelen: TNT Express en PostNL. Bij een tussentijdse herweging na het slot van vrijdag 17 juni 2011, werd Wereldhave uit de index verwijderd. In oktober 2012 werd het aandeel D.E. Master Blenders 1753 opgenomen in de AEX-index en nam de plaats in van Tom Tom. Per 24 juni 2013 heeft Gemalto plaatsgenomen in de AEX, ten koste van Aperam. Op 23 september heeft Ziggo de plaats overgenomen van  D.E. Master Blenders 1753. Bij de jaarlijkse herziening van 24 maart 2014 werden Air France-KLM, PostNL en Imtech uit de index verwijderd en vervangen door Boskalis, Delta Lloyd en OCI.

Per 21 maart 2016 kwamen ABN AMRO en SBM Offshore weer in de AEX. De twee verdrongen Delta Lloyd en OCI naar de AMX index. Per 20 juni 2016 verving het biotechnologiebedrijf Galapagos het door FedEx overgenomen TNT Express.

Per 19 maart 2018 verhuisden ASR Nederland en Philips Lighting van de AMX naar de AEX, op deze datum gingen Boskalis en SBM Offshore naar de AMX. Per 18 maart 2019 kwamen Adyen en IMCD van de AMX naar de AEX. Verlichtingsbedrijf Signify en Altice hebben plaats gemaakt en zijn beide naar de AMX gegaan. Per 29 maart heeft Gemalto de AEX verlaten en de index telde tijdelijk 24 fondsen. Per 11 juni 2019 is Takeaway.com gepromoveerd naar de AEX-index, waarmee ze de plek van Gemalto vervangt. Op 23 maart 2020 kwamen ASM International en Just Eat Takeaway in de AEX ter vervanging van Aalberts en Vopak.

Samenstelling 28 juli 2020:




#Article 18: Aardwetenschappen (377 words)


Aardwetenschappen, ook wel geowetenschappen genoemd, is de verzamelnaam voor alle natuurwetenschappen die de planeet Aarde bestuderen. Het is de tak van de wetenschap die zich bezighoudt met de fysieke samenstelling van de aarde, het geheel aan watervoorraden die er voorkomen en haar atmosfeer. Meestal gebruiken aardwetenschappers principes uit de geografie, chronologie, natuurkunde, scheikunde, biologie en wiskunde om een begrip te krijgen van hoe de aarde werkt en verandert.

Aardwetenschappen omvat de traditionele wetenschappen als geologie, fysische geografie, geofysica en ingenieursgeologie, die zich met name met de lithosfeer, de gesteenten en haar ontstaan en gedrag bezighouden. Maar behalve op gesteenten richt aardwetenschappen zich ook op de atmosfeer, water en ijs. Daarom behoren ook wetenschappen als hydrologie, glaciologie, meteorologie, klimatologie, hydrografie, geodesie en oceanografie tot de aardwetenschappen. De geografie die zich richt op de biosfeer heet biogeografie. Vaak wordt dit tot de biologie gerekend, waar het een aanzet tot de ecologie vormde.

Wetenschapsrichtingen als natuurkunde, scheikunde, wiskunde en biologie dragen hulpmiddelen en gereedschappen aan.

Aangezien de aarde een planeet is, kunnen de aardwetenschappen ook als een tak van de planetologie beschouwd worden. Aardwetenschappelijke kennis, met name geomorfologie, wordt bijvoorbeeld ook toegepast voor de zoektocht naar sporen van water, sneeuw en ijs op de planeet Mars.

Zoals bij alle wetenschappen wordt binnen de aardwetenschappen de wetenschappelijke methode gehanteerd: men doet waarnemingen (of verzamelt gegevens), formuleert een hypothese, leidt een voorspelling af en toetst deze. In de aardwetenschappen spelen gegevens een kritische rol in het formuleren en testen van hypothesen.

Hieronder volgt een alfabetische lijst van vakgebieden binnen de aardwetenschappen.

Sommige van deze vakgebieden hebben raakvlakken met andere wetenschappen. Fysische geografie valt bijvoorbeeld zowel onder aardwetenschappen als onder geografie, en biogeologie en paleontologie vallen ook onder biologie.

Aard-wetenschappelijke kennis wordt veel toegepast in de winning van fossiele brandstoffen zoals aardolie en aardgas, de civiele techniek (denk aan bijvoorbeeld tunnels), en de landbouw. Ook het voorspellen van rampen als aardbevingen en vulkaanuitbarstingen behoren tot het werkterrein.

Binnen het vakgebied van de aardwetenschappen vallen ook enkele van de mondiale milieuvraagstukken: is er sprake van een globale temperatuurstijging als gevolg van het versterkte broeikaseffect? Wat zijn de gevolgen van deze temperatuurstijging voor een toekomstige zeespiegelstijging? Hoe zit het met het gat in de ozonlaag boven de zuidpool? Hoe vinden we voldoende drinkwater voor iedereen?




#Article 19: Aristoteles (1677 words)


Aristoteles (Oudgrieks: Ἀριστοτέλης, Aristotélēs) (Stageira, 384 v.Chr. – Chalkis, 322 v.Chr.) was een Griekse filosoof en wetenschapper die met Socrates en Plato wordt beschouwd als een van de invloedrijkste klassieke filosofen in de westerse traditie. Hij was lid van Plato's filosofische Akademeia en diens invloed is dan ook aanwezig in Aristoteles' werk, hoewel Aristoteles een duidelijk van Plato afwijkende filosofische stroming vertegenwoordigt.

Aristoteles was een zoon van de befaamde arts Nicomachus, lijfarts van koning Amyntas III van Macedonië (de grootvader van Alexander de Grote). Aristoteles is vroeg wees geworden. Hij werd opgevoed door zijn oom Proxenus. Op zeventienjarige leeftijd vertrok hij naar Athene en werd als leerling opgenomen in Plato's academie, die hij pas twintig jaar later, na Plato's dood in 347 v.Chr., weer verliet.

Aristoteles mag gezien worden als de eerste homo universalis, omdat hij bekwaam was in de totaliteit van de toenmaals bekende wetenschappen (filosofie, psychologie, politieke en sociale wetenschappen, wiskunde en natuurwetenschappen, taal- en letterkunde, theater...), die hij systematisch en methodisch tot een in zichzelf gesloten systeem uitwerkte. Aristoteles kan zo worden beschouwd als systeemfilosoof. Hij voerde bovendien de logica en de methodologie in als manier om wetenschap en filosofie te bedrijven.

Na op enkele plaatsen als docent werkzaam geweest te zijn, werd hij in ca. 342 v.Chr. door koning Philippus II naar Macedonië ontboden om als privéleraar de opvoeding te verzorgen van diens dertienjarige zoon Alexander, later Alexander de Grote genaamd (tot ca. 340 v.Chr.).

Hij keerde in 335 v.Chr. naar Athene terug, waar hij dertien jaar lang in de Peripatos (wandelgang) van het Lyceum (Grieks Lykeion) heeft gedoceerd. Daarom wordt hij gezien als de stichter van de Peripatetische School.

Als gevolg van een anti-Macedonische reactie na het plotse overlijden van Alexander de Grote (in 323 v.Chr.) werd hij als collaborateur beschouwd en aangeklaagd wegens goddeloosheid. Anders dan Socrates verliet hij de stad, met als motivering dat hij de Atheners een tweede vergrijp tegen de filosofie wilde besparen, verwijzend naar Socrates. Hij week uit naar Chalkis, naar het landgoed van zijn moeder. Daar stierf hij een jaar later aan de gevolgen van een maagkwaal op eenenzestigjarige leeftijd. Uit zijn testament blijkt dat Aristoteles een zorgzaam huisvader en een humaan meester voor zijn slaven was. Enkele van zijn vrienden hebben hem zijn leven lang trouw gevolgd.

Veel van het oorspronkelijke werk van Aristoteles is reeds in de eerste eeuwen na zijn dood verloren gegaan. Onder de verloren werken behoren ook zijn dialogen, de enige teksten die door Aristoteles zelf uitgegeven waren. Vermoedelijk is slechts ongeveer een vijfde van het totale werk bewaard gebleven en bekend. De – nog steeds erg talrijke – bewaarde werken van Aristoteles zijn meestal cursusnotities en lesvoorbereidingen voor eigen gebruik, en waren oorspronkelijk niet voor publicatie bestemd. Dit is een verklaring voor de voor sommige lezers onsystematische of schetsmatige structuur van enkele van de ons bekende teksten. Boeken als de Ethica en de Politica zijn echter voorbeelden van het tegendeel: zelden zijn er boeken verschenen die zo'n heldere structuur en duidelijk logische rode lijn bevatten. Wat opvalt aan de filosofie van Aristoteles in een boek als de Ethica is de voortdurende drang de waarheid te beschrijven in plaats van ingewikkelde of gekunsteld aandoende theorieën. Met een boek als de Ethica toont Aristoteles feilloos aan dat zijn filosofie enkele honderden jaren voor Christus reeds de meest vooruitstrevende inzichten bezat. Inzichten die niet alleen van toepassing zijn op de huidige tijd, maar, net als zijn karakter, universeel (en tijdloos) zijn. Aristoteles' werken worden traditiegetrouw in het Latijn getiteld: gedurende de Middeleeuwen waren ze in het Westen enkel bekend in een Latijnse vertaling van een Arabische vertaling uit het Grieks. Veel van zijn werken zijn door de Arabische geleerde Averroes vertaald.

Het verzamelde werk van de bewaarde teksten van Aristoteles zijn gebundeld in het Corpus aristotelicum. (Hierbij is evenwel niet de tekst met de beschrijving van het Atheense politieke bestel opgenomen, die bekend is onder de naam Athenaion Politeia.)

Aristoteles huldigt het eudaemonisme: het leven heeft tot doel de gelukzaligheid (blijheid) (Grieks eudaimonia) te vinden door:

Het hylemorfisme:

Aristoteles kwam tot de conclusie dat de natuur van onze ziel geestelijk / spiritueel is door te filosoferen; alle materiële wezens bestaan uit materie + vorm. Bij levende wezens wordt de vorm, ziel genoemd. De ziel moet geestelijk zijn omdat de wij kennis in ons opnemen als relaties tussen vormen. En we nemen geen concrete tafel in ons op, maar de essentie van het begrip tafel. Hier introduceert Aristoteles het begrip tabula rasa (effen/ lege plank). In de was van de effen plank worden de vormen afgedrukt. Omdat de cognitieve ziel van de mens geestelijk is blijft de ziel voortbestaan na de dood. Dood wordt dan ook gedefinieerd als de scheiding van lichaam en ziel.

Eigenschappen van de zielen zijn;

Evenals Plato heeft ook Aristoteles de sofisten bestreden, maar hij deed dat door een systematisch overzicht te geven van de oorzaken van hun valse redeneringen. Zodoende ontwierp hij de formele logica (wetmatigheid van het denkproces: syllogisme / oorzaak en gevolg).
Een voorbeeld van een syllogisme:
Major: Alle mensen zijn sterfelijk
minor: Grieken zijn mensen
Conclusie: Grieken zijn sterfelijk
Het bekende 'Socrates is een mens'-syllogisme is volgens Aristoteles geen syllogisme, omdat een term volgens hem nooit betrekking kan hebben op een individu. Men kan zeggen dat allen X Y zijn, of dat sommigen X Y zijn, maar het is nooit zo dat één bepaalde X gelijk is aan Y.

Aristoteles onderscheidde in Politica (350 v.Chr.) drie staatsvormen. Deze drie hadden elk een goede en een slechte vorm, die ook weer onderverdelingen kenden. In deze extreme vorm kwamen ze niet voor, het waren ideaaltypes:

Tirannie is bij Aristoteles dus de slechte tegenhanger van de monarchie. Daarmee is het moeilijk een duidelijke definitie van de twee te maken en is dit meer afhankelijk van de steun vanuit de bevolking. Tirannicide ziet hij vooral als een daad van hen die uit zijn op persoonlijk gewin, terwijl degenen die handelen vanuit het algemeen belang zeldzaam zijn.

Aristoteles hanteerde een analytische, inductieve manier van denken: het destilleren van een algemeen geldende waarheid uit het doen en laten van het individu en de waarneembare werkelijkheid. Daarvan uitgaande bestudeerde hij ook een groot aantal zaken in onder andere bewegingen (wordingen) in de natuur en de biologie en kwam onder de indruk van de ordening en doelmatigheid daarin. Dit bracht hem tot de uitspraak De natuur doet niets vergeefs. In zijn visie bestaat de wereld uit de vier  aarde, water, lucht en vuur, omgeven door de ether, het vijfde lichaam, en daarbuiten sfeerlagen, waarvan de buitenste die van de vaste sterren zou zijn. De uiterste sfeer is in zijn visie God, de Onbewogen Beweger. Zijn ethische opvattingen zijn uitgewerkt in de Ethica Nicomachea.

Zijn werk De Interpretatione behandelt de betekenis van taaluitingen (passen woord(en) en onderwerp van die taaluiting helemaal, gedeeltelijk of helemaal niet bij elkaar, met andere woorden: is de uiting waar, gedeeltelijk waar of niet waar) en de logica daaruit voortvloeiend (het syllogisme). Hierbij gebruikte hij zowel inductie als deductie. Zie ook Klassieke semiotiek.

Hij zocht naar algemeen geldende principes, gebaseerd op ware en waarneembare feiten of aannames, die hij vervolgens toetste aan afzonderlijke gevallen.

Veertien van zijn werken zijn gebundeld in zijn Metafysica, gericht op onderzoekingen van het zijn, ofwel de ontologie. Volgens hem bestaat de Platonische idee slechts in de afzonderlijke dingen, en niet als transcendente werkelijkheid, zoals Plato dat zag. Hij verschilde met Plato dus van mening over het bestaan van universalia waarvoor in de wereld geen particulier voorbeeld te vinden was.

In Aristoteles' visie zijn alle dingen met het verstand te begrijpen. Hiermee sluit hij aan bij Socrates' gedachte over het kennen van algemeen geldende waarheid aangaande goedheid en deugd. Met zijn studie van de erfelijkheid, waarin hij al onderscheid maakte tussen dominante en recessieve factoren, liep Aristoteles vooruit op het werk van Gregor Mendel.

Aristoteles richtte een filosofische school, de Peripatetische School, op, gebaseerd op zijn eigen methode van filosofie bedrijven, het aristotelisme. In latere generaties richtte de school zich voornamelijk op de natuurwetenschappen en werd de filosofie gelaten voor wat het was. De Griekse filosoof Alexander van Aphrodisias echter schreef rond 200 n.Chr. een belangwekkend commentaar op de Organon en Metafysica.

De laatste lichting klassieke Griekse filosofen, de neoplatonisten, kenden en bestudeerden Aristoteles' werk goed. Via hen werd zijn werk in het Syrisch en Arabisch vertaald, waardoor het de Arabische wereld beïnvloedde lang voordat het de denkers van het westen beïnvloedde – dit gebeurde pas vanaf de 12e eeuw in Andalusië dankzij de werken van Ibn Rushd of Averroës en de vertalingen door joodse intellectuelen aldaar. Daarvoor was enkel zijn werk Logica omstreeks 500 door de Romein Boëthius vertaald in het Latijn. Al zijn andere geschriften werden pas zo'n 800 jaar later verplichte leerstof in de westerse academische wereld en kenden vanzelfsprekend pas vanaf de uitvinding van de boekdrukkunst een grotere verspreiding. Na de Gouden Eeuw in Nederland raakte zijn gedachtegoed wat uit de gratie, maar vanaf ca. 1800 leefde Aristoteles' populariteit weer op. De Poolse filosoof Jan Łukasiewicz (1878–1956) verrichtte onderzoek naar zijn formele logica.

Een in de middeleeuwen en in de renaissance veel voorkomende voorstelling is ontleend aan een verhaal, waarvan de herkomst niet met zekerheid is te bepalen. Men ziet Aristoteles kruipend op handen en op voeten, in zijn mond een toom, op zijn rug zit een vrouw Fyllis die hem leidt. Het motief komt veel aan kerkportalen voor en is in de prentkunst geliefd geweest. Het verhaal van Phyllis en Artistoteles is bedoeld als een waarschuwing. Het gaat over de triomf van een verleidelijke vrouw, Phyllis, over het intellect van de grootste klassieke filosoof Aristoteles. 

In het verhaal waarschuwt Aristoteles zijn leerling Alexander om Phyllis, de maîtresse van zijn vader, te vermijden. Aristoteles valt echter zelf voor haar charme. Phyllis zegt op Aristoteles' avances in te zullen gaan als zij hem kan berijden. Zij heeft hiervan echter Alexander op de hoogte gebracht, en op het moment dat Phyllis op Aristoteles rug plaatsgenomen heeft komt Alexander binnen. Hij betrapt zo zijn meester Aristoteles.
Een soortgelijk verhaal werd ook verteld over Socrates en Xantippe




#Article 20: Afghanistan (1490 words)


Afghanistan (Pasjtoe / Dari: افغانستان; Pasjtoe: Afġānistān, IPA:[avɣɒnisˈtɒn]; Dari: Afġānestān, IPA: [avɣɒnesˈtɒn]), officieel de Islamitische Republiek Afghanistan, is een land in Centraal-Azië. Het land heeft een bevolking van ongeveer 38 miljoen mensen, die wonen op een grondgebied van ruim 652.000 km². Het land wordt begrensd door Pakistan in het zuiden en oosten, Iran in het westen, Turkmenistan, Oezbekistan en Tadzjikistan in het noorden en China in het verre noordoosten. Het land hoort ook bij de MENA -landen.

De naam Afghanistan betekent letterlijk Land van de Afghanen. De Pathanen begonnen de benaming Afghaan voor zichzelf te gebruiken vanaf de islamitische periode. Volgens W.K. Frazier Tyler, M.C. Gillet en andere geleerden , Het woord Afghaan komt voor het eerst in de geschiedenis voor in de Hudud-al-Alam in 982 Het laatste deel van de naam Afghanistan stamt af van het Perzische woord stān (staat of land). De Engelse benaming Afghanland dat in verschillende verdragen tussen Kadjaren en Engeland voorkomt over de landen bewoond door Pathaanse stammen (modern Zuidoost Afghanistan) tussen Perzië en Brits-Indië werd door de Afghanen overgenomen en werd Afghanistan.

Vanaf de 18e eeuw, toen Ahmad Shah Durrani een regering vormde op basis van het Pashtunwali, werd Afghanistan bij zijn huidige naam genoemd; Afghanistan werd internationaal als officiële naam erkend tijdens de heerschappij van Abdoer Rahman Khan. Vóór de 18e eeuw werd Afghanistan aangeduid als Khorasan en nog vroeger als Aryana (ook wel gespeld als Ariana).

De oudste menselijke bewoning in Afghanistan dateert uit het Middenpaleolithicum. Het land was dankzij de strategische ligging langs de zijderoute sinds de Oudheid verbonden met de culturen van het Midden-Oosten en andere delen van Azië. Door de eeuwen heen vormde het land het strijdperk van sterk uiteenlopende mogendheden, zoals de Grieken van Alexander de Grote, islamitische Arabieren van het kalifaat van de Omajjaden en Abbasiden, Mongolen van Dzjengis Khan, Britten en Russen. Het land vormde de bakermat van de rijken van de Bactriërs , Kushans, Hephthalieten, Samaniden, Saffariden, Ghaznaviden, Ghowriden, Khilji's, Mogols, Hotakiden en de Durraniden.

De politieke geschiedenis van de moderne staat van Afghanistan begon in de 18e eeuw met de Hotakiden en Durraniden. In de late 19e eeuw werd Afghanistan een bufferstaat in 'The Great Game' tussen de Britse en Russische koloniale rijken. Na de Anglo-Afghaanse Oorlog van 1919 ondernamen Amanoellah Khan en Mohammed Zahir Sjah de modernisering van het land. Een reeks staatsgrepen in de jaren zeventig werd gevolgd door een Russische invasie, die werd tegengewerkt door de Amerikanen. Na de Russische terugtrekking volgde in de jaren tachtig een reeks burgeroorlogen die een groot deel van het land verwoestte. Uiteindelijk maakte dit de weg vrij voor de taliban, een groepering van religieuze extremisten, die kortstondig vrijwel het hele land wisten te veroveren.

In 2001 vielen de Verenigde Staten Afghanistan binnen, op zoek naar Osama bin Laden. Directe aanleiding waren de aanslagen van 11 september. Bin Laden werd niet in Afghanistan gevonden, maar de talibanregering werd afgezet. Er werd een overgangsregering onder Hamid Karzai aangewezen om het land te besturen. Karzai werd in 2004 als president bevestigd in de eerste vrije verkiezingen van het land. In 2004 werd ook een nieuwe grondwet opgesteld. Sindsdien is de wederopbouw moeizaam verlopen. De veiligheidssituatie is verslechterd door de wederopstanding van de taliban en de activiteiten van lokale strijdheren. Enorme problemen waarmee het land kampt zijn behalve de wijdverspreide corruptie, de afwezigheid van goede infrastructuur en grootschalige armoede onder de bevolking.

Na de aanvallen door de Verenigde Staten, dat de opmars steunde van de Noordelijke Alliantie, een alliantie van gewapende tegenstanders van de taliban, werd een nieuw regime ingesteld onder leiding van president Karzai. Sinds eind 2001 is er een veiligheidsmacht in Afghanistan aanwezig, de ISAF. Tot 11 augustus 2003 was de leiding in handen van Nederland en Duitsland, daarna nam, tegen de zin van Afghanistan zelf, de NAVO die taak over. In het kader van Task Force Uruzgan werd op 1 augustus 2006 Kamp Holland ingericht. Dit kamp bleef operationeel tot juli 2010.

Aanhangers van het voormalige talibanregime blijven strijden met aanslagen en terreurdaden tegen de aanwezigheid van 'ongelovigen' in Afghanistan, en ook tegen de Afghaanse regering, die zij als een marionet beschouwen. Ze opereren vanuit het Pakistaanse grensgebied. Diverse ISAF-soldaten zijn omgekomen, evenals medewerkers van het Rode Kruis en de Verenigde Naties.

Op 28 juni 2005 leden Amerikaanse troepen bijvoorbeeld het zwaarste verlies sinds de omverwerping van het talibanregime. Drie leden van een speciaal Navy Seals-team kwamen om, en een Chinook-helikopter met 16 inzittenden, uitgestuurd om hen te redden, werd neergeschoten waardoor alle inzittenden omkwamen. Naar aanleiding van de voor september 2005 geplande parlementsverkiezingen is de onrust en het geweld in de regio gevoelig toegenomen.

Een ander probleem voor de Afghaanse regering is dat de regionale bestuurders zich (opnieuw) als onafhankelijke krijgsheren opstellen, en zich weinig aan het centrale gezag gelegen laten liggen. De gouverneurs verrijken zich, strijden met elkaar en onderdrukken de bevolking, terwijl de centrale regering vrijwel bankroet is. De Afghanen zouden het mandaat van de ISAF naar de provincies willen uitbreiden, maar de Westerse coalitie weigert dit voorlopig op financiële en logistieke gronden.

Een ander probleem zijn de vluchtelingen. De terugkeer van vluchtelingen naar Afghanistan is in 30 jaar niet zo grootschalig geweest. In 2002 keerden 2,3 miljoen vluchtelingen terug naar huis (waarvan 1,8 miljoen uit het buitenland), voor 2003 werden 2,5 miljoen terugkerende vluchtelingen verwacht. Door deze vluchtelingenstroom werden de problemen op het gebied van schaarste aan voedsel en drinkwater extra versterkt.

Afghanistan vormt het noordoostelijk deel van het Hoogland van Iran. Het land heeft vele steil hellende bergen en uitlopers van het Hindoekoesj-hooggebergte (met toppen hoger dan 7300 m) in het centrum van het land. De hoogste berg is de Noshaq (7492 m). Er zijn echter, binnen de bergwaaiers en op hun randen, vele vruchtbare valleien en vlaktes. In het zuiden, en in het bijzonder in het zuidwesten, zijn grote woestijnen in het Helmendbekken, waaronder de gebieden van Seistan en Registan. In het noorden, tussen de centrale bergketens en de rivier Amu Darja liggen de hooglanden van Badachsjan, Afghaans Turkestan, de vlakte van Amu Darja, en de rijke vallei van Hari Rud (Arius) in de noordwesthoek van het land (het hart van het oude Ariana). In het midden van het land ligt het nationaal park Band-e Amir.

Het klimaat van het land varieert sterk, hoewel het grootste deel van het land droog is. In Afghanistan komen onder andere een steppeklimaat (noordwesten en noordoosten), woestijnklimaat (zuiden en midden) en landklimaat (noordoosten) voor. Door de grote afstand tot de oceanen houdt dit droge, hete zomers en koude winters in. De meeste regen valt in het oosten en in de bergstreken.

Het centrale bergland vormt de scheiding tussen een drietal rivierbekkens. In het noorden stroomt de Kunduz naar de Amu Darja. Deze laatste vormt over meer dan 1000 km de grens met Tadzjikistan en Oezbekistan. Het oosten behoort tot het stroomgebied van de Indus, met als hoofdrivier de Kabul, en als zijrivieren Panjshir, Alisjang en Kunar. Het water wordt sinds tijden gebruikt voor irrigatie. In het westen stromen de Hari Rud en de Helmand, die grotendeels ten zuidwesten van de Hindoekoesj aan de Iraanse grens stroomt. Deze bevatten slechts af en toe water. De rivieren zijn meestal onbevaarbaar.

Het droge Afghanistan telt weinig grote natuurlijke meren. Er zijn wel meerdere stuwmeren, die zowel voor de stroomvoorziening van de grote steden moeten zorgen als voor drink- en irrigatiewater.

De tien grootste steden van Afghanistan telden volgens een schatting van het Bureau voor de Statistiek van Afghanistan in 2006 alle meer dan 50.000 inwoners. Deze zijn hieronder weergegeven, alsook hun inwoneraantal bij de laatste volkstelling van 1979:

Steden die sinds 1979 uit de top 10 zijn verdwenen zijn Baghlan (in 2006: 56.200 inwoners) en Ghazni (48.700).

Afghanistan kent naast de centrale overheid ook andere bestuurslagen, territoriale onderdelen waar regels vastgesteld en/of beslissingen worden genomen over bepaalde gebieden en/of hun bewoners. Het betreft de volgende bestuurslagen:

Afghanistan heeft 34 provincies, die weer zijn onderverdeeld in totaal 398 districten.

Bij het begin van de 20e eeuw telde Afghanistan ongeveer vier miljoen inwoners; dat aantal is nu verachtvoudigd.

Hoewel oorlogvoering in de laatste eeuw een wezenlijke bevolkingsverplaatsing veroorzaakte (miljoenen vluchtelingen trokken naar Pakistan en Iran) is de bevolkingssamenstelling niet veel veranderd door de jaren heen. Tadzjieken, die de tweede grootste etnische groep van het land vormen, wonen rond het Hart en in het noordoosten; Oezbeken wonen in het noorden, en nomadische Turkmenen wonen langs de grens met Turkmenistan. In de centrale bergen wonen de Hazara, van Mongoolse oorsprong. In de oostelijke en zuidelijke centrale gedeelten wonen de Pathanen, die de grootste etnische groep van het land vormen. Beloetsji wonen in het uiterste zuiden. 

Dari (of Oostelijk Perzisch), Pasjtoe, Oezbeeks, Engels, Arabisch, Turkmeens en Urdu zijn de belangrijkste talen van het land.

Bijna alle (meer dan 99,7%) inwoners zijn moslim. De grote meerderheid (80 tot 85%) is soenniet, een minderheid (15 tot 19%, meer dan twee miljoen en hoofdzakelijk Hazara) sjiiet. 1% hangt een andere godsdienst aan. (Katholicisme of Jodendom)




#Article 21: Atlantische Oceaan (1503 words)


De Atlantische Oceaan is de oceaan die de continenten Afrika en Europa in het oosten scheidt van de continenten Noord- en Zuid-Amerika in het westen. Na de Grote Oceaan is het zowel in oppervlakte als volume de tweede oceaan ter wereld. De Atlantische Oceaan bedekt ongeveer een vijfde deel van de Aarde. De oppervlakte bedraagt 76.762.000 km² en inclusief de aangrenzende zeeën 106.450.000 km². De gemiddelde diepte is 3926 m en inclusief aangrenzende zeeën 3332 m. Het diepste punt bevindt zich in de trog van Puerto Rico op 8605 m onder zeeniveau. In de oceaan bevinden zich twee gyres (ringvormige zeestromingen): de Noord-Atlantische gyre en de Zuid-Atlantische gyre.

De Oceaan dankt zijn naam aan Atlantis, het 'eiland van Atlas', volgens Plato de oudste zoon van Poseidon en de eerste koning van de mythische Atlantische beschaving.

Met de Atlantische Oceaan wordt het S-vormige wateroppervlak ten oosten van Noord- en Zuid-Amerika en ten westen van Europa en Afrika bedoeld. Soms wordt er onderscheid gemaakt tussen een Zuidelijke en Noordelijke Atlantische Oceaan. De grens ligt rond de evenaar.

In het noorden gaat de Atlantische Oceaan over in de Noordelijke IJszee en de Labradorzee, twee watermassa's die worden gescheiden door Groenland.

Aan beide zijden van de oceaan liggen aangrenzende zeeën die soms tot dezelfde watermassa gerekend worden. Aan de oostkant ligt de Noordzee, die Groot-Brittannië van het vasteland van Europa scheidt. De Noordzee is via het Kattegat verbonden met de Oostzee, die Scandinavië scheidt van de rest van Europa. De Noordzee en Oostzee zijn, in tegenstelling tot de Labradorzee en de Noordelijke IJszee, grotendeels ondiepe watermassa's op het Europese continentaal plat (zogenaamde epicontinentale zeeën). Verder naar het zuiden is de Noordzee met de Atlantische Oceaan verbonden door Het Kanaal. De Golf van Biskaje vormt een inham van de oceaan in Europa ten noorden van het Iberisch Schiereiland.

De Atlantische Oceaan is via de Straat van Gibraltar verbonden met de Middellandse Zee en de Zwarte Zee, die Europa van Afrika en Voor-Azië scheiden. Ten zuiden van Gibraltar ligt de oceaan in een grote boog om Afrika heen, om enkele graden ten noorden van de evenaar een grote inham in Afrika te vormen, de Golf van Guinea. Ten zuiden van Afrika gaat de Atlantische Oceaan over in de Indische Oceaan. De grens bevindt zich tussen Kaap Agulhas en 60 graden zuiderbreedte. De grens met de Zuidelijke Oceaan, de watermassa rondom Antarctica, is de parallel op 60° zuiderbreedte. Deze puur willekeurige grens werd vastgesteld door de Internationale Hydrografische Organisatie.

Aan de westzijde gaat de Atlantische Oceaan ten zuiden van Zuid-Amerika (Kaap Hoorn) over in de Grote Oceaan. Ten noorden van Zuid-Amerika vormt de eilandboog van de Antillen de grens tussen de Atlantische Oceaan, de Caribische Zee en de Golf van Mexico. De laatste twee zeeën scheiden Noord- en Zuid-Amerika.

In de Atlantische Oceaan liggen meerdere eilanden en archipels (eilandgroepen). Tussen het vasteland van Europa en Groenland liggen Brittannië, Ierland, Rockall, Faeröer en IJsland. Tussen Europa en Noord-Amerika liggen de Azoren en meer naar het zuiden voor de kust van Afrika liggen Madeira (met Porto Santo), de Ilhas Selvagens, de Canarische Eilanden en de Kaapverdische archipel. Voor de kust van Zuid-Amerika bevinden zich de Falklandeilanden en Zuid-Georgia en de Zuidelijke Sandwicheilanden. Ten noorden van Zuid-Amerika liggen de Caraïben (inclusief Cuba, Jamaica, Hispaniola en de Antillen), en iets verder ter hoogte van Florida, Bermuda. Midden in de oceaan liggen Sint-Helena, Ascension, Tristan da Cunha, Fernando de Noronha en de Azoren.

Het verloop van de oceaanbodem wordt de bathymetrie genoemd. Toen men halverwege de 20e eeuw begon de diepte van de Atlantische oceaanbodem in kaart te brengen, bleek de bathymetrie opmerkelijk simpel. In het midden van de oceaan bevindt zich een continue onderzeese bergrug, die de Mid-Atlantische Rug wordt genoemd. Van de rug af is de bathymetrie bijna perfect symmetrisch: de diepte van de oceaan neemt van de rug af toe. De oceaanbodem wordt zo gescheiden in twee bekkens. De dieptetoename is het sterkst dicht bij de rug. Verder van de rug af is de helling zo gering dat men van abyssale vlaktes spreekt. Deze diepgelegen vlaktes zijn de vlakste delen van het aardoppervlak. De gemiddelde diepte van de top van de Mid-Atlantische Rug is ongeveer 2500 m, terwijl de abyssale vlaktes veel dieper liggen, tussen de 3700 en 5500 meter.

De Mid-Atlantische Rug is van noord naar zuid 15.000 km lang. De rug werd rond 1950 ontdekt en gekarteerd door middel van echoloodmetingen. Later werd de bathymetrie met de Spaceshuttle Challenger nauwkeuriger in beeld gebracht. Op sommige plaatsen steekt de rug boven het wateroppervlak uit, zoals bij IJsland, Sint-Helena en de Azoren. De rug is maximaal ongeveer 1590 km breed. Opmerkelijk is dat zich over vrijwel de gehele lengte in het midden van de rug een kleine depressie bevindt. Deze wordt gevormd door een geologische slenk.

Op het relatief simpele verloop van de bathymetrie bestaan veel uitzonderingen. Loodrecht op de Mid-Atlantische Rug liggen veel minder prominente transversale ruggen, die soms doorlopen tot de continentale randen. Ze verdelen de oceaanbodem in talrijke bekkens. Grotere bekkens ten noorden van de evenaar zijn het Blake-, Guyana-, Noord-Amerikaanse, Kaapverdisch en Canarisch Bekken. Ten zuiden van de evenaar liggen het Angola-, Kaap-, Argentinië- en Braziliëbekken.

Langs de randen van het continentaal plat is de continentale helling doorsneden met diepe kloven.

Hoewel de Atlantische Oceaan grotendeels wordt begrensd door passieve marges, liggen op enkele plekken oceanische troggen. De Trog van Puerto Rico, in de Noord-Atlantische Oceaan is de diepste daarvan. Het diepste punt van deze trog ligt op 8605 meter. Andere troggen langs de Atlantische Oceaan zijn de Laurentiatrog ten oosten van de Canadese kust, de South-Sandwichtrog, die een diepte bereikt van 8428 meter, en de Romanchetrog, die in de buurt van de evenaar ligt en een diepte bereikt van ongeveer 7454 meter.

De Atlantische Oceaan begon zich ongeveer 160 miljoen jaar geleden te vormen, door het opbreken van het oercontinent Pangea.

De Atlantische Rug is de plek waar de oceaan zeer langzaam aangroeit, als gevolg van een proces dat oceanische spreiding wordt genoemd en een belangrijk onderdeel is van platentektoniek. Onder de oceaanbodem is de convectiestroming in de aardmantel opwaarts gericht. Onder het oppervlak smelt gesteente, zodat magma gevormd wordt. Langs de Mid-Atlantische Rug kunnen dan ook veel vulkanen gevonden worden, waarvan de meeste zich onder de zeespiegel bevinden. Sterker: mid-oceanische ruggen zijn de vulkanisch actiefste delen van de Aarde. Het gestolde magma vormt nieuwe oceaankorst, die aan weerszijden van de rug af beweegt, zodat de oceaan langzaam breder wordt. De afstand tussen enerzijds het supercontinent Amerika en anderzijds de continenten Europa en Afrika neemt met ongeveer 5 cm per jaar toe.

Hoe verder van de rug vandaan, des te ouder de oceaanbodem is. Ook na de stolling van magma op de oceaanbodem gaat het afkoelen van de oceaankorst door. Met het afkoelen neemt de dichtheid van de oceaankorst toe. Oudere delen van de oceaankorst zijn daarom zwaarder en liggen dieper op de aardmantel. Daardoor neemt de diepte van de oceaan van de rug af toe.

Sedimenten van de oceaanbodem kunnen op grond van herkomst worden onderverdeeld in drie soorten. Terrigene afzettingen zijn sedimenten waarvan de oorsprong op het land ligt. Ze zijn vaak siliciclastisch van aard, wat wil zeggen dat ze silica bevatten. Voorbeelden zijn zand en silt. Deze materialen zijn meestal te vinden op het continentaal plat en zijn het dikst voor mondingen van grote rivieren en woestijnkusten, waar de wind dergelijke materialen makkelijk van het land af kan transporteren.

Pelagische afzettingen bestaan uit de overblijfselen van organismen die naar de oceaanbodem zijn gezonken. Deze sedimenten kenmerken zich door een zeer kleine korrelgrootte. Pelagisch sediment is vrijwel altijd klei of uit microscopisch kleine silicaskeletjes bestaande modder (ooze). Onder de fossiele micro-organismen hierin zijn Globigerina en Pteropoda. Het grootste deel van de oceaanbodem is bedekt met een laag pelagisch sediment, waarvan de dikte varieert tussen 60 en 3300 meter. Hoe verder van de Mid-Atlantische Rug af, des te dikker de laag sediment. De laag is het dikst in de troggen, met name bij het Hamiltonrug.

Een derde type sediment zijn authigene afzettingen zoals mangaanknollen. Ze komen voor op plekken waar de overige sedimentatie langzaam verloopt, zoals in de Hewett Curve.

De eerste Europeanen die de Atlantische Oceaan op grote schaal verkenden, waren de Vikingen en Portugezen. Nadat Christoffel Columbus de oversteek had gemaakt naar Amerika nam het verkeer over de oceaan snel toe als gevolg van de kolonisatie van de Nieuwe Wereld. In 1833 maakte het eerste volwaardige stoomschip Royal William de oversteek. In 1819 werd dit schip al voorafgegaan door de Savannah die ook een stoommachine aan boord had, maar het grootste deel van de reis zeilde. In 1866 werd door de Amerikaanse zakenman Cyrus Field de eerste trans-Atlantische telegraafkabel aangelegd tussen Ierland en Newfoundland. De eerste non-stop overtocht met een vliegtuig vond plaats op 14 juni 1919 toen John Alcock en Arthur Whitten Brown in een Vickers Vimy bommenwerper van Newfoundland naar Ierland vlogen. De eerste non-stop solovlucht werd op 21 mei 1927 uitgevoerd door Charles Lindbergh in de The Spirit of St. Louis.




#Article 22: Architectuur (276 words)


Architectuur is de kunst en wetenschap van het ontwerpen van de gebouwde omgeving; inclusief steden, gebouwen, woningen, interieurs, landschappen, meubelen of objecten. Vroeger werd het woord bouwkunst meer gebruikt, dat nu voornamelijk nog voor de esthetische kant van het bouwen wordt gebruikt, terwijl bouwkunde met name voor de technische kant wordt gebruikt. Een bepaalde beoefenaar van de architectuur heet een architect.

Volgens het vroegste overgeleverde werk over het onderwerp, Over architectuur van de Romein Vitruvius, is de architectuur gestoeld op drie principes: schoonheid (venustas), stevigheid (firmitas) en bruikbaarheid (utilitas). Ze kan dan worden omschreven als de balans tussen deze drie elementen, waarbij geen van drieën dus overheersend is ten opzichte van de andere twee. 

De geschiedenis van de bouwkunst begint reeds in de jonge steentijd. Iedere periode en plaats heeft bepaalde stijlkenmerken. Studie van de geschiedenis van de bouwkunst maakt deel uit van de kunstgeschiedenis.

Er zijn over de hele wereld veel verschillende bouwwerken zoals onder andere:

Er zijn diverse stromingen en bouwstijlen zoals onder andere:

Er zijn vele monumenten in Nederland waaronder de rijksmonumenten.

In Nederland;

In Vlaanderen:

Voorheen werd in Vlaanderen de opleiding tot architect aangeboden door architectenscholen. Een architectenschool was een departement van een hogeschool. Deze opleidingen werden in 2013 geïntegreerd in universiteitenː

Na de opleiding wordt men toegelaten tot het beroep, wat wil zeggen dat men het recht verkrijgt de titel architect te voeren, mits een begeleide stage van twee jaar bij een erkend architect, aansluitend op de studie, met goed resultaat is gevolgd.

Er worden diverse beurzen georganiseerd in de Benelux, waaronder het jaarlijkse Batibouw in Brussel, de tweejaarlijkse Bouwbeurs in de Jaarbeurs in Utrecht en de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam.




#Article 23: Architect (1335 words)


Een architect  (Grieks: architektón: bouwmeester; archi: opper, tektón: bouwer) is een ontwerper van gebouwen, die dit ontwerp visualiseert (op tekening zet) en de verwerkelijking van dit concept technisch en administratief begeleidt.

Een ontwerper van infrastructuur, bruggen en dergelijke wordt meestal een civiel ingenieur (Nederland) of burgerlijk-bouwkundig ingenieur (Vlaanderen) genoemd. Steeds vaker ontstaan er samenwerkingsverbanden tussen bovengenoemde partijen, waardoor enigszins een grensvervaging in de ontwerpende disciplines merkbaar is. Soms komt men het synoniem bouwmeester tegen zoals de Vlaamse Bouwmeester die de overheid adviseert inzake bouwprojecten, de Nederlandse Rijksbouwmeester.

Nauw gerelateerd aan het werk van de architect is dat van de stedenbouwkundige. In Nederland en Vlaanderen genieten zij doorgaans dezelfde basisopleiding en gaat men zich in de laatste fase van de studie pas specialiseren; of men volgt een bijkomende specialisatie na de studie.

Een architect ontwerpt gebouwen (woningen, kantoren, fabrieken, kerken, sportcentra en dergelijke). Vroeger werd zo'n persoon een bouwmeester genoemd. Hiermee bedrijft een architect architectuur, een toegepaste kunstvorm.

In Nederland bestaan er meerdere opleidingstrajecten waardoor men in aanmerking kan komen voor inschrijving in het architectenregister waarna men de titel van architect mag voeren:

In Vlaanderen zijn er 2 opleidingen (aangevuld met een twee jaar durende stage) die leiden tot de beroepstitel van architect:

Er is ook de mogelijkheid om in te stromen in de Master in de architectuur van de boven vermelde opleiding. Daarvoor dient men wel in het bezit te zijn van een compatibele professionele bachelor, bvb toegepaste architectuur, bouwkunde of interieurvormgeving. Een dergelijk schakelprogramma bestaat over het algemeen uit 90 ECTs of meer.

Een architect kan een ontwerp maken voor nieuwbouw, maar ook voor restauratie of herinrichting van een bestaand gebouw (renovatie).

In Nederland mogen alleen personen die zijn ingeschreven in het Architectenregister de beschermde titel 'architect' voeren. Aan de toelating tot het register zijn strenge opleidingseisen verbonden. Als een persoon niet is ingeschreven mag deze persoon volgens de wet op de architectentitel zelfs niet suggereren dat die persoon architect is of architectonisch of onder architectuur werkzaam is. Een IT-specialist bijvoorbeeld, die zich architect noemt, is niet in overtreding van de wet op de architectentitel omdat dit niet gaat om werkzaamheden als architect, stedenbouwkundige, tuin- of landschapsarchitect of interieurarchitect.

Daarnaast zijn in Nederland veel architecten aangesloten bij de beroepsorganisatie BNA, de Branchevereniging Nederlandse Architectenbureaus. Dit wordt door opdrachtgevers vaak als keurmerk gezien.

In België is het beroep van architect sedert 1939 beschermd. De architecten zijn wettelijk verplicht zich aan te sluiten bij de Orde van Architecten. Doen ze dat niet, dan kunnen ze geen vergunningsaanvraag indienen voor het bouwen of verbouwen van een woning.

Gewoonlijk ontvangt de architect een ontwerpopdracht van een opdrachtgever, ook bouwheer genoemd. Dit kan een particuliere opdrachtgever zijn, een woningcorporatie, een gemeentebestuur, een bestuur van een vereniging, stichting of kerk, de directie van een fabriek, bedrijf of onderneming, een overheidsinstantie, en dergelijke.

De architect maakt dan eerst een schetsontwerp met raming van de kosten. Om het schetsontwerp te verduidelijken naar de opdrachtgever toe wordt soms een maquette gemaakt. In een eerder stadium maakt de architect of ontwerper studiemaquettes om zo het ontwerp voor zichzelf te visualiseren. Als de opdrachtgever zich daarin kan vinden, maakt die vervolgens het bestek en de erbij behorende bestektekening. Daarna kan er een openbare of onderhandse aanbesteding plaatsvinden. Bij deze twee vormen wordt het werk doorgaans aan de laagste inschrijver gegund: de gunning. Ook kan hij of zij in samenwerking met een aannemer een offerte, een vooropgave (of raming) van de kosten van het bouwproject maken. Als deze wordt goedgekeurd, gaat men verder met het uitwerken van een project. Dit is de meest rechtlijnige vorm van aanbesteden.

Ook komt het voor dat een aannemer of projectontwikkelaar grond koopt en daarop een eigen bouwproject begint, waarbij hij of zij een architect de ontwerpopdracht geeft. De architect is in principe verantwoordelijk voor het programma, vorm, indeling, constructie, kleur en materiaalkeuze, aan de hand van de financiële, functionele en esthetische eisen en wensen van de opdrachtgever. Bij de lineaire werkwijze maakt de architect een ontwerp, laat het daarna verder uitwerken en controleren door bouwkundige adviseurs, waarna het door de aannemer wordt gebouwd.

Complexe installatiesystemen, constructiemethoden, toenemende gebouwgrootte en de technische integratie van de façade vraagt om externe specialisten die de architect al ondersteunen tijdens de ontwerpfase. Ze ontwerpen mee met de architect vanuit de kennis van hun eigen vakgebied. Doordat verscheidene vakdisciplines uit de bouwwereld hun kennis en expertise toepassen tijdens het maken van het ontwerp worden latere onvoorziene kosten voorkomen en ontstaan er in de latere fase minder snel problemen. De hoofdaannemer wacht bijvoorbeeld niet tot de architect het project op zijn bordje serveert, maar praat tijdens het ontwerp al mee over eventuele problemen bij de assemblage van een gebouw. Deze werkwijze heet integraal ontwerpen en gewoonlijk vormen de opdrachtgever in samenwerking met de architect de projectleiding over dit integrale bouwteam. De taak van de architect is meestal het ontwikkelen van een ontwerpvisie en een ruimtelijk plan en het bewaken van de algehele kwaliteit van het eindproduct door directie te voeren over het bouwteam bestaande uit specialisten (constructeur, bouwfysicus, bouwtechnoloog etc.).

De architect zal na het schetsontwerp het bestek en de bijbehorende tekeningen maken. Werktekeningen en detailtekeningen van plattegronden, gevels, kozijnen, raam- en deurpartijen worden door tekenaars op zijn bureau gemaakt of uitbesteed aan een tekenbureau.

Voor het ontwerp en technisch tekenwerk gebruikt men tegenwoordig computerprogramma's, computer-aided design (CAD), die het werk vergemakkelijken. Tot begin jaren 80 van de vorige eeuw gebeurde het tekenwerk met potlood, pennen zoals de trekpen en de buisjespen, papier, gum en liniaal op de tekentafel. Hiervoor werden speciaal voor dit werk geschikte materialen gebruikt. Ook gebruikte men eenvoudige grafische hulpmiddelen, zoals mallen en arceermiddelen.

Zijn de tekeningen klaar en zijn er technische berekeningen in het ontwerp, dan gaat een kopie van alles naar een constructeur die constructieve aspecten van een bouwwerk, zoals de boogspanning en de draagkracht van muren en kolommen en dergelijke uitrekent, of naar de bouwfysisch adviseur die de thermische, hygrische, akoestische, brandtechnische en energetische aspecten berekent. Voor het verkrijgen van een Nederlandse bouwvergunning moet de draagconstructie conform het Bouwbesluit en Eurocodes zijn nagerekend. Is alles in orde en is de opdrachtgever tevreden met het ontwerp, dan schrijft de architect het bestek, een vaak stevig boekwerk waarin alle aspecten die bij de bouw aan de orde komen en dus voor de aannemer van belang zijn, minutieus worden uitgewerkt. Hieronder vallen onder andere de te gebruiken materialen, kleuren, maten en wijze van constructie.

Het ontwerp moet niet alleen door de opdrachtgever en constructeur worden goedgekeurd, maar ook door gemeentelijke en overheidsinstanties, zoals bouw- en woningtoezicht. In Nederland gelden bouwregels (bouwbesluit), bijvoorbeeld voor de hoogte en het aanzicht van het bouwwerk, zoals het bestemmingsplan en de welstandscommissie (ook wel schoonheidscommissie genoemd). Meestal voert de architect hierover zelf de besprekingen. Soms moeten bepaalde aspecten van het ontwerp worden aangepast.

Geven de instanties eenmaal hun fiat, dan kan de aannemer met de bouw beginnen. Tijdens de bouw houden aannemer en architect nauw contact en een betrokken architect zal regelmatig bij de uitvoering gaan kijken. Daarbij kunnen technische besprekingen plaatsvinden met de opzichter, die namens de architect toeziet op de bouwwerkzaamheden, en eventueel met de uitvoerder, die de verantwoordelijkheid heeft voor het uitvoerend werk namens de aannemer.

Indien bij de opdracht van de architect de directievoering van het bouwproject ook is opgenomen, zal de architect zorg moeten dragen voor een goed verloop van deze vergaderingen en de verslaglegging ervan.

Is het bouwwerk gereed, dan vindt de officiële oplevering of overdracht aan de opdrachtgever plaats.

Wat een architect aan een bouwproject verdient, het ereloon, hangt meestal af van de totale bouwsom. De architect ontvangt daar gewoonlijk een bepaald percentage van. Voor de hoogte van dit percentage bestaan richtlijnen, die vanwege Europese Regelgeving (anti-kartelvorming) echter geen status meer hebben.

Er is door onder andere BNA een regeling gemaakt waarin de rechtsverhouding tussen architect en opdrachtgever is beschreven, genaamd De Nieuwe Regeling, DNR 2005. In 2011 is daarvan een vernieuwde versie, DNR 2011 verschenen. In juli 2013 is een herziene versie uitgebracht, met behoud van de naam DNR 2011.




#Article 24: Antropologie (177 words)


Antropologie (menskunde of mensleer) is een wetenschap die de mens in al zijn aspecten, zowel fysiek als cultureel, bestudeert. Antropologie wordt tot de gedragswetenschap en de sociale wetenschappen gerekend. Doordat antropologie zo'n breed veld bestrijkt werd vanaf midden 20e eeuw een opdeling gemaakt in verschillende specialistische studiegebieden.

Antropologie wordt door de American Anthropological Association (AAA) in vier gebieden onderverdeeld. In Noord-Amerika krijgen antropologiestudenten dan ook al deze velden onderwezen, terwijl in Europa voor alle deelgebieden aparte opleidingen bestaan. De deelgebieden zijn:

Verder worden tegenwoordig ook de volgende deelgebieden in de antropologie onderscheiden:

Een opleiding tot bachelor en master in de antropologie is een universitaire studie. Soms vindt men in de afstudeerrichtingen onderverdelingen terug zoals hierboven aangehaald. Soms is antropologie een afstudeerrichting binnen de hoofdstudie sociologie, of kan het als keuzevak gevolgd worden. Het kan ook gevolgd worden als een master-na-master, als men reeds over een basisdiploma (bijvoorbeeld psychologie, geografie, economie of sociologie) beschikt. Master in de antropologie kan men onder meer studeren aan de universiteiten van:

Amsterdam (UvA, VU) - Leiden - Nijmegen - Utrecht - Leuven.




#Article 25: Archeologie (1247 words)


Archeologie (samenst. Grieks:  : 'leer der oudheid') of oudheidkunde is de wetenschap die overblijfselen van oude culturen bestudeert teneinde het verleden te reconstrueren en te duiden. Dergelijke overblijfselen, in het bijzonder door de mens vervaardigde gebruiksvoorwerpen (vakterm: artefacten), worden bij opgravingen gevonden. Het wetenschappelijk onderzoek behelst die overblijfselen en de context waarin zij worden aangetroffen.

De archeologische wetenschap heeft een sterk interdisciplinair karakter: diverse aspecten van haar theorie en methoden zijn ontleend aan principes van de culturele en fysische antropologie, de aardwetenschappen, biologie, kunstgeschiedenis en linguïstiek. Voor het op wetenschappelijke wijze dateren van archeologische vondsten, de archeometrie, worden natuurkundige en chemische methoden toegepast. De interdisciplinaire ontwikkeling leidde tot moderne subdisciplines als de geoarcheologie, de archeozoölogie, archeobotanie en de landschapsarcheologie. Daarnaast is er ook forensische archeologie

De eerste echte opgraving wordt toegeschreven aan Thomas Jefferson, in zijn latere leven de derde president van de Verenigde Staten. Hij trok in 1784 een sleuf rond een graf op zijn eigen landgoed in Virginia. In de streek van Jefferson geloofden de mensen dat deze graven afkomstig waren van geheimzinnige heuvelbouwers. Hij kwam tot de conclusie dat deze heuvels waren gebouwd door inheemse indianen die het gebruikten als graf. Jefferson was zijn tijd ver vooruit; hij deed alles zeer nauwkeurig. Zijn methode werd overgenomen door de latere Noord-Amerikaanse opgravers.

Archeologie ontwikkelde zich tot een wetenschap in het midden van de 19e eeuw. De Schotse geoloog James Hutton bestudeerde in zijn Theory of the Earth (1785) de stratificatie van sedimenten. Hij toonde aan dat de stratificatie van sedimenten veroorzaakt werd door voortdurende processen in zee, rivieren en meren. Daarmee legde hij de basis voor het uniformitarianisme. In 1830 betoogde Charles Lyell in zijn Principles of Geology dat de oude geologische condities gelijkwaardig waren aan de huidige.
Een Frans inspecteur, Jacques Boucher de Perthes, werkzaam in de Sommevallei, publiceerde in 1841 een artikel waarbij hij een verband aantoonde tussen menselijke werktuigen (vuistbijlen) en uitgestorven diersoorten. Hij concludeerde hieruit dat lang voor de Bijbelse vloed sprake was van menselijk bestaan. De ideeën van Jacques Boucher de Perthes liepen vooruit op die van een andere grote 19e-eeuwse wetenschapper, Charles Darwin.

Nederland had in 1818 met Caspar Reuvens de eerste hoogleraar archeologie ter wereld. Hij deed tussen 1827 en 1834 archeologisch onderzoek naar de Romeinse resten van Forum Hadriani in Voorburg op wetenschappelijk voorbeeldige wijze.

Sinds 2016 bestaat in Nederland de database Portable Antiquities Netherlands (PAN), waarin vondsten van particulieren door hen kunnen worden opgeslagen en gepubliceerd.

In eerste instantie had de database tot doel privécollecties te kunnen vastleggen. Deze collecties bestaan voornamelijk uit vondsten gedaan met metaaldetectors. Sinds 2020 worden ook maritieme vondsten, vondsten in rivieren en aan zee, in de database vastgelegd.

Een vindplaats moet in zijn geheel systematisch in kaart worden gebracht om zo veel mogelijk informatie te verwerven over omgeving en organisatie van de vroege cultuur. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van (lucht)fotografie, geofysisch onderzoek en het global positioning system. Ook onderzoek aan de hand van historische kaarten en hoogtekaarten van het Actueel Hoogtebestand Nederland is zeer gebruikelijk.

Met luchtfotografie kan de onderzoeker op een unieke manier resten van gebouwen en structuren traceren. De plekken waar ooit mensen woonden zien er namelijk vanuit de hoogte vaak anders uit door een verschil in vegetatie en lichtreflectie. Het onderscheid in het plantendek wordt veroorzaakt door een stagnerende groei boven muren. Luchtfoto's worden ook genomen om de diverse stadia van de opgraving te documenteren en meer inzicht te verkrijgen in de inrichting van vroegere nederzettingen. Met het geofysisch onderzoek kan de archeoloog ondergrondse voorwerpen ontdekken en fundamenten karteren zonder een spade in de bodem te hoeven steken. Een magnetometer bijvoorbeeld detecteert verschillen in het ijzergehalte in de bodem waarmee voorwerpen en bouwwerken kunnen worden ontdekt. In de huidige archeologische praktijk is het gebruikelijk dat in deze fase ook een booronderzoek plaatsvindt, waarbij -meestal met de hand - de archeologische verwachting wordt getoetst. Er worden dan boringen in de grond gezet, waarvan de boorkern wordt beoordeeld op de aanwezigheid van afzettingen die kunnen wijzen op menselijke aanwezigheid in het verleden.

Velen associëren archeologie met opgraven en dit is inderdaad een wezenlijk aspect in de verwerving van kennis over het menselijk verleden. Het op juiste wijze blootleggen, verzamelen en documenteren van prehistorische voorwerpen is een cruciale fase in het onderzoek, omdat een verkeerde werkwijze leidt tot onherstelbaar gegevensverlies. De door grafrovers en fortuinzoekers verkregen voorwerpen zijn voor de wetenschapper vaak van beperkt belang door het ontbreken van samenhang. Het is bij de opgraving van groot belang te beseffen dat aardlagen door de tijd heen boven elkaar worden gevormd en dat normaal gesproken de voorwerpen die het diepst in de grond liggen het oudste zijn. Een afdaling in de grond is een reis naar het verleden en het is daarom voor de datering van belang dat zorgvuldig wordt geregistreerd op welke diepte voorwerpen zijn aangetroffen. Het uitgangspunt is dan ook dat de vondsten die als laatste door mensen zijn gebruikt als eerste worden geborgen. Dit betekent dat als de gevormde aardlagen niet zijn verstoord de toplaag voor de archeoloog meestal het minst interessant is en dat die iets minder zorgvuldig verwijderd kan worden.

Dit is de fase waar het allemaal om begonnen is. Inspectie, opgraving en documentatie stellen de onderzoeker in staat de (pre)historie te bestuderen. De aan de vergetelheid ontrukte resten worden gedateerd, geïnterpreteerd en vergeleken met eerdere vondsten waarna de verworven inzichten worden gepubliceerd.

Met de opkomst van contemporaine archeologie is het aantal methodieken in de archeologie sterk vergroot. Nu archeologen zich ook steeds vaker bezighouden met menselijke sporen uit de 20ste eeuw en zelfs met sporen van het zeer recente verleden, horen ook digitale datamining, interviews met ooggetuigen en registratie door middel van fotografie (waarbij dus niet meer wordt opgegraven, omdat de sporen al aan het oppervlak liggen) tot de archeologische methoden.. Een van de onderwerpen waarin dit sterk naar voren komt is de archeologie van de Tweede Wereldoorlog.

In Nederland geldt voor iedereen (en dus ook voor professionele archeologen) een wettelijke plicht om een vondst te melden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en zijn opgravingen gebonden aan strikte regels. Zo dient voor veldonderzoek, zoals booronderzoek en opgravingen, een Certificaat te worden behaald via een certificerende instelling.
Artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 bepaalt dat de overheid eigenaar is van de vondsten tenzij iemand (anders) zijn eigendomsrecht kan bewijzen. De opgravingsresultaten dienen binnen twee jaar na het einde van de opgraving schriftelijk te worden gerapporteerd aan de minister, de eigenaar en burgemeester en wethouders van de gemeente waar de opgraving plaatsvond.

Na een wijziging van de Monumentenwet in 2012 (sinds 2015 Erfgoedwet) zijn de regel ten aanzien van metaaldetectie door amateurs versoepeld. Waar het voor die tijd metaaldetectie niet expliciet was toegestaan, mag nu vrij gezocht worden en gegraven tot een diepte van 30 cm. Dit geldt uiteraard niet voor plaatsen en objecten die zijn aangewezen als archeologisch monument en gebieden waar gemeente metaaldetectie via een algemene plaatselijke verordening verboden hebben, zoals Arnhem en delen van Ede.

In België valt roerend erfgoed onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen en onroerend erfgoed onder de bevoegdheid van de Gewesten. Voor roerende archeologische vondsten is dus de Vlaamse Gemeenschap bevoegd. Zij heeft hiervoor een Archeologiedecreet uitgevaardigd, dat het archeologisch onderzoek regelt. Zo geldt er een wettelijke plicht om toevalsvondsten te melden aan de bevoegde overheid. Voor archeologische opgravingen is een vergunning vereist, alsook voor het gebruik van (metaal)detectoren. Wat het eigendomsrecht betreft, gelden de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek inzake schatvondst en recht van natrekking echter onverminderd.




#Article 26: Aarde (planeet) (7557 words)


De Aarde (soms de wereld of Terra genoemd) is vanaf de Zon gerekend de derde planeet van het zonnestelsel. Hierin behoort ze tot de naar haar genoemde aardse planeten, waarvan ze zowel qua massa als qua volume de grootste is. Op de Aarde komt leven voor: ze is de woonplaats van miljoenen soorten organismen. ; 1988: , Science 241, p. 1441-1449. Of ze daarin alleen staat is onduidelijk, maar in de rest van het heelal zijn tot nog toe nergens sporen van leven, nu of in het verleden, gevonden. Radiometrische dateringen hebben uitgewezen dat de Aarde 4,57 miljard jaar geleden is ontstaan en het leven maximaal 1 miljard jaar daarna. Sinds het ontstaan van leven op Aarde heeft deze biosfeer de aardatmosfeer zuurstofrijk gemaakt, waardoor zich aerobe organismen konden ontwikkelen, en een ozonlaag kon ontstaan. Die beschermt het aardoppervlak tegen schadelijke ultravioletstraling, waardoor leven mogelijk wordt gemaakt.

Het aardoppervlak is voor 71% bedekt met water in de vorm van zeeën en oceanen, de rest bestaat uit continenten en eilanden. Water is noodzakelijk voor het overleven van alle bekende levensvormen.

De lithosfeer, de buitenste laag van de vaste Aarde, is verdeeld in een aantal rigide platen of schollen, die op een geologische tijdschaal (over miljoenen jaren) langzaam over het aardoppervlak bewegen. Deze beweging veroorzaakt de vorming van gebergten en vulkanisme. Onder de lithosfeer bevindt zich de langzaam convecterende aardmantel. De stroming in de mantel veroorzaakt de bewegingen van de platen en vulkanisme aan het aardoppervlak. Onder de mantel bevinden zich een vloeibare buitenkern (waarin het aardmagnetisch veld wordt opgewekt) en een vaste binnenkern. Dit magnetisch veld beschermt het leven tegen de zonnewind en kosmische straling.

De Aarde draait om de Zon in dezelfde tijd dat ze 366,26  maal om haar eigen as draait. Deze tijdsduur wordt een siderisch jaar genoemd. Omdat de rotatie van de Aarde om haar as en de baan van de Aarde om de Zon dezelfde richting volgen (vanaf de noordpool gezien tegen de wijzers van de klok in) is de lengte van het jaar in zonnedagen gemeten precies één dag korter, namelijk 365,26 dagen.

De aardas staat in een hoek van 23,439281° met een lijn die loodrecht staat op het vlak waarin de aardbaan ligt, wat de seizoenen veroorzaakt. De Aarde heeft een natuurlijke satelliet, de Maan, die vlak na de vorming van de Aarde moet zijn ontstaan. Soms worden er kleine objecten ontdekt die tijdelijk een baan om de Aarde beschrijven. De zwaartekracht van de Maan veroorzaakt getijden in de oceanen, stabiliseert de hellingshoek van de aardas en doet de rotatiesnelheid van de planeet langzaam afnemen.

De Aarde behoort tot het Zonnestelsel, het planetaire stelsel rond de ster die de Zon wordt genoemd. Het Zonnestelsel bevat nog zeven andere planeten en een groot aantal kleinere hemellichamen. De Zon is ongeveer 109 keer zo groot in diameter als de Aarde en heeft een 300 000 maal zo grote massa. Onder de planeten is de Aarde van gemiddelde grootte. De grotere planeten, met name Jupiter, hebben de Aarde gedurende haar bestaan beschermd tegen inslagen door met hun (grotere) gravitatieveld planetoïden en kometen in te vangen of af te stoten. Ook de Maan vangt meteorieten op die anders op Aarde zouden storten.

De Zon is een van de miljarden sterren die samen het sterrenstelsel Melkweg vormen. Binnen de Melkweg is de Zon een relatief onopvallende ster. De Melkweg zelf is weer onderdeel van de Lokale Groep, een groep van meer dan 40 sterrenstelsels, waarvan de Melkweg een van de grotere is. Deze Lokale groep is onderdeel van de Lokale Supercluster, een van vele superclusters van tienduizenden sterrenstelsels die samen het heelal vormen.

Ten opzichte van achtergrondsterren heeft de Aarde 23 uur, 56 minuten en 4,091 seconden (een siderische dag) nodig om eenmaal om haar as te draaien. Doordat de Aarde van boven de noordpool af gezien tegen de klok in draait, lijkt het voor de toeschouwer vanaf het aardoppervlak alsof andere hemellichamen (sterren, planeten, de Zon en de Maan) in het oosten opkomen om onder te gaan in het westen.

De Aarde draait in een licht excentrische baan rond de Zon. Eén rondgang (een siderisch jaar) duurt ongeveer 365,25636 dagen. Daardoor lijkt de Zon vanaf de Aarde gezien ten opzichte van de sterren met ongeveer 1° per dag naar het oosten te bewegen. Dankzij deze beweging komt de Zon elke dag ongeveer 4 minuten later op ten opzichte van de sterren. De tijdsduur die de Aarde nodig heeft om weer in dezelfde positie te raken ten opzichte van de Zon, is daardoor ongeveer 4 minuten langer dan een siderische dag en wordt een synodische dag genoemd.

De afstand tot de Zon bedraagt gemiddeld bijna 150 miljoen km en de snelheid waarmee de Aarde om de Zon beweegt is 29,783 km/s. De Aarde bereikt het perihelium in haar baan (de plek waar ze het dichtst bij de Zon staat) op 3 januari en het aphelium (het verste punt van de Zon af) rond 4 juli. Het verschil in afstand tot de Zon zorgt ervoor dat de warmte-energie die de Aarde in het perihelium ontvangt, 106,9% is van de warmte-energie die ze ontvangt tijdens het aphelium. Het zuidelijk halfrond ontvangt in de loop van een jaar daardoor iets meer energie dan het noordelijk halfrond. Dit effect wordt echter grotendeels opgeheven door absorptie van het energieverschil door de oceanen (het zuidelijk halfrond heeft een veel groter wateroppervlak dan het noordelijk halfrond) en het effect van seizoenen als gevolg van de helling van de aardas is veel groter.

Doordat de rotatieas van de Aarde niet loodrecht op de aardbaan om de zon staat, maar daar 23,4° van afwijkt (inclinatie), verandert de hoek waarmee de Zon de Aarde beschijnt, in de loop van een jaar. Samen met de beweging om de Zon zorgt dit ervoor dat er op Aarde seizoenen voorkomen. Voor een waarnemer op het noordelijk halfrond zal de Zon hoger aan de hemel staan wanneer de noordpool naar de Zon toe gekanteld is. Daardoor is de temperatuur in die perioden hoger, terwijl de temperatuur lager is als de noordpool van de Zon af gekanteld is. Binnen de poolcirkels is de Zon zelfs gedurende een gedeelte van het jaar helemaal niet te zien (de zogenaamde poolnacht). In de astronomie zijn de seizoenen vastgelegd afhankelijk van de stand van de aardas ten opzichte van de Zon. De twee punten in de aardbaan waar een van de twee polen naar de Zon gericht is, worden zonnewendes genoemd en de twee punten waarop de Zon precies boven de evenaar staat, de equinoxen. Die vier punten verdelen een jaar in zomer, herfst, winter en lente.

Voor het noordelijk halfrond geldt dat de afstand tot de zon in het zomerseizoen iets groter is dan in het winterseizoen; de zomer duurt hier dan ook een paar dagen langer dan de winter. Op het zuidelijk halfrond is dat juist andersom. Hierdoor zijn de seizoensverschillen op het zuidelijk halfrond iets groter. Op Mars is dat effect veel sterker, doordat de baan van deze planeet meer van de cirkelvorm afwijkt.

De Aarde bezit een natuurlijke satelliet, de Maan. De diameter van de Maan bedraagt ongeveer een kwart van die van de Aarde. Er bestaat in het Zonnestelsel geen andere planeet met een naar verhouding zo grote satelliet. De Maan is net als de Aarde een terrestrisch lichaam dat voornamelijk uit silicaten bestaat. In tegenstelling tot de Aarde bezit de Maan echter geen atmosfeer.

Hoewel de diameter van de Zon ongeveer 400 keer zo groot is als die van de Maan, hebben Zon en Maan vanaf de Aarde gezien toch ongeveer dezelfde schijnbare diameter aan de hemel. Dit komt doordat de Zon zich ook ongeveer 400 keer zo ver bevindt van de Aarde als de Maan. Er kunnen daarom op Aarde zowel gedeeltelijke zonsverduisteringen voorkomen als totale, die net dekkend zijn.

De Aarde en de Maan draaien om een gemeenschappelijk zwaartepunt in 27,32 siderische dagen. Vanuit de Zon gezien, duurt die omloop van de Maan nog iets langer: de periode tussen twee volle manen (een synodische maand) bedraagt 29,53 dagen. Het vlak van de Maanbaan helt onder een hoek van 5° met de ecliptica. Zonder deze hoek zou er elke twee weken een zons- of maansverduistering te zien zijn.

De aantrekkingskracht van de Maan zorgt voor getijden op Aarde. De aantrekkingskracht van de Aarde op de Maan heeft ervoor gezorgd dat de Maan een gebonden rotatie vertoont: de omlooptijd en rotatieduur van de Maan zijn even lang. Als gevolg daarvan is vanaf Aarde altijd dezelfde kant van de Maan te zien. Tijdens haar omloop rond de Aarde vertoont de Maan schijngestalten, doordat ze zich telkens in een andere positie ten opzichte van de Zon bevindt.

De getijdenversnelling zorgt ervoor dat de Maan versneld raakt in haar omloopbaan en langzaam in een steeds ruimere baan om de Aarde terechtkomt. Als gevolg daarvan beweegt ze zich met een snelheid van 38 millimeter per jaar van de Aarde af. Tegelijkertijd wordt ook de rotatie van de Aarde om haar eigen as afgeremd, waardoor een siderische dag op Aarde elk jaar 23 µs langer duurt. In het Devoon (410 miljoen jaar geleden) stond de Maan nog dichterbij en duurde een siderische dag op Aarde slechts 21 uur, waardoor er ongeveer 400 dagen in een jaar vielen.

De getijdenwerking van de Maan stabiliseert de stand van de aardas. Sommige geleerden denken dat de aardas zonder deze stabiliserende werking van de Maan bloot zou staan aan chaotische veranderingen, die het aardse klimaat veel veranderlijker en extremer zouden maken. Als de aardas zich in het baanvlak van de Aarde bevond, zoals tegenwoordig het geval is bij de planeet Uranus, dan zou complex leven waarschijnlijk onmogelijk zijn vanwege de extreme verschillen tussen de seizoenen.

Behalve een natuurlijke satelliet bezit de Aarde enkele kleine quasisatellieten. De grootste daarvan, de 3,3 km grote planetoïde 3753 Cruithne, werd in 1986 ontdekt. Aan het begin van de 21e eeuw zijn nog meer objecten met soortgelijke banen ontdekt. Die zijn niet groter dan honderd meter in doorsnede.

De aardas ondergaat een langzame, cyclische beweging ten opzichte van de Zon, die precessie wordt genoemd, en zich elke 25.800 jaar herhaalt. De precessie zorgt voor het verschil tussen een tropisch jaar en een siderisch jaar. Daarnaast varieert de stand van de aardas ook een klein beetje, met een periode van 18,6 jaar, een beweging die de nutatie genoemd wordt. Ook de positie van de polen op het aardoppervlak verandert, met maximaal een paar meter per jaar. Deze poolbeweging heeft verschillende cyclische componenten, die samen de quasiperiodische beweging worden genoemd. Zelfs de rotatiesnelheid van de Aarde varieert licht, waardoor niet alle dagen precies even lang zijn.

De helling van de aardas varieert met een periode van 41 000 jaar. Ook de excentriciteit van de aardbaan verandert in de loop der tijd. Er zijn grofweg twee belangrijke cyclische perioden waarmee deze veranderingen plaatsvinden; de langste periode duurt 413 000 jaar, de kortere ongeveer 100 000 jaar.

Cyclische veranderingen van de baan en rotatie van de Aarde en de stand van de aardas worden voornamelijk veroorzaakt door variaties in de aantrekkingskracht van de Zon en Maan en worden wel Milanković-cycli genoemd. Deze cycli zorgen op het aardoppervlak voor langzame veranderingen in de hoeveelheid en distributie van inkomende zonne-energie. Algemeen wordt daarom verondersteld dat ze de oorzaak van (vaak zich cyclisch herhalende) klimaatveranderingen zijn geweest in het verleden, zoals de zogenaamde glacialen (ijstijden) van de afgelopen 2,5 miljoen jaar, koude perioden waarin het landijs aangroeide.

De Aarde is een terrestrische planeet, dat wil zeggen dat ze bestaat uit gesteente in plaats van gassen, zoals een gasreus als Jupiter. De Aarde is in diameter, massa, gemiddelde dichtheid, zwaartekracht en sterkte van haar magnetisch veld de grootste van de vier terrestrische planeten in het zonnestelsel.

De Aarde is bijna bolvormig, maar heeft een geringe afplatting aan de polen (de diameter is van pool tot pool ongeveer 43 kilometer kleiner dan door de evenaar). De vorm is eerder een sferoïde met een uitdijing bij de evenaar dan een bol, maar de precieze vorm (de zogenaamde geoïde) wijkt ook nog eens maximaal 100 meter van een perfecte sferoïde af. Om de geoïde in berekeningen te benaderen worden referentie-ellipsoïdes gebruikt. De gemiddelde diameter van een referentie-ellipsoïde is 12 742 km.

Dat de Aarde min of meer bolvormig is, werd eeuwen voor onze jaartelling al vermoed, onder anderen door Pythagoras en Aristoteles, en bewezen door Eratosthenes (276-194 v.Chr.). Dit was ook onder middeleeuwse geleerden bekend. Bij maansverduisteringen is de schaduw van de Aarde op de Maan altijd cirkelvormig, ook als de Maan dicht bij de horizon staat. Hieruit kan men afleiden dat de Aarde rond moet zijn.

De sterkte van het zwaartekrachtsveld van de Aarde varieert aan het oppervlak. Door de draaiing en de afplatting van de Aarde is de valversnelling iets groter aan de polen  dan aan de evenaar (. Men heeft als standaardwaarde  gekozen. Deze grootheid wordt aangeduid als gn, ge (hoewel dit soms de waarde aan de evenaar aanduidt), g0 of kortweg g.

Net als andere planeten is de Aarde opgebouwd uit chemische en fysische lagen. De buitenste laag is een lichte, relatief rigide korst van silicaten, die een wisselende dikte heeft. Onder de continenten ligt continentale korst met een dikte van gemiddeld ongeveer 35 km en een dichtheid van 2,2 tot 2,9 g/cm3. Onder de oceanen ligt oceanische korst, die gemiddeld ongeveer 8 km dik is en een dichtheid heeft van 3,3 g/cm3. De aardkorst bestaat voor 95% uit stollingsgesteente en voor 5% uit sedimentair gesteente. Desondanks bedekt het laatste ongeveer 75% van het aardoppervlak. Het bevindt zich vooral in bekkens in de hogere delen van de korst. Continentale korst bestaat vooral uit stollingsgesteente met een lage dichtheid, zoals andesiet of graniet, terwijl de oceanische korst vooral uit gabbro en basalt bestaat. De derde soort gesteente is metamorf gesteente, dat wordt gevormd uit de andere twee door de groei van nieuwe mineralen in de diepere delen van de korst.

Tussen de kern van de Aarde en de korst ligt de mantel, die hoofdzakelijk is samengesteld uit ijzer- en magnesiumrijke silicaten en oxiden. De dichtheid is hoger dan die van de korst en neemt toe met de diepte, gemiddeld 3,5 tot 5 g/cm3. De mantel is dankzij de hoge druk binnenin de Aarde plastisch. Dit betekent dat materiaal in de mantel kan stromen. Dicht tegen de kern is de mantel als gevolg van de grote druk rigide, maar naar buiten toe wordt de mantel steeds minder viskeus (zachter). De dikte van de mantel bedraagt 2800 tot 2900 km. Afhankelijk van de viscositeit zijn er een onder- en een bovenmantel te onderscheiden met daartussen een brede overgangszone.

De aardkern heeft een dichtheid van 10 tot 13 g/cm3 en bestaat uit ijzer en nikkel, met sporen van andere elementen. Ze wordt in een vaste binnenkern en een vloeibare buitenkern opgedeeld. De binnenkern heeft een diameter van ruim 2500 km en is, ondanks de temperatuur van ruim 5000 K, door de enorme druk vast. Daaromheen bevindt zich de buitenkern met een dikte van 2200 km, waar een temperatuur van 4500 K heerst. Convectiestromingen in de buitenkern zorgen voor de opwekking van het magnetisch veld van de Aarde.

De buitenste laag van de vaste Aarde is rigide en wordt de lithosfeer genoemd. Ze bestaat uit de aardkorst en een deel van de mantel. Onder de lithosfeer ligt de asthenosfeer; vanwege de hoge temperatuur en relatief lage druk is dit het meest viskeuze deel van de mantel. De lithosfeer is volgens de theorie van de platentektoniek verdeeld in onafhankelijk van elkaar bewegende tektonische platen, die over de zachte asthenosfeer kunnen bewegen en er in feite op drijven.

Ten opzichte van elkaar bewegen de platen zich met snelheden van hooguit enkele cm per jaar. Tussen platen kunnen convergente (naar elkaar toe bewegende), divergente (van elkaar af bewegende) en transforme (langs elkaar bewegende) plaatgrenzen bestaan. De beweging zorgt voor vulkanisme, de vorming van oceanische troggen, gebergtevorming en aardbevingen langs de plaatgrenzen.

Bij divergente plaatgrenzen wordt door opwaartse stroming van heet materiaal in de mantel nieuwe oceanische lithosfeer gevormd. Bij convergente plaatgrenzen schuift de ene plaat onder de andere, door een proces dat subductie genoemd wordt. Alleen oceanische lithosfeer subduceert in grote hoeveelheden, continentale lithosfeer is daarvoor te dik en te licht. Dit zorgt ervoor dat de oceanische lithosfeer voortdurend gerecycled wordt, zodat de meeste oceanische lithosfeer niet ouder is dan 100 miljoen jaar (op geologische tijdschaal gezien relatief jong).

De massa van de Aarde bedraagt 5,97×1024 kg. In massapercentages bestaat de Aarde uit 32,1% ijzer, 30,1% zuurstof, 15,1% silicium, 13,9% magnesium, 2,9% zwavel, 1,8% nikkel, 1,5% calcium, 1,4% aluminium en 1,2% andere elementen. Door massasegregatie tijdens planetaire differentiatie bestaat de aardkern voornamelijk uit ijzer (88,8%), met kleinere hoeveelheden nikkel (5,8%) en zwavel (4,5%) en minder dan 1% andere elementen.

Meer dan 47% van de aardkorst bestaat uit zuurstof, zodat de meeste elementen in de vorm van oxiden voorkomen, uitgezonderd chloor, zwavel en fluor (elementen die in gesteente meestal minder dan 1% van de massa vormen). De samenstelling van de Aarde wordt daarom normaal gesproken in oxiden uitgedrukt. Een belangrijke oxide is silica (SiO2), dat als een zuur functioneert en silicaten vormt. De meeste gesteentevormende mineralen zijn silicaten. Ongeveer 99,22% van de gesteenten die de aardkorst vormen, zijn opgebouwd uit elf oxiden. Andere chemische verbindingen komen slechts in heel kleine hoeveelheden voor.

Het aardmagnetisch veld heeft bij benadering de vorm van een dipoolveld, waarvan de polen op dit moment in de buurt van de geografische polen liggen. Volgens de dynamotheorie wordt het veld opgewekt door convectiestroming in de uit vloeibare metalen bestaande buitenkern van de Aarde. Door de beweging van deze conductieve massa's worden elektrische stromen opgewekt, die op hun beurt het magnetische veld veroorzaken. Convectiestroming in de buitenkern is chaotisch van aard, en dit heeft in de loop van de geschiedenis van de Aarde voor diverse omkeringen van het aardmagnetisch veld gezorgd. De omkeringen vinden met onregelmatige tussenpozen plaats; de laatste omkering was ongeveer 700 000 jaar geleden.

Het veld buigt geladen deeltjes uit de zonnewind en kosmische straling af. Het deel van de atmosfeer waar dit gebeurt, heet de magnetosfeer. De buitenkant van de magnetosfeer (de zogenaamde bow shock) bevindt zich aan de naar de Zon gerichte zijde van de Aarde op een afstand van ongeveer dertien maal de aardstraal van de Aarde. De botsing tussen het aardmagnetisch veld en de zonnewind vormt de Van Allen-gordels, een paar concentrische ringen om de Aarde waar geladen deeltjes voorkomen. Waar de magnetische polen liggen, kan dit plasma de lagere delen van de atmosfeer bereiken en voor het poollicht zorgen.

 (hoogte boven water) en batimetrie (hoogte onder water) op Aarde.

Van het aardoppervlak is ongeveer 70,8% bedekt met water. Dit zijn niet alleen de oceanen maar ook de onder water staande gedeelten van de continenten, die het continentaal plat genoemd worden, en binnenzeeën. De resterende 29,2% van het aardoppervlak is landmassa, waarvan het grootste deel op het noordelijk halfrond ligt. Het land is verdeeld over continenten of eilanden en bestaat uit gebergten, plateaus of vlaktes. Andere vormen van reliëf (landvormen), zoals dalen, kloven, kliffen, duinen, spoelvlaktes, rivierdelta's, kusten of kustvlaktes, worden veroorzaakt door de werking van erosie en sedimentatie. Ook de oceaanbodem vertoont reliëf, zoals een wereldomvattend stelsel van mid-oceanische ruggen, oceanische troggen, submariene canyons, oceanische plateaus en abyssale vlakten. Tektoniek en vulkanisme (meestal aangedreven door de platentektoniek) zorgen voor de creatie van nieuw reliëf, terwijl erosie en verwering dit weer afbreken. Verwering kan worden veroorzaakt door de werking van water (in de vorm van neerslag of grondwater), wind, of temperatuurschommelingen. Andere invloeden op het reliëf zijn de biosfeer (bijvoorbeeld door de opbouw van koraalriffen of het tegenhouden van erosie door plantenwortels), meteorietinslagen en de erosieve werking van gletsjers. Op dit moment in de Aardse geschiedenis is het hoogste punt op Aarde de Mount Everest (8850 m boven zeeniveau) en het laagste punt de Marianentrog (10 925 m onder zeeniveau). De gemiddelde hoogte van het land boven zeeniveau is 840 m; de gemiddelde diepte van de oceaanbodem onder zeeniveau is met 3794 m meer dan viermaal zo groot.

De buitenste laag van de vaste Aarde, waar bodemvormende processen heersen, wordt pedosfeer genoemd en bestaat uit bodems. Dit is de plek waar de lithosfeer, hydrosfeer, biosfeer en atmosfeer samenkomen en elkaar onderling beïnvloeden. Planten kunnen alleen groeien op plekken waar bodems gevormd zijn, en vormen op die plekken een bedekking van het oppervlak, die vegetatie genoemd wordt. Gebieden met natuurlijke vegetatie bestaan uit landschappen als bossen, moerassen, oerwouden, toendra's, steppes of savannes. In woestijnen is de natuurlijke vegetatie vrijwel afwezig. Ongeveer 13,31% van het aardoppervlak is geschikt als cultuurgrond, 4,71% wordt daadwerkelijk gebruikt voor permanente landbouw.

Het voorkomen van grote hoeveelheden vloeibaar water aan het aardoppervlak maakt de Aarde uniek en onderscheidt haar van andere planeten. Vanwege dit feit wordt de Aarde wel de blauwe planeet genoemd. Tot nog toe zijn geen andere hemellichamen bekend waar water aan het oppervlak in grote hoeveelheden voorkomt. Vloeibaar water was in het verleden aanwezig op de Maan en op Mars en komt wellicht nog steeds af en toe voor op die planeet. Sommige grotere manen van de planeten Jupiter en Saturnus hebben water in hun binnenste, maar niet in grote hoeveelheden aan het oppervlak. Op de exoplaneet HD 189733b, een gasreus, is watergas ontdekt. Het meeste water bevindt zich in de oceanen, maar water komt ook voor in binnenzeeën, meren, rivieren en als grondwater. Al het water samen wordt de hydrosfeer genoemd.

Zelfs als water opgeslagen als ijs wordt meegerekend, bevindt 97,5% van al het water op Aarde zich in oceanen of zeeën. Dit is zoutwater, van de overige 2,5% is 68,7% ijs en de rest zoetwater.
De oceanen bevatten 1,386×109 km³ water, met een massa van 1,35×1018 ton, ongeveer 1/4400 van de totale massa van de Aarde. Als de Aarde geen reliëf had, dan zou dit water het gehele oppervlak bedekken met een 2,7 km diepe laag.

Ongeveer 3,5% van de totale massa van de oceanen bestaat uit opgelost zout, voornamelijk afkomstig uit submarien vulkanisme of verwering van gesteenten. De oceanen gelden ook als reservoir voor (opgeloste) gassen uit de atmosfeer; deze zijn essentieel voor het overleven van marien leven. De oceanen werken daardoor als een buffer op de samenstelling van de atmosfeer. De oceanen werken ook als warmtereservoir, waardoor de wereldwijde temperatuur geen grote schommelingen kan vertonen. Veranderingen in de warmteverdeling in de oceanen hebben grote invloed op het lokale klimaat, zoals blijkt uit het fenomeen El Niño.

Het water opgeslagen in ijs wordt wel de cryosfeer genoemd. Het meeste ijs bevindt zich in de poolkappen, vooral op Antarctica en Groenland, maar er is ook water opgeslagen als zee-ijs of in gletsjers in hooggebergtes. Het seizoensgebonden smelten en aangroeien van de ijskappen zorgt voor de toevoer van zoet water naar de oceanen, wat de oceanische circulatie aandrijft.

Oppervlaktewater zoals in de oceanen staat voortdurend bloot aan verdamping. Bij verdamping wordt water als gas in de atmosfeer opgenomen. Dit kan weer condenseren en als neerslag op het oppervlakte belanden; het vormt daar oppervlaktewater, of dringt door in de bodem en wordt grondwater. Via rivieren stroomt oppervlaktewater naar de oceanen terug. Als het daarna weer verdampt, is er sprake van een cyclus, die de waterkringloop wordt genoemd.

Grondwater is al het water dat zich in de ondergrond of bodem bevindt. Het is voornamelijk afkomstig van neerslag (meteorisch) of het dóórdringen van zoutwater uit de zeeën in de ondergrond. Water komt in grote hoeveelheden voor tot ongeveer 2 km diepte in de aardkorst; op grotere diepte vormt het verbindingen met mineralen.

De atmosfeer is de gasvormige laag die om de Aarde heen ligt. De luchtdruk is aan het aardoppervlak gemiddeld 101,325 kPa en de schaalhoogte ligt ongeveer op 8,5 km. De aardatmosfeer bestaat grotendeels uit stikstof (ruim 78%) en zuurstof (bijna 21%), aangevuld met sporen van waterdamp, koolstofdioxide en andere gassen. De atmosfeer eindigt niet plotseling op een bepaalde hoogte, maar neemt naar buiten toe exponentieel in concentratie af. Het onderste deel van de atmosfeer, waar ongeveer 75% van alle massa zich bevindt, wordt de troposfeer genoemd. De hoogte van de troposfeer verschilt met de geografische breedte en varieert van 7 km bij de polen tot 17 km bij de evenaar.

Vergeleken met andere planeten is de hoge concentratie zuurstof in de aardatmosfeer uniek. Normaal gesproken zou zuurstof door oxidatiereacties bij verwering in relatief korte tijd uit de atmosfeer verdwijnen, maar op Aarde zorgt fotosynthese door planten voor een continue productie van nieuw zuurstof uit kooldioxide. Dankzij de aanwezigheid van zuurstof heeft de Aarde bovendien een ozonlaag die het oppervlak beschermt tegen voor leven schadelijke ultraviolette straling.

De atmosfeer beschermt het aardoppervlak doordat kleinere meteoren die op Aarde inslaan, door de wrijving verbranden. Door de verplaatsing van waterdamp en door neerslag wordt water naar het land gebracht. De atmosfeer tempert ook de temperatuurverschillen tussen dag en nacht door warmte vast te houden. Gasmoleculen van zogenaamde broeikasgassen vangen warmte-energie op die door het aardoppervlak weerkaatst wordt. Dit effect wordt het broeikaseffect genoemd en verhoogt de temperatuur op Aarde. Zonder broeikaseffect zou het op het oppervlak gemiddeld −18°C zijn.

De troposfeer wordt voortdurend opgewarmd door zonnestraling, vooral indirect via door het aardoppervlak uitgezonden aardse straling. Buiten de dagelijkse en jaarlijkse gang en klimaatveranderingen zijn de in- en uitgaande straling gemiddeld genomen min of meer met elkaar in evenwicht. Plaatselijk is dit echter niet het geval. Door het verschil in hoogte van de zon valt het zonlicht rond de polen op een groter gebied dan rond de evenaar. Daarom is de insolatie, de hoeveelheid licht die op een stukje aardoppervlak invalt, en daarmee de opwarming van het aardoppervlak rond de evenaar veel hoger. Op breedten lager dan 38° is de instraling groter dan de uitstraling, terwijl buiten dat gebied de uitstraling overheerst. In de tropen en subtropen wordt het echter niet warmer en in de gematigde gebieden en de poolstreken niet kouder. Dit komt doordat er een compenserend warmtetransport is door de algemene circulatie en de zeestromen. De algemene circulatie bestaat uit turbulentie, convectie, advectie en verdamping. De combinatie van dit warmtetransport met de stralingsbalans is de energiebalans.

In het klassieke model is er sprake van drie circulatiecellen: Hadleycellen, Ferrelcellen en polaire cellen. Deze cellen verschuiven met de seizoenen. Dit model is echter een te grote versimpeling gebleken.

De aanwezigheid van water in de atmosfeer en het verdampen, condenseren en sublimeren daarvan is van groot belang bij weer en klimaat. Door verdamping kan lucht waterdamp gaan bevatten. Als de lucht warm genoeg is om op te stijgen, daalt de luchtdruk, waardoor de lucht verzadigd raakt en water condenseert. De kleine waterdruppeltjes die zo ontstaan, vormen samen een wolk. Als er genoeg condensatie van water plaatsvindt, zullen de druppeltjes voldoende aangroeien om als neerslag terug te vallen naar het aardoppervlak. De hoeveelheid neerslag varieert per gebied op Aarde tussen de paar meter tot minder dan een millimeter per jaar. De gemiddelde neerslag in een gebied wordt bepaald door de dominante windrichting, het reliëf en temperatuurverschillen.

Ondanks lokale verschillen kan de Aarde naar breedtegraad worden onderverdeeld in zones met ongeveer hetzelfde klimaat. Vanaf de evenaar tot de polen zijn dit de warme, natte tropische klimaten, de warme en droge subtropische klimaten, de vochtige subtropische klimaten, de koelere, natte gematigde klimaten, de drogere, koelere landklimaten en de koude, droge poolklimaten. Ook de hoogte is bepalend voor het klimaat. Doordat de atmosfeer dunner wordt op grotere hoogte is het daar kouder. Een verdere indeling van klimaten is de klimaatclassificatie van Köppen, waarin de klimaten naar temperatuur en neerslag worden gerangschikt.

Boven de troposfeer wordt de atmosfeer meestal ingedeeld in de stratosfeer, de mesosfeer en de thermosfeer. Elk van deze lagen heeft een ander temperatuurverloop. Buiten de thermosfeer begint de exosfeer, die overgaat in de magnetosfeer, waar de zonnewind door het aardmagnetisch veld wordt opgevangen. De ozonlaag, die het aardoppervlak beschermt tegen ultraviolette straling, bevindt zich in de stratosfeer. Als definitie voor de grens tussen de atmosfeer en de ruimte wordt wel de denkbeeldige Kármánlijn genomen 100 km boven het aardoppervlak. Die ligt in het onderste deel van de thermosfeer.

Dankzij warmte-energie kunnen sommige moleculen in de buitenste delen van de atmosfeer een snelheid krijgen die groot genoeg is om aan de zwaartekracht van de Aarde te ontsnappen. Gevolg is dat deeltjes uit de atmosfeer langzaam de ruimte in verdwijnen. Lichte moleculen zoals waterstof of helium bereiken makkelijker de ontsnappingssnelheid.

De Aarde voldoet aan alle vereisten waaraan een planeet moet voldoen om haar bewoonbaar te maken voor complex meercellig leven. Deze vereisten zijn volgens het huidige begrip het aanwezig zijn van grote hoeveelheden vloeibaar water, het (stabiel) aanwezig zijn van complexe organische moleculen en genoeg energie om metabolisme in organismen mogelijk te maken. Een groot aantal factoren zorgt ervoor dat de omstandigheden op Aarde gunstig zijn voor het ontstaan en in stand houden van een complexe biosfeer. Voorbeelden zijn de excentriciteit van de aardbaan, de scheve stand van de aardas, de rotatiesnelheid, de juiste afstand tot de Zon, de grote natuurlijke satelliet, de bijzondere samenstelling van de atmosfeer, het magnetisch veld en de vulkanische activiteit op Aarde.

Al het leven samen op een planeet wordt wel een biosfeer genoemd. De Aarde is de enige planeet waarvan bekend is dat ze een biosfeer heeft. Sommige geleerden menen dat planeten met een complexe biosfeer, met intelligent leven, vanwege de vergelijking van Drake wijdverbreid zijn door het heelal, terwijl anderen aannemen dat planeten met een complexe biosfeer juist zeldzaam zijn. De aardse biosfeer ontstond rond 3,5 miljard jaar geleden en heeft zich sindsdien steeds verder ontwikkeld. Ze kan worden onderverdeeld in biomen, gebieden op Aarde die hetzelfde ecosysteem (een samenleving van soorten planten, dieren en andere organismen) hebben.

Terrestrische biomen (biomen op het land) volgen vaak de klimaatzones op Aarde, die door de breedtegraad en de hoogte bepaald worden. Voorbeelden van terrestrische biomen zijn toendra, taiga, loofbos, naaldbos, gemengd bos, mediterraan bos, savanne, woestijn of mangroves. In de polaire biomen, de toendra's en de woestijnen komt relatief weinig leven voor, terwijl de grootste biodiversiteit per oppervlak gevonden wordt rond de evenaar. Terrestrische biomen zijn voor voedingsstoffen afhankelijk van de bodem en van watertoevoer. Mariene of aquatische biomen zijn bijvoorbeeld koraalriffen, kelpwouden, het continentaal plat, de benthische en pelagische zones van de oceaan, black smokers op de oceaanbodem en waddenzeeën. Mariene biomen zijn afhankelijk van de aanvoer van opgeloste voedingsstoffen vanaf het land.

Biomen kunnen op een aantal manieren worden ingedeeld. Als alle onderverdelingen meegeteld worden kunnen er tientallen verschillende biomen onderscheiden worden met elk hun eigen ecosysteem.

In 2008 leven er verspreid over vrijwel de hele Aarde ongeveer 6,6 miljard mensen. Verwacht wordt dat dit aantal in 2050 tot 9,2 miljard zal zijn gestegen. Het grootste gedeelte van de groei zal plaatsvinden in ontwikkelingslanden. De menselijke bevolkingsdichtheid verschilt sterk, maar meer dan de helft van de wereldbevolking woont in Azië. De meest noordelijke permanent bewoonde nederzetting is de plaats Alert op het Canadese eiland Ellesmere, de meest zuidelijke is het zuidpoolstation Amundsen-Scott vlak bij de zuidpool op Antarctica. Verwacht wordt dat rond 2020 60% van de wereldbevolking in steden woont in plaats van op het platteland.

Op enkele uitzonderingen na, waaronder het vasteland van Antarctica, is het gehele landoppervlak tegenwoordig verdeeld in staten. In 2008 waren er 193 internationaal erkende onafhankelijke staten. Er zijn daarnaast 59 afhankelijke gebieden en een aantal autonome gebieden en betwiste gebieden. Er is in de wereldgeschiedenis nog nooit een wereldregering geweest, hoewel een aantal naties naar werelddominantie hebben gestreefd. De Verenigde Naties zijn een internationale organisatie die tot doel heeft de samenwerking op het gebied van internationaal recht, veiligheid, mensenrechten, economische ontwikkeling en cultuur te bevorderen en gewapende conflicten te voorkomen. In 2008 hadden zich 192 staten bij de organisatie aangesloten.

In totaal zijn ongeveer 500 mensen buiten de aardatmosfeer geweest, waarvan er twaalf op de Maan gelopen hebben. Normaal gesproken zijn de enige mensen in de ruimte de bemanningsleden van het International Space Station.

Geschat wordt dat sinds het ontstaan van de mens er zo'n 107,5 miljard mensen op de Aarde zijn geboren.

De Aarde bevat grondstoffen die de mens ontgint voor consumptie. Sommige grondstoffen zijn niet-vernieuwbaar, waaronder bijvoorbeeld fossiele brandstoffen. Uit de aardkorst zijn grote voorraden fossiele brandstoffen, zoals steenkool, olie, gas en methaanhydraten gewonnen. Deze hulpbronnen worden gebruikt voor de opwekking van energie en bij chemische productieprocessen. Ertsen vormen zich door een geologisch proces dat door magmatische activiteit in de aardkorst en/of door erosie wordt aangedreven.

De biosfeer levert de mens dankzij domesticatie van dieren (veeteelt) en planten (landbouw) onder andere voedsel, hout, leer en wol. In 1993 was ongeveer 13% van het landoppervlak in gebruik als cultuurgrond en nog eens 26% als weiland voor vee. Slechts 1,5% was in gebruik als stedelijke bebouwing.

Grote delen van de Aarde hebben regelmatig te maken met natuurrampen zoals cyclonen, tornado's, orkanen en overstromingen. Andere gebieden hebben te maken met aardbevingen, aardverschuivingen, vulkaanuitbarstingen, tsunami's en droogte.

Sommige gebieden worden bedreigd door gevaren met een menselijke oorzaak. Bevolkingsgroei en economische groei gaan soms gepaard met vervuiling van water en lucht. Industrie en intensieve landbouw en veeteelt kunnen zorgen voor vervuiling in de vorm van bodem-, lucht- of waterverontreiniging, zure regen, overbegrazing, erosie, ontbossing en verwoestijning. De mens neemt, gedreven door onder andere de bevolkingsgroei, steeds meer land in gebruik, wat gepaard gaat met het verlies van habitat en mogelijk als gevolg daarvan het uitsterven van in het wild levende soorten.

Er bestaat wetenschappelijke consensus dat de mens (mede)verantwoordelijk is voor het warmer worden van het wereldwijde klimaat. Dit komt door de grootschalige verbranding van fossiele brandstoffen, waarbij kooldioxide vrijkomt in de atmosfeer, wat het broeikaseffect versterkt. Een warmer klimaat zal waarschijnlijk gepaard gaan met het smelten van gletsjers en ijskappen, extremere temperatuurschommelingen en het stijgen van het eustatisch zeeniveau.

Tegelijkertijd is er een milieubeweging op gang gekomen die tot doel heeft de menselijke consumptie van natuurlijke hulpbronnen te verminderen en vervuiling tegen te gaan. De milieubeweging probeert door de bewustmaking van het publiek de politiek te beïnvloeden met als doel duurzamer beleid en bescherming van de natuur. Doordat de veranderingen die de milieubeweging voor ogen staan, vaak in conflict zijn met commerciële belangen, zijn deze veranderingen echter dikwijls kostbaar.

De meest aanvaarde hypothese over het ontstaan van het zonnestelsel is op dit moment de Zonnenevel-hypothese. Volgens deze hypothese vormde het Zonnestelsel zich uit een samentrekkende interstellaire moleculaire wolk, de Zonnenevel. Tijdens de samentrekking platte de wolk af tot een planetaire schijf. In deze schijf ontstonden de Zon en de planeten door accretie van materie. Het grootste deel van de materie kwam terecht in het centrum en vormde de Zon. Ander gas en stof vormde planetesimalen (protoplaneten), die later uitgroeiden tot planeten, waaronder de Aarde. Kleine objecten als meteorieten worden beschouwd als materie die niet in dit proces is geaccretiseerd. Door meteorieten te dateren heeft men de ouderdom van het Zonnestelsel en daarmee de Aarde bepaald: ongeveer 4,56 miljard jaar.

Zware elementen zoals ijzer en nikkel zonken al tijdens de accretie van de Aarde naar het middelpunt, waardoor een scheiding ontstond tussen kern en mantel. Een andere belangrijke gebeurtenis in de beginfase was het ontstaan van de Maan (die iets jonger blijkt te zijn dan de Aarde). De meest waarschijnlijke verklaring is een grote inslag, waarbij een kleinere planetesimaal genaamd Theia (iets kleiner dan de planeet Mars) op de Aarde insloeg. Het bij deze inslag weggeslingerde materiaal kwam in een baan om de Aarde terecht om daar te accretiseren tot de Maan. Door de enorme hoeveelheid energie die bij de inslag vrijkwam, raakte de aardmantel compleet gesmolten. In de loop der tijd stolde hij en kon zich door differentiatie van materiaal binnenin de Aarde de eerste korst vormen. Uit berekeningen blijkt dat als de Aarde voor de inslag een atmosfeer had, deze tijdens de inslag in zijn geheel verdween. De atmosfeer en de oceanen moeten daarom ontstaan zijn uit later materiaal van inslaande kometen en meteorieten en uit gassen en vloeistoffen die bij vulkanisme vrijkwamen. Deze eerste atmosfeer bevatte meer koolstofdioxide dan tegenwoordig en zuurstof was schaars.

Het eerste leven moet ontstaan zijn uit zelfreproducerende moleculen in de oceanen, volgens sommige interpretaties al rond 3,8 miljard jaar geleden. Uit simpele organische stoffen ontstonden materialen als aminozuren en nucleotiden, die later uitgroeiden tot eiwitten en RNA, de bouwstoffen voor het leven. Rond 3,4 miljard jaar geleden moet de laatste gemeenschappelijke voorouder van al het leven hebben geleefd.

Men vermoedt dat een vorm van platentektoniek al in het begin moet hebben plaatsgevonden, hoewel het proces in het begin waarschijnlijk sneller verliep, waardoor de continenten kleiner bleven. Geleidelijk ontwikkelde het proces zich tot de huidige vorm. In de loop van de Aardse geschiedenis komen perioden voor waarin vrijwel alle continenten bij elkaar liggen; dan spreekt men van een zogenaamd supercontinent. De laatste keer dat dit gebeurde was rond 300 miljoen jaar geleden; men noemt dit supercontinent Pangea.

Over de eerste paar miljard jaar van de Aardse geschiedenis is relatief weinig bekend, doordat fossielen van organismen die uitsluitend uit zacht weefsel bestaan, slecht bewaard blijven. Wat duidelijk is, is dat het leven steeds diverser werd en dat rond 2,3 miljard jaar geleden de eerste autotrofe organismen verschenen, organismen die door fotosynthese zuurstof produceren. De toevoeging van zuurstof aan de atmosfeer had tot gevolg dat er een ozonlaag ontstond en het leven voortaan beter beschermd werd tegen schadelijke straling. Daardoor konden grotere organismen dan bacteriën ontstaan die niettemin nog steeds tot de micro-organismen gerekend worden, zoals eukaryotische cellen en meercellige organismen.

Volgens een vrij algemeen aanvaarde theorie bevond de Aarde zich ongeveer 700 miljoen jaar geleden in een grote ijstijd, waarbij de planeet van de polen tot de evenaar bevroren was, een theorie die bekendstaat als die van de sneeuwbalaarde. Toen het klimaat warmer werd, begon het leven zich zeer snel te ontwikkelen. Tijdens de Cambrische explosie rond 535 miljoen jaar geleden versnelde de ontwikkeling van het leven zich, waardoor in relatief korte tijd veel nieuwe groepen organismen (dieren, planten, enzovoort) verschenen.

Sindsdien heeft de evolutie steeds nieuwe en ingewikkeldere soorten leven voortgebracht, een ontwikkeling die soms onderbroken werd door korte periodes van massaal uitsterven, die massa-extincties worden genoemd. Rond 500 miljoen jaar geleden verschenen de eerste planten en insecten op het land (bacteriën en schimmels moeten het land al veel eerder gekoloniseerd hebben) en rond 380 miljoen jaar geleden ontwikkelden in ondiep water levende vissen poten, waarmee ze uit het water konden kruipen. Hieruit kwamen de amfibieën voort, die longen hadden in plaats van kieuwen. Uit de amfibieën ontstonden reptielen en later zoogdieren. De dinosauriërs (reptielen) domineerden gedurende een paar honderd miljoen jaar de Aarde maar stierven tijdens de laatste grote massa-extinctie van ongeveer 65 miljoen jaar geleden samen met vele andere levensvormen uit, waarschijnlijk als gevolg van de zogeheten Yucatan-inslag die tevens de Krijt-Paleogeengrens markeert.

Vanaf dat moment hebben de zoogdieren zich sterk ontwikkeld. Rond 2 miljoen jaar geleden verscheen de mens. Aangenomen wordt dat mensen uit eerder levende primaten zijn geëvolueerd.

De huidige ijstijd begon rond 40 miljoen jaar geleden en versterkte zich rond 2,5 miljoen jaar geleden. De poolkappen zijn sindsdien in cycli van 40 000 of 100 000 jaar aangegroeid en weer afgesmolten. De laatste koudere periode (glaciaal) eindigde ongeveer 10 000 jaar geleden. Door de ontwikkeling van de spraak, de ontdekking van de landbouw en het temmen van dieren kon de mens zich snel over de wereld verspreiden en na het ontstaan van beschavingen binnen korte tijd een grote invloed op de biosfeer, de hydrosfeer, de atmosfeer en het landgebruik en de indeling van het aardoppervlak krijgen.

Volgens de meest gangbare hypothese zal de evolutie van de Zon uiteindelijk het einde van de Aarde betekenen, maar op de Aarde zal al veel eerder geen leven meer mogelijk zijn. Zoals in alle sterren vindt in de kern van de Zon voortdurend kernfusie van waterstof tot helium plaats. Daardoor hoopt zich in de loop der tijd steeds meer helium op in de kern van de Zon, waardoor de luminositeit van de Zon toeneemt met ongeveer 10% in de komende 1,1 miljard jaar en 40% in de komende 3,5 miljard jaar. Over ongeveer 5 miljard jaar zal alle waterstof in het inwendige van de Zon zijn omgezet in helium, met als gevolg dat de Zon zal uitzetten tot een rode reus van rond de 250 maal zijn huidige omvang. Een rechtstreeks gevolg is dat de temperatuur op Aarde sterk zal stijgen, wat in ieder geval tot de verdamping van alle oceanen zal leiden. Over 900 miljoen jaar zal door de hogere temperatuur de hoeveelheid anorganische kooldioxide in de atmosfeer zijn toegenomen tot een concentratie waarbij fotosynthese door C4-fixatie onmogelijk is. Dat betekent dat de meeste plantensoorten niet meer kunnen overleven, waardoor de zuurstof uit de atmosfeer zal verdwijnen. Dit zal dierlijk of menselijk leven ook onmogelijk maken.

Het opzwellen van de Zon zal ervoor zorgen dat de binnenplaneten Mercurius, Venus en de Aarde in de fotosfeer (de atmosfeer) van de Zon belanden en worden vernietigd. De Zon zal in dit stadium echter ongeveer 30% van zijn massa verloren hebben, zodat de Aarde theoretisch in een steeds wijdere omloopbaan komt. Dit effect had er normaal gesproken voor gezorgd dat de planeet niet door de uitdijende Zon zou worden opgeslokt, hoewel de nabijheid van de Zon nog steeds al het leven op Aarde onmogelijk zou hebben gemaakt. Uit een recente computersimulatie is echter gebleken dat door de getijdenwerking van de uitdijende Zon de Aarde juist naar de Zon toegetrokken zal worden. Vermoedelijk ontsnappen Mars en de andere buitenplaneten aan dit lot, maar ook op Mars zal de temperatuur zo sterk stijgen dat er geen aardse organismen kunnen leven.

Het standaardsymbool voor de Aarde is een kruis met een cirkel eromheen. Dit symbool staat bekend als het wielkruis, zonnekruis of odinskruis. Hoewel er ook andere betekenissen aan dit symbool zijn toegeschreven, wordt het meestal gezien als een representatie van de vier windstreken op Aarde. Een andere versie van het symbool is een kruis boven een cirkel.

De Aarde is in veel culturen gepersonificeerd als Moeder Aarde. Voorbeelden zijn Tonantzin (letterlijk onze moeder) bij de Azteken, Pachamama bij de Inca's, Bhumi Deva bij de hindoes, Gaia bij de Grieken en Romeinen, Hou-T'u in China of de godin Jord in de Noorse mythologie. In de Griekse mythologie was de aardgodin de vrouw van de hemelgod Uranos. In de Egyptische mythologie was de Aarde echter een mannelijke god, Geb, terwijl de hemel (Noet) juist vrouwelijk was.

In de meeste religies komen scheppingsverhalen voor, waarin de Aarde op bovennatuurlijke manier door een godheid wordt geschapen. Ook tegenwoordig gelooft een aantal religieuze groepen, bijvoorbeeld uit christen- of moslimfundamentalistische hoek, in een letterlijke interpretatie van oude religieuze teksten. Deze creationisten geloven niet in de conventionele wetenschappelijke theorieën over de vorming van de Aarde en het ontstaan en de evolutie van het leven.

In de loop der wereldgeschiedenis is de kennis van de Aarde en haar oppervlak steeds toegenomen. Vanaf de Oudheid is in diverse culturen geloofd in een platte Aarde; zo zagen de Mesopotamiërs de Aarde als een platte schijf die in een oceaan dreef.

Toch waren er vanouds al mensen die inzagen dat de Aarde bolvormig was. De eersten die een bolvormige Aarde voorstelden, waren Griekse natuurfilosofen als Pythagoras. Zij constateerden dat tijdens een maansverduistering de schaduw van de Aarde altijd cirkelvormig is, ongeacht of de maan hoog aan de hemel of dicht bij de horizon staat. Eratosthenes berekende de omtrek op 15 procent nauwkeurig.

In de Middeleeuwen was het concept van een bolvormige Aarde in het Midden-Oosten, Europa en India wel bekend, maar nog niet overal algemeen aanvaard. Middeleeuwse geleerden als Beda en Thomas van Aquino wisten dat de Aarde bolvormig was. Anderen, zoals de zesde-eeuwse ontdekkingsreiziger Kosmas Indikopleustes, zagen de Aarde echter als een platte schijf. Ferdinand Magellaan maakte in 1522 als eerste een reis om de wereld, waarmee het pleit voorgoed beslecht werd.

Dat de Aarde om de Zon draait, is veel moeilijker vast te stellen en was dan ook niet vanouds bekend. Tot de Middeleeuwen werd de Aarde algemeen als centrum van het universum gezien: dit concept wordt geocentrisme genoemd. Pas na sterrenkundige ontdekkingen van onder anderen Nicolaas Copernicus (1473 - 1543) en Galileo Galilei (1564 - 1642) kwam het besef op dat de Aarde geen centrale positie in het Heelal inneemt. Het geocentrisme maakte plaats voor het idee dat de Aarde rond de Zon draait, het heliocentrisme.

Na de Middeleeuwen nam de kennis van de wereld toe door ontdekkingsreizen. Dankzij betere technieken in de cartografie, navigatie en landmeetkunde bleef ook in de Nieuwe Tijd de geografische kennis van de ligging en aard van de continenten en het aardoppervlak groeien. Ontdekkingen in de geologie, met name vanaf de 19e eeuw, vergrootten de kennis van het binnenste van de Aarde en brachten het inzicht van de hoge ouderdom van de planeet. De kennis van de atmosfeer en het klimaat stegen met de opkomst van de meteorologie en klimatologie in de 20e eeuw. Door de technologische ontwikkeling in de 20e eeuw is zowel in de wetenschap als onder een breder publiek het beeld van de Aarde sterk veranderd. In 1959 werd de Aarde voor het eerst uit de ruimte gefotografeerd door de ruimtesonde Explorer 6.

De wetenschappelijke kennis leidde tot het inzicht dat de verschillende onderdelen van de Aarde één systeem vormen, die in een fragiel evenwicht staan dat in het verleden vaak veranderd is en in de toekomst opnieuw kan veranderen. Een vergaande vorm van dit inzicht is de Gaia-hypothese, die stelt dat de hele biosfeer als één groot organisme functioneert.




#Article 27: Alfabet (2715 words)


Een alfabet (meervoud: alfabetten) of alfabetisch schrift is een verzameling symbolen om equivalenten van klanken in de gesproken taal schriftelijk weer te geven. Alfabetische schriften vormen een van de hoofdgroepen van het schrift. De tekens van een alfabet worden onder inachtname van bepaalde grammaticale regels tot woorden samengevoegd, waarmee geschreven taal gevormd wordt.

Het eerste volledig fonemische schrift, het Proto-Kanaanitisch schrift, later bekend als het Fenicisch alfabet, wordt gezien als het eerste alfabet en is de voorouder van de meeste moderne alfabetten, waaronder het Arabisch alfabet, Grieks alfabet, Latijns alfabet, Cyrillisch alfabet, Hebreeuws schrift, en mogelijk ook de Brahmische schriften. Peter T. Daniels, maakte echter onderscheid tussen een abugida, een set letters die medeklinkers in de vorm van basisletters met diakritische tekens aanpassen om zo klinkers te vertegenwoordigen (zoals in het Devanagari en andere Brahmische schriften), een abjad, waarin de letters grotendeels of alleen medeklinkers vertegenwoordigen (zoals in het oorspronkelijke Fenicisch, Hebreeuws of Arabisch), en een alfabet, een set letters die zowel klinkers als medeklinkers vertegenwoordigen. In de strikte zin van het woord alfabet, was het eerste echte alfabet het Griekse alfabet, dat ontwikkeld werd vanuit het eerdere Fenicische alfabet.

Van de tientallen alfabetten die vandaag de dag worden gebruikt, is het meest populaire het Latijns alfabet, dat werd afgeleid van het Griekse alfabet, en wat veel talen aanpassen door letters toe te voegen door middel van het aanpassen van bestaande letters met diakritische tekens. Terwijl de meeste alfabetten over letters beschikken die bestaan uit lijnen, zijn er ook uitzonderingen zoals de alfabetten gebruikt in Braille. Het Khmerschrift (voor het Cambodjaans) is het langste alfabet, met 74 letters.

Alfabetten worden meestal geassocieerd met een standaard lettervolgorde, dit heet een alfabetische volgorde. Dit betekent ook dat de letters gebruikt kunnen woorden voor het nummeren in lijsten.

Het woord alfabet is een samenstelling van alfa (α) en bèta (β), de namen van de eerste twee letters van het Griekse alfabet.
De woorden alfa en bèta hebben geen betekenis. Ze komen uit het Fenicisch. Alef betekent os en beth betekent huis. Aanvankelijk waren de lettertekens namelijk kleine tekeningetjes: een alef was een os, een beth een huis, een gimel een werpstok, een daleth een vis.

De geschiedenis van het alfabet begon in het Oude Egypte. Het Egyptische schrift had een set van ongeveer 24 hiërogliefen die eenconsonantentekens worden genoemd, om lettergrepen weer te geven die beginnen met een enkele medeklinker van hun taal, plus een klinker (of geen klinker) die door de moedertaalspreker moet worden geleverd. Deze tekens werden gebruikt als uitspraakgidsen voor logogrammen, om grammaticale verbuigingen te schrijven en later om leenwoorden en buitenlandse namen te transcriberen. 

In de Midden-Bronstijd verschijnt een ogenschijnlijk ‘alfabetisch’ systeem dat bekend staat als het Proto-Sinaïtische schrift in Egyptische turkooismijnen op het Sinaï-schiereiland, rond de 15e eeuw voor Christus, blijkbaar achtergelaten door Kanaänitische arbeiders. In 1999 ontdekten John en Deborah Darnell een nog eerdere versie van dit eerste alfabet in Wadi el-Hol uit circa 1800 v.Chr., dat bewijs aantoonde dat het schrift was aangepast van specifieke vormen van Egyptische hiërogliefen die konden worden gedateerd tot rond 2000 v.Chr., wat sterk suggereert dat rond die tijd het eerste alfabet was ontwikkeld. Op basis van het uiterlijk van de letters en namen wordt aangenomen dat het gebaseerd is op Egyptische hiërogliefen.  Dit schrift had geen tekens die klinkers vertegenwoordigden, hoewel het oorspronkelijk waarschijnlijk een syllabisch schrift was, maar onnodige tekens werden verworpen. Een alfabetisch spijkerschrift met 30 tekens, waaronder drie tekens die de volgende klinker aangeven, werd uitgevonden in Ugarit vóór de 15e eeuw voor Christus. Dit schrift werd niet meer gebruikt na de vernietiging van Ugarit. Het Proto-Sinaïtisch schrift ontwikkelde zich uiteindelijk tot het Fenicische alfabet (gewoonlijk ‘Proto-Kanaänitisch’ genoemd) vóór ongeveer 1050 voor Christus. Het Proto-Sinaitische of Proto-Kanaänitische schrift en het Ugaritische schrift waren de eerste schriften met een beperkt aantal tekens, in tegenstelling tot de andere veelgebruikte schriften destijds, zoals het spijkerschrift, Egyptische hiërogliefen en Lineair B.

De oudste tekst in het Fenicische schrift is een inscriptie op de sarcofaag van koning Ahiram. Dit schrift is het moederschrift van alle westerse alfabetten. Tegen de tiende eeuw voor Christus, zijn er nog twee andere vormen te onderscheiden, namelijk Kanaänitisch en Aramees. Het Aramees gaf aanleiding tot het Hebreeuwse alfabet. Het Zuid-Arabische alfabet, een zusterschrift van het Fenicische alfabet, is het schrift waaruit het Ge'ez-alfabet (een abugida) afstamt. Alfabetten zonder klinkers worden abjads genoemd, zoals het Arabisch, Hebreeuws en Syrisch. De abjad manier van schrijven is goed aangepast aan de morfologische structuur van de Semitische talen waarvoor het is ontwikkeld. Dit komt omdat woorden in Semitische talen worden gevormd uit een wortel die bestaat uit (meestal) drie medeklinkers, waarbij de klinkers worden gebruikt om verbuigende of afgeleide vormen aan te duiden. Het weglaten van klinkers was niet altijd een bevredigende oplossing en soms worden bepaalde ‘zwakke’ medeklinkers gebruikt om de klinkerkwaliteit van een lettergreep aan te duiden (matres lectionis). Deze letters hebben een dubbele functie omdat ze ook als pure medeklinkers worden gebruikt. Soms worden voor de klinkers aparte diakritische tekens ingevoegd; dit noemt men vocalisatie. Het Fenicische schrift was waarschijnlijk het eerste fonemische schrift en bevatte slechts ongeveer twee dozijn verschillende letters, waardoor het een eenvoudig schrift was dat gewone handelaren konden leren. Een ander voordeel van Fenicisch was dat het kon worden gebruikt om veel verschillende talen op te schrijven, omdat het fonemisch woorden beschreef. Het schrift werd door de Feniciërs verspreid over de Middellandse Zee. 

In Griekenland werd het Fenicische schrift aangepast door klinkers toe te voegen, wat daarmee de voorouder van alle alfabetten in het Westen creëerde. Het was het eerste alfabet waarin klinkers onafhankelijke lettervormen hadden die los stonden van die van medeklinkers. Klinkers zijn belangrijk in de Griekse taal, in tegenstelling tot de Semitische talen waarvoor het Fenicische schrift was ontworpen, bijvoorbeeld het syllabische Lineair B-schrift dat werd gebruikt door de Myceense Grieken uit de 16e eeuw voor Christus, had 87 tekens, waaronder 5 klinkers. De Grieken kozen letters die klanken vertegenwoordigden die niet in het Grieks bestonden om de klinkers te vertegenwoordigen. De alef werd de a-klank, de he een e-klank, de ayin werd de ypsilon, en een grote o, de omega, werd toegevoegd. Bovendien gingen de Grieken van links naar rechts schrijven, waardoor de letters werden omgeklapt. In de beginjaren waren er veel varianten van het Griekse alfabet, een situatie die ervoor zorgde dat er veel verschillende alfabetten uit voortkwamen. 

Het Proto-Sinaïtisch schrift en Fenicisch alfabet vergeleken met afgeleiden alfabetten:

Het Griekse alfabet, in zijn Euboea-vorm, werd door Griekse kolonisten overgebracht naar het Italiaanse schiereiland, waar het een verscheidenheid aan Oud-Italische schriften opleverde waarmee de Italische talen werden geschreven. Een alfabet daarvan werd het Klassiek Latijns alfabet, dat door Europa werd verspreid toen de Romeinen hun rijk uitbreidden. Zelfs na de val van de Romeinse staat overleefde het alfabet in intellectuele en religieuze werken. Het werd uiteindelijk gebruikt voor de nazaten van het Latijn (de Romaanse talen) en vervolgens voor de meeste andere talen van Europa. De oudste gedrukte leerboekjes voor scholen uit ca. 1450 met daarin het abc, werden abecedaria genoemd. Sommige aanpassingen van het Latijnse alfabet worden aangevuld met ligaturen, zoals æ in het Deens en IJslands en Ȣ in het Algonkisch; door leningen van andere alfabetten, zoals de thorn þ in het Oud-Engels en IJslands, afkomstig van de Futhark-runen; en door het wijzigen van bestaande letters, zoals de eth ð van het Oud-Engels en IJslands, wat een aangepaste d is. Andere alfabetten gebruiken alleen een deel van het Latijnse alfabet, zoals het Hawaiiaans en het Italiaans, dat de letters j, k, x, y en w alleen in vreemde woorden gebruikt.

Een ander opmerkelijk schrift is het Oudere Futhark, waarvan wordt aangenomen dat het is voortgekomen uit een van de Oud-Italische schriften. Ouder Futhark gaf aanleiding tot een verscheidenheid aan alfabetten die gezamenlijk bekend staan als de runenschriften . De runenschriften werden gebruikt voor Germaanse talen van 100 n.Chr. tot de late middeleeuwen. Het gebruik is meestal beperkt tot gravures op steen en sieraden, hoewel er ook inscripties zijn gevonden op bot en hout. Deze alfabetten zijn sindsdien vervangen door het Latijnse alfabet, behalve voor decoratief gebruik waarvoor de runen tot de 20e eeuw in gebruik bleven.

Het Oud-Hongaarse schrift is een schrift van de Hongaren. Het was in gebruik gedurende de hele geschiedenis van Hongarije, zij het niet als een officieel schrift. Vanaf de 19e eeuw werd het weer steeds populairder.

Het Glagolitisch alfabet was het eerste schrift van de liturgische taal Oudkerkslavisch en werd, samen met het Griekse unciale schrift, de basis van het Cyrillische schrift . Cyrillisch is een van de meest gebruikte moderne alfabetische schriften en valt op door zijn gebruik in Slavische talen en ook voor andere talen binnen de voormalige Sovjet-Unie. Cyrillische alfabetten zijn onder meer het Servisch, Macedonisch, Bulgaars, Russisch, Wit-Russisch en Oekraïens . Het Glagolitische alfabet zou zijn gecreëerd door de monniken Cyrillus en Methodius, terwijl het Cyrillische alfabet is uitgevonden door Clemens van Ohrid, die hun leerling was. Ze bevatten veel letters die lijken te zijn geleend van of beïnvloed door het Griekse alfabet en het Hebreeuwse alfabet.

Het langste Europese alfabet is het Latijn-afgeleide Slowaakse alfabet met 46 letters.

Afgezien van het logografische Chinese schrift, bestaan er in Azië veel fonetische schriften. Het Arabische alfabet, het Hebreeuwse alfabet, het Syrische alfabet en andere abjaden van het Midden-Oosten zijn ontwikkelingen van het Aramese alfabet. Vanuit het Syrische alfabet ontwikkelde het Sogdische alfabet, wat weer doorontwikkelde tot het Oudturkse alfabet en het Oudoeigoerse alfabet. Het Mongoolse schrift is een ontwikkeling van het Oudoeigoerse alfabet.

De meeste alfabetische schriften van India en Oost-Azië stammen af van het Brahmischrift, waarvan vaak wordt aangenomen dat het een afstammeling is van het Aramees. 

In Korea werd het Hangul-alfabet gecreëerd door Sejong de Grote. Hangul is een uniek alfabet: het is een alfabet waarbij veel van de letters zijn ontworpen volgens de plaats van articulatie van een klank (P ziet eruit als een verwijde mond, L ziet eruit als een ingetrokken tong, enz.); het ontwerp was gepland door de toenmalige regering; en het plaatst individuele letters in lettergreepbundels van gelijke afmetingen, op dezelfde manier als Chinese karakters, om het schrijven in gemengd schrift mogelijk te maken  (één lettergreep neemt altijd één blok ruimte in beslag, ongeacht het aantal letters dat wordt gestapeld in het bouwen van dat geluidsblok). 

Zhuyin (ook wel Bopomofo genoemd ) is een semi-syllabisch schrift dat wordt gebruikt om Mandarijn-Chinees fonetisch te transcriberen in de Republiek China. Na de latere oprichting van de Volksrepubliek China en de goedkeuring van Hanyu pinyin is het gebruik van Zhuyin tegenwoordig beperkt, maar wordt het nog steeds veel gebruikt in Taiwan, waar de Republiek China nog steeds regeert. Zhuyin is ontwikkeld uit een vorm van Chinees snelschrift gebaseerd op Chinese tekens aan het begin van de 20e eeuw en heeft elementen van zowel een alfabet als een syllabisch schrift. Net als bij een alfabet worden de fonemen van eerste lettergrepen weergegeven door individuele tekens, maar net als bij een syllabisch schrift worden de fonemen van de eindlettergrepen dat niet; in plaats daarvan wordt elke mogelijke eindlettergreep (behalve de /j/) weergegeven met een eigen letter. Bijvoorbeeld wordt luan weergegeven als ㄌㄨㄢ (luan), waarbij het laatste symbool ㄢ het hele uiteindelijke -an vertegenwoordigt. Hoewel Zhuyin normaalgesproken niet wordt gebruikt als een zelfstandig schrijfsysteem, wordt het nog steeds vaak gebruikt op een manier die lijkt op een romanisatiesysteem – dat wil zeggen voor hulp bij de uitspraak en als invoermethode voor Chinese karakters op computers en mobiele telefoons. 

Europese alfabetten, met name het Latijns en Cyrillisch, zijn aangepast voor veel talen in Azië. Arabisch wordt ook veel gebruikt, soms als abjad (zoals bij het Urdu en Perzisch) en soms als compleet alfabet (zoals bij het Koerdisch en Oeigoers).

Verschillende schriftsystemen hebben uiteraard verschillende alfabetten. Ook de principes waarvoor de alfabetten worden gebruikt, verschillen per taal. Meer informatie hierover is te vinden onder het lemma spelling. De term alfabet wordt zowel door taalkundigen als paleografen in brede en strikte zin gebruikt. In bredere zin is een alfabet een schrift dat segmentaal is op foneemniveau, dat wil zeggen dat het afzonderlijke tekens heeft voor individuele klanken en niet voor grotere eenheden zoals lettergrepen of woorden. In striktere zin onderscheiden sommige geleerden 'echte' alfabetten van twee andere soorten segmentale schriften, abjad's en abugida's. Deze drie schriften verschillen van elkaar in de manier waarop ze klinkers behandelen: abjad's hebben letters voor medeklinkers en laten de meeste klinkers ongeschreven; abugida's zijn ook op medeklinkers gebaseerd, maar duiden klinkers aan met diakritische tekens of een systematische grafische wijziging van de medeklinkers. In alfabetten in strikte zin worden medeklinkers en klinkers daarentegen als onafhankelijke letters geschreven. Het vroegst bekende alfabet in bredere zin is het Wadi el-Hol-schrift, waarvan wordt gedacht dat het een abjad is, dat door middel van zijn opvolger Fenicisch de voorouder is van moderne alfabetten, waaronder het Arabisch, Grieks, Latijns (via het Oud-Italische alfabet), Cyrillisch (via het Griekse alfabet) en Hebreeuws (via het Aramees). 

Voorbeelden van hedendaagse abjad's zijn de Arabische en Hebreeuwse schriften; echte alfabetten zijn onder andere het Latijns schrift, Cyrillisch schrift en het Koreaanse Hangul; en abugida's zijn onder andere het Ethiopisch schrift, het Devanagari en het Thaise alfabet. 

Het Latijnse alfabet, zoals gebruikt voor het Nederlands, kent 26 letters, waarvan er 6 worden gebruikt voor klinkers (vocaal; a, e, i, o, u en y) en 21 voor medeklinkers (de y wordt zowel als klinker als medeklinker gebruikt). De tekens van een alfabet kennen een vaste volgorde. De exacte reden van deze volgorde van het alfabet is onbekend. Van dit alfabet, evenals van andere alfabetten, bestaan veel varianten in schrijfwijze, waaronder het belangrijke onderscheid tussen schrijfletter en drukletter. Over de 25e letter, de Y (i-grec), is in het Nederlands enige discussie. Behalve deze letter wordt door sommigen ook de IJ als 25e letter gezien, al dan niet tezamen met de Y. Bij het oplezen van het alfabet wordt meestal de IJ genoemd. In de wetenschap worden woorden als Y-chromosoom en Y-as uitgesproken met IJ. Een letter met een diakritisch teken kan al of niet worden gezien als een andere letter, waardoor het aantal letters bij dezelfde 26 basisletters toch per taal verschillend is. In een tekencodering heeft zo'n teken bijvoorbeeld een aparte code. Op een toetsenbord is er niet altijd een aparte toets voor, maar wordt vaak eerst een toets voor het diakritische teken en dan dat voor de basisletter gebruikt.

Ter illustratie hieronder het Cyrillisch alfabet.

Het omzetten van het ene alfabet in het andere wordt transliteratie genoemd.

De gestandaardiseerde volgorde waarin de tekens in een alfabet geordend zijn, de alfabetische volgorde, is een hulpmiddel bij het systematisch ordenen van met name literatuur en wetenschappelijke informatie. 

Het principe van alfabetisering maakt het bijvoorbeeld mogelijk om een boek in de bibliotheek op naam van de schrijver snel terug te vinden, of om een woord met de bijbehorende definitie snel op te zoeken in een woordenboek. Deze manier van ordenen wordt ook lexicografische ordening genoemd.

De term alfabet wordt soms omschreven als: een systeem waarin elk teken of grafeem een vaste klank of klankeenheid representeert, geheel volgens de fonetische en de fonematische principes, maar deze omschrijving klopt slechts ten dele. Hoewel veel schriftsystemen inderdaad een tot op zekere hoogte fonetische spelling kennen, is er zelden of nooit sprake van een volledige een-op-een-relatie. In een volmaakt fonetisch alfabet zouden letters en klanken perfect in wederzijdse richting combineren: een schrijver zou de spelling van een woord altijd kunnen afleiden uit de uitspraak ervan, en omgekeerd zou een spreker de juiste uitspraak van een woord altijd kunnen afleiden uit de spelling. De uitspraak van een taal verandert echter onafhankelijk van het systeem waarin de taal opgeschreven wordt. In het Engels wordt bijvoorbeeld de lange o-klank weergegeven door o in potato, oe in toe, ough in though. De o kan echter behalve als o in potato ook klinken als oe-klank in to, als een korte o in month, als ou in tower en als stomme e in dungeon.

Spellingsystemen worden niet zelden geleend door talen waarvoor ze oorspronkelijk niet bedacht zijn. Uitspraakregels zorgen ervoor dat in letters bepaalde fonologische contexten anders moeten worden geschreven, omdat de klank die ze eigenlijk vertegenwoordigen daar niet precies hetzelfde is. Er wordt dan – meestal boven de letter zelf – nog een extra teken gezet, het zogeheten diakritische teken: baño (Spaans: bad), misère (Frans), etc.




#Article 28: Annie Cannon (140 words)


Annie Jump Cannon (Dover (Delaware), 11 december 1863 – Cambridge (Massachusetts),  13 april 1941) was een Amerikaans astronome, werkzaam bij de Harvard-sterrenwacht. Zij werd vooral bekend door haar onvermoeibare werk aan de catalogisering van sterren aan de hand van hun spectra, aan het begin van de 20ste eeuw.  Uit haar jarenlange arbeid kwam de Henry Draper Catalog voort, waarin zo'n 225.000 sterren gecategoriseerd worden naar hun spectraalklasse.

Cannon bestudeerde honderdduizenden glasplaten met spectra van sterren. Daardoor ontdekte ze bepaalde patronen, die ze onderbracht in eenvoudige reeksen. Zij was de eerste die een typering invoerde op kleur in plaats van op de sterkte van de waterstoflijnen in het spectrum, wat tot dan toe gebruikelijk was. De indeling is als volgt:

Het systeem van Annie Jump Cannon is nog altijd in gebruik.
Cannon ontving in 1921 een eredoctoraat van de Rijksuniversiteit Groningen.




#Article 29: Andorra (1995 words)


Andorra, officieel het Vorstendom Andorra (Catalaans: Principat d'Andorra), is een dwergstaat in het zuidwesten van Europa, in de oostelijke Pyreneeën en begrensd door Frankrijk (Occitanië) en Spanje (Catalonië). Het geïsoleerde land is vooral afhankelijk van toerisme en zijn status als 'belastingparadijs'. Andorra is geen lid van de Europese Unie. De officiële taal is Catalaans.

Andorra kan gezien worden als het laatste onafhankelijke overlevende gebied van de Marca Hispanica (Spaanse marken), de bufferstaten die werden gesticht door Karel de Grote om de islamitische Moren tegen te houden en ze toegang tot christelijk Frankrijk te beletten.

De traditie zegt dat Karel de Grote het Andorrese volk in 805 een stuk land gaf in ruil voor hun strijd tegen de Moren. Zeker is dat Karels kleinzoon Karel de Kale Sunier I, de graaf van Urgell, benoemde tot heerser van Andorra. Een afstammeling van de graaf droeg het land later af aan het bisdom van Urgell, geleid door de bisschop van Urgell.

In de 13e eeuw raakte de geestelijke overheid van Urgell in strijd met het graafschap Foix (aan de andere, oftewel Franse kant van de Pyreneeën) om de heerschappij van het gebied. Dit conflict eindigde in 1278 met het besluit de soevereiniteit tussen beiden te delen, wat in 1607 werd bestendigd door de erfgenamen/opvolgers van beiden uit te roepen tot covorsten.

Vanwege de isolatie van het land heeft Andorra's bestaan zich buiten de hoofdstroom van de Europese geschiedenis afgespeeld, met weinig banden met andere landen. Andorra heeft al meer dan 700 jaar geen oorlog meer gekend.
De toeristenindustrie, gestimuleerd door ontwikkelingen op het gebied van vervoer en communicatie, heeft het land uit zijn isolement gehaald, maar ook stress gebracht. Verder werd het politieke stelsel in 1993 grondig gemoderniseerd.

Andorra is op politiek gebied sterk verbonden met de Europese Unie, zonder er lid van te zijn. Sinds 2002 gebruikt het de euro als betaalmiddel. In 2014 werden er voor het eerst eigen euromunten geslagen, die begin 2015 in omloop werden gebracht. Voor de invoering van de euro waren de Franse frank en de Spaanse peseta beide wettig betaalmiddel.

Andorra heeft een oppervlakte van 468 km². Het prinsdom heeft 120,3 kilometer aan landsgrenzen: 56,6 kilometer met Frankrijk en 63,7 kilometer met Spanje.

Vanwege zijn ligging in de oostelijke Pyreneeën bestaat Andorra hoofdzakelijk uit ruwe bergen met een gemiddelde hoogte van 1996 meter. De hoogste top is de Pic de Comapedrosa (gelegen in het gelijknamige massief bij Arinsal in de parochie La Massana) met een hoogte van 2946 meter. De bergen worden van elkaar gescheiden door drie smalle valleien in een vorm van een Y; deze wordt gevormd door de Valira del Nord en de Valira d'Orient die in Escaldes-Engordany samenvloeien en zo de Valira vormen. Deze laatste rivier steekt in Sant Julià de Lòria de Spaanse grens over en mondt uiteindelijk uit in de Segre. De plek waar de Valira het land verlaat is met een hoogte van 840 meter het laagstgelegen punt van Andorra.

La Massana bevat de vijf hoogste toppen van het land. In Encamp bevinden zich de grootste meren. De meest ongerepte natuur is te vinden bij Grau Roig, in de parochie Encamp.

Tot 's lands natuurlijke rijkdommen behoren waterkracht, mineraalwater, hout, ijzererts, lood. Lawines vormen het enige natuurlijke gevaar. De voornaamste milieubedreigende factoren in het land zijn ontbossing, gronderosie door overbegrazing van bergweiden, luchtvervuiling (met name Andorra la Vella is nogal vervuild omdat de gassen moeilijk weg kunnen door de ligging in het Valiradal) en afvalwaterbehandeling.

De hoofdstad Andorra la Vella is met 22.615 inwoners (2014) ook de grootste stad van het land. Daarna volgen Escaldes-Engordany (14.002 inwoners), Sant Julià de Lòria (7.652) en Encamp (7.473).

Het klimaat van Andorra komt grotendeels overeen met het gematigde klimaat van de buurlanden, maar vanwege zijn hogere ligging is er gemiddeld meer sneeuw in de winter en is het iets koeler in de zomer. De hoogste toppen van het land zijn in de zomer zelden met sneeuw bedekt.

Tot de in 1993 aangenomen grondwet kende Andorra's politieke stelsel geen duidelijke scheiding van de uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht. Andorra is een soevereine parlementaire democratie, die het historische bestel met twee coprinsen als staatshoofden behoudt, maar het regeringshoofd de uitvoerende macht biedt. De twee coprinsen regeren gelijkwaardig met beperkte bevoegdheden die geen veto over overheidshandelingen omvatten. Zij worden in Andorra vertegenwoordigd door een afgevaardigde.

De manier waarop de twee prinsen worden gekozen maakt Andorra tot een van de politiek meest afwijkende landen op aarde. Een van de coprinsen is de president van Frankrijk, in mei 2017 werd Emmanuel Macron daartoe gekozen (het is historisch om het even welk staatshoofd van Frankrijk het betreft, ook koningen en keizers van Frankrijk zijn coprins geweest). De andere coprins is de katholieke bisschop van de Spaanse stad La Seu d'Urgell. Sinds 2003 is dat Joan Enric Vives i Sicília. Omdat geen van beide prinsen in Andorra woont, is hun rol bijna volledig symbolisch.

De defensie van het land valt onder de verantwoordelijkheid van Frankrijk en Spanje.

Het belangrijkste wetgevende orgaan van Andorra is de eenkamerige Algemene Raad van de Valleien (Consell General de les Valls), die 28 zetels telt. De helft van de parlementsleden (14) wordt verkozen via een stelsel van evenredige vertegenwoordiging, de andere helft volgens een districtenstelsel. Voor alle volksvertegenwoordigers geldt een termijn van vier jaar.

De regering (Govern) wordt gevormd door de regeringsleider (Cap de Govern), die verkozen wordt door de Algemene Raad, en de door hem aangestelde ministers. Sinds 2019 is Xavier Espot Zamora van de liberale Democraten voor Andorra regeringsleider.

De belangrijkste politieke partijen in Andorra zijn de Democraten voor Andorra (Demòcrates per Andorra, DA) van premier Zamora (11 zetels in het parlement), de centrumlinkse Sociaaldemocratische Partij (Partit Socialdemòcrata d'Andorra, PS) van voormalig premier Jaume Bartumeu (7 zetels) en de conservatieve Laurediaanse Unie (Unió Laurediana, UL) uit Sant Julià de Lòria (4 zetels).

Andorra kent als tweede bestuurslaag, territoriale onderdelen waar regels vastgesteld en/of beslissingen worden genomen over bepaalde gebieden en/of hun bewoners, de zeven parochies (parròquies, enk. parròquia):

Andorrezen vormen een minderheid in hun eigen land; slechts 33% van de inwoners is in het bezit van de Andorrese nationaliteit. De grootste groep buitenlandse ingezetenen zijn de Spanjaarden (43%), die samen met de Portugese (11%) en de Franse (7%) ingezetenen de grootste buitenlandse groepen vertegenwoordigen. De resterende 6% behoort tot verschillende andere nationaliteiten. Tussen 1990 en 1997 werd een gemiddelde bevolkingsgroei van 5,0% gemeten. Wie in Andorra geboren is of er vanaf 1961 woont, komt voor naturalisatie in aanmerking. Een dubbele nationaliteit is niet toegestaan. Het is buitenlanders niet toegestaan in Andorra grond te kopen.

De enige officiële landstaal is het Catalaans, de taal die ook gesproken wordt in de aangrenzende Spaanse autonome regio Catalonië, waarmee Andorra vele culturele trekken deelt. Door de vele inwijkelingen wordt zij echter door slechts 35% van de bevolking gesproken; 58% spreekt Spaans. Daarnaast wordt ook het Frans (7%) veel gesproken, en zijn vooral het Portugees (2100 sprekers) en het Engels (770 sprekers) belangrijke immigrantentalen.

Het overgrote deel van de Andorrezen is katholiek (zie katholieke kerk in Andorra). Andorra kent een hoge welvaart; de levensverwachting ligt hoger dan 80 jaar en samen met Japan kent Andorra de laagste kindersterfte ter wereld.

In 2002 had Andorra een werkloosheidspercentage van 0%, de inflatie bedroeg 3,4% en het jaar ervoor had het vorstendom voor 58 miljoen Amerikaanse dollar geëxporteerd. Deze export bestaat voornamelijk uit machines (16%), transportmiddelen (14%), papier (13%), sigaretten, sigaren en meubels. Andorra's belangrijkste exportpartners zijn Spanje (60%) en Frankrijk (31%). Geïmporteerd werd er in hetzelfde jaar voor 1,222 miljard euro, voornamelijk voedingsmiddelen (23%) en machines (17%) uit Spanje (45%) en Frankrijk (29%).

Het toerisme vormt de belangrijkste pijler van Andorra's kleine economie en vertegenwoordigt ruwweg 80% van het bbp. Jaarlijks wordt het land bezocht door naar schatting 9 miljoen toeristen, aangetrokken door de belastingvrije status van Andorra en door de vele recreatiemogelijkheden, zowel in de zomer als in de winter.
Veel bezoekers zijn dagjesmensen uit het zuiden van Frankrijk en uit Catalonië. Er is een directe busverbinding tussen Andorra en het Aeroport de Barcelona-El Prat. Met de auto is het vanaf de grote steden zo'n 2 à 3 uur rijden.
Het relatieve voordeel van Andorra is deels verloren gegaan vanwege de openstelling van de Franse en de Spaanse economie, waardoor daar meer goederen tegen lagere prijzen te krijgen zijn.

Het bankwezen draagt, door 's lands reputatie van belastingparadijs, ook wezenlijk bij aan de economie. De landbouwproductie is beperkt – slechts 2% van het land is bebouwbaar – en het meeste voedsel moet worden geïmporteerd. De belangrijkste veeteelt is het fokken van schapen.

Andorra is geen volwaardig lid van de Europese Unie, maar geniet een speciale verhouding met de Unie. Zo wordt het bijvoorbeeld behandeld als lid van de EU voor handel in vervaardigde goederen, maar niet als het gaat om landbouwproducten. Voor de invoering van de euro gebruikte Andorra de munteenheden van de twee omringende naties, de Franse frank en de peseta. Bij de invoering van de euro is Andorra mee op deze munt overgeschakeld, maar in tegenstelling tot Monaco, San Marino en Vaticaanstad had Andorra nog geen eigen euromuntstukken. In oktober 2004 begonnen de onderhandelingen tussen Andorra en de EU met een overeenkomst die toestond dat Andorra zijn eigen munten mag slaan. Op 30 juni 2011 werd bekendgemaakt dat Andorra en de EU een overeenkomst hebben getekend. Hierin werd geregeld dat Andorra per 1 juli 2013 de euro officieel in zou voeren. Sinds die datum mag Andorra ook eigen euromunten slaan. Van dat recht maakte Andorra in 2014 voor het eerst gebruik en de eerste Andorrese euromunten kwamen in het begin van 2015 in omloop. Andorra geeft geen eigen eurobiljetten uit. Andorra maakt geen deel uit van de Schengenzone. Daar waar Monaco, San Marino en Vaticaanstad met hun buurlanden aanvullende afspraken hebben gemaakt voor vrij verkeer van personen, handhaaft Andorra grenscontroles.

In de praktijk controleert Andorra nauwelijks inkomende auto's, wel wordt er willekeurig gecontroleerd bij de Spaanse grens door de Guardia Civil om te controleren of er niet te veel tabak of alcohol, of in Spanje verboden voorwerpen als tasers, pepperspray of stiletto's ingevoerd worden.

De verschillen tussen de Andorrese keuken en die van nabijgelegen Catalaanstalige gebieden zoals Cerdanya en vooral Alt Urgell, waarmee Andorra sterke culturele banden heeft, zijn beperkt. De Andorrese gastronomie is tot de Catalaanse keuken te rekenen, al kent Andorra bijkomende Franse en Italiaanse invloeden, zoals de gewoonte om vis en vlees met saus te serveren, of het gebruik van pasta's.

Andorra's keuken is een natuurlijke keuken die hoofdzakelijk werkt met producten afkomstig van de zelfvoorzienende economieën van de drie valleien, zoals spek, vis, vlees (met name konijn, lam en geitenlam), groenten, graangewassen en bosvruchten. De worsten en kazen waar Andorra om bekend staat worden vaak geserveerd als tapas.

De particuliere zender Radio Andorra was tussen 1939 en 1981 de belangrijkste radiozender van het land met internationale uitstraling. De muziekzender richtte zich vooral op Franse luisteraars, maar was in een groot deel van Europa te ontvangen en werd beluisterd over het hele continent. Het station heeft Andorra bekendheid gegeven in de rest van de wereld en het land uit het isolement gehaald waar het tot dan toe in had gezeten.

De staatsomroep van Andorra is ondergebracht in het autonome overheidsbedrijf RTVA. Dit bedrijf beschikt over één televisiekanaal, ATV, en twee radiostations, RNA en Andorra Música. Het bedrijf bestaat sinds 1989, de eerste radio-uitzending vond plaats in 1990 en de eerste televisie-uitzending in 1995. In 2003 is het land lid geworden van de Europese Radio-unie, waardoor het vanaf 2004 mee kon doen aan het Eurovisiesongfestival. De omroep heeft dit zes keer gedaan, maar zag zich in 2009 uit budgettaire overwegingen genoodzaakt hiermee te stoppen.

De belangrijkste bladen van Andorra zijn Diari d'Andorra en El Periòdic d'Andorra. Diari d'Andorra wordt uitgegeven door Premsa Andorrana, dat onder de naam Edicions del Diari d'Andorra ook het huis-aan-huisblad 7 dies en boeken uitgeeft. El Periòdic werd in 1997 opgericht door het Spaanse Grupo Zeta, maar is inmiddels verkocht aan het bedrijf Andorrana de Publicacions.




#Article 30: Apterygota (119 words)


De Apterygota vormden een onderklasse van de klasse insecten (Insecta). Het ging daarbij om vleugelloze, primitieve insecten, die door hun evolutionaire geschiedenis altijd ongevleugeld zijn gebleven. Deze groep bestond uit de volgende vijf huidige orden:

In het Nederlands werd deze groep aangeduid als oerinsecten en hoewel het taxon Apterygota in wetenschappelijke zin vervallen is, kan die term nog steeds gebruikt worden als verzamelnaam.

Tegenwoordig worden de meeste dieren uit deze groep los van de insecten tot de aparte klasse Entognatha gerekend.

Het taxon Apterygota heeft verschillende betekenissen gekend en de dieren uit deze groep zijn ook lang ondergebracht geweest in een taxon Thysanura, dat zelf ook een warrige bestaansgeschiedenis heeft doorlopen, die deels overlapt met het Nederlandse begrip franjestaarten.




#Article 31: Antarctica (1823 words)


Antarctica is het continent rond de zuidpool van de Aarde.
De benaming Antarctica komt af van ant-arktikos (ἀνταρκτικός), een Grieks woord voor tegenover het noorden. Met een oppervlakte van 14 miljoen vierkante kilometer is het het vijfde grootste continent, na Eurazië, Afrika, Noord-Amerika en Zuid-Amerika, en voor Australië.

Antarctica wordt omringd door de Atlantische Oceaan, de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (volgens de oude indeling in oceanen).
Alle zeegebieden rond Antarctica, bezuiden de 60e breedtegraad, worden benoemd als de Zuidelijke Oceaan (of Antarctische Oceaan). Het land en het water rond Antarctica wordt gezamenlijk aangeduid met de term Antarctis.

Op een kaart wordt Antarctica meestal getoond met de nulmeridiaan boven.

Antarctica is bijna volledig bedekt met een ijskap en het continent is het koudste gebied op Aarde. De laagste temperatuur ooit gemeten in een weerstation was bij het Vostokstation op 1000 kilometer van de Zuidpool: −89,2 °C (officieus −91 °C), Volgens metingen van de NASA is op 10 augustus 2010 op een hoogvlakte bij het midden van Antarctica een temperatuur van −93,2 °C waargenomen. Of dit kouderecord erkend gaat worden door de Wereld Meteorologische Organisatie is onbekend.

Antarctica is het continent met de laagste gemiddelde luchtvochtigheid. Van al het ijs op de wereld ligt 90% op Antarctica. De gemiddelde dikte van de ijskap bedraagt 2200 meter en op het dikste punt is het ijs zelfs 4776 meter dik.

De naam Antarctica is de geromaniseerde vorm van het Griekse samengestelde woord ἀνταρκτική (antarktiké), de vrouwelijke vorm van  (antarktikós), wat tegenover de Arctis of tegenover het noorden betekent.

Aristoteles schreef in zijn boek Meteorologica over een Antarctisch gebied in ca. 350 v.Chr. Marinus van Tyrus gebruikte de naam naar verluidt op zijn wereldkaart van de 2e eeuw n.Chr. De Romeinse auteurs Hyginus en Apuleius (1e-2e eeuw n.Chr.) gebruikten voor de Zuidpool de geromaniseerde Griekse naam polus antarcticus, vanwaaruit het Oudfranse pole antartike (pôle antarctique) werd verklaard in 1270, en van daaruit het Middelengelse pol antartik (Antarctic Pole) in een technische verhandeling door Geoffrey Chaucer uit 1391.

Voordat de term zijn huidige geografische betekenis verwierf werd hij gebruikt voor andere plaatsen die konden worden omschreven als tegenover het noorden. De kortlevende Franse kolonie gevestigd in Brazilië in de 16e eeuw werd bijvoorbeeld France Antarctique genoemd.

Het eerste formele gebruik van de naam Antarctica als een continentale naam wordt toegeschreven aan de Schotse cartograaf John George Bartholomew in de jaren 1890.

Antarctica wordt in dit artikel gedefinieerd als:

Hoewel er al veel eerder vermoedens bestonden over een zuidelijk continent, werd Antarctica pas in 1820 ontdekt.

Tussen 1897 en 1899 werd voor het eerst overwinterd op Antarctica tijdens een Belgische expeditie onder leiding van Adrien de Gerlache met de Belgica.

Op 14 december 1911 bereikte de Noor Roald Amundsen als eerste de Zuidpool.
Ook in 1911/1912 probeerde een Britse expeditie onder leiding van Robert Scott de Zuidpool te bereiken. Ze bereikten de Zuidpool nog wel in 1912, maar de deelnemers aan deze expeditie kwamen op de terugreis om het leven.

In 1946 leidt de US Navy de grootste operatie die ooit op Antarctica is uitgevoerd: Operatie High Jump. Niemand minder dan Admiraal Richard E. Byrd voert het bevel. De Amerikanen sturen 4700 soldaten, 13 schepen (waaronder een vliegdekschip en een onderzeeboot), 50 helikopters en 23 vliegtuigen naar Little America. Tijdens deze expeditie kwam admiraal Byrd tot de ontdekking dat er zich een continent, groter dan de Verenigde Staten, achter de ijslaag bevindt (.... and that's beyond the pole, at the other side of the South Pole....). Tevens verwonderde hij zich er over dat er warm, zoet water te vinden is. Zijn bevindingen heeft hij uitgebreid verkondigd tijdens een interview.

Het officiële doel van de expeditie is wetenschappelijk onderzoek en het in kaart brengen van de topografie van de streek. Tienduizenden luchtfoto's worden er gemaakt, diverse filmopnamen en zestig procent van de kustgebieden wordt in kaart gebracht.

In december 1963 bereikte G.M.A. Brummer, luitenant ter zee 1e klasse, als eerste Nederlander de Zuidpool als navigator van een Amerikaans vliegtuig. Hij was als officier toegevoegd aan de Amerikaanse Taskforce 43, die met behulp van de ijsbreker USS Glacier Antarctica verkende.

Antarctica is het koudste continent op aarde. Het binnenland heeft een lange en koude winter waarbij het gemiddeld −40 tot −60 °C is. In de korte zomer wordt het daar gemiddeld niet warmer dan −20 °C. Aan de kust en op het Antarctisch Schiereiland is het minder koud. In de winter is het daar gemiddeld −10 tot −30 °C, afhankelijk van de locatie, terwijl in de zomer de temperatuur gemiddeld iets onder tot rond het vriespunt ligt.

Antarctica is het droogste continent op aarde met een gemiddelde neerslag van ongeveer 170 mm per jaar. Dat is de hoeveelheid water nadat de gevallen sneeuw gesmolten is. Het binnenland is bijzonder droog met minder dan 100 mm neerslag per jaar. De kustzone daarentegen is natter, waarbij de westkust van het Antarctisch Schiereiland het natst is. Daar valt meer dan een meter neerslag per jaar, dus meer dan 3 meter sneeuw per jaar.

Ten slotte is de windrichting en windsterkte opvallend aan het klimaat van Antarctica. Bijna overal op Antarctica is de directionele constantheid van de wind bijzonder hoog, dit wil zeggen dat de wind altijd uit dezelfde richting waait (het oosten). In het binnenland is deze wind niet bijzonder sterk, maar langs de kust waait het hard. Het onderzoeksstation Dumond d'Urville heeft met 19,5 m/s (70,2 km/h) de hoogste jaargemiddelde windsnelheid op aarde gemeten. Hetzelfde weerstation heeft in 1972 een maximale windsnelheid van 324 km/h gemeten.

De huidige opwarming van de Aarde wordt geweten aan de voortdurende toename van broeikasgassen (zoals kooldioxide en methaan) in de atmosfeer. De gemiddelde temperatuur aan de randen van Antarctica, maar wellicht zelfs in het binnenland, is sinds een eeuw toegenomen, zo blijkt uit metingen van weerstations en ijsanalyses van boorkernen. Ook de gemiddelde temperatuur van het zeewater rondom het continent is toegenomen. Dit is een factor die bijdraagt aan het smelten/afkalven van gletsjers die deels op land, deels op zee rusten. Hierbij bestaan regionale verschillen. Met name de ijsmassa op het noordelijk Antarctisch schiereiland en de West-Antarctische ijskap op het gebied bij de Zee van Amundsen neemt af. Het afkalvingsfront trekt op deze plekken duidelijk terug. Dit proces is versneld vanaf 2002.

Volgens de Franse glacioloog Eric Rignot is het proces van afsmelten en in zee glijden van de gehele Westelijke Antarctische ijsplaat onomkeerbaar. Dit is voldoende ijs om de zeespiegel een meter te laten stijgen. Alleen het tijdsbestek is onzeker: zowel twee eeuwen als twee millennia behoren tot de mogelijkheden, maar het zou nog sneller kunnen gaan.

Op Antarctica groeien slechts enkele plantensoorten: mossen, korstmossen en twee soorten bloeiende planten, een grassoort, Antarctische smele (Deschampsia antarctica), en een anjersoort, Antarctisch sterremos of vetmuur (Colobanthus quitensis). Langs de kusten van Antarctica leven echter vele dieren, waaronder pinguïns, walvissen en zeehonden. De wateren rond Antarctica zijn rijk aan voedsel. De basis van dit voedsel wordt gevormd door plankton. Dit plankton wordt weer gegeten door krill. Krill vormt op zijn beurt het hoofdvoedsel van walvissen, die er vele tonnen per dag van naar binnen werken.

Antarctica is niet politiek verdeeld, maar verschillende landen, vooral landen die dicht bij het continent liggen, hebben in de eerste helft van de 20e eeuw verschillende stukken opgeëist. Deze opeisingen hebben weinig praktische betekenis, maar ze worden nageleefd door vele cartografen zodat het continent op staatkundige kaarten op een enorme aangesneden ijstaart lijkt. De meeste van deze landen hebben observatie- of onderzoekscentra op Antarctica binnen het door hen opgeëiste gebied.

Andere landen, al dan niet met bases op het continent, hebben geen gebied opgeëist, maar sommige landen, waaronder Rusland, behouden zich het recht voor dit in de toekomst te doen. De claims worden niet erkend door andere landen en door de Verenigde Naties. Een aantal landen, waaronder Nederland, heeft ook nadrukkelijk deze territoriale claims verworpen.

Het Antarctisch Verdrag behoudt de status quo en bevriest alle soevereiniteitsclaims voor de looptijd van het verdrag. Tot de partijen, de landen die het verdrag zijn aangegaan, behoren alle landen met een territoriale claim, maar ook landen zonder claim, die actief zijn in het gebied, zoals België, Nederland, Rusland, de VS en Zuid-Afrika. Artikel IV van het verdrag beschermt zowel de partijen met als die zonder territoriale aanspraken. Hun activiteiten in het kader van het verdrag kunnen niet worden beschouwd als een verzaking aan hun claims, dan wel als een erkenning van de aanspraken van andere staten. Ook kunnen hun handelingen tijdens de duur van het verdrag niet gebruikt worden om hun positie te staven of om die van andere staten te betwisten. De partijen kunnen tijdens de duur van het verdrag geen nieuwe claims maken of hun bestaande aanspraken uitbreiden.

De bevolking van Antarctica wordt geschat op ten minste 1000 mensen. Het aantal verschilt per seizoen. Antarctica heeft geen permanente bewoners, maar een aantal regeringen houdt permanente onderzoeksstations open. Telecommunicatie met andere landen vindt plaats via radio of internet.

Er bevinden zich ruim zestig poolstations op Antarctica, waar wetenschappelijk onderzoek wordt verricht door ruim dertig landen. Een aantal hiervan werkt permanent en een aantal andere alleen in de zomer. Het grootste poolstation is het Amerikaanse Station McMurdo aan de McMurdo Sound, waar tot 1200 mensen kunnen leven. De landen met de meeste poolstations zijn Argentinië (zeven) en Rusland (vijf met nog drie in de her-openstellingsfase). Veel poolstations zijn geconcentreerd op het Antarctisch schiereiland, aan de kust en op de eilanden in de Antarctis. Een van de meest geïsoleerde stations is het Russische Vostokstation. Nabij de zuidpool bevindt zich het Zuidpoolstation Amundsen-Scott.

Er is een groot gebied boven Antarctica waar ozon in lagere concentraties dan gewoonlijk te vinden is. Dit gebied wordt ook wel het gat in de ozonlaag genoemd. Dit gat dekt bijna het gehele continent en was op zijn grootst van september tot december 2008. Het was het langdurigste gat ooit gemeten. Wetenschappers ontdekten het gat in 1985 en heeft gedurende jaren observatie de neiging gehad uit te breiden. Het gat in de ozonlaag wordt toegeschreven aan de uitstoot van chloor-fluor-koolstofverbindingen (cfk's) in de atmosfeer, dewelke ozon ontbinden in andere gassen.

Enkele wetenschappelijke studies wijzen erop dat een aantasting van de ozonlaag een overheersende rol kan spelen betreffende klimaatverandering in Antarctica en in breder gebied het zuidelijk halfrond. Ozon absorbeert grote hoeveelheden ultraviolette straling in de stratosfeer. Het gat in de ozonlaag boven Antarctica kan een afkoeling van 6 °C in de plaatselijke stratosfeer veroorzaken. Deze afkoeling heeft het verhevigen van de westenwinden die over het continent stromen (de poolwervel) tot gevolg en verhindert dus de uitstroom van de koude lucht nabij de Zuidpool. Bijgevolg kent de continentale massa van de Oost-Antarctische ijskap lagere temperaturen, en de randgebieden van Antarctica, voornamelijk het Antarctisch Schiereiland, worden onderworpen aan hogere temperaturen die zorgen voor een versneld smelten van het ijs. Modellen doen ook vermoeden dat het gat in de ozonlaag en de versterkte poolwervel bijdragen tot de recente toename van zee-ijs vlak voor de kust van het continent.




#Article 32: Algerije (4263 words)


Algerije (Arabisch: , Al-Jazā'ir, Berbers: Lz̦ayer), officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije, is een land in Noord-Afrika.

Algerije is qua oppervlakte het grootste land van Afrika en ligt tussen Marokko en Tunesië, en vormt samen met deze landen de Maghreb. In het zuiden grenst het van west naar oost aan de betwiste Westelijke Sahara, Mauritanië, Mali, Niger en Libië. De Middellandse Zee vormt de noordgrens. De hoofdstad en grootste stad van het land is Algiers. De meeste mensen wonen in de brede, bergachtige kuststrook. In het zuiden ligt een deel van de noordelijke Sahara. De overheersende godsdienst is de islam maar het land telt ook een klein percentage christenen.

Algerije is lid van de Arabische Liga. Sinds 5 juli 1962 is Algerije onafhankelijk van Frankrijk. Sinds het uiteenvallen van Soedan in 2011 is Algerije qua oppervlakte het grootste land van Afrika.

Het land heeft zijn naam te danken aan de hoofdstad, Algiers. De door de Ziriden gestichte stad werd gebouwd op de plaats waar eerder een klein dorpje stond, genaamd al-jazā'ir al-Mazighanan (oftewel de eilanden van Mazighanan, een oude Berberstam). Men schrijft de naam meestal toe aan een aantal inmiddels aan het vasteland vastgegroeide eilanden voor de kust van Algiers. Die eilanden stonden bij de oude Romeinen bekend als de Insula Mazucana. Onder anderen de geschiedschrijver Ammianus Marcellinus noemde ze bij die naam. Algerije staat dus voor de eilanden. Het land wordt ook weleens Maghreb al-awsad genoemd, het midden westen. Dit ter onderscheid van Maghreb al-aksa (het huidige Marokko) en Maghreb al-adna (het nabije westen) wat Tunesië en Libië omvat.

Algerije is een voormalige kolonie van Frankrijk, dat controle over het gebied verwierf in het midden van de 19e eeuw. Het land heette toen Frans-Algerije. Daarvoor behoorde het noordelijke deel van Algerije toe aan het Ottomaanse Rijk.

De Fransen ontwikkelden een economie waarbij de lokale bevolking achtergesteld werd. In november 1954 verklaarde het Front de Libération Nationale (FLN) de oorlog aan de Franse machthebbers. Deze vaak bloedige onafhankelijkheidsoorlog duurde tot 5 juli 1962.

Tussen 1991 en 1999 speelde er zich een bloedige burgeroorlog af tussen aanhangers van de Front Islamique du Salut (FIS) en de regeringstroepen. Aanleiding voor de burgeroorlog was de winst van de FIS in de verkiezingen, waarna de partij door de Algerijnse overheid werd ontbonden uit vrees voor een moslimfundamentalistische overname. Verschillende aan deze partijen gelieerde groeperingen, zoals de Groupe Islamique Armé, grepen daarna naar de wapens waarmee een acht jaar durende guerrilla en terroristische oorlog tegen de staat begon. De Algerijnse Burgeroorlog kostte vermoedelijk rond de 120.000 levens. Amnesty International meldde in de periode van de burgeroorlog een groot aantal verdwijningen, martelingen, en slachtoffers van slachtingen aangericht door zowel regeringstroepen als rebellengroepen.

In 2003 werd het noorden door een zware aardbeving getroffen. Daarnaast lijdt het land onder werkloosheid, watertekorten en woningnood.

Algerije is ongeveer 57 maal groter dan Nederland en 78 maal groter dan België. Het land grenst in het noorden aan de Middellandse Zee en de kustlijn is bijna 1600 kilometer lang. Verder grenst het land aan Tunesië (965 km), Libië (982 km), Niger (956 km), Mali (1.376 km), Mauritanië (463 km) en Marokko (1.601 km).

Algerije valt in twee belangrijke geografische gebieden uiteen: het noordelijke gebied en de veel grotere Sahara in het zuiden. Het noordelijke gebied, dat deel van de Maghreb uitmaakt, is samengesteld uit vier parallelle streken. Van noord naar zuid zijn dit:

In Noord-Algerije komen regelmatig aardbevingen voor, die, zoals in 1954, 1980 en 2003, verwoestend en dodelijk kunnen zijn voor duizenden mensen.

De dorre en zeer dunbevolkte Sahara heeft een gemiddelde hoogte van 460 m, maar bereikt grotere hoogten in het zuiden in de Ahaggar waar het hoogste punt van Algerije: Tahat (2.918 m) ligt. Het grootste deel van het gebied bestaat uit grind of rotsen en er is weinig vegetatie. Er zijn ook grote gebieden van zandduinen in het noorden en het oosten.

De rivier Chéliff, die in het Middellandse Zeegebied stroomt, is de grootste van de weinige permanente stromen die door het land stromen. De Chéliff is 700 kilometer lang. De Abiod is een rivier in het Auremassief. Geen van de rivieren is geschikt voor transport. De belangrijkste oasen zijn te vinden in Touggourt, Biskra en Tin Rerhoh. Het Atlasgebergte en het Ahaggargebergte zijn de grootste gebergten.

Algerije heeft een subtropisch klimaat aan de kust (milde, natte winters en hete droge zomers). De Hoge Plateaus tot aan de Sahara-Atlas hebben een steppeklimaat, met in de zomer kans op een hete en verstikkende sirocco vanuit de Sahara. Ten zuiden hiervan bevindt zich een woestijnklimaat. De hoogste officiële temperatuur was 50,6 °C bij In Salah. Na zonsondergang zorgt echter de heldere, droge lucht vaak voor snel verlies van de warmte, en de nachten zijn relatief koel tot fris in de winter. Enorme dagelijkse verschillen in temperatuur komen daardoor voor.

Neerslag is redelijk overvloedig langs de kust in een deel van de kleine Atlas en varieert van 400 tot 670 mm per jaar, de hoeveelheid neerslag neemt toe van west naar oost. De neerslag is het zwaarst in het noordelijke deel van Oost-Algerije, waar in sommige jaren tot 1.000 mm valt. Verder in het binnenland is de regenval minder overvloedig. De heersende wind is oostelijk en noordoostelijk in de zomer en westelijk en noordelijk in de winter en geeft een algemene toename van de neerslag van september tot en met december, een daling in de late winter en het voorjaar en een bijna afwezigheid van neerslag in de zomermaanden. Algerije heeft ook ergen, of duinen tussen de bergen. In de zomer kan de wind hier zwaar en vlagerig zijn, waarbij de temperatuur kan oplopen tot 43,3 °C.

De hoofdstad van Algerije is Algiers, dat ruim 1,5 miljoen inwoners telde in 1998 (met agglomeratie ruim 2 miljoen).
Bij de volkstelling van 2008 steeg dit aantal ongeveer naar 3,5 miljoen inwoners(met agglomeratie ruim 5 miljoen).

De tien grootste steden van Algerije zijn volgens de laatste volkstelling van 2014

Verdere steden zijn Bab Ezzouar, Tbessa, Djelfa, Skikda, Béjaïa, Tiaret, Tamanrasset, Ghardaia, Béchar, Tindouf en Tlemcen.

Sinds 1900 is de bevolking sterk gegroeid; in 1900 waren er 4,6 miljoen inwoners, in 1950 waren dit er 8,7 miljoen en in 2010 telde het land 35,4 miljoen bewoners. Aan de kust wonen de meeste Algerijnen; circa 95% van de bevolking woont in het meest noordelijke deel van het land.

Het aandeel van de bevolking woonachtig in steden is eveneens sterk gestegen. Woonde in 1950 nog maar 22% van de bevolking in de stad, in 2010 was dit toegenomen tot 66%.

Het grootste deel van de bevolking is van Arabisch-Berberse oorsprong. Ongeveer 1% van de Algerijnse bevolking is uit Europa in Algerije komen wonen. Voor de onafhankelijkheid was echter nog 10% van de bevolking Europeaan.

De belangrijkste talen in Algerije zijn Arabisch (officiële taal), Berbertalen (Tamazight, Kabylisch e.a.) en Frans.

Tegenwoordig is het Arabisch de belangrijkste taal. Ongeveer 35% van de bevolking spreekt ook nog een Berbertaal, de taal van de Berbers, ook wel Tamazight genoemd. Deze oorspronkelijke inwoners wonen meestal in bergachtige gebieden in de noordelijke kustgebieden zoals Kabylië en de Aures, en in het zuiden van het land.

In 1980 werd het Arabisch de enige officiële taal in Algerije. Dit besluit veroorzaakte veel spanningen in het land. In 2002 werd dit beleid weer ongedaan gemaakt toen de president het Tamazight (Berbers) ook tot een nationale taal verklaarde. Naast het Arabisch en Berbers wordt ook veel Frans gesproken in Algerije.

De Algerijnse grondwet bepaalt dat de islam de staatsgodsdienst van het land is. Het grootste deel van de Algerijnen zijn aanhangers van het soennisme. Tijdens de Algerijnse Burgeroorlog was het land sterk verscheurd tussen de aanhangers van het FIS en de door Frankrijk gesteunde seculiere partijen.

Algerije kent geen godsdienstvrijheid. Zo riskeert eenieder die tracht een moslim te bekeren tot een andere godsdienst een gevangenisstraf van 2 tot 5 jaar en een boete van 500.000 tot 1.000.000 DZD. Deze wetgeving uit 2006 heeft geleid tot vervolging van christenen.

De katholieke gemeenschap is de belangrijkste religieuze minderheid. Ze heeft anno 2006 11.000 leden waarvan 110 priesters en 170 religieuzen. Het Aartsbisdom Algiers staat sinds 2008 onder leiding van aartsbisschop Ghaleb Bhader. De Basiliek van Algiers is de kathedrale kerk van Algerije. Het christendom werd vanaf de 17e eeuw in Algerije vooral verkondigd door de lazaristen. Aan hen werd het apostolisch gezag toevertrouwd tot de stichting van het bisdom in 1838.

Tijdens de Franse koloniale periode telde de katholieke gemeenschap meerdere honderdduizenden leden. Het overgrote deel daarvan waren Europese kolonisten, die met de onafhankelijkheid in 1962 zijn vertrokken. Sindsdien vormen de katholieken een kleine minderheid, die eerder in de verdrukking verkeert. 
De moord op twaalf Kroaten op 14 december 1993, de moord op twee Spaanse zusters in Bab-el-Oued op 20 oktober 1994, de moord op vier witte paters in Tizi-Ouzou onder wie de Belg Charles Deckers, de ontvoering en moord van 7 trappisten van de gemeenschap van O.L. Vrouw van de Atlas in Tibhirine en de moord op bisschop Pierre Lucien Claverie in 1996 zijn hier een illustratie van. Algerije is tevens het land waar de Zalige Charles de Foucauld missioneerde in het begin van de 20e eeuw.

Zie ook: Geschiedenis van de Joden in Algerije

Algerije is een republiek en wordt geregeerd conform de grondwet van 1976, die sindsdien talrijke herzieningen heeft ondergaan. De uitvoerende tak wordt geleid door de president, die algemeen voor een termijn van vijf jaar wordt gekozen. De eerste minister wordt benoemd door de president. Het tweekamerparlement bestaat uit de Nationale Volksvergadering van 462 zetels en de 144 personen tellende Raad van de Natie. Het rechtssysteem van Algerije is gebaseerd op Franse en islamitische wet.

Algerije kent algemeen stemrecht sinds de onafhankelijkheid in 1962. De kiesgerechtigde leeftijd is 18 jaar. Het parlement bestaat uit een nationale verzameling van 462 leden die voor 5 jaar worden gekozen, en een raad van de natie met 96 indirect gekozen en 48 direct door de president benoemde leden; elke 3 jaar wordt de helft van de leden gekozen. De president wordt elke 5 jaar rechtstreeks gekozen.

Naar de wens van veel Algerijnen, maar tegen de wens van de Fransen in Algerije in, verklaarde president Charles de Gaulle op 3 juli 1962 dat Algerije onafhankelijk mocht worden. Op 25 september 1962 werd officieel de republiek uitgeroepen. Ahmed Ben Bella, de oprichter van het FLN, werd premier en een jaar later werd hij president.

Op 15 juni 1965 werd een staatsgreep gepleegd onder leiding van kolonel Houari Boumédienne en werd de democratie vervangen door een militaire dictatuur. Na tien jaar geregeerd te hebben verklaarde Boumédienne dat er verkiezingen gehouden moesten worden. De nieuwe grondwet werd per referendum aangenomen in november 1976. Aangezien alleen FLN-leden mee mochten doen met de verkiezingen, werd Boumédienne eenvoudig tot president verkozen.

De verkiezingen van december 1991 werden gewonnen door het islamistische Front Islamique du Salut. De overwinning van het islamistische FIS kwam hard aan bij de gevestigde orde en Frankrijk. Het leger pleegde een staatsgreep, waarna het FIS verboden, en president Bendjedid, die hervormingen had toegezegd, afgezet werd. Zijn plaatsvervanger werd de onbuigzame Liamine Zéroual. De Franse regering gaf haar steun aan het nieuwe bewind van Zeroual en in veel westerse media ging gejuich op omdat Algerije van het 'islamitische gevaar' gered was. Veel westerse media vonden dan ook dat ondanks de ondemocratische actie van het leger, Algerije voor de democratie gered was. De islamitische wereld reageerde geschokt op deze dubbele moraal.

Zéroual werd in 1999 als president opgevolgd door Abdelaziz Bouteflika, die twintig jaar onafgebroken regeerde. Op 2 april 2019 trad Bouteflika, onder druk van het leger, per direct af. Hij werd opgevolgd door waarnemend president Abdelkader Bensalah.

Algerije kent naast de centrale overheid ook andere bestuurslagen, territoriale onderdelen waar regels vastgesteld en/of beslissingen worden genomen over bepaalde gebieden en/of hun bewoners. Het betreft de volgende bestuurslagen:

Algerije is onderverdeeld in 58 provincies, 553 cirkels of districten en 1541 gemeenten.

Algerije heeft een associatieovereenkomst met de Europese Unie. Door het koloniale verleden zijn de banden met Frankrijk sterk. Het land is lid van de volgende internationale organisaties:

Verder is Algerije observator bij de Wereldhandelsorganisatie.

Algerijnse muziek is een perfecte weerspiegeling van de culturele diversiteit die het land kenmerkt, zijn muziek onderscheidt zich door een overvloed aan verschillende stijlen.

Chaabimuziek is een typisch Algerijns muzikaal genre dat werd afgeleid uit de Andalusische muziek tijdens de jaren 1920. De stijl wordt gekenmerkt door specifieke ritmes en Qacidate (Populaire gedichten) in het Arabisch dialect met zijn lange gedichten uit het Algerijnse erfgoed. De onbetwiste meester van deze muziek is El Hadj M'Hamed El Anka. De Constantinois Maloufstijl werd gered door muzikanten van wie Mohamed Tahar Fergani een van de best presterende is.

De Andalusische zogenaamde Algerijnse klassieke muziek is een muzikale stijl die in Algerije werd gemeld door Andalusische vluchtelingen die de inquisitie van de Christelijke Koningen ontvluchtten gedurende de 11e eeuw. Deze stijl ontwikkelde zich aanzienlijk in de steden in het noorden van Algerije. Deze muziek richt zich vooral op twaalf lange Noubate serie, de belangrijkste instrumenten zijn de mandoline, viool, luit, gitaar, citer, fluit en piano. De bekendste vertolkers zijn Bahdja Rahal, Cheikh El Hadj Mohamed El Ghafour, Nasserdine Chaouli, Cheikh Larbi Bensari, Nouri El Koufi met muziek zoals, El Mouahidia, El Mossilia, El Fakhardjia, Es Sendoussia en El-Andalusiërs.

De volksmuziek onderscheidt zich in de eerste plaats door verschillende stijlen. Bedoeïenenmuziek kenmerkt zich door de poëtische songs die de herders interpreteren in de Hooglanden. Het is gebaseerd op de lange kacida (gedichten) enkele rijm en het monotone geluid van de fluit. In het algemeen richt deze muziek zich op thema's in de liefde, religie en epos. Onder de grote artiesten bevinden zich Khelifi Ahmed en Abdelhamid Ababsa Rachab Tahar. Kabylische muziek is gebaseerd op een rijk repertoire (poëzie en oude verhalen) doorgegeven van generatie op generatie. Sommige nummers gaan in op het thema van de ballingschap, liefde en politiek. Grote artiesten zijn Cheikh El Hasnaoui, Slimane Azem, Aït Menguellet, Idir, Kamel Messaoudi, Lounes Matoub en zelfs Takfarinas. Shawiya muziek is folklore uit diverse gebieden uit de bergen. Traditionele muziek wordt goed vertegenwoordigd door vele Aurassische zangers. De eerste zangers die internationaal succes hadden zijn Aissa Jermouni en Ali Khencheli. Rahaba muziek is uniek voor de Cheb Hasni, een emblematische figuur voor de Algerijnse jeugd, vermoord door terroristen in 1994 in de stad Oran. Verder bestaan er verscheidene muziekstijlen die bekendstaan als Arabo-Andalous. Een zanger in de Chaoui stijl is Salim Hallali. Een aantal zangers uit het berggebied van Aures hebben zich laten inspireren door deze stijl, zoals Youcef Boukhantech. Terguimuziek wordt normaal gesproken gezongen in Toearegtalen. Tinariwen was een wereldwijd succes. Ten slotte is er nog de staïfi muziek die uniek in zijn soort is en voorkomt uit Setif.

Moderne muziek is verkrijgbaar in verschillende facetten: raï muziek is een stijl die typisch is voor West-Algerije in de provincies Oran en Sidi Bel Abbes. De modernisering ervan begon in de jaren 1970 toen moderne instrumentatie werd toegevoegd met elektrische gitaar, synthesizer en drums. Deze stijl werd ook beïnvloed door westerse muziek, zoals rock, reggae en funk. Maar wat echt een boom zou geven in de muziekscene was de komst performers zoals Hadj Brahim, zei Khaled, Cheb Mami, Cheb Khaled, Cheb Hasni, Faudel, Rachid Taha, Raina Rai en zelfs Cheba Zahouania. Rapmuziek is een relatief recente stijl in Algerije maar kent een enorme groei met de opkomst van groepen als MBS, Double Barrel en Intik Hamma Boys. De thema's van deze muziek zijn over het algemeen sociale misstanden en liefde. Verder prefereren verschillende zangers liever de Arabische klassieke stijl met kenmerken zoals die van Warda Al-Jazairia.

De historische wortels van de Algerijnse literatuur gaan terug naar de Numidische tijd, toen Apuleius De Gouden Ezel schreef, de enige Latijnse roman die in zijn geheel de tijd heeft doorstaan. Uit deze periode zijn onder andere ook bekend Augustinus van Hippo, Nonius Marcellus en Martianus Capella. De middeleeuwen hebben veel Arabische schrijvers gekend die een revolutie teweegbrachten in de Arabische wereldliteratuur met schrijvers als Ahmad al-Buni, Ibn Manzur en Ibn Khaldoun, die Muqaddimah schreef tijdens zijn een verblijf in Algerije.

Vandaag kent Algerije in zijn literaire landschap grote namen die niet alleen Algerijnse literatuur publiceren maar ook universeel literaire erfgoed in het Arabisch en het Frans.

In de nasleep van de onafhankelijkheid zijn een aantal nieuwe auteurs opgestaan in de Algerijnse literaire scene, die trachten door middel van hun werken een aantal maatschappelijke problemen bloot te leggen, onder hen zijn Rachid Boudjedra, Rachid Mimouni, Leila Sebbar, Tahar Djaout en Tahir Wattar.

Enkele schrijvers uit Algerije zijn
Albert Camus,
Mouloud Feraoun,
Tahar Ouettar,
Kateb Yacine,
Rachid Mimouni,
Assia Djebar,
Ahlam Mosteghanemi,
Yasmina Khadra en
Maïssa Bey.

Een uitgever van met name romans en poëzie van Algerijnen in Algerije en erbuiten is Barzakh Editions.

Zie ook:

De Algerijnse keuken is rijk en divers. Het land werd beschouwd als de graanschuur van Rome. De gerechten en samenstellingen ervan variëren afhankelijk van de regio en de seizoenen. Deze keuken maakt gebruik van granen als belangrijkste product, omdat deze altijd in overvloed aanwezig zijn in het land. 
Algerije is een land van hapjes. Bij de muntthee worden veel gevulde gebakjes gegeten zoals gevulde croissants met kaas en broodjes met gehakt. Ook couscous en de tajine worden vaak gegeten op de vrijdag met de hele familie na het moskeebezoek. Eten is een belangrijk gebeuren samen met de familie in Algerije. Iedereen herenigt zich als het tijd is voor het eten. Ze drinken 's morgens muntthee of koffie met gebakjes, 's middags rond 1/2 uur in de middag eten ze een warme maaltijd, om 4/5 uur drinken ze weer iets warms en om 8 uur is het avondeten waarna ze iets warms drinken.

Algerije telt een aantal culturele inschrijvingen op de UNESCO-werelderfgoedlijst. Het betreft Al Qal'a van Beni Hammad, de ruïnes van de eerste hoofdstad van de Hammadiden, Djémila, de ruïnes van een Romeinse stad en een voorbeeld van de manier waarop de Romeinen hun stadsplanning aanpasten aan een bergachtige omgeving, de kasba van Algiers, een medina in Algiers, met overblijfselen van de citadel, oude moskeeën en paleizen in Ottomaanse stijl, de M'Zabvallei, een traditioneel habitat in de 10e eeuw opgericht door de Ibadieten rond hun vijf gefortificeerde steden, Timgad, een Romeinse koloniale stad met een goed voorbeeld van Romeinse stedenbouwkunde, Tipasa, een Fenicische en later Romeinse stad met een unieke groep van Romeinse en Byzantijnse ruïnes en monumenten, waaronder de Kbor er Roumia, het koninklijke mausoleum van Mauritanië en Tassili n'Ajjer, een hoogvlakte in Algerije waar men prehistorische grotkunst kan vinden.

In 1950 steunde de Algerijnse economie zwaar op de landbouw. Granen en de wijnbouw namen een belangrijke plaats in. In 1948 was het aandeel in de wereldwijde wijnproductie circa 7,5%. Vooral Europeanen waren actief in de wijnbouw. Andere landbouwproducten waren in die tijd, olijven, dadels, tabak en vlas. De veeteelt was belangrijk, de Algerijnen als nomaden en de Europeanen richtte zich meer op de fokkerij van trekdieren en de zuivelproductie. De bosbouw was bescheiden al had Algerije de grootste kurkbossen ter wereld. De mijnbouw was bescheiden, aardolie en aardgas waren nog niet aangeboord, maar ijzererts, fosfaat en steenkool werd gemijnd. De industrie was vooral gericht op de verwerking van de land- en mijnbouwproducten. De Algerijnse invoerrechten waren zeer hoog, maar voor Franse producten was een uitzondering gemaakt. Het aandeel van Frankrijk in de Algerijnse in- en uitvoer was ongeveer 75% in 1948.

Na het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1962 kreeg de economische ontwikkeling hoge prioriteit. De verkoopopbrengst van aardolie en aardgas maakte dit financieel mogelijk mede omdat in 1971 de energiesector nagenoeg was genationaliseerd. De overheid gaf de voorkeur aan een centraal geleide economie met veel aandacht voor de ontwikkeling van de zware industrie. Dit beleid was niet succesvol en, met de economische ondergang van de voormalige USSR en de hoge economische groei in de Volksrepubliek China, streeft Algerije nu naar een gedeeltelijke vrijemarkteconomie.

De Algerijnse economie is zeer sterk afhankelijk van de productie van aardolie en aardgas. Het is de belangrijkste bron van inkomsten voor het land, het grootste exportproduct en levert een majeure bijdrage aan de inkomsten van de overheid. Sinds 2012 is het bruto binnenlands product (BBP) met zo'n 20% gedaald van US$ 210 miljard naar US$ 165 miljard, circa US$ 4150 per hoofd van de bevolking, in 2015. De olieprijs is in deze periode bijna gehalveerd. In 2015 bedroeg de totale exportopbrengst van Algerije US$ 35 miljard, waarvan het aandeel van petroleumproducten ruim de helft was. Tot 2012 had Algerije een fors en structureel overschot op de handelsbalans, nauwelijks buitenlandse schulden en hoge financiële reserves. Door de olieprijsdaling is de buitenlandse handel omgeslagen in een groot tekort, is er een fors begrotingstekort ontstaan en is de schuldenpositie van de overheid sterk gestegen.

Andere grondstoffen die in het land worden geproduceerd zijn ijzererts en fosfaat en in mindere mate lood, uranium, zink, zout en steenkool. De ijzerertsmijnen bij Tébessa leveren voldoende grondstof voor de grote staalfabriek bij El-Hadjar. Bij Tindouf zijn ook grote voorkomens van ijzererts aangetroffen. De geïsoleerde locatie maakt exploitatie van dit erts echter oneconomisch.

De zoektocht naar olie startte in de jaren vijftig. Algerije was nog een kolonie en Frankrijk wil zo snel als mogelijk minder afhankelijk worden van andere, met name Engelse en Amerikaanse, oliemaatschappijen. De overheid nam een leidende rol en richtte het staatsbedrijf Régie Autonome des Pétroles (RAP) op. In 1956 had RAP succes en boorde aardolie aan. De velden lagen ver van de kust en al het materieel en personeel moest met vrachtwagens vele honderden kilometers landinwaarts worden vervoerd. In 1958 werd de eerste olie geëxporteerd. Na het uitroepen van de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 maakte de nieuwe regering een plan om de opbrengst van olie en gas te gaan gebruiken voor de eigen economische ontwikkeling. Staatsenergiebedrijf Sonatrach werd opgericht en stapsgewijs verdwenen buitenlandse oliemaatschappijen van het toneel; in 1971 was de nationalisatie zo goed als afgerond. De energiesector in Algerije is geconcentreerd rond twee gigantische velden, namelijk het Hassi R'Mel-gasveld en het Hassi Messaoud olieveld. Een groot leidingnetwerk brengt de ruwe olie en gas naar exportterminals, raffinaderijen en fabrieken voor het maken van vloeibaar aardgas (lng) aan de kust. Er zijn oliepijpleidingen naar de zeehavens van Arzew en Sukhayrah in Tunesië en exportleidingen voor aardgas tussen het Hassi R'Mel-gasveld en Italië en Spanje.

In 2014 produceerde Algerije 143 miljoen ton olie equivalent (Mtoe), 100% olie en gas. Dat was veel meer dan nodig voor de energievoorziening, het TPES (total primary energy supply): 52 Mtoe. Het land exporteerde 90 Mtoe fossiele brandstof meer dan het importeerde. Van de energie ging ongeveer 20 Mtoe verloren bij elektriciteitsopwekking en andere conversie in de energie industrie. 4 Mtoe werd gebruikt voor niet-energetische producten zoals smeermiddelen, asfalt en petrochemicaliën. Voor eindgebruikers resteerde 31 Mtoe waarvan 4,0 Mtoe = 46 TWh elektriciteit. De uitstoot van kooldioxide was 123 megaton, dat is 3,2 ton per persoon, veel minder dan het wereldgemiddelde 4,5 ton per persoon.

De beroepsbevolking schommelde in de jaren 2005-2009 tussen de 10 en 10,5 miljoen personen. Ongeveer 15% hiervan is actief in de landbouw, maar deze draagt duidelijk minder bij tot het BBP van het land dan de mijnbouw en productie. De staat speelt een belangrijke rol in de planning van de economie en bezit vele belangrijke industriële instellingen, waaronder de mijnbouw en de financiële sectoren. In de late jaren negentig vonden er enige privatiseringen plaats en kwam er meer openheid ten opzichte van buitenlandse investeringen. De overheid is veruit de grootste werkgever. In 2010 was 10% van de bevolking werkloos; onder de jongeren was dit tweemaal zo hoog.

De landbouw is geconcentreerd in de vruchtbare valleien en de bassins van het noorden en in de oasen van de Sahara. De belangrijkste gewassen zijn tarwe, gerst, haver, citrusvruchten, wijndruiven, olijven, tabak en vijgen. Algerije is ook een belangrijke producent van kurk. Er worden grote aantallen schapen, gevogelte, geiten en vee gefokt en er is een kleine visindustrie.

De belangrijkste vervaardigde producten van het land zijn verwerkt voedsel (in het bijzonder olijfolie), drank (vooral wijn), tabaksproducten, bouwmaterialen, chemische producten, metalen, textiel en kleding. Er is een beperkt spoor- en wegennetwerk, hoofdzakelijk in de noordelijke kuststrook.

Algerije was een belangrijke wijnproducent voor de onafhankelijkheid. Veel Franse wijnboeren waren in het land actief en de productie bereikte jaarlijks circa 9 miljoen hectoliter. De wijnbouw was met name geconcentreerd in een smalle strook langs de kust, hoogstens 50 à 60 kilometer in het binnenland en alleen in bergachtig gebied. De – voornamelijk – rode wijn werd geëxporteerd naar Frankrijk en daar dikwijls gemengd met landwijnen met een laag alcoholgehalte. Na 1962 vertrokken veel wijnboeren, de wijnbouw ging over in staatshanden en de productie daalde fors. In 1989 werd nog maar 1 miljoen hectoliter geproduceerd en in 1999 nog slechts 360.000 hectoliter wijn. Het wijnbouwareaal daalde van 139.000 hectare naar 56.000 hectare over diezelfde periode van 10 jaar. De wijnbouw is tegenwoordig geconcentreerd rond de plaatsen Tlemcen en Médéa. Ook wijnbouw is deze jaren steeds minder belangrijk geworden voor de exportopbrengst.

De laatste jaren zijn de jaarlijkse inkomens van de uitvoer van Algerije belangrijk hoger dan de kosten van invoer. Het land heeft al jaren een overschot op de handelsbalans en krijgt ook nog per saldo geld binnen van meer dan een miljoen Algerijnen die sinds de onafhankelijkheid naar Frankrijk zijn geëmigreerd. De belangrijkste invoerproducten waren machines, voedsel en dranken, grondstoffen, halffabricaten en vervoerapparatuur. De belangrijkste handelspartners van Algerije zijn Frankrijk, Italië, de Verenigde Staten, Duitsland en Spanje.

Dankzij het overschot op de betalingsbalans was de buitenlandse schuld van het land minimaal en had het officiële financiële reserves van bijna USD 150 miljard per ultimo 2009, voldoende om voor drie jaar alle importen te financieren.




#Article 33: AWK (233 words)


AWK is een scripttaal op het besturingssysteem Unix, bedoeld voor het automatisch verwerken van tekstbestanden. AWK werd eind jaren zeventig ontwikkeld door Alfred Aho, Peter Weinberger en Brian Kernighan. AWK is een shellcommando en wordt vaak samen met bijvoorbeeld sed gebruikt.

De taal wordt gekenmerkt door een syntaxis die veel weg heeft van C. Er zijn verschillende varianten ontstaan met nieuwe functionaliteiten en mogelijkheden waaronder nawk (new awk), mawk en gawk (GNU awk).

De taal is regelgeoriënteerd: standaard worden van de input alle regels een voor een onderworpen aan patroonherkenning (via een reguliere expressie) en bij een treffer wordt een na het patroon aangegeven actie uitgevoerd. Dit maakt de taal zeer geschikt om filters te ontwerpen voor bestanden die in regels zijn ingedeeld, waarvoor vaak maar 1 regeltje code nodig is. Door toevoegingen kan de taal echter voor veel meer dingen worden gebruikt.

AWK wordt tegenwoordig bij elke Unixvariant geleverd, inclusief alle Linuxdistributies. Ook voor Windows zijn AWK-varianten beschikbaar. AWK wordt nog steeds door veel computerspecialisten gebruikt om snel kleine programma's te schrijven voor specifieke tekstgerelateerde taken.

Larry Wall werd door AWK geïnspireerd bij het ontwerpen van de programmeertaal Perl.

 BEGIN { print Hello world }

 # wiki bold
 /#039;#039;#039;/ { while( sub(/#039;#039;#039;/,lt;bgt;)){ sub(/#039;#039;#039;/,lt;/bgt;);}
       }
 {print}

 BEGIN {FS= | ; qq = \; lines = 0;}
 { print qq $2   $1 qq  lt; $6 gt;;
   lines=lines+1;}
 END {print  ; print lines  records treated}




#Article 34: Aardappel (1347 words)


De aardappel (Solanum tuberosum) is een cultuurgewas, dat behoort tot de nachtschadefamilie, net als de tomaat, paprika en tabak. De aardappel is een plant die in ondergrondse knollen een energievoorraad in de vorm van zetmeel aanlegt. Het zetmeel slaat de plant op in voor de mens eetbare stengelknollen, die net als de plant zelf aardappelen of aardappels worden genoemd. De aardappel is wereldwijd het belangrijkste voedselgewas na rijst, tarwe en mais.

De aardappel komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika, maar is in veel Europese landen sinds de 16e eeuw een van de basisvoedingsmiddelen. In vele landen, waaronder Nederland en België, wordt de aardappel gezien als maaltijddrager. In andere landen telt hij mee als groentesoort.

Aardappelplanten kunnen naast knollen ook besvruchten vormen, die in tegenstelling tot die van de tomaat zeer giftig zijn. In de bessen worden kleine zaden gevormd. Tussen de verschillende aardappelrassen zijn er grote verschillen in de vorming van bessen.

De knollen zijn eetbaar, maar kunnen ook giftig zijn door een hoog gehalte aan solanine. Daardoor zijn zetmeelaardappels van bepaalde rassen niet geschikt voor menselijke consumptie. Ook als aardappelen tijdens het bewaren worden blootgesteld aan licht, stijgt het gehalte aan solanine. De knollen worden groen en zijn daarna niet meer geschikt voor menselijke consumptie.

De aardappelsoort die wereldwijd het meest geteeld wordt, is Solanum tuberosum (een tetraploïde soort met 48 chromosomen). De andere soorten worden vooral in Zuid-Amerika geteeld. Er zijn vier diploïde soorten (met 24 chromosomen): S. stenotomum, S. phureja, S. goniocalyx en S. ajanhuiri. Er zijn twee triploïde soorten (met 36 chromosomen): S. chaucha en S. juzepczukii. Er is ook nog een pentaploïde soort (met 60 chromosomen): S. curtilobum.

In de aardappel komen twee typen zetmeel voor, amylose en amylopectine, waarvan 21% amylose. In 2005 is voor het eerst een ras in de handel gekomen dat bijna 100% amylopectine bevat.

Een ander onderscheid is dat tussen rassen met vastkokende aardappels (vastkokers), die bij het koken hun stevigheid behouden, en rassen met kruimige of bloemige aardappels (droogkokers) die daardoor het meest geschikt zijn om te pureren. Aardappelen die bij langer koken helemaal uit elkaar vallen, worden afkokers genoemd.

Net als rijst, pasta en brood is de aardappel een belangrijke bron van koolhydraten. Aardappels bevatten ook vitamine B6, vitamine C en vezels.

Gemiddelde voedingswaarden van aardappels (zoals vermeld op de verpakking), bereid volgens de algemene bereidingswijze:

Voor consumptie worden aardappelen gekookt, niet alleen in verband met de eetbaarheid, maar ook in verband met de aanwezigheid van het toxine fasine dat door deze bereiding wordt omgezet in een onschadelijke stof.

Groen verkleuringen aan de oppervlakte die door lichtinwerking ontstaan, dienen voor het koken verwijderd te worden omdat ze het neurotoxine solanine bevatten. Ook spruiten en pitten worden om die reden verwijderd.

De aardappel is vanuit Zuid-Amerika naar Europa gebracht door Spaanse ontdekkingsreizigers. Waarschijnlijk nam Diego de Amalya de eerste plant in 1536 mee uit Peru of Chili, waar deze aardappel bekendstond als chunu. De Inca's verbouwden de plant toen al honderden jaren. De aardappelplant groeide ook op grote hoogten in de Andes, waar veel andere planten niet meer kunnen groeien. Op basis van DNA-onderzoek is aangetoond dat alle oude aardappels afstammen van één plant uit Zuid-Peru. Later zijn er voor het kruisingswerk nieuwe herkomsten verzameld en genenbankcollecties opgebouwd.

Monniken waren verantwoordelijk voor de verspreiding van de aardappel vanuit Spanje naar de andere Europese landen. Zij pootten de plant in hun kloostertuinen. Ook in botanische tuinen vond de aardappelplant zijn weg. De aardappel groeit in Nederland sinds de Tachtigjarige Oorlog in de Leidse Hortus, sinds 1640 in Groningen en sinds 1689 in Amsterdam.

Carolus Clusius plantte in 1588 in Mechelen voor het eerst aardappelen in de tuin van Pitzemburg. In 1601 schreef hij over de voortplanting van de aardappel door zaad. Men ontdekte dat uit zaad van een paarsbloeiende plant ook witbloeiende planten opgroeiden. Er zijn in Europa door selectie dus waarschijnlijk al vroeg verschillende rassen ontstaan. In Nederland kruiste Petrus Hondius aardappelen met elkaar. Door virusinfecties gingen de rassen echter snel achteruit en werd regelmatig teruggegrepen op zaad.

De boeren stonden aanvankelijk weigerachtig tegenover een plant waarvan de stengels en bessen giftig zijn en dachten dat de knollen ook ongezond zouden zijn. In deze tijd werd de aardappel voornamelijk gezien als varkensvoer of voedsel voor de allerarmsten. Pas in 1727 werd de aardappel, voor het eerst in Friesland, als volwaardig voedsel erkend. Langzamerhand kreeg de aardappel toch steeds meer de rol van volksvoedsel en in de 18e eeuw werd hij in de meeste Europese landen verbouwd. Frankrijk had eind 18e eeuw echter een grote achterstand tegenover andere Europese landen en Rusland volgde nog later. Vanwege het hoge gehalte aan vitamine C werd de knol ook gebruikt ter voorkoming van scheurbuik op lange zeereizen.

Geert Veenhuizen (onder andere Eigenheimer en Rode Ster) en Kornelis Lieuwes de Vries (Bintje) waren Nederlanders die zich in de 19e en 20e eeuw bezighielden met de teelt en ontwikkeling van de aardappel.

In Nederland en België is er een teelt van

De belangrijkste teeltgebieden van consumptie-aardappels in Nederland zijn Flevoland, Zeeland en Noord-Brabant. In de veenkoloniën (in Drenthe en Groningen) worden veel fabrieksaardappels voor de zetmeelwinning geteeld. In het noorden, vanwege minder luizen, pootaardappels.

De meest geteelde aardappel heeft 4n=48 chromosomen en is een tetraploïde plant, waarvan alle chromosomen van één plantensoort afkomstig zijn (autoploïde).

Aardappels worden bijna altijd gekweekt van één enkele kloon met zo goed mogelijke genen. Alle 'bintjes' bijvoorbeeld zijn van één kloon afkomstig. Begin eenentwintigste eeuw is er een nieuwe manier van aardappelveredeling ontwikkeld waarbij er van diploïde planten uit zaad, door middel van zelfbestuiving in enkele generaties homozygote ouderlijnen worden gemaakt. Deze ouderlijnen worden gebruikt om hybride aardappelzaad te produceren.

Tijdens het seizoen wordt, afhankelijk van het weer, door de meeste telers elke 7 tot 10 dagen met een chemische bestrijdingsmiddelen gespoten tegen de aardappelziekte (fytoftora, Phytophthora infestans). De noodzaak van chemische bestrijding is te beperken door zo veel mogelijk ziekte-resistente rassen te kiezen. Met behulp van plantenveredeling, bijvoorbeeld door middel van genetische modificatie, wordt getracht om meer resistente rassen te ontwikkelen, maar dit proces verloopt moeizaam.

Bij de teelt van aardappelrassen zoals Bintje, Bildtstar en Eigenheimer wordt relatief veel bestrijdingsmiddel gebruikt. Aardappelen uit de gangbare teelt waarbij minder bestrijdingsmiddellen worden gebruikt, zijn onder meer Corine, Doré, Escort, Alpha, Van Gogh en Santé.

In de biologische aardappelteelt wordt niet gespoten met chemische bestrijdingsmiddelen. Het groeiseizoen is direct voorbij zodra het perceel op grotere schaal is besmet met fytoftora. Kleine besmettingen kunnen nog worden ingedamd door de planten plaatselijk dood te branden. Vóór de oogst worden op het gehele perceel de planten doodgebrand. Bij vroegtijdige besmetting daalt de oogstopbrengst bij de biologische teelt aanzienlijk en er treden van jaar tot jaar ook grote verschillen op. Doordat biologische producten veelal rechtstreeks aan de consument worden verkocht, is de teelt ervan vaak toch lonend.

Traditioneel werden aardappelen als wintervoorraad in een bult (kuil) opgeslagen op het land. De aardappels werden met riet of stro en aarde afgedekt. Ook aardappelkelders waren in gebruik. Later kwamen er speciale aardappelschuren met klimaatcontrole. De aardappelvoorraad wordt donker bewaard, omdat de knollen anders groen worden. Tijdens de bewaring wordt na een bepaalde periode, afhankelijk van het ras, de kiemrust verbroken en gaat de aardappel uitlopen. In het donker ontstaan dan lange witte scheuten. Het uitlopen is tegen te gaan door de scheuten regelmatig te verwijderen. De knollen worden voor opslag vaak met kiemremmers behandeld. Een natuurlijke kiemremmer is carvon.

Een probleem bij aardappelen is 'stootblauw', het ontstaat doordat de knol tijdens of na het rooien beschadigd wordt door onder andere een te grote valhoogte, drukplekken, gooien of stoten. Bij een lage temperatuur neemt de gevoeligheid voor stootblauw toe. Onder de schil ontstaan blauwe plekken, die veel schilverlies geven. De blauwe plekken ontstaan doordat in kapotte cellen het aminozuur tyrosine en fenolen worden omgezet in het bruingrijze of blauwzwarte melanine.
 

Aardappels zijn vatbaar voor diverse ziekten en plagen.
Dat zijn bijvoorbeeld:

Er zijn wereldwijd ongeveer 4000 aardappelrassen. Hieronder volgt een lijst van aardappelen, die in België of Nederland worden geteeld. Er zijn ongeveer 200 rassen die in België en Nederland worden geteeld, de lijst is dus niet compleet.




#Article 35: Ares (mythologie) (1917 words)


Ares (Oudgrieks: , Arês; genitivus , Areôs) is een figuur uit de Griekse mythologie. Hij is de god van de oorlog en personificatie van de krijgslust. De Romeinse naam voor Ares is Mars.

De god Ares is de zoon van Zeus en Hera (Homeros, Ilias V 890; Hesiodos, Theogonia 921f.). Volgens Homeros, is hij de noodlottige aanstichter van de bloedige strijd, een moordzuchtige krijger, die het hoogste genot vindt in wapengekletter en het aanrichten van een bloedbad, zich met vreugde in de vijandelijke rijen stort, en juicht bij het vallen van de verslagenen, bij de doodskreten van de stervenden en bij het aanschouwen van het met lijken bedekte slagveld.

Toch belichaamt Ares ook de deugden van oorlogsvoering. Homeros omschrijft Meriones, bijvoorbeeld, met de woorden “stoutmoedig als Ares”, “zo dapper als Ares” (Ilias XIII 295-330, vert. ) en “als Ares zo snel” (Ilias XIII 529). Nestor duidt de Griekse soldaten in een toespraak ook wel aan als “dienaars van Ares” (Ilias VI 50-85). Ook de epitheta die Homeros hanteert om Ares te beschrijven duiden op zijn krijgskundig vermogen. De meest voorkomende is ‘mannenverdelger’, maar daarnaast worden ook ‘met bloed bevlekte’ en ‘muurbestormer’ gebruikt (Ilias V 450-460).

Er wordt ook wel gezegd dat de oorlogen niet door Ares ontstaan, maar dat Ares er pas komt als ze al bezig zijn. Hoewel hij houdt van de bloedbaden, respecteert hij de regels.

Zijn geboorteplaats en ware huis werd aan de rand van de Griekse wereld gedacht, onder de barbaarse en oorlogszuchtige Thraciërs (Ilias XIII 301; Ovidius). Hij trok zich dan ook terug in Thracië, nadat hij samen met Aphrodite was betrapt in bed. De twee geliefden werden in het bed waarin zij de liefde bedreven door een listige val gevangen: het bed dat Hephaistos en zijn vrouw Aphrodite gewoonlijk deelden. Het bed werd met een, door Hephaistos gemaakt, net van ijzeren kettingen tegen het plafond geslingerd, waardoor zij in elkaar verstrengeld gevangen werden. Op deze wijze wist Hephaistos het overspel bekend te maken (Odyssee VIII 303-304.). De schande deed Aphrodite en Ares vluchten van Olympos. Ares vertrok naar Thracië, en Aphrodite naar Paphos (Odyssee VIII 348-355.).

Hoewel Ares' half-zus Athena ook oorlogsgodheid is, is Athena de godin van de strategische oorlogsvoering terwijl Ares meer de god is van het onvoorspelbare geweld van de oorlog met al zijn mogelijke uitkomsten.

In Tegea werd Ares vereerd onder de epiklese Gynaikothoinas, d. i. gevierd door vrouwen.
Deze naam dankte hij aan het feit dat Marpessa, toen haar stad door de Lakedaimoniërs zeer in het nauw gebracht werd, alle vrouwen en meisjes had bewapend, die in staat waren de wapenen te dragen om de mannen te hulp te komen, een schitterende overwinning behaalde, waarvoor de vrouwen een feest ter ere van Ares instelden, dat alleen door vrouwen mocht worden gevierd (Paus., VIII 48.4.).

Daarnaast werd hij ook nog onder de naam Ares Aphneios, d. i. de overvloedige, vereerd op de berg Kresios, nabij Tegea, omdat hij daar zijn zoon Aeropos wiens moeder Aerope was gestorven bij de geboorte toeliet nog in overvloed melk te drinken van de borst van zijn reeds overleden moeder (Paus., VIII 44.7.). Hij had verder in Arcadië ook nog een altaar in Megalopolis (Paus., VIII 32.3.) en in het heiligdom van Despoine nabij Akakesion (Paus., VIII 37.12.).

Onder de naam Ares Hippios, d. i. van de paarden, werd hij samen met Athena Hippias vereerd in Olympia, waar de Eliërs een keer in de maand offers brachten op alle altaren die daar aanwezig waren (Paus., V 15.6.).

Langs de weg van Therapne naar Sparta had hij een heiligdom onder de naam Ares Theritas (), waarvan Pausanias (III 19.7.) zegt dat men geloofde dat deze bijnaam was afgeleid van de naam van zijn voedster Thero - waarvoor Pausanias een Kolkidische oorsprong ziet -, maar zelf eerder meende dat het brutale betekende. Sam Wide oppert de stelling dat de naam weleens van Boeotische oorsprong zou kunnen zijn. Het is echter ook mogelijk dat het om een pre-Dorische cultus gaat daar dit oudste heiligdom voor Ares in Laconië in de oudste stad van het Griekse vasteland, Therapne gelegen was.

Te Athene waren de naar hem genoemde heuvel Areios Pagos (Areopagus) en het daar gevestigde gerechtshof hem geheiligd. Hij zelf was echter de eerste geweest, die op deze heuvel door de onsterfelijke goden tot rekenschap geroepen werd, daar ook hij zich aan de vastgestelde orde en wet moest onderwerpen. Halirrhothios namelijk, de zoon van Poseidon, onteerde Alkippe, de dochter van Ares, en deze overviel hem daarop en doodde hem. Toen nu Poseidon de moordenaar voor de rechtbank van de goden daagde, spraken deze hem van alle schuld vrij.

Over het geheel bewees men in Griekenland aan Ares minder eer dan aan andere goden, ofschoon hij hier en daar tempels, altaren en beelden had. Slechts in Thebe en in het door woeste volksstammen bewoonde Thracië werd hij niet op de achtergrond geschoven. Het laatstgenoemde land was zijn lievelingsverblijf, omdat de goden van de rivieren van dit land, de Hebros, Tmolos en Strimon golden voor zijn zonen, en de bloedige mensenoffers, die men hem aldaar bracht, schenen met het bloeddorstige karakter van de god van de oorlog, tenminste in de ruwere tijden, volmaakt overeen te stemmen. In Scythië, waar hij onder het zinnebeeld van een zwaard vereerd werd, offerde men hem paarden en mensen, en wel iedere honderdste man van de gevangenen.

Zijn woestheid maakt hem zelfs bij de onsterfelijke goden, bij zijn vader Zeus en vooral bij Athena gehaat. Meer dan eens verwondde deze laatste hem in de strijd voor Troje, waar zij de Grieken, hij de Trojanen bijstond. Zij richtte ook de lans van Diomedes, die het lukte daarmee de god te verwonden. Toen schreeuwde hij zo hard als 9000 of 10000 mannen tezamen zouden schreeuwen.

Hij wordt door Athena telkenmale overwonnen, omdat hij strijdt uit wilde lust om te strijden maar zonder beleid, orde of regelmaat, terwijl Athena de grote begaafdheid van haar geest ook in de strijd niet verloochent. Hij bekommert zich niet om wat recht is of onrecht, noch om het heil van het overwinnende, noch om de rampen van het overwonnen volk.

Herhaalde malen schildert Homeros hem aldus ten strijde gaande, nu eens de scharen voor zich vellende, dan weer zelf overwonnen, en, zoals we reeds zagen, gewond de strijd verlatende. Nadat Diomedes de god getroffen had ging deze in een nevel gehuld naar de Olympos, liet zich door Paieon genezen en beklaagde zich bij Zeus over Athena, die hem die smaad had aangedaan, maar Zeus hoorde niet naar zijn klacht. Ook Athena zelf wierp hem eens met een zware steen ter aarde, zodat hij onder wapengekletter op de grond viel en met zijn geweldig lichaam zeven morgen van land bedekte, en toen Aphrodite hem uit de strijd wilde wegvoeren, sloeg Athena haar op de borst met haar krachtige hand, zodat ook zij ter aarde viel. Met Herakles was hij tweemaal verwikkeld in handgemeen. De eerste keer viel Ares de held aan, nadat deze zijn zoon Kyknos gedood had. Met zijn speer rende hij op Herakles los, doch Athena wendde die af en de held kon daarop de god met zijn zwaard bereiken. De tweede keer scheidde Zeus met zijn bliksem zijn beide met elkaar strijdende zonen.

De zonen van Aloeus, de Aloïden Othos en Ephialtes, overmande de woeste god, boeiden hem en hielden hem dertien maanden lang gevangen in een koperen vat, totdat Hermes hem door list wist te bevrijden.
Ofschoon Ares dus in de voorstelling van de Grieken de wildste en meest ontembare was van alle Olympische goden, en de veroorzaker van dood, pest en allerlei jammerlijk onheil, werd toch ook van hem verhaald, dat hij de innigste liefde genoten had van de bekoorlijke Aphrodite.

Bekend is uit de Odyssee de mythe, dat beiden eens door de kreupele Hephaistos, de wettige gemaal van Aphrodite, overvallen, in een kunstrijk net listig gevangen en aan de bespotting van al de goden prijsgegeven werden.

Het beroemdste kind van deze heimelijke vereniging was de naderhand met Kadmos gehuwde Harmonia, de goddelijke eendracht. Zoals deze het lieftallige karakter van de moeder bezat, zo hadden de zonen Deimos en Phobos, die, naar men verhaalt, uit dezelfde verbintenis waren voortgesproten, de geaardheid van hun vader. Ook Eros en Anteros zouden uit dit ouderpaar gesproten te zijn. Ares bezat geen wettige gade, doch hij verwekte bij sterfelijke vrouwen en nimfen een menigte kinderen, waaronder uitstekende helden. Ook de door Kadmos gedode draak was geboren uit de verbintenis van Ares met de Boeotische bronnimf Tilphossa. Zijn zoon Kyknos verwekte hij bij Pelopia of Pyrene. Bij Enyo verwekte hij Enyalios. De tweeling Lykastos en Parrhasios, die hij bij Philonome kreeg, zouden de eerste heersers over Arkadië zijn. Chryse schonk hem zijn zoon Phlegyas. Bij Triteia had hij een zoon Melanippos (Paus., VII 22.8.).

Wanneer hij zijn schitterende wapenrusting aantrekt, brengen hem zijn beide zonen Deimos en Phobos (Vrees en Schrik) zijn gouden strijdwagen. Zij vergezellen steeds hun vader, terwijl de tweedracht zaaiende Eris, die door Homeros de zuster en vriendin van de mannenverdelgende Ares ( / brotoloigós) wordt genoemd, de wagen van de moordende god vooruitsnelt. Ook Enyo, de stedenverwoestster, naar welke hij zelf ook Enyalios () wordt genoemd, is bestendig aan zijn zijde. Ook Kydoimos, een personificatie van het rumoer van de strijd, kwam steeds voor in zijn gevolg.

Ares had een quadriga getrokken door vier met gouden hoofdstelsels getoomde (Ilias V 352.) vuur-ademende onsterfelijke hengsten. Onder de goden onderscheidde Ares zich door zijn brutaal pantser. Hij zwaaide ook met zijn speer in strijd. Zijn heilige vogels waren de kerkuil, spechten en voornamelijk de gier. Daarnaast waren aan Ares ook de wolf, het paard, het everzwijn en de haan (zie Alectryo) gewijd.

Volgens de Argonautica (II 382 ff en 1031ff; Hyginus, Fabulae 30) waren de vogels van Ares (Ornithes Areioi) een zwerm van veerpijldroppende vogels die het schrijn van de god bij de Amazonen op een kusteiland in de Zwarte Zee bewaakten. In Sparta werd het chtonische nachtelijke offer van een puppy aan Enyalios aangepast aan de cultus van Ares.

In de klassieke Griekse kunst waren zijn gebruikelijke attributen een helm met helmbos en een speer.

Dat de kunstenaars aan deze god een schone vorm trachtten te geven en daarmee een juiste uiting gaven aan de voorstellingen van het Griekse volk, laat zich reeds daaruit opmaken, dat men zich hem dacht als de door Aphrodite het meest beminde god. De meeste beelden, die van hem over zijn, tonen hem ons dan ook met zachtere gelaatstrekken dan men van de barse, ruwe god van de oorlog zou verwachten, omdat zij juist deze meest poëtische trek uit de mythe van Ares opvatten, dat hij, de wildste, de meest ontembare van alle goden voor de tovermacht van de godin van de liefde heeft moeten bukken.

Zijn haar is doorgaans kroes en kort, zijn ogen klein, zijn neusgaten wijd geopend - een teken van hartstocht - en zijn nek en zijn ganse lichaam gespierd. Meestal wordt hij baardeloos afgebeeld; alleen de oudste beeldhouwers hebben hem voorgesteld met een baard. Zijn ganse lichaamsbouw en zijn houding geven kracht te kennen.

Bij de treurspeldichters komt Ares eveneens voor als de god van alle onheil, van besmettelijke ziekten en misgewas. Latere schrijvers doen hem aan de strijd van de Giganten deelnemen. Na eerst enkelen van hen gedood te hebben moest hij uiteindelijk de gedaante van een vis aannemen om verborgen te blijven voor de geweldige Typhoeus, die hem vervolgde.

Enige trekken van de Griekse Ares vindt men terug in het wezen van de Romeinse krijgsgod Mars.




#Article 36: Archimedes (2744 words)


Archimedes van Syracuse (Grieks:  ) (Syracuse, 287 v.Chr. – aldaar, 212 v.Chr.) was een Griekse wiskundige, natuurkundige, ingenieur, uitvinder en sterrenkundige.

Archimedes wordt algemeen beschouwd als de grootste wiskundige van de oudheid en een van de grootste wiskundigen aller tijden. Hij introduceerde de uitputtingsmethode voor het berekenen van de oppervlakte onder de boog van een parabool door sommatie van een oneindige reeks. Ook gaf hij een opmerkelijk nauwkeurige benadering van π. Hij definieerde ook de spiraal die zijn naam draagt, formules voor de inhoud van rotatievlakken om een as en een ingenieus systeem voor het uitdrukken van zeer grote aantallen.

In de oudheid was Archimedes veel beroemder vanwege zijn natuurwetenschappelijke en technische prestaties. Zo legde hij de fundamenten voor de hydrostatica, de statica en gaf hij een verklaring voor het principe van de hefboom. Hij wordt gezien als de ontwerper en constructeur van de naar hem vernoemde schroef van Archimedes (een voorloper van de vijzel). Ook zou hij zich bezig hebben gehouden met het ontwerp van innovatieve belegeringsmachines. Moderne experimenten hebben beweringen weerlegd dat Archimedes machines zou hebben ontworpen die in staat zouden zijn geweest om aanvallende schepen uit het water te tillen of deze schepen met behulp van een verzameling spiegels in brand te steken.

Archimedes werd aan het slot van de belegering van Syracuse gedood door een Romeinse soldaat. Naar men later beweerde gebeurde dit in strijd met een door de Romeinse legerleiding uitgevaardigd bevel om hem te sparen.

Hoewel er weinig details over zijn leven bekend zijn, wordt hij beschouwd als een van de belangrijkste wetenschappers uit de klassieke oudheid. Tot zijn bijdragen aan de natuurkunde behoren de grondslagen van de hydrostatica, de statica en de verklaring voor het beginsel van de hefboom. Aan hem wordt het ontwerp van een aantal innovatieve machines toegeschreven. Voorbeelden daarvan zijn belegeringswapens en de naar hem genoemde schroef van Archimedes. Er zijn moderne experimenten uitgevoerd om de oorlogsmachines die aan Archimedes worden toegeschreven te toetsen, zoals om aanvallende schepen uit het water te tillen en om schepen in brand te steken met spiegels. De spiegelmethode blijkt een mythe te zijn.

In de klassieke oudheid waren zijn wiskundige geschriften, anders dan zijn uitvindingen, slechts weinig bekend. Hij werd weliswaar gelezen en geciteerd door wiskundigen uit Alexandrië, maar de eerste uitgebreide compilatie door Isidorus van Milete, een van de bouwers van de Hagia Sophia, verscheen pas in 530 n.Chr, in de vroeg-Byzantijnse periode, toen het Grieks het Latijn in het Oost-Romeinse rijk aan het verdringen was. De commentaren door Eutocius van Ascalon in de zesde eeuw na Christus brachten de werken van Archimedes voor de eerste keer onder de aandacht van een breder publiek. De relatief weinige kopieën en fragmenten van Archimedes’ werken die de Middeleeuwen overleefden waren tijdens de Renaissance een invloedrijke bron voor geleerden.  Ook 17e-eeuwse grondleggers van de wetenschappelijke revolutie, zoals Galileo Galileï en Isaac Newton werden door het werk van Archimedes geïnspireerd. De ontdekking in 1906 door Johann Heiberg van eerder onbekende werken van Archimedes in de Archimedes-palimpsest heeft nieuwe inzichten verschaft in hoe Archimedes zijn wiskundige resultaten verkreeg.

Archimedes werd rond 287 v.Chr. geboren in de Siciliaanse havenstad Syracuse. Syracuse was op dat moment een zelfbesturende kolonie, die deel uitmaakte van Magna Graecia. Zijn geboortedatum is gebaseerd op een bewering van de Byzantijnse historicus Johannes Tzetzes, dat Archimedes 75 jaar oud werd. In De zandrekenaar geeft Archimedes de naam van zijn vader als Phidias, een astronoom over wie verder niets bekend is. Plutarchus schreef in zijn Parallelle Levens dat Archimedes gerelateerd was aan koning Hiëro II, de heerser van Syracuse.

Zoals vele anderen in zijn tijd die kennis zochten werd hij aangetrokken door de roem van de wetenschappers in Alexandrië. Dit was de kosmopolitische hoofdstad van Egypte en tevens de voornaamste hellenistische 'universiteitsstad' met zijn befaamde bibliotheek. Archimedes ging er onder andere wiskunde studeren bij de leerlingen van Euclides zoals Conon van Samos en Eratosthenes van Cyrene. Waarschijnlijk heeft hij hier het principe van zijn waterschroef ontdekt of, als het al bestond, verder geperfectioneerd. Deze wordt nog steeds in Egypte gebruikt om de akkers te bevloeien.

Bestand:Archimedes Heat Ray conceptual diagram.svg|thumb|250px|Methode om een schip met spiegels in brand te steken, vaak ten onrechte toegeschreven aan Archimedes.
Voor de meeste tijdgenoten was Archimedes echter voornamelijk de uitvinder van allerhande oorlogsmachines, apparaten, hijskranen en katrollen.
Na zijn studie keerde hij naar Syracuse terug en legde zich toe op alle onderdelen van de wiskunde en de fysica, van de zuivere wiskunde tot de praktische mechanica. Volgens de overlevering is Archimedes de rest van zijn leven nooit meer naar Alexandrië gereisd maar hij onderhield wel een levendige schriftelijke correspondentie met de geleerden en filosofen die er werkten. De resultaten van zijn onderzoeken beschreef Archimedes in een reeks monografieën, die opvallen door helderheid en oorspronkelijkheid. Tien van deze monografieën zijn bewaard gebleven.

De ontdekking van de naar hem genoemde wet van Archimedes (zie boven) stelde hem in staat te bewijzen dat een gouden kroon van Hiëro II door de edelsmid was vervalst door toevoeging van zilver. Een anekdote vertelt dat hij, toen hij het theoretische bewijs had gevonden toen hij in bad zat, enthousiast uit bad sprong en naakt de straat op liep en schreeuwde: Eureka, eureka! (Grieks: εύρηκα! = Ik heb (het) gevonden!)

In de Eerste Punische Oorlog koos Syracuse de zijde van de Romeinen. Toen echter Hiëro II overleed, koos zijn opvolger bij de Tweede Punische Oorlog, toen de Romeinen aanvankelijk aan de verliezende hand schenen te zijn, de zijde van Carthago, waarop Syracuse prompt door een Romeins leger onder leiding van Marcus Claudius Marcellus I werd belegerd. Archimedes vervaardigde verschillende oorlogsmachines om de belegeraars buiten de deur te houden en wist zo een hele tijd de stad onneembaar te houden maar ten slotte werd de stad in 212 v.Chr. toch door de Romeinen ingenomen.

Bij de inname van Syracuse werd hij door een Romeinse soldaat gedood. Een anekdote opgetekend door Livius en later Plutarchus vertelt dat Archimedes een wiskundig cirkeldiagram in het zand of op de vloer had getekend en hierover aan het denken was. De soldaat kwam binnen en liep over de tekening. Archimedes riep:

Hierop doodde de soldaat de toen hoogbejaarde Archimedes met zijn zwaard. Dit werd overigens betreurd door de Romeinse bevelvoerder Marcus Marcellus die een groot bewonderaar was van de bij zijn leven al beroemde Griekse geleerde. Marcellus had opdracht gegeven Archimedes levend gevangen te nemen om hem mee te nemen naar Rome. In plaats van Archimedes naar Rome te sturen werden nu alleen zijn geschriften en de in zijn opdracht vervaardigde natuurkundige modellen verzameld – waaronder het oudste bekende planetarium – en naar Rome gestuurd. Volgens verscheidene berichten van kroniekschrijvers waren deze daar nog lang te bezichtigen.

Archimedes’ lichaam werd begraven op de grote begraafplaats van Syracuse en nog eeuwen later werd zijn graf aan toeristen getoond. Zo is een verslag bekend van Cicero die op zoek was naar het graf toen hij Quaestor van Sicilië was. Op het graf stond een bol in een cilinder. Volgens Archimedes was zijn belangrijkste ontdekking de verhouding tussen het volume van de bol en de cilinder.

Na Archimedes’ dood bleek overigens dat hij vaak had nagelaten de principes van zijn uitvindingen in geschriften vast te leggen. Dit geeft aan dat Archimedes meer geïnteresseerd was in ontdekkingen doen dan in eigen roem. Hij beschouwde zijn werk waarschijnlijk alleen als een aangenaam tijdverdrijf of als 'hobby', vooral zijn praktische werkzaamheden. In de Oudheid stond namelijk het praktische handwerk van de ambachtsman of 'ingenieur' of 'technicus' in laag aanzien en een 'heer van stand' hield zich daar verre van.

De werken van Archimedes werden geschreven in Dorisch Grieks, het dialect van het antieke Syracuse. Het geschreven werk van Archimedes is in veel mindere mate bewaard gebleven dan dat van Euclides van Alexandrië. Zeven van zijn verhandelingen zijn alleen bekend omdat andere auteurs er naar verwijzen. Pappos van Alexandrië noemt Over het maken van een cirkel en een ander werk over veelvlakken, terwijl Theon van Alexandrië een opmerking over lichtbreking citeert uit de nu verloren gegane Catoptrica. Tijdens zijn leven stond Archimedes in correspondentie met de cirkel van wiskundigen in Alexandrië. Via dit kanaal maakte hij ook zijn werk bekend.

De geschriften van Archimedes werden in het begin van de 6e eeuw door de Byzantijnse architect Isidorus van Milete (ca. 530 n.Chr.) verzameld. In dezelfde tijd maakten commentaren op het werk van Archimedes door Eutocius zijn werk bij een breder publiek bekend. Archimedes' werk werd in de 9e eeuw door Thabit ibn Qurra (836-901) in het Arabisch en in de 12e eeuw door Gerard van Cremona (ca. 1114 tot 1187) in het Latijn vertaald.

Tijdens de Renaissance publiceerde Johann Herwagen in 1544 in Bazel de Editio Princeps (eerste editie) met de werken van Archimedes in zowel het Grieks als het Latijn. Rond het jaar 1586 bedacht Galileo Galilei een hydrostatische balans voor het wegen van metalen in lucht en water. Hij was blijkbaar geïnspireerd door het werk van Archimedes.

De kennis over de werken van Archimedes was ondanks de legenden die over hem verteld werden in de oudheid niet zeer verbreid, dit in tegenstelling tot Euclides, die zijn werken in het toenmalige wetenschappelijke centrum, Alexandrië vervaardigde. Door de wiskundigen Heron, Pappos en Theon van Alexandrië wordt Archimedes echter vaak genoemd. Zijn werken werden tussen de 6e en de 10e eeuw in Byzantium systematisch verzameld en becommentarieerd. Bekend is het commentaar van Eutocius van Ascalon (die zo rond het jaar 500 leefde) over de belangrijkste werken van Archimedes (Over de sfeer en de cilinder, Over de meting van een cirkel, Over het evenwicht van vlakken), een werk dat in de Middeleeuwen in West- en Zuid-Europa veel heeft bijgedragen aan de kennis over de werken van Archimedes en dat aanspoorde tot verdere studie.

Bij de eerste samenstelling van een verzameling teksten in Byzantium speelden in het midden van de zesde eeuw de architecten van de Hagia Sophia Isidorus van Milete en Anthemios van Tralles een belangrijke rol. Later werden meer werken toegevoegd tot in de 9e eeuw, Leo de Wiskundige de als Codex A (Heiberg) bekende verzameling van bijna alle overgeleverde geschriften van Archimedisch uitbracht (de vier ontbrekende uitzonderingen waren de Stomachion, het rundvee-probleem, De methode van mechanische stellingen en Over drijvende lichamen), Codex A was een van de twee bronnen voor de in 1269 voltooide Latijnse vertaling door de Vlaamse geleerde Willem van Moerbeke. Het andere Griekse manuscript dat van Moerbeke ter beschikking stond, bevatte Over het evenwicht van vlakken, De kwadratuur van de parabool, Over drijvende lichamen en misschien ook Over spiralen. Dit werk werd door Heiberg Codex B genoemd.

Het in 1906 door Heiberg ontdekte Archimedes-palimpsest (Codex C, die eerder in Jeruzalem was, bevat De methode van mechanische stellingen, Stomachion en Over drijvende lichamen) was de vertalers in de Middeleeuwen en de Renaissance onbekend. De codices A en B kwamen via de Normandische koningen van Sicilië in het Vaticaan terecht, waar Willem van Moerbeke zij voor zijn vertaling gebruikte. Terwijl Moerbekes vertalingsmanuscript in het Vaticaan bewaard is gebleven, is codex B verloren gegaan.. Van Codex A zijn echter meerdere afschriften bewaard gebleven (er zijn er negen bekend), die bijvoorbeeld in het bezit waren van kardinaal Bessarion (nu in de Biblioteca Marciana) en Giorgio Valla. Het origineel van Codex A is in het midden van de 16e eeuw verloren geraakt.

De vertaling van Willem van Moerbeke van de werken van Archimedes in het Latijn had vooral veel invloed op geleerden uit de school van Parijs zoals Nicolaas van Oresme en Johannes de Muris.

Er bestaat ook een Arabische tekstuele traditie. Archimedes belangrijkste werken Over bol en cilinder en Over de cirkelmeting waren al in de 9e eeuw in het Arabisch vertaald en werden minstens tot in de 13e eeuw steeds opnieuw uitgegeven. Vanaf de 12e eeuw hadden deze werken ook invloed in het Westen. In het bijzonder een vertaling van Over de cirkelmeting uit het Arabisch in het Latijn, waarschijnlijk van de hand van Gerard van Cremona (12e eeuw), was in de Middeleeuwen invloedrijk. Van hem stamt ook een Latijnse vertaling van een traktaat van de Banū Mūsā broers, die meer resultaten van Archimedes bevatte: naast de meting van de cirkel en de stelling van Heron (die door de Arabieren vaak werd toegeschreven aan Archimedes) ook delen van Over bol en cilinder. Dit als Verba Filiorum bekendstaande manuscript had bijvoorbeeld invloed op Leonardo Fibonacci en Jordanus Nemorarius. Deze beide wiskundigen leefden ruim een halve eeuw voordat Moerbekes vertaling in 1269 tot stand kwam.

Rond 1460 gaf paus Nicolaas V Jacob van Cremona de opdracht om op basis van Codex A een nieuwe vertaling in het Latijn te vervaardigen. Deze vertaling bevatte ook een aantal nog niet door Moerbeke vertaalde delen van het werk van Archimedes (De zandrekenaar en het commentaar van Eutocius op Over de cirkelmeting). Aangezien codex B niet meer beschikbaar was, ontbrak Over drijvende lichamen. Deze vertaling van Jacob van Cremona werd onder andere door Nicolaas van Cusa gebruikt.

De eerste gedrukte uitgave (afgezien van de uittreksels, die Giorgio Valla in 1501 liet drukken) waren de Latijnse vertalingen die Luca Gaurico in 1503 in Venetië vervaardigde van Over het meten van de cirkel en Over de kwadratuur van de parabool (naar een manuscript uit Madrid). Deze vertaling werd in 1543 door Niccolò Tartaglia opnieuw uitgebracht, nu gecombineerd met Moerbekes vertalingen van Over het evenwicht van een vlak en Over drijvende lichamen.

De eerste editie van de Griekse tekst verscheen in 1544 in Bazel (uitgegeven door Thomas Venatorius) samen met een Latijnse vertaling van Jacob van Cremona (gecorrigeerd door Regiomontanus). Deze uitgave bevatte ook de commentaren door Eutocius. Voor de Latijnse tekst gebruikte Venatorius een rond 1468 door Regiomontanus naar Duitsland gebracht afschrift van de vertaling van Jacob van Cremona (bewerkt door Regiomontanus). Voor de Griekse tekst gebruikte hij een afschrift dat door Willibald Pirckheimer uit Rome naar Neurenberg was gebracht.. Dit was een afschrift van Codex A, om welke reden in deze Editio Princeps-uitgave dan ook Over drijvende lichamen ontbreekt. In 1558 verscheen in Venetië een Latijnse vertaling van een aantal belangrijke hoofdwerken door Federicus Commandinus. Andere belangrijke uitgaven voor de Heiberg-editie waren die van D'Rivault (Parijs 1615), die alleen de stellingen in het Grieks brengt en de bewijzen in het Latijn, en die van Giuseppe Torelli (Oxford 1794).

Het belangrijkste document dat werk van Archimedes bevat is de zogenaamde palimpsest van Archimedes, dat in 1906 in Constantinopel (het huidige Istanboel) door de Deense filoloog Johan Ludvig Heiberg werd ontdekt. De Archimedespalimpsest is een 174-pagina's tellend perkament van geitenvel, waarop gebeden uit de 13e eeuw staan geschreven. Hij ontdekte dat het een palimpsest was, een document met tekst, die op een gewist ouder werk was geschreven. Palimpsesten werden gemaakt door de inkt van bestaande werken af te schrapen om deze opnieuw te kunnen gebruiken. Dit was in de Middeleeuwen een gangbare praktijk aangezien vellum erg duur was. De oudere, afgeschraapte werken in het palimpsest werden door geleerden geïdentificeerd als 10e-eeuwse kopieën van voorheen onbekende verhandelingen van Archimedes. Het perkament bevond zich honderden jaren in een kloosterbibliotheek in Constantinopel. Na de ontdekking in 1906 raakte het in de jaren 1920 in particulier bezit. Op 29 oktober 1998 werd het Archimedes-palimpsest op een veiling in New York door een anonieme koper voor $ 2 miljoen gekocht. De palimpsest bevat zeven verhandelingen, waaronder het enige overgebleven exemplaar van Over drijvende lichamen in het oorspronkelijke Grieks. Het is de enige bekende bron van De methode van mechanische stellingen, waar in de Suidas naar wordt verwezen en waarvan men dacht dat deze voor altijd verloren was gegaan. Het eerste deel van de Stomachion werd ook in de palimpsest ontdekt. Het bevat een meer volledige analyse van de puzzel dan men in eerdere teksten had aangetroffen. De palimpsest wordt nu bewaard in het Walters Art Museum in Baltimore, Maryland, waar het wordt onderworpen aan een scala van moderne testen, waaronder zowel het gebruik van ultraviolet licht als röntgenstraling om de overschreven teksten te kunnen ontcijferen.

De zeven verhandelingen in de Archimedespalimpsest zijn: Over het evenwicht van vlakken, Over spiralen, Over de meting van een cirkel, Over de sfeer en de cilinder, Over drijvende lichamen, De methode van mechanische stellingen en als laatste de Stomachion.

De Fields Medal, ook wel de Nobelprijs van de wiskunde genoemd, toont een gefantaseerd portret van Archimedes, met zijn bewijs van bol en cilinder. De inscriptie rond zijn hoofd is een citaat dat aan hem wordt toegeschreven. Het luidt in het Latijn: Transire suum pectus mundoque potiri oftewel: Stijg boven jezelf uit en beheers de wereld.




#Article 37: Actinide (181 words)


De actiniden, door IUPAC recent en bij voorkeur aangeduid met actinoïden zijn een serie van vijftien elementen met een atoomnummer van 89 tot en met 103. In deze serie wordt de 5f-subschil opgevuld. Alle actiniden zijn radioactief en vervallen spontaan naar lagere elementen (uiteindelijk naar lood). Twee actiniden (thorium en uranium) komen echter nog als natuurlijk element op Aarde voor doordat zij isotopen hebben met een halveringstijd van miljarden jaren. De lagere actiniden komen voor als vervalproducten van deze isotopen. Dat wil zeggen dat zij verdwenen zouden zijn als ze niet voortdurend door het verval van uranium-238, uranium-235 en thorium-232 aangemaakt werden. De transurane elementen met atoomnummers 93 en hoger kunnen alleen kunstmatig door kernreacties geproduceerd worden.

Chemisch gesproken lijken de actiniden niet zo veel op elkaar als de lanthaniden. De oorzaak daarvoor is dat de 5f- en de 6d-elektronenschillen veel dichter bij elkaar liggen wat energie betreft en de 5f-elektronen zich niet zo als binnenelektronen gedragen als de 4f-elektronen. Voor uranium betekent dat bijvoorbeeld dat een oxidatiegetal +VI heel gebruikelijk is.

De actiniden zijn in het periodiek systeem hieronder gekleurd.




#Article 38: Alfred Binet (376 words)


Alfred Binet (Nice, 11 juli 1857 – Parijs, 18 oktober 1911) was een Franse psycholoog, naar wie de Stanford-Binet-intelligentieschaal is genoemd. Hij werkte op het terrein van de experimentele psychologie.

Op zijn 21e studeerde Binet af als jurist, maar vanwege zijn rijke komaf hoefde hij niet als advocaat te gaan werken. In plaats daarvan richtte zijn aandacht zich op 'dierlijk magnetisme' en hypnose. Om zijn kennis te vergroten en zijn methodologie te verbeteren, zijn publicaties hadden veel kritiek gekregen, trok hij naar het Hôpital de la Salpêtrière in Parijs, waar hij tot 1891 studeerde bij Jean-Martin Charcot.

Vanaf 1894 was hij directeur van het Laboratoire de psychologie physiologique van de Sorbonne, dat in 1889 was opgericht door Ribot. Het was het eerste laboratorium voor experimentele psychologie in Frankrijk. In 1905 publiceerde Binet samen met zijn collega Théodore Simon zijn intelligentietest, de Binet-Simon-test, en was daarmee de grondlegger van de intelligentietest. De Duitser Stern stelde in 1912 voor om de mentale leeftijd, de uitkomst van de test van Binet, te delen door de werkelijke leeftijd: dit gaf een quotiënt. Terman vermenigvuldigde dit quotiënt met 100 en dat is het IQ. Binet was toen al, op 54-jarige leeftijd, overleden. Onder andere door Binets vroege dood heeft zijn intelligentietest weinig invloed gehad in Frankrijk. Hoewel Binets collega Simon doorwerkte aan de Binet-Simon-test, is de in de Verenigde Staten in Stanford aangepaste Binet-test: de Stanford-Binet-intelligentieschaal een stuk populairder geworden. Pas na 1950 deed de Binet-test weer zijn intrede in Frankrijk, na een Amerika-reis van de Franse psycholoog René Zazzo.

De belangstelling voor individuele psychologische verschillen is nog niet zo heel lang voorwerp van studie. Pas in de late 19e eeuw werd op dit terrein vooruitgang geboekt door de ontwikkeling van nieuwe empirische methoden, die de persoonlijkheidsleer meer handen en voeten gaf.
Een van die methoden, de intelligentietest, werd ontwikkeld door Lewis Terman (1877-1956) en Alfred Binet. Hiermee gingen ze verder met het werk van onder andere Hermann Ebbinghaus (1850-1909). De Stanford-Binet-testmethode wordt nog altijd gebruikt.

Andere psychologen uit die tijd kwamen met weer andere empirische methoden, zowel voor het meten van de persoonlijke intelligentie als het vaststellen van andere aspecten van de individuele persoonlijkheid. Voorbeeld zijn Hermann Rorschach, die de rorschachtest ontwierp en Henry Murray met zijn Thematische Apperceptietest (TAT).




#Article 39: Aids (3341 words)


Aids of verworven immunodeficiëntiesyndroom (afgeleid van de Engelse naam acquired immune deficiency syndrome of acquired immunodeficiency syndrome) is een ziektebeeld dat wordt veroorzaakt door het retrovirus hiv.

Aan het eind van de jaren 70, begin jaren 80 stak er een tot dan onbekende ziekte de kop op in Amerika en even later in Europa. Kenmerkend aan de ziekte was dat de weerstand van de getroffen personen aangetast werd, dat negen van de tien patiënten homoseksueel waren en 98% man. Het leek een 'homoziekte', zoals veel kranten toen berichtten en daarom sprak men in eerste instantie over GRID (gay-related immuno deficiency). Later bleek deze aanduiding onjuist te zijn. In 1982 werd duidelijk dat ook gebruikers van verdovende middelen en lijders aan de bloederziekte hemofilie de ziekte konden krijgen. Deze laatsten kregen bloedtransfusies met bloed dat besmet bleek te zijn. De ziekte kreeg een naam al voordat de verwekker gevonden was: acquired immuno-deficiency syndrome (verworven immuundeficiëntiesyndroom), afgekort aids.

Medici veronderstelden dat de ziekte te maken had met het afweersysteem, omdat een belangrijke groep bloedcellen die onze immuniteit regelen, de CD4+ T-cellen, afnam bij mensen met aids. Hierdoor krijgen mensen met aids zogenaamde 'opportunistische infecties': infecties die gezonde mensen niet krijgen, maar die zich kunnen ontwikkelen bij een verzwakte afweer, zoals bij mensen met aids. Dat was bijvoorbeeld het geval met longontstekingen door het organisme Pneumocystis jiroveci en het door het HHV-8-virus veroorzaakte kaposisarcoom, die bij deze mensen frequent ontstonden. Verder bleken infecties die gezonde mensen meestal doorstaan, dodelijk te zijn voor personen die getroffen waren door de onbekende ziekte.

In 1983 publiceerde het wetenschappelijke vakblad Science papers van zowel de Amerikaan Robert Gallo als de Fransman Luc Montaigner. Gallo en zijn team beschreven de aanmaak, bij aidspatiënten, van antigenen tegen het humaan T-celvirus (HTLV-III) dat in 1970 door dezelfde Gallo was beschreven. Montaigner en diens team ontdekten een virus in de lymfeklieren van aidspatiënten en noemden het lymphadenopathy-associated virus (LAV). Later bleek het om tweemaal hetzelfde virus te gaan. De controverse over wie eerst was, laaide hoog op totdat in 1987 de presidenten van de Verenigde Staten en Frankrijk overeenkwamen dat beide landen samen de eer hadden van de ontdekking.

De onderzoeker Jaap Goudsmit schreef dat het aids veroorzakende virus, hiv, mogelijk al tientallen jaren eerder dan gedacht voorkwam in Europa. Het virus zou verantwoordelijk zijn geweest voor epidemieën van de bovengenoemde Pneumocystis-longontsteking bij te vroeg geboren kinderen. De eerste epidemie was in de vrije stad Danzig (nu de Poolse stad Gdańsk) in 1939, waarschijnlijk was het virus meegekomen met Duitse soldaten vanuit Kameroen die besmet waren geraakt na seksueel contact met de lokale bevolking. Hierna verspreidde het virus zich in de rest van Centraal Europa. In Nederland stak de epidemie de kop op tussen 1955 en 1958 in de Kweekschool voor Vroedvrouwen in Heerlen. Er zijn aidsvirussen aangetroffen in enkele decennia oude weefselmonsters (1959, 1970) van patiënten die aan toen onverklaarbare ziekten waren gestorven.

Doordat het aids veroorzakende virus relatief snel muteert, is het mogelijk een genetische stamboom van het virus samen te stellen. Een genetische analyse van 25 jaar oude bloedstalen toont aan dat een van de meest verspreide subtypes van hiv rond 1969 vanuit Haïti de VS werd binnengebracht. In Haïti waarde het al 3 tot 7 jaar rond. Deze introductie in de Verenigde Staten komt mogelijk voor rekening van één persoon. Onderzoek van Rambaut en anderen uit 2007 suggereert dat het virus tien jaar eerder dan eerst was aangenomen al in de Verenigde Staten rondwaarde. Onderzoek gepubliceerd in Nature van oktober 2008 leek er zelfs op te wijzen dat het aids veroorzakende virus al een eeuw onder de mensheid verspreid is. Door het genetisch profiel van oude stammen van het virus te vergelijken met moderne varianten werd de mutatiesnelheid uitgerekend. Op basis hiervan schatten de onderzoekers het ontstaan ergens tussen 1884 en 1924, vermoedelijk rond 1908. De onderzoekers stellen dat deze periode samenvalt met het ontstaan van steden in Afrika, waardoor de voedingsbodem ontstond voor verdere verspreiding van het virus. Desondanks suggereert hetzelfde onderzoek dat rond 1960 slechts hooguit enkele duizenden Afrikanen met het virus besmet geweest zijn.

Het aidsvirus komt oorspronkelijk voor bij apen. Volgens Goudsmit is het virus bij de mens terechtgekomen door een toegenomen contact tussen mensen en apen: door de jacht op en de handel in apen, het kappen van het Afrikaanse regenwoud en de kolonisatie van Afrika. Hiv is een virus en heeft dus gastheren nodig. Het aidsvirus stapte van de ene gastheer (de aap) over naar een andere gastheer, de mens, en evolueerde verder.

Na het in 1981 bekend worden van de ziekte bij homoseksuelen in Amerika, duurde het vele jaren voordat de ernst van de ziekte bij het publiek doordrong. Er werden geen maatregelen genomen om verspreiding tegen te gaan. In die tijd was homoseksualiteit nog niet geaccepteerd en in verschillende staten van de Verenigde Staten was homoseksualiteit nog verboden. Velen beschouwden de ziekte als een straf van God voor immoreel gedrag. In de begintijd heersten angst en hysterie. Aidspatiënten werden soms weggestuurd van ziekenhuizen of niet vervoerd door ziekenwagens, omdat verzorgend personeel bang was voor besmetting. Bijna alle New Yorkse begrafenisondernemers weigerden aidsslachtoffers. Homoseksuele buitenlanders die de Verenigde Staten binnenkwamen, werden vaak in quarantaine gezet en gedeporteerd. Ook andere landen voerden reisbeperkingen in. Pas twee jaar en 600 doden later werd voor het eerst op de voorpagina van The New York Times over het onderwerp gepubliceerd. Als reactie op de onverschilligheid van de overheid organiseerde de homoseksuele gemeenschap in 1983 een eigen voorlichtingscampagne voor veilige seks en condoomgebruik. Ook het onderzoek naar aids en geneesmiddelen tegen aids hadden een lage prioriteit. De ommekeer in de mentaliteit is gekomen doordat de ziekte later ook veel meer door heteroseks en door bloedtransfusie werd overgedragen, waardoor aids in de perceptie veel minder een 'homoziekte' werd. Het publiek werd veel beter ingelicht over de besmettingsrisico's. Het heeft een tijd geduurd voordat de bloedbanken het gedoneerde bloed goed konden testen.

Naar aanleiding van een controverse rond president Thabo Mbeki van Zuid-Afrika, die in twijfel trok dat hiv de oorzaak is van aids, publiceerden 5000 wetenschappers in 2000 de Verklaring van Durban, waarin zij stellen dat dit wel degelijk het geval is.

Volgens sommige auteurs is aids gemaakt door mensen. Een van deze auteurs is Alan Cantwell. Hij zegt onder meer dat de eerste gevallen van aids in Amerika zich voordeden in een periode waarin homoseksuelen in New York meededen aan een hepatitis B-experiment. Dit gebeurde in New York Blood Centre. Ze kregen meerdere doses van een experimenteel vaccin, in 1978 en 1979, dat was ontwikkeld in chimpansees. Het bloedcentrum was en is nog steeds de grootste leverancier van bloed in Amerika. Hij wijst ook op de toename van genetische manipulatie van virussen, onder meer in kankeronderzoek (het Special Virus Cancer Program van N.C.I.) in het begin van de jaren 70. De opkomst van genetische manipulatie leidde tot allerlei nieuwe virussen en ziektes, aldus Cantwell. Hij suggereert dat hiv misschien een virus is, ontwikkeld in het kader van biologische oorlogvoering. Cantwell ziet tevens een verband tussen de aidsepidemie in Afrika en allerlei vaccinatieprogramma's van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op dit continent in de jaren 1970.

Thans wordt aangenomen dat vaccinatieprogramma's (lang voor de jaren 1970) inderdaad een rol hebben gespeeld bij de aanvankelijke verspreiding op het Afrikaanse platteland, wellicht in Centraal-Afrika, na een toevallige overdracht via het bloed van een besmette Chimpansee. De genetische manipulatietheorie wordt echter tegengesproken door het feit dat HIV-1 is aangetroffen in bloedstalen van 1959-1960 uit Léopoldville (het huidige Kinshasa), dus voor de ontwikkeling van technieken voor genetische modificatie.

Bij de Wereldgezondheidsorganisatie wordt aids als een belangrijk probleem beschouwd, wat tot de oprichting geleid heeft van UNAIDS, waarvan de Belg Peter Piot tot eind 2008 voorzitter was. Hij werd per 1 januari 2009 opgevolgd door de Malinees Michel Sidibé. Duidelijk is dat aids een wereldwijd probleem vormt en dat een land of een regio waar de besmettingsgraad hoog is met grote sociale en economische problemen te maken krijgt. Aids is meer dan een ziekte. In Afrika is het ook een economische ramp, omdat het vooral jonge mensen treft.

Aids was in de eerste decennia na de ontdekking een ziekte, die in de meeste gevallen vrij snel een dodelijke afloop had. Hiv is een virus en kan worden overgedragen wanneer een slijmvlies of de bloedsomloop in aanraking komt met een hiv-besmette lichaamsvloeistof, zoals bloed, sperma, vaginale afscheiding, voorvocht en moedermelk.

Aids is een syndroom dat bij mensen meestal veroorzaakt wordt door hiv-1. Er is een stamboom van aidsvirussen, daarbij wordt verschil gemaakt tussen menselijke virussen (hiv) en apenvirussen (siv, Simian Immunodeficiency Virus). De mensvirussen worden onderverdeeld in het veel voorkomende hiv-1 en het zeldzamere hiv-2, dat vooral voorkomt in West-Afrika. Een besmetting met hiv-1 is (zonder behandeling) fataal, maar mensen die met hiv-2 besmet worden, krijgen niet altijd aids. De aapvirussen kunnen gesplitst worden in een chimpanseevirus, een roodkopmangabévirus en verschillende meerkatvirussen. De verschillen tussen deze virussen komen door verschillen in het erfelijk materiaal, RNA, een stof die sterk op het DNA lijkt.

Het aidsvirus behoort tot de retrovirussen, waarvan het genetisch materiaal bestaat uit RNA (ribonucleïnezuur). RNA dient normaal voor de reproductie van het eigen DNA. Het retrovirus tracht via het DNA van de besmette gastheer zijn eigen erfelijk materiaal te vermenigvuldigen.

Een virus is geen cel en heeft zelf geen enzymen waarmee een stofwisseling in stand kan worden gehouden. Een virus is daardoor voor zijn vermenigvuldiging aangewezen op levende cellen. Daartoe dringt een virus levende lichaamscellen binnen en dwingt deze om nieuwe virusdeeltjes te maken die gelijk zijn aan het oorspronkelijk binnengedrongen deeltje. Het virale RNA wordt met behulp van enzymen 'vertaald' in DNA. Het virale DNA dringt binnen in het DNA van de gastheercel en zet de gastheercel aan tot het maken van viraal RNA voor hiv.

Het erfelijk materiaal van virussen is omhuld door eiwitten. Vaak kan een vaccin tegen een virus worden gemaakt door antistoffen tegen die eiwitten te laten opwekken. Helaas kunnen deze eiwitten bij het aidsvirus snel muteren, wat de bestrijding ervan moeilijker maakt. Het is vooralsnog niet mogelijk gebleken om een vaccin te maken om de productie van antistoffen te bevorderen, want die helpen maar tegen één vorm van het eiwitomhulsel. Aangezien dit eiwit mogelijk verder gemuteerd is, heeft een dergelijk vaccin geen blijvend effect. Het tweede nadeel van de snelle mutatie is dat hiv zelf niet getraceerd kan worden. De ziekte wordt dan ook vastgesteld door bloed te testen op aanwezigheid van antistoffen.

Als een vrouw met hiv zwanger is, kan haar baby met het virus besmet ter wereld komen. Vaker treedt besmetting pas na de geboorte op. De baby zal wel antistoffen hebben, maar die duiden in dit geval niet noodzakelijk op een besmetting met het virus.

Een virus heeft een incubatietijd, dat is de tijd tussen de besmetting en het uitbreken van de ziekte. Bij aids is de gemiddelde incubatietijd 9 à 10 jaar. Na deze periode wordt men dus pas echt ziek en heeft men aids. De eerste 9 à 10 jaar is men seropositief.

Van de Amerikanen die met hiv besmet zijn bleek in 2015 1 op de zeven niet te weten dat ze drager van het virus waren. Dat is ongeveer 15 % van de ruim 120.000 Amerikanen die in 2015 seropositief waren. Het gevolg van deze onwetendheid kan zijn dat deze onwetenden te grote risico's nemen waardoor ze anderen kunnen besmetten. De Amerikaanse overheid raadt haar burgers aan om in elk geval PrEP, en niet alleen een condoom, te gebruiken om besmetting met hiv te voorkomen.

In 2015 was ruim 50 % van de Amerikanen in de risicogroep in de leeftijd van tussen 13 en 24 jaar, zich niet bewust dat ze een besmetting met hiv hadden opgelopen.

Overdracht van besmetting kan plaatsvinden tijdens anale, vaginale of orale seks, een bloedtransfusie met besmet bloed, het gebruik van besmette injectienaalden en overdracht van moeder op kind tijdens de zwangerschap, geboorte of door borstvoeding.

De tabel hieronder is een weergave van het risico op besmetting met betrekking tot verschillende besmettingswegen.

Als er een vorm van bescherming tegen besmetting gebruikt wordt, zoals bij het gebruik van een condoom, dan is het besmettingsrisico in de meeste gevallen nihil maar wordt toch niet gelijk aan nul. Gebruik van een condoom biedt geen absolute bescherming bijvoorbeeld omdat een condoom kan scheuren.

Het risico op besmetting neemt fors toe als er naast hiv bij een van de partners een genitale ontsteking of een andere seksueel overdraagbare aandoening (soa) aanwezig is. Een genitale ontsteking verhoogt het besmettingsrisico met een factor vijf. Andere soa's, zoals gonorroe, chlamydia, trichomoniasis, en bacteriële vaginose, worden door onderzoekers in verband gebracht met een minder grote verhoging van het besmettingsrisico.

De waarden van de getallen in bovenstaande tabel zijn schattingen die afgeleid zijn uit epidemiologische gegevens. In de praktijk kunnen de waarden van deze getallen bepaald worden met een nauwkeurigheid van slechts 1 significant cijfer. De positie in de tabel geeft dus een rangorde tussen de verschillende besmettingsrisico's aan. De waarden van de getallen geven geen informatie over het werkelijke risico op besmetting dat iemand tijdens het contact met een hiv-geïnfecteerde loopt. Met uitzondering van de verschillende vormen direct bloed-bloedcontact, zoals bloedtransfusie, is het risico om een hiv-besmetting op te lopen vrij klein.

Het risico op besmetting neemt eerder toe door frequente risicovolle contacten met verschillende hiv-geïnfecteerden, dan door een eenmalig seksueel contact met een enkele hiv-geïnfecteerde. Een medewerker op een consultatiebureau loopt bijvoorbeeld, door dagelijks meerdere keren bloed van hiv-geïnfecteerden af te nemen, een relatief hoog risico om besmet te raken.

Een infectie met hiv leidt tot een algemene immunodeficiëntie. Dit wil zeggen dat de specifieke afweer tegen bedreigingen voor het lichaam wordt afgebroken. Men spreekt van het aidsstadium als er per microliter bloed nog slechts 200 T-helpercellen of minder worden aangetroffen.

Deze verminderde afweer leidt tot een grotere gevoeligheid voor infecties. De aidspatiënt wordt sneller ziek en kan aan meer ziekten tegelijk gaan lijden. Ook kunnen ziekteverwekkers die gezonde personen zonder problemen meedragen bij aidspatiënten tot complicaties leiden omdat ze niet meer onderdrukt worden door het afweersysteem. Dit wordt het aids related complex genoemd.

De volgende symptomen kunnen optreden als ziekten en symptomen:

Wanneer geen behandeling, bestaande uit antivirale medicijnen, voorhanden is, bedraagt de levensverwachting van een aidspatiënt 6 tot 18 maanden (gemiddeld 9,2 maanden). Patiënten die met een combinatie van antivirale middelen (HAART) behandeld worden hebben over het algemeen een normale levensverwachting.

Men dacht dat het aidsvirus in het bloed rondzweefde, dat is echter niet het geval. Slechts 2% van het aidsvirus bevindt zich in het bloed, de overige 98% zit in de lymfeklieren.

Een symptoom van aids is een verminderde werking van het immuunsysteem, dat komt doordat hiv een klein deel van de T-lymfocyten besmet, namelijk de T4-cellen, ook wel CD4-cellen genoemd. Deze kunnen hun 'beroep' dus niet meer uitoefenen, ze doden de cellen die geïnfecteerd zijn met het aidsvirus niet meer.

Er wordt maar een klein deel van de T-lymfocyten besmet en toch richt het aidsvirus een enorme schade aan. Dit komt waarschijnlijk doordat de eiwitten van het aidsvirus zich hechten aan de cellen die hiv aanvallen. Deze worden dan door de cytotoxische T-lymfocyten aangezien als geïnfecteerde cellen (terwijl ze dat niet zijn) en worden gedood.

Hiv besmet niet alleen cytotoxische T-lymfocyten en helper-T-lymfocyten, maar ook macrofagen. De macrofagen kunnen dan geen micro-organismen meer doden.

De eerste immunologische studies werden gedaan in 1981. In 1980 was men al in staat om de T4-cellen te traceren in het bloed. Er werd een verlies van de T4-cellen geconstateerd, wat de onderzoekers zagen als een aanwijzing voor de verwoestende werking van het aidsvirus in het afweersysteem. Pas in 1984 werd duidelijk dat de T4-cel zelf de receptor, de ontvanger van het aidsvirus was.

Mensen hebben een voorraad van tweehonderd miljoen T4-cellen. Als iemand besmet is met het aidsvirus, heeft die persoon ongeveer een miljard T4-cellen in zijn of haar lichaam zitten, die besmet zijn met het aidsvirus. Als het afweersysteem zijn werk goed doet, worden er dus iedere dag een miljard T4-cellen vervangen. Zo wordt het afweersysteem dag in dag uit zwaar op de proef gesteld. Op een gegeven moment kan het afweersysteem het niet meer bijbenen en 'sterven' er iedere dag meer T4-cellen dan er bijgemaakt worden. Hoe de T4-cellen verdwijnen is niet helemaal duidelijk. Er zijn twee theorieën voor: of het afweersysteem heeft bepaalde killercellen die geïnfecteerde T4-cellen doden voordat het virus kans heeft gezien om naar buiten te komen, of de cellen gaan kapot nadat het virus zich heeft vermenigvuldigd.

Er is een klein aantal mensen dat immuun is voor hiv en dus geen aids kan krijgen. Deze mensen bezitten een gemuteerd gen dat bekendstaat als  en voorkomt dat het virus de immuuncellen kan binnendringen. Deze genmutatie komt veel vaker voor in Noord- dan Zuid-Europa. Hoe dit precies komt weten wetenschappers nog niet. Een theorie is dat dit gen ontstaan is als reactie op de pest-epidemieën die honderden jaren woedden in Europa.

Het gebruik van een condoom maakt de kans op besmetting door aids veel kleiner. De kans op besmetting blijft echter aanwezig, zoals ook zwangerschappen bij het gebruik van condooms niet uitgesloten zijn. Bij zeer massaal, langdurig en zorgvuldig condoomgebruik wordt het aantal besmettingen uiteindelijk zo laag dat de epidemie uitwoedt. Het bevorderen van het gebruik van condooms in onder andere derdewereldlanden is een middel om ervoor te zorgen dat aids en hiv zich minder verspreiden.

De orthodox-christelijke benaderingswijze om aids te beperken is ingebed in een breder ethisch kader waarin onder meer wordt aangespoord geen seksuele omgang voor het huwelijk te hebben en geen seksuele omgang buiten het huwelijk.

Exclusieve en wederzijdse trouw aan de (al dan niet huwelijkse) partner is een effectieve maatregel tegen besmetting met hiv.
Er is dan geen mogelijkheid van seksuele infectie tenzij een van de partners via naalden (bijvoorbeeld door intraveneus druggebruik, of via een bloedtransfusie in landen met minder veilige bloedvoorraden) besmet is geraakt.

Tegen hiv bestaat geen vaccin en er zijn geen medicijnen die aids kunnen genezen. Er zijn wel medicijnen die de replicatie van het virus remmen, de zogeheten hiv-remmers. De huidige behandeling van aids bestaat uit een combinatie van meerdere van deze aidsremmers, die HAART (highly active anti-retroviral therapy) wordt genoemd. Deze therapie is zeer effectief, zodat in de westerse wereld de levensverwachting van hiv-positieve patiënten tegenwoordig de normale levensverwachting benadert. Een hiv-besmetting is hierdoor veranderd in een chronische ziekte.

In veel derdewereldlanden en met name in zuidelijk Afrika, waar de ziekte de grootste ravage aanricht, zijn aidsremmers echter zeer moeilijk verkrijgbaar en vaak onbetaalbaar. De farmaceutische industrie heeft onder druk van de politiek en aidsorganisaties de prijzen voor haar aidsremmers wel verlaagd, maar daarmee wordt de therapie nog niet voor alle mensen betaalbaar en zijn de logistieke problemen ook niet opgelost.

Het succes van de behandeling van hiv heeft ertoe geleid dat het beeld van hiv is veranderd. Mensen zijn minder bang om hiv op te lopen en vertonen daardoor vaker risicogedrag. De laatste jaren wordt in westerse landen een duidelijke stijging gezien in het aantal nieuwe hiv-besmettingen en andere soa's. Eind 2007 waren wereldwijd 33 miljoen mensen geïnfecteerd met hiv, waarvan 22 miljoen in zuidelijk Afrika. Dat jaar stierven ongeveer 2 miljoen mensen aan de gevolgen van hiv.
Volgens het jaarrapport van UNAIDS in 2009 liepen in 1996, toen het aantal nieuwe besmettingen een hoogtepunt bereikte, 3,5 miljoen mensen een nieuwe hiv-besmetting op. Dat komt overeen met circa 1 nieuwe besmetting per 9 seconden. In Nederland raken elke week twee à drie mensen geïnfecteerd met hiv. Volgens het rapport van de HIV Monitor Nederland van november 2008 zijn er nu 14.960 mensen in Nederland geïnfecteerd met het virus.

Aan mensen die een verhoogd besmettingsrisico lopen, maar die nog niet seropositief zijn, kan PrEP worden voorgeschreven (Pre-Expositie Profylaxe). Dat zijn geneesmiddelen, meestal genomen in een dagelijkse dosis, die de kans op infectie verkleinen. Hoewel PrEP een algemene term is, wordt hij meestal gebruikt in de specifieke context van hiv.

Op 1 december is het Wereldaidsdag. Wereldaidsdag is sinds 1988 een internationale dag waarop wordt stilgestaan bij aids, georganiseerd door de Wereldgezondheidsorganisatie en gesteund door de Verenigde Naties.




#Article 40: Ada Lovelace (584 words)


Augusta Ada Byron King, Lady Lovelace, geboren Augusta Ada Byron (Londen, 10 december 1815 – aldaar (Marylebone), 27 november 1852) was een Britse wiskundige.

Zij is bekend om haar beschrijving van de analytische machine, de vroege mechanische computer voor algemeen gebruik van Charles Babbage. Ze wordt nu gezien als de ontwerpster van het eerste computerprogramma, omdat ze programma's schreef om symbolen volgens vaste regels te manipuleren met een machine die Babbage op dat moment nog moest maken.

Ze zag ook al in dat computers in staat zouden zijn meer dan enkel (zware) berekeningen te doen, terwijl anderen – waaronder Babbage zelf – slechts geïnteresseerd waren in de rekenkundige capaciteiten van een computer.

Augusta Ada Byron werd geboren als de eerste dochter van de dichter Lord Byron en zijn vrouw Anne Isabella Milbanke. Ze werd vernoemd naar Byrons halfzus, Augusta Leigh, en werd door Byron zelf Ada genoemd. Op 16 januari 1816 verliet Anne Isabella Byron en nam haar dochter Ada van één maand mee. Hoewel de Engelse wet vaders de volledige voogdij gaf over hun kinderen in geval van scheiding, deed Byron geen moeite om zijn ouderlijke rechten te doen gelden. Op 21 april 1816 tekende Byron de scheidingsakte en verliet Engeland een paar dagen later.

Ada's moeder zou haar opvoeden tot wiskundige en onderzoeker. De reden hiervoor was dat ze bang was dat Ada anders net als haar vader zou eindigen als dichter. Op zeventienjarige leeftijd ontmoette ze Mary Somerville, die de werken van de Franse wiskundige Laplace in het Engels vertaalde. Deze teksten werden gebruikt op de universiteit van Cambridge. Somerville moedigde Ada aan om wiskunde te studeren.

Van Somerville hoorde Ada Lovelace omstreeks 1834 van de ideeën van Charles Babbage en de analytische machine. Ze kwam later in contact met Babbage en hielp hem met het ontwerpen van deze machine.

Lovelace vertaalde een samenvatting van Babbages plannen uit het Frans naar het Engels. Babbage stelde voor dat zij dit met haar eigen aantekeningen zou uitbreiden tot een artikel - wat de oorspronkelijke tekst drie keer zo lang maakte. Dit artikel werd gepubliceerd in 1843.

Hierin voorzag ze dat zo'n analytische machine gebruikt zou kunnen worden om muziek te componeren, afbeeldingen te maken en wetenschap te bedrijven. Ze beschreef zelfs in detail hoe de analytische machine gebruikt kon worden om met behulp van een algoritme Bernoulligetallen te berekenen. Dit uitgeschreven plan wordt nu beschouwd als het eerste computerprogramma.

Ze verkeerde in de hoogste kringen, onder meer aan het Britse hof. Op 8 juli 1835 trouwde ze met William King, de achtste Baron King, in 1838 1st Earl of Lovelace. Zodoende werd haar titel The Right Honourable the Countess of Lovelace.

In haar verdere leven werd ze geplaagd door ziekten. In haar sociale leven ging ze om met beroemdheden als Charles Dickens, David Brewster, Charles Wheatstone en Michael Faraday. Lovelace overleed op 36-jarige leeftijd aan bloedingen ten gevolge van een behandeling tegen baarmoederkanker.

De programmeertaal Ada, in 1979 ontwikkeld in opdracht van het Amerikaanse Ministerie van Defensie, is naar haar vernoemd. De British Computer Society reikt de Lovelacemedaille uit aan personen die een buitengewone bijdrage hebben geleverd aan het begrip of de vooruitgang van informatica en de winnaar wordt uitgenodigd een openbare lezing genaamd de Lovelace lecture te houden.

Jaarlijks vindt de Ada Lovelace Day plaats op de tweede dinsdag van oktober, bedoeld om de zichtbaarheid van vrouwen te vergroten in wiskunde, natuurwetenschap en engineering.

Er is een musical genaamd Ada Lovelace over haar leven geschreven door Ethan Lewis Maltby en Jenna Donnelly.




#Article 41: @ (512 words)


@, uitgesproken als at of apenstaartje, is een symbolische afkorting van at of at the cost of (uit het Engels). Oorspronkelijk werd het gebruikt voor rekeningen, bijvoorbeeld: 7 widgets @ £2 ea. = £14. Het staat dus eigenlijk voor het Latijnse ad of het Franse à.

Andere, minder gebruikelijke benamingen zijn: amfora of amfoor, slinger-a of slingeraap, a-krol, alfa, adres en per adres.

Tegenwoordig wordt de @ het meest gebruikt in e-mailadressen, bijvoorbeeld: jantje@eenprovider.com. In 1971 werkte een programmeur, Ray Tomlinson, aan het ARPANET project, dat later uitgroeide tot het huidige internet. Toen hij het idee kreeg om berichten aan andere gebruikers over het netwerk te zenden, had hij een symbool nodig om in adressen de naam van de persoon en de naam van de computer waarop ze waren aangesloten te scheiden. Hij keek naar zijn toetsenbord en koos het weinig gebruikte @-teken.

Tegenwoordig is @ voor sommigen synoniem met e-mail. Staat er ergens een @ op een website, dan moet je daar klikken om een e-mail te kunnen sturen. Sinds de opkomst van Twitter, waarbij gebruikersnamen voorafgegaan worden door @ (bijvoorbeeld @janpietersen), volstaat het geven van deze @-notatie zonder te vermelden dat het om een twitteraccount gaat.

In het Spaans, waar de meeste mannelijke woorden eindigen op een -o en de meeste vrouwelijke op een -a, wordt dit teken soms gebruikt om het geslacht van een woord (dat bijvoorbeeld een beroep aanduidt) in het midden te laten. Het vervangt in die gevallen het Nederlandse M/V. Voordeel hiervan is dat er geen discussie ontstaat over welke van de twee geslachten voorop zou moeten staan, het teken verenigt immers beide letters. Zo kan l@s niñ@s zowel 'de jongens' (los niños) als 'de meisjes' (las niñas) betekenen.

Het @ werd in verschillende talen en culturen al vroeg gebruikt, echter steeds in verschillende betekenissen. Het eerste gebruik als commerciële eenheidsaanduiding zien we in de zestiende eeuw in Italië. Het is aangetroffen in economische documenten van Venetiaanse kooplieden. Het oudste bekende document waarin een @ op deze wijze is gebruikt dateert van 1536. Het wordt bewaard in het Instituut voor de Economische Geschiedenis in Prato, Italië.

In de zestiende-eeuwse context werd het @ gebruikt als afkorting voor amphora (Grieks voor kruik). Het was in die tijd een maateenheid.

In de negentiende eeuw is het @-teken terug te vinden in de betekenis tegen de prijs van. Vanuit die betekenis verscheen het op schrijfmachines en vandaar op de machine van Ray Tomlinson.

Feitelijk zijn er verschillende geschiedenissen van het @-teken. Deze hebben overigens niets met elkaar van doen. In Nederland is het in de 15e en 16e eeuw gebruikt om op verkorte wijze 'anno' te kunnen schrijven. @1547 betekende dus 'uit het jaar 1547'.
Het @-teken is onder de naam Arroba te vinden als aanduiding voor een inhouds- en gewichtsmaat in Spanje en Portugal. Van oudsher is het gebruikt om over bijvoorbeeld 10 @ wijn te spreken, oftewel 10 arrobas wijn, wat overeenkomt met zo'n 160 liter.

Op oude kas-registers komt @ ook voor. Met één druk op deze knop kwam dan de som van de subtotalen, tevoorschijn.




#Article 42: Albert Einstein (6196 words)


Albert Einstein (Ulm, 14 maart 1879 – Princeton (New Jersey), 18 april 1955) was een Duits-Zwitsers-Amerikaanse theoretisch natuurkundige van Joodse afkomst. Hij wordt algemeen gezien als een van de belangrijkste natuurkundigen uit de geschiedenis, naast Isaac Newton en James Clerk Maxwell. Zelf noemde hij altijd Newton als een veel belangrijker natuurkundige dan zichzelf omdat Newton, anders dan Einstein, behalve theoretische ook grote experimentele ontdekkingen deed. In het dagelijks leven is de naam Einstein synoniem geworden met grote intelligentie.

Einstein werd vooral bekend vanwege de twee relativiteitstheorieën: de speciale relativiteitstheorie van 1905 en de algemene relativiteitstheorie van 1915 en volgende jaren, die de speciale relativiteitstheorie uitbreidt door ook plaats in te ruimen voor de zwaartekracht. Hij publiceerde meer dan 300 wetenschappelijke en meer dan 150 niet-wetenschappelijke werken. In zijn latere jaren schreef Einstein uitvoerig over filosofische en politieke onderwerpen. Hij wordt vaak samen met Max Planck beschouwd als de vader van de moderne natuurkunde.

Hij droeg aanzienlijk bij aan andere deelgebieden van de natuurkunde: voor zijn verklaring van het foto-elektrisch effect ontving hij in 1921 de Nobelprijs voor de Natuurkunde en ook zijn beschrijving van de brownse beweging en de eerste fluctuatie-dissipatiestelling was een belangrijke doorbraak. Deze twee verklaringen en de speciale relativiteitstheorie publiceerde hij bovendien allemaal in zijn wonderjaar 1905. Verder werk omvat onder meer onderwerpen in de kwantummechanica, de theorie van de vaste stof, de nulpuntsenergie, de statistische mechanica, de kosmologie, de theorie van straling (fotonen, dualiteit van golven en deeltjes, kritische opalescentie en gestimuleerde emissie, de theorie achter de laser) en de veldentheorie. Een eenheid in de fotochemie draagt zijn naam, de einstein. Het chemisch element einsteinium is ook naar hem vernoemd, net als de Einsteinring in de astronomie en de Einsteincoëfficiënten in de optica.

Albert Einstein werd in een liberaal-joodse familie in het Duitse Keizerrijk geboren, woonde later in Italië, Zwitserland en het toenmalige Oostenrijk-Hongarije voor hij terugkeerde naar Duitsland. Toen Adolf Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, besloot Einstein zich in de VS te vestigen. In 1940 nam hij de Amerikaanse nationaliteit aan en deed afstand van zijn Duitse (hij behield wel de Zwitserse). Hij overleed op 18 april 1955 in Princeton aan een aneurysma.

Albert Einstein werd op 14 maart 1879 geboren te Ulm, destijds binnen het Duitse Keizerrijk gelegen in het Koninkrijk Württemberg. Hij was de zoon van Hermann Einstein (Buchau, 1847 - Milaan, 1902) en Pauline Koch (Cannstatt, 1858 - Berlijn, 1920). Hermann Einstein was onder meer beddenverkoper en later met zijn jongere broer Jakob (1850-1912) fabrikant van elektrotechnische apparatuur voor elektriciteitscentrales en straatverlichting (Elektrotechnische Fabrik J. Einstein  Cie.) te München. Hermann en Pauline Einstein-Koch kregen nog een kind, Alberts jongere zus Maja Einstein (München, 1881 - Princeton, 1951).

Einsteins ouders waren liberale joden en daarmee religieus tolerant. Einstein kreeg elementair onderricht in de joodse godsdienst en leerde viool spelen. In zijn latere leven speelde hij vaak viool ter ontspanning, terwijl hij wetenschappelijke problemen overdacht. Rond 1884 kreeg Einstein zijn eerste kompas en was verbijsterd door het wonder van de onzichtbare magnetische kracht. Hij was de beste van zijn klas op de lagere school en zeer geïnteresseerd in exacte wetenschap. Als hobby bouwde hij modellen en mechanische apparaten. Vanaf 1891 leerde hij ook wiskunde.

In 1895 verhuisde het gezin van München naar Pavia in Italië, maar Einstein bleef aanvankelijk in München achter om zijn middelbare school af te maken. Na één trimester hield hij de eenzaamheid en de strenge school niet meer uit, waarop hij zich bij zijn familie in Pavia voegde. In 1895 deed Einstein, hoewel hij er eigenlijk twee jaar te jong voor was, met speciale toestemming toelatingsexamen voor de ETH, de Eidgenössische Technische Hochschule (de technische universiteit van Zürich). Hij presteerde goed in de bètavakken, maar zakte op Frans en Geschiedenis. Om de middelbare school af te ronden stuurden zijn ouders hem naar Aarau in Zwitserland. Daar kwam hij op het volgende gedachte-experiment, dat vooruitliep op zijn speciale relativiteitstheorie: een waarnemer die met de lichtsnelheid met een lichtgolf meerent, ziet een staande golf. In 1896 ontving Einstein zijn middelbareschooldiploma, waarna hij alsnog naar de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich ging. In hetzelfde jaar gaf Einstein zijn Duitse staatsburgerschap op om de dienstplicht te ontlopen, waardoor hij staatloos werd.

Aan de ETH trok Einstein op met zijn medestudenten Marcel Grossmann, Mileva Marić en Michele Besso. Hij mocht in het laboratorium zijn voorstel voor een proef over de beweging van de aarde in de ether niet uitvoeren maar kreeg een waarschuwing dat hij te weinig experimenteerde. Hij vond de colleges van professor Heinrich Weber ouderwets, omdat de Maxwelltheorie niet werd behandeld. Door zelfstudie maakte hij kennis met de werken van Kirchhoff, Hertz, Helmholtz, Lorentz en Boltzmann. Maxwelltheorie leerde hij kennen door een boek van August Föppl. Hij las ook over andere wetenschappen zoals biologie (Darwin) en filosofie. Hij waardeerde de wiskundecolleges van Hermann Minkowski maar was vaak afwezig.

In 1900 behaalde Einstein aan de Eidgenössische Technische Hochschule zijn lesbevoegdheid als Fachlehrer natuurkunde. Zijn cijfers waren een 5 voor theoretische- en experimentele natuurkunde en voor astronomie, 5,5 voor functietheorie en 4,5 voor een opstel over warmtegeleiding (op een schaal van maximaal 6). Hij verkreeg het Zwitsers staatsburgerschap in februari 1901.

Aan de ETH in Zwitserland ontmoette Einstein Mileva Marić, een Servische jaargenote (die ook bevriend was met Nikola Tesla), en werd verliefd op haar. Einstein en Marić kregen in januari 1902 een dochter, Lieserl, die waarschijnlijk ter adoptie werd afgestaan. Einstein trouwde met Mileva Marić op 6 januari 1903. Het huwelijk was zowel een persoonlijke als een intellectuele samenwerking: bij haar vond Einstein een klankbord voor zijn nieuwe ideeën. 

Toen hij afstudeerde kon Einstein geen werk in de wetenschap vinden. De ETH bood hem geen assistentschap aan en Einstein solliciteerde tevergeefs bij onder andere Heike Kamerlingh Onnes in Leiden en Wilhelm Ostwald in Leipzig. Vanaf mei 1901 werkte hij twee maanden als invalleraar natuurkunde aan een middelbare school in Winterthur en daarna kreeg hij een jaarcontract als leraar natuurkunde aan een particuliere school in Schaffhausen, waar hij veel tijd overhield voor onderzoek. In december 1901 solliciteerde hij bij het Zwitserse Patentbureau te Bern en werd aanbevolen door de vader van zijn studievriend Marcel Grossmann. Voor de nieuwe baan afkwam nam Einstein al ontslag als leraar en vestigde zich in februari 1902 in Bern. Daar vormde hij met zijn vrienden Maurice Solovine, aan wie hij bijles gaf, en Konrad Habicht de zogenaamde Akademia Olympia om samen boeken te bespreken, te eten en plezier te maken. Per 16 juni 1902 werd hij technisch expert derde klas bij het patentbureau. Daar beoordeelde hij ingediende patentaanvragen.

Op 14 mei 1904 werd zijn eerste zoon Hans Albert Einstein geboren. In datzelfde jaar werd Einsteins aanstelling bij het patentbureau vast. Hij verrichtte in deze periode veel onderzoek, dat er uiteindelijk toe leidde dat 1905 zijn wonderjaar werd. In 1906 werd Einstein bevorderd tot technisch expert tweede klasse. Einsteins tweede zoon, Eduard Einstein, werd geboren op 28 juli 1910.

Het gezin Einstein verhuisde in 1914 naar Berlijn, maar Mileva kon er niet wennen. Hun relatie verslechterde en Mileva verhuisde met de kinderen terug naar Zwitserland. Einstein scheidde van Mileva op 14 februari 1919, en huwde een half jaar later zijn nicht Elsa Löwenthal (geboren Einstein: Löwenthal was de achternaam van haar eerste man Max) op 2 juni 1919.
Einstein, die de Nobelprijs voor de Natuurkunde van 1921 ontving, gaf het aan de prijs verbonden geldbedrag aan Mileva, zoals bij hun scheiding was afgesproken. Later vond Mileva dat Einstein onvoldoende bijdroeg aan de kosten van de behandeling van hun zoon Eduard. Ze gaf privé piano- en wiskundeles om bij te verdienen.

Het lot van het eerste kind van Albert en Mileva, Lieserl, is onbekend: sommigen denken dat zij jong gestorven is, anderen geloven dat ze voor adoptie werd afgestaan. Eduard Einstein (koosnaam Tete) groeide voorspoedig op en bleek zeer intelligent. Hij toonde interesse in psychologie en ging na zijn middelbare school studeren in die richting. Tijdens de studie ontwikkelde Eduard schizofrenie en was al snel tot niets meer in staat. Albert Einstein had weinig contact met hem en zijn moeder Mileva zorgde voor Eduard tot haar eigen overlijden op 4 augustus 1948. Hij stierf in 1965 in de psychiatrische inrichting Burghölzli in Zürich. Hans Albert werd hoogleraar hydraulische werktuigbouwkunde aan de Universiteit van Californië - Berkeley, en had aanvankelijk eveneens weinig contact met zijn vader. Na de oorlog verbeterde dit. Hans-Albert zat aan het sterfbed van Albert Einstein.

In 1908 werd Einstein in Bern (Zwitserland) benoemd tot privaatdocent (onbezoldigd docent aan een universiteit). Drie jaar later werd Einstein eerst assistent-hoogleraar aan de Universiteit van Zürich, en kort daarna volledig hoogleraar aan de (Duitse) Universiteit van Praag. In 1912 keerde hij terug naar Zürich om daar volledig hoogleraar aan de ETH te worden. Op dat moment werkte hij nauw samen met de wiskundige Marcel Grossmann. In 1912 begon Einstein tijd als de vierde dimensie aan te duiden, zoals zijn vroegere hoogleraar Hermann Minkowski al eerder deed.

In 1914 werd Einstein lid van de Pruisische Academie van Wetenschappen in Berlijn. Het jaar daarop kreeg hij zijn Duitse nationaliteit terug, en was tot 1933, toen hij Duitsland verliet wegens de machtsovername door de nazi's, directeur van het Keizer Wilhelm-Instituut voor Natuurkunde in Berlijn. In deze periode kreeg hij ook de Nobelprijs voor zijn verklaring van het foto-elektrisch effect. Pogingen van onder meer Hendrik Lorentz - die bij Einstein in hoog aanzien stond - om hem als gewoon hoogleraar aan een Nederlandse universiteit te verbinden, mislukten. Ten slotte werd hij wel bijzonder hoogleraar vanwege het Leids Universiteits Fonds aan de Rijksuniversiteit Leiden van 1920 tot officieel 1946: hij gaf enkele malen per jaar een gastcollege in Leiden. In 1921 ontving hij de Matteucci Medal, in 1925 de Copley Medal.

In 1922 maakte Einstein zijn eerste wereldreis. Met zijn tweede vrouw Elsa ging hij per schip naar Japan en deed ook Singapore, Hongkong en Sjanghai aan. Hij gaf daarnaast onder andere ook gastlessen aan de Universiteit van Oxford, waar Einsteins krijtbord nog bewaard is gebleven.

Einsteins pacifisme, socialistische sympathieën en joodse afkomst waren een doorn in het oog van de Duitse nationalisten en antisemieten. Nadat hij wereldberoemd was geworden groeide deze antisemitische haat tegen hem, en er ontstond zelfs een georganiseerde campagne onder Duitse natuurkundigen om zijn theorieën in diskrediet te brengen. Toen Adolf Hitler op 30 januari 1933 in Duitsland aan de macht kwam bereikte de haatcampagne tegen Einstein nieuwe hoogten. Einstein werd door het nazi-regime beschuldigd een joodse natuurkunde (in de zin van theoretische natuurkunde) voor te staan in tegenstelling tot de Duitse of Arische natuurkunde (Deutsche of Arische Physik, waaronder experimentele natuurkunde verstaan werd). Het regime werd daarbij ondersteund door nazi-gezinde natuurkundigen, waaronder zelfs Nobelprijswinnaars zoals Johannes Stark en Philipp Lenard, die probeerden Einsteins theorieën in diskrediet te brengen. Daartoe werd ook een zwarte lijst aangelegd van Duitse natuurkundigen die Einsteins theorieën bleven onderwijzen zoals Werner Heisenberg.

Einstein was toen in de Verenigde Staten, waar hij een lezingencyclus aan Caltech verzorgde. Hij besloot niet meer terug te keren naar zijn geboorteland, maar bracht nog wel een bezoek aan België en Engeland, waar hij tijd doorbracht aan de Universiteit van Oxford, voordat hij zich voorgoed in de VS vestigde. Hij gaf zijn Duitse staatsburgerschap op, kreeg een permanente verblijfsvergunning voor de VS en aanvaardde een betrekking aan het pas opgerichte Institute for Advanced Study in Princeton, New Jersey. Hij werd Amerikaans staatsburger in 1940, hoewel hij steeds het Zwitserse staatsburgerschap behield.

Op 2 augustus 1939 schreef Einstein een brief aan de Amerikaanse president Roosevelt, waarin hij waarschuwde dat Duitsland bezig was een atoombom te ontwikkelen. In oktober 1941 besliste Roosevelt om in sterke mate ernaar te streven de atoombom eerder te maken dan de Duitsers, het Manhattanproject, waaraan Einstein overigens zelf niet meewerkte. Over deze brief bestaan verschillende lezingen. Er is wel verondersteld dat niet Einstein maar Szilárd deze brief had geschreven. Szilárd zou vanwege het effect op de president Einstein om ondertekening gevraagd hebben. Maar volgens biograaf Bram Pais had Einstein de brief wel zelf opgesteld, na een bezoek van Szilárd en Wigner. Op aandringen van Szilárd stuurde Einstein op 7 maart 1940 een tweede brief van dezelfde strekking aan Roosevelt. In 1949 lichte hij een Amerikaanse VN delegatie vertrouwelijk in over zijn vermoeden dat de Russen in de race om nucleaire wapens de VS misschien voor waren, maar minstens even ver waren gevorderd. De vrees was dat de Russen waarschijnlijk een bom hadden ontwikkeld die geheel Manhattan zou kunnen vernietigen.

Einstein steunde het idee een joodse universiteit te stichten in het toenmalige Britse mandaatgebied Palestina. Hij was actief betrokken bij oprichting van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Hij zamelde onder andere geld in voor de universiteit met Chaim Weizmann, biochemicus, zionistisch leider en eerste president van Israël. Uiteindelijk liet hij zijn persoonlijke eigendommen, inclusief zijn geschriften, na aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Hij was eveneens betrokken bij de oprichting van de Technion-universiteit in Haifa.

Na de Tweede Wereldoorlog waarschuwde Einstein publiekelijk voor de mogelijk catastrofale gevolgen van een kernwapenwedloop.

Einstein was socialistisch gezind. Hierover schreef hij in de eerste editie van Monthly Review in mei 1949 een weinig bekend geworden essay met de titel Why Socialism?

In 1952 bood de Israëlische regering Einstein het presidentschap aan na het overlijden van Weizmann. Einstein zei vereerd te zijn door het aanbod maar ongeschikt voor de positie en sloeg het af. Daarmee werd hij de enige burger van de Verenigde Staten die ooit de positie van buitenlands staatshoofd werd aangeboden.

Einstein stierf in zijn slaap in een ziekenhuis in Princeton op 18 april 1955. Hij was opgenomen vanwege een gebarsten aneurysma (verwijding) van de aorta. Zijn artsen wilden hem opereren maar Einstein weigerde dit, omdat hij zijn leven niet onnodig wilde rekken maar waardig wilde sterven. Naar eigen wens werd zijn lichaam dezelfde dag in Trenton gecremeerd. Vervolgens werd de as op een geheime plaats uitgestrooid. Einstein moest namelijk niets hebben van de verering van het grote publiek en wilde hiermee een 'bedevaartsoord' voorkomen. Zijn familie had van tevoren wel toestemming gegeven voor een autopsie en Einsteins hersenen werden onderzocht door Dr. Thomas Stoltz Harvey, de patholoog die de autopsie uitvoerde. Harvey ontdekte niets bijzonders aan deze hersenen en bewaarde ze vervolgens in een bokaal gevuld met formaldehyde in zijn laboratorium. In 1999 vond een team aan de McMaster-Universiteit dat het deel van de hersenen dat gebruikt wordt voor wiskundig denken, ruimtelijke herkenning en bewegingsinzicht 15% breder was dan normaal.

In 1905 promoveerde Einstein op het proefschrift Eine neue Bestimmung der Moleküldimensionen.
Ook schreef hij in dat jaar vier artikelen die de basis van de moderne natuurkunde zouden vormen, zonder veel wetenschappelijke literatuur te raadplegen of zijn theorieën te bespreken met veel wetenschappelijke collega's.
Einstein discussieerde over zijn wetenschappelijke resultaten hoofdzakelijk met zijn vrouw Mileva Marić die eveneens natuurkundige was, en met studievrienden als Michele Besso. Zijn artikelen stuurde hij sinds 1901 naar het tijdschrift Annalen der Physik, waar hij ook boekrecensies voor schreef. Zijn eerste artikel over het gedrag van vloeistoffen in rietjes (capillairen) verscheen in hetzelfde nummer als de kwantumtheorie over de zwarte straler van Max Planck. Tussen 1902 en 1904 publiceerde Einstein een reeks artikelen over de statistische mechanica, maar in 1910 schreef hij dat als hij het werk van Josiah Willard Gibbs destijds had gekend, hij het bij enkele opmerkingen gelaten zou hebben.

In het algemeen wordt 1905 als het vruchtbaarste jaar in Einsteins wetenschappelijke leven beschouwd.
De meeste natuurkundigen zijn het erover eens dat drie van deze artikelen (over de brownse beweging, het foto-elektrisch effect en de speciale relativiteitstheorie) elk een Nobelprijs waard zouden zijn. Voor het foto-elektrisch effect won hij in 1921 de prijs. Ironisch, omdat Einstein uiteindelijk veel bekender is geworden door zijn relativiteitstheorie en omdat het foto-elektrisch effect gebaseerd is op kwantummechanische principes. Einstein bleef altijd een onbevredigd gevoel houden over de statistische interpretatie van de latere kwantumtheorie, die volgens hem het deterministische wereldbeeld ondermijnde.

Zijn eerste artikel in 1905, getiteld Über einen die Erzeugung und Verwandlung des Lichtes betreffenden heuristischen Gesichtspunkt (De productie en omzetting van licht vanuit heuristisch gezichtspunt), voerde het begrip energiekwantum in (tegenwoordig foton genoemd). Einstein toonde aan hoe dit begrip gebruikt kon worden om verschijnselen als het foto-elektrisch effect te verklaren. Het idee van energiekwanta kwam voort uit de stralingswet voor een zwart lichaam van Max Planck. Einstein veronderstelde dat lichtenergie alleen geabsorbeerd of uitgezonden kan worden in discrete (afgepaste) hoeveelheden. Hij toonde aan dat het mysterieuze foto-elektrische effect verklaard kan worden door aan te nemen dat licht werkelijk bestaat uit discrete pakketjes en beschreven kan worden met de formule hf = Φ + Ek.

Het idee van lichtkwanta was in tegenspraak met de golftheorie van het licht, die volgt uit de vergelijkingen van Maxwell voor elektromagnetisch gedrag, en meer algemeen met de veronderstelling dat energie in fysische systemen oneindig deelbaar is.
Hoewel experimenten aangetoond hadden dat de vergelijkingen van Einstein voor het foto-elektrisch effect correct waren, werd zijn uitleg niet algemeen aanvaard. Pas in 1922 kreeg hij de Nobelprijs van het jaar 1921 voor zijn werk aan het foto-elektrisch effect.

De theorie van lichtkwanta vormde een sterke aanwijzing voor de dualiteit van golven en deeltjes. Dit begrip, dat door de grondleggers van de kwantummechanica gebruikt wordt als een fundamenteel principe, betekent dat fysische systemen eigenschappen van zowel golven als deeltjes kunnen vertonen. Een volledig beeld van het foto-elektrisch effect werd pas later verkregen na verdere ontwikkeling van de kwantummechanica.

Het tweede artikel in 1905 was getiteld Über die von der molekularkinetischen Theorie der Wärme geforderte Bewegung von in ruhenden Flüssigkeiten suspendierten Teilchen (Over de beweging van deeltjes in suspensie in vloeistoffen in rust, zoals de moleculair-kinetische theorie der warmte vereist), en ging over zijn onderzoek naar de brownse beweging. Door gebruik te maken van de toen nog controversiële kinetische gastheorie van vloeistoffen stelde hij dat het verschijnsel (dat tientallen jaren na de eerste waarneming nog niet verklaard was) een empirisch bewijs vormde voor het bestaan van atomen. Het artikel maakte ook de nauw samenhangende Statistische thermodynamica geloofwaardig, die toen ook nog controversieel was.

Vóór het verschijnen van dit artikel was wel het molecuul al erkend als een nuttig concept, maar natuur- en scheikundigen waren het er niet over eens of moleculen en atomen ook echt bestonden. Dankzij Einsteins statistische beschrijving van het gedrag van moleculen was er nu een manier om met een gewone microscoop moleculen te tellen.
Wilhelm Ostwald, een vooraanstaand tegenstander van atomen, vertelde Arnold Sommerfeld later dat hij uiteindelijk toch het bestaan van atomen experimenteel bewezen achtte door Einsteins volledige verklaring van de brownse beweging.

Einsteins derde artikel van 1905 was getiteld Zur Elektrodynamik bewegter Körper (Over de elektrodynamica van lichamen in beweging), en werd gepubliceerd op 30 juni 1905. Terwijl hij dit artikel uitwerkte schreef Albert Einstein aan zijn eerste vrouw Mileva Marić over ons werk over relatieve beweging en dit leidde tot de vraag naar de rol van Mileva. Het artikel introduceerde de speciale relativiteitstheorie, een theorie over tijd, afstand, massa en energie die consistent was met het elektromagnetisme, maar die de zwaartekracht buiten beschouwing liet.

Speciale relativiteit bood een oplossing voor het probleem dat in 1886 gerezen was ten gevolge van het Michelson-Morley-experiment, waarmee aangetoond werd dat lichtgolven zich niet door een medium, in dit geval de ether, bewegen zoals andere golfverschijnselen in bijvoorbeeld water of lucht. De snelheid van het licht bleek constant en niet relatief ten opzichte van de beweging van de waarnemer. Dit is volgens de Newtonse klassieke mechanica niet mogelijk, waarin bijvoorbeeld snelheden wel optellen.

George FitzGerald had in 1894 verondersteld dat het resultaat van Michelson en Morley verklaard kon worden als bewegende lichamen samengedrukt werden in de richting van hun beweging. Enkele belangrijke vergelijkingen in Einsteins artikel, de Lorentztransformaties voor de vervorming van ruimte en tijd, waren al in 1903 ingevoerd door de Nederlandse natuurkundige Hendrik Lorentz, onafhankelijk van FitzGerald. Einstein verklaarde echter de onderliggende oorzaken van deze geometrische eigenaardigheid. Henri Poincaré had al eerder de lichtsnelheid als de maximale snelheid aangemerkt.

Einsteins uitleg volgde uit de aanname van twee axioma's:

De speciale relativiteit heeft diverse verrassende gevolgen, omdat de absoluutheid van tijd en plaats (dus ook afstand) niet meer geldt. De theorie wordt de speciale relativiteitstheorie genoemd om haar te onderscheiden van de latere algemene relativiteitstheorie, waarin ook versnelde waarnemers onderling gelijkwaardig zijn.

De theorie lijkt aanvankelijk in strijd met het gezonde verstand en zit vol paradoxen, maar Einstein slaagde erin deze allemaal op te lossen. De theorie is sindsdien door vele experimenten bevestigd.

Het vierde artikel uit 1905 gaat over het verband tussen de traagheid van een voorwerp en zijn energie-inhoud en is een gevolg van de speciale relativiteitstheorie. Massa en energie blijken in elkaar uit te drukken volgens de bekende formule E = mc2. Kleine beetjes massa (m) kunnen worden omgezet in enorme hoeveelheden energie (E) dankzij de vermenigvuldiging in de formule met het kwadraat van de lichtsnelheid c. Deze massa-energie-equivalentie werd later de verklaring voor energieopwekking bij kernsplijting en kernfusie, waarbij enige massa verloren gaat maar veel energie vrijkomt.

In november 1915 gaf Einstein een reeks lezingen voor de Pruisische Academie van Wetenschappen, waarin hij zijn algemene relativiteitstheorie beschreef, een uitbreiding van zijn speciale relativiteitstheorie. De laatste lezing had als hoogtepunt de introductie van een vergelijking die de wet van de zwaartekracht van Newton verving. Hierin wordt gesteld dat alle waarnemers gelijkwaardig zijn, niet alleen waarnemers met een eenparige maar ook met een versnelde beweging. In de algemene relativiteitstheorie is de zwaartekracht niet langer een kracht (zoals in de wet van Newton) maar een gevolg van de kromming van ruimte-tijd.

Deze theorie vormde de grondslag voor kwantitatief onderzoek in de kosmologie. Nu kon er gerekend worden aan vele eigenschappen van het heelal, ook een aantal dat pas na Einsteins dood ontdekt werd.

De algemene relativiteitstheorie was revolutionair en heeft tot nu toe elke experimentele toets doorstaan. Maar oorspronkelijk waren veel onderzoekers sceptisch omdat de theorie uit een wiskundige redenering en een rationele analyse ontstond en niet uit waarneming en experimenten. De theorie berustte op niet-euclidische meetkunde en differentiaalmeetkunde van Bernhard Riemann waarbij Einsteins vriend de wiskundige Marcel Grossmann hem geholpen had. In 1919 konden voorspellingen die met behulp van de theorie gedaan waren bevestigd worden door metingen onder leiding van Arthur Stanley Eddington tijdens een zonsverduistering. Hierbij werd de afbuiging van licht van een ster door de zwaartekracht van de zon gemeten. Op 7 november bracht The Times deze bevestiging van Einsteins theorie op de voorpagina, waarmee Einstein op slag beroemd werd.

Vele onderzoekers waren om allerlei redenen nog niet overtuigd: sommigen aanvaardden Eddingtons interpretatie van de experimenten niet, anderen wilden vasthouden aan een absoluut referentiekader. Ook werd bezwaar gemaakt tegen de media-aandacht die Einstein ongewild ten deel viel na Eddingtons rapport in 1919 en dit duurde nog tot in de jaren 30.

Met Arthur Eddington verwierp Einstein, overigens ten onrechte bleek later, het idee van onder meer Robert Oppenheimer en Subramanyan Chandrasekhar dat een hemellichaam ineen kon storten tot een zwart gat.

In 1917 publiceerde Einstein Over de kwantummechanica van straling (Zur Quantenmechanik der Strahlung, Physikalische Zeitschrift 18, 121-128). Hij voerde het begrip gestimuleerde emissie in, dat ten grondslag ligt aan de lichtversterking in de laser. In hetzelfde jaar publiceerde hij ook een artikel waarin hij de kosmologische constante invoerde, zodat hij de algemene relativiteitstheorie kon gebruiken om het heelal als een statisch geheel te modelleren. Dit noemde hij later zijn ergste misser, omdat zijn theorie zonder deze constante al de uitzetting van het heelal voorspelde die Georges Lemaître en Edwin Hubble later aantoonden.

In de vroege jaren 20 was Einstein de leidende figuur op de beroemde wekelijkse natuurkundecolloquia aan de Universiteit van Berlijn. Op 30 maart 1921 bezocht Einstein New York om een lezing over zijn nieuwe theorie te geven. In dat jaar kreeg hij ook de Nobelprijs. Hoewel hij het bekendst is geworden door zijn werk aan de relativiteitstheorie, kreeg hij de Nobelprijs voor zijn eerdere werk aan het foto-elektrisch effect. De reden daarvoor was dat zijn relativiteitstheorie op dat moment nog niet algemeen geaccepteerd was.

Einsteins verhouding tot de kwantumfysica was ambivalent. Zijn eigen idee over lichtkwanta, die we nu fotonen noemen, was wel een mijlpaal in de overgang van de klassieke naar de moderne natuurkunde. En in 1909 presenteerde Einstein zijn eerste artikel op een natuurkundige bijeenkomst, waarin golven en deeltjes expliciet als equivalent werden gezien. Maar verder moest Einstein niet veel hebben van de latere kwantummechanica. Midden jaren 20, toen de originele kwantumtheorie vervangen werd door de nieuwe kwantummechanica, verzette Einstein zich nog altijd tegen, onder andere, de Kopenhaagse interpretatie van de nieuwe vergelijkingen. Deze interpretatie gaat uit van waarschijnlijkheidsrekening, waarbij het mechanisme niet verklaard wordt. Einstein ging ermee akkoord dat deze theorie, althans voorlopig de best beschikbare was, maar hij zocht toch nog steeds naar een fundamentele deterministische verklaring. Dit streven had eerder geleid tot zijn geslaagde verklaring van het gedrag van atomen, fotonen en zwaartekracht. In een brief aan Max Born uit 1926 maakte Einstein een opmerking die nu beroemd is:

Hierop reageerde Niels Bohr, die met Einstein stevig in discussie was over de kwantumtheorie, met de eveneens beroemde opmerking:

Het was geen verwerping van de toepassing van waarschijnlijkheidsrekening in de kwantummechanica. Einstein gebruikte zelf statistische analyse in zijn werk over de brownse beweging en het foto-elektrisch effect. Hij had voor 1905 de statistische theorie van J.W. Gibbs herontdekt waarmee hij voordien onbekend was. Einstein was er alleen van overtuigd dat de fysische realiteit zich in de kern deterministisch gedraagt. Experimenteel bewijs tegen deze overtuiging werd slechts veel later gevonden met de ontdekking van de stelling van Bell en de ongelijkheid van Bell. De discussie gaat echter nu nog door: ook heden zijn er gerenommeerde natuurkundigen die een in de kern deterministisch heelal postuleren zoals de Nederlandse nobelprijswinnaar Gerard 't Hooft.

In 1924 ontving Einstein een kort artikel van de jonge Indiase natuurkundige Satyendra Nath Bose, waarin deze licht als een gas van fotonen beschreef en Einstein om hulp bij de publicatie vroeg. Einstein realiseerde zich dat dezelfde statistiek op atomen kon worden toegepast en publiceerde een artikel dat Boses model en de consequenties ervan beschreef. Bose-Einsteinstatistiek beschrijft elk stelsel van deze niet-onderscheidbare deeltjes, nu bekend als bosonen. Het verschijnsel van het bose-einsteincondensaat werd in de jaren 20 door Bose en Einstein voorspeld, gebaseerd op Boses werk aan de statistische mechanica van fotonen, geformaliseerd en gegeneraliseerd door Einstein. In 1995 werd voor het eerst zo'n condensaat gemaakt. Einsteins originele aantekeningen van deze theorie werden in 2005 in de Universiteitsbibliotheek te Leiden ontdekt in de nalatenschap van Ehrenfest.

In 1935 bekeek Einstein met Boris Podolski en Nathan Rosen hoe volgens de kwantummechanica de meting zou uitvallen aan een deeltje dat eigenschappen heeft die gekoppeld (entangled, verstrengeld) zijn aan die van een ander deeltje dat ver weg kan zijn. Ze leidden af dat de meting van plaats of impulsmoment van het ene deeltje het andere deeltje niet zouden moeten beïnvloeden. Dit resultaat is in strijd met de Kopenhaagse interpretatie van de kwantummechnica en heet de EPR-paradox. Deze hypothese was experimenteel te toetsen en werd weerlegd door proeven van de Franse natuurkundige Alain Aspect. De meting aan het ene deeltje bleek het andere deeltje wel degelijk te beïnvloeden.

Einstein bracht de laatste 14 jaren van zijn leven door met het zoeken naar een unificatietheorie, ook wel genoemd de Algemene Veldtheorie, die zwaartekracht en elektromagnetisme moest verenigen. Daarbij bleef hij zich nog altijd verzetten tegen de Kopenhaagse interpretatie van de kwantummechanica met als belangrijke vertegenwoordiger Niels Bohr. Aangezien de kwantummechanica steeds de experimentele toetsing glansrijk doorstond, onderschreven ten slotte de meeste natuurkundigen deze theorie. Einstein kwam hierdoor steeds meer alleen te staan in zijn speurtocht en vele 'jongeren' onder de fysici beschouwden hem als een reliek uit het verleden die de aansluiting met de 'moderne' natuurkunde was misgelopen, ook al was hij een van de grondleggers. Einstein publiceerde verscheidene keren een unificatietheorie, maar telkens bleek, na narekenen door collega-natuurkundigen, dat deze toch niet alle krachten onder één noemer kon brengen. Achteraf gezien is dit niet verwonderlijk, omdat in zijn tijd hiervoor nog niet voldoende inzicht in de sterke kernkracht en zwakke kernkracht aanwezig was. Dit werd pas in 1970 bereikt, waarna het elektromagnetisme en de kernkrachten geünificeerd konden worden. Voor de zwaartekracht is dit nog steeds niet gelukt. Veelbelovend schijnt de M-theorie (een afgeleide van de snaartheorieën) te zijn, maar deze is hiervoor nog niet voldoende uitgewerkt.

Op 30 maart 1953 publiceerde Einstein voor de laatste keer officieel een herziene unificatietheorie die overigens weer niet alle natuurkrachten bleek te unificeren. Na zijn overlijden bleken uit zijn nagelaten laatste aantekeningen dat hij nog steeds hieraan werkte.

Minder bekend is dat Einstein ook een paar patenten op zijn naam heeft voor uitvindingen. Hij had deze interesse in mechanische en elektrische apparaten meegekregen van zijn vader Hermann en zijn oom, de ingenieur Jakob Einstein, en hield zich soms bezig met 'knutselen' zoals hij het noemde. Einstein en voormalig student Leó Szilárd vonden samen een nieuw type stille koelkast voor huishoudelijk gebruik uit in 1926. Ze gebruikten een koelprocedé bij constante druk, met alleen toevoer van warmte, zonder bewegende delen. De koelcyclus gebruikt ammoniak, butaan en water. Einstein werkte verder mee aan onderzoek naar een spanningsversterker met de gebroeders Habicht, een gehoorapparaat voor een Nederlandse firma met Rudolf Goldschmidt, een foto-elektrische sensor voor fotografie met Gustav Bucky, een gyrokompas en de permeabiliteit van membranen met Hans Mühsam.

Einstein schreef zijn hoofdwerken alleen, afgezien van het artikel uit 1913 met Marcel Grossmann over de algemene relativiteitstheorie. Maar verder heeft hij samengewerkt met tientallen, meest natuurkundigen, soms langdurig (bijvoorbeeld met Leopold Infeld, Nathan Rosen, Peter Bergmann) en soms eenmalig, zoals met Satyendra Nath Bose, Leó Szilárd en Boris Podolsky die hierboven al vermeld zijn en met bijvoorbeeld Otto Stern, Adriaan Fokker, Wander de Haas, Erwin Schrödinger, Wolfgang Pauli, Willem de Sitter, Richard Chase Tolman, Banesh Hoffmann, Cornelius Lanczos, Walther Mayer, Valentin Bargmann, Rudolf Goldschmidt en Walter Ritz soms voor een paar artikelen achter elkaar (Jakob Johann Laub, de wiskundige Ludwig Hopf).

Einstein en Wander de Haas toonden in 1915 aan dat magnetisatie komt door de beweging van elektronen: dit heet tegenwoordig hun spin. Ze keerden de magnetisatie van een ijzeren staaf om die aan een torsieslinger hing en vonden dat de staaf hierdoor ging draaien, omdat het draaimoment van de elektronen met de magnetisatie verandert.

Einstein suggereerde aan Erwin Schrödinger dat hij de statistiek van een Bose–Einstein-gas zou kunnen reproduceren met een gesloten vat. Met elke mogelijke beweging van een deeltje in het vat kan een onafhankelijke harmonische oscillator worden verbonden. Door deze oscillatoren te kwantiseren, krijgt ieder energieniveau een eigen bezettingsgetal, gelijk aan het aantal deeltjes dat dat energieniveau heeft. Deze formulering is een vorm van tweede kwantisatie, lang voor het begin van de moderne kwantummechanica. Erwin Schrödinger paste deze suggestie toe in zijn afleiding van de thermodynamische eigenschappen van een semiklassiek ideaal gas. Schrödinger drong er bij Einstein op aan om co-auteur te worden van een gezamenlijk artikel over deze kwestie, maar uiteindelijk bedankte Einstein voor deze eer.

In Pais: Einstein lived here wordt een verklaring geboden voor de populaire icoon die de media van Einstein maakten. Voor Einstein werden in de wetenschap alleen Wilhelm Röntgen, ontdekker van de röntgenstraling en Madame Curie, die radium vond door de media alom vereerd. De wereldwijde hype rond Einstein begon met het bericht in The New York Times van 10 november 1919 dat de zon het licht van een ster bleek af te buigen, zoals de algemene relativiteitstheorie van Einstein voorspelde. De expeditie van Arthur Eddington naar de zoneclips van 29 mei 1919 had dit waargenomen. De NYT kopte

Pais noemt enkele verklaringen voor de hype:

Einstein verklaarde in een interview (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 4 juli 1921):

Terwijl het belang van Einsteins nieuwe natuurkundige bijdragen afnam vanaf eind jaren dertig van de twintigste eeuw, groeide de belangstelling van de media voor hem juist. Reclames maken nog steeds dankbaar gebruik van zijn naam en gezicht. Einstein herkende zich niet in het beeld dat de media van hem schiepen. Hij antwoordde na een heildronk op de wereldberoemde professor Einstein door Bernard Shaw tijdens een diner:

Tot in de jaren dertig van de 20e eeuw riep Einstein op tot dienstweigering om oorlogen onmogelijk te maken. Tijdens de Eerste Wereldoorlog distantieerde hij zich van het pamflet van Duitse nationalistische geleerden Aufruf an die Kulturwelt van 11 oktober 1914 (beter bekend als Es ist nicht wahr) waarin beweerd werd dat Duitse militairen geen excessen gepleegd zouden hebben in België (ten onrechte want snel na de Duitse inval in België kwamen er al berichten naar buiten over wreedheden tegen de Belgische burgers). Uit verzet tegen dit pamflet schreef hij mee aan en ondertekende hij de oproep tot verzoening, getiteld Manifest aan de Europeanen. In november 1914 was hij een van de oprichters van de Bund Neues Vaterland, die streefde naar een onmiddellijke vrede met de geallieerden zonder annexaties van Franse, Belgische en Russische grensgebieden, waar de Duitse politieke en militaire elites wel voorstander van waren (zie het zogenaamde Septemberprogramm van september 1914), en de stichting van een supranationale organisatie om toekomstige oorlogen te voorkomen. Einstein kwam dan ook op een lijst te staan van pacifisten die door de Berlijnse politie in de gaten werden gehouden.

Einstein was in zijn hart een pacifist, maar was wel zo realistisch dat hij besefte dat agressieve regimes zich door vreedzaam verzet niet laten intomen, en dat soms toch militair ingrijpen nodig is. Na de opkomst van de nazi's in de jaren dertig beval hij dan ook militaire voorbereiding van beschaafde landen aan, om aan de steeds duidelijker wordende expansionistische dreiging van Hitler en zijn regime het hoofd te kunnen bieden. Op 18 augustus 1933 werd in la Patrie Humaine een brief van Einstein afgedrukt waarin hij waarschuwde dat Duitsland zich openlijk met alle soort middelen op de oorlog voorbereide. Met name riep hij België en Frankrijk op zich daar militair op voor te bereiden. In Nederland werd in pacifistische kringen woedend gereageerd, en Einstein werd als naïef en verrader van het pacifisme neergezet. Op 2 augustus 1939 schreef hij een brief aan president Roosevelt over het gevaar van een Duitse kernbom. Hoewel het Manhattan Project pas in oktober 1941 begon, mag worden aangenomen dat de betrokkenheid van Einstein en zijn kennis van de Duitse nucleaire ambities als de impuls voor het ontwikkelen van de Amerikaanse kernbom kan worden beschouwd. Einstein had zelf geen directe bemoeienis met het Manhattan Project en de kernbommen op Hiroshima en Nagasaki kwamen ook voor hem als een verrassing.

Einstein was voorstander van een wereldorganisatie om met een eigen leger oorlogen te voorkomen. Hij was voor de Tweede Wereldoorlog lid van een wetenschappelijke commissie (Commission internationale de coopération intellectuelle, CICI) van de Volkenbond, die hij vanwege haar machteloosheid afkeurde.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Einstein een tegenstander van de wapenwedloop en voorstander van een wereldregering met zeggenschap over alle kernwapens. Toen de verhouding tussen de eerdere bondgenoten de VS en de USSR verkilde, schreef Einstein “Ik weet niet hoe de Derde Wereldoorlog zal worden uitgevochten, maar ik weet nu al wat voor wapens ze in de Vierde zullen gebruiken: stenen!”. In het artikel “Why Socialism?” (Waarom Socialisme?) uit 1949 in de Monthly Review. schreef Einstein dat de chaotische kapitalistische samenleving een bron van kwaad was die overwonnen moest worden: een roofzuchtige fase in de ontwikkeling van de mens. Met Albert Schweitzer en Bertrand Russell riep Einstein op kernproeven te staken en af te zien van kernwapens. Vlak voor zijn dood ondertekende hij nog het Russell–Einstein Manifest, dat leidde tot de Pugwash Conferences on Science and World Affairs over ontwapening en vreedzame internationale conflictoplossing.

Tijdens de heksenjacht op communisten in de VS (1950-1955) riep Einstein op tot matiging en verzet tegen deze hetze tegen vooral linkse intellectuelen.
Einstein was lid van verscheidene organisaties voor burgerrechten, onder meer de afdeling Princeton van de NAACP. Toen de bejaarde W. E. B. Du Bois beschuldigd werd van spionage voor de Russen, stond Einstein voor hem in zodat men de aantijging liet vallen. Einstein was twintig jaar lang bevriend met de activist Paul Robeson, onder wie hij als vicevoorzitter van de American Crusade Against Lynching optrad.

Einstein steunde het idee van een Joods tehuis in Palestina Hij verafschuwde de aanpak van Menachem Begin en zijn Cheroet-partij (Eng.: Herut; later opgegaan in Likoed), die hij in een door hem mede ondertekende open brief in The New York Times (december 1948) fascistisch noemde. Einstein werd nooit lid van een zionistische organisatie. Wel was hij lid van de raad van bestuur van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, tot hij aftrad uit protest tegen het beleid. Na de dood van de eerste president van Israël Chaim Weizmann 1952 werd Einstein gevraagd hem op te volgen, waar hij beleefd voor bedankte.

De kwestie van determinisme in de wetenschap leidde tot vragen over Einsteins opvatting over theologisch determinisme en of hij geloofde in (een) God. In 1929 zei Einstein tegen rabbi Herbert S. Goldstein:

In een brief uit 1954 aan de filosoof Erik Gutkind merkte Einstein op:

Einstein noemde zichzelf dikwijls een agnost.
In een interview met Time Magazine legde hij uit dat de mens het wezen van God niet kan kennen:

De onderstaande, overigens onvolledige, lijsten bevatten verwijzingen naar vooral PDF-bestanden. Deze zijn, tenzij anders vermeld, gesteld in het Duits. Hieronder een ingeklapte tabel met wetenschappelijke publicaties.




#Article 43: Alfred Adler (1338 words)


Alfred Adler (Wenen, 7 februari 1870 – Aberdeen, 28 mei 1937) was een Oostenrijks psycholoog en psychiater. Hij was evenals Carl Gustav Jung een tijdgenoot van Sigmund Freud. Naast Freud en Jung geldt Adler als de derde stamvader van de psychoanalyse. De tweede overeenkomst met Jung is dat ook Adler na enige jaren samenwerking brak met de leer van Freud. Hij deed dat zelfs nog een jaar eerder dan Jung, namelijk in 1911. Daarna stichtte hij zijn eigen leerschool, die van de Individualpsychologie of de individuele psychologie, de vlag waar ook Jung zich onder schaarde.

Als psychoanalyticus onderzocht Adler processen in het bewuste en het onbewuste die de persoonlijkheid zouden vormen en beheersen. Hij ontwikkelde het begrip minderwaardigheidscomplex, dat inhoudt de mens kan lijden aan sterke gevoelens van minderwaardigheid en onzekerheid die veelal stammen uit de vroege jeugd. Om niet het idee te hebben van voortdurend tekort te schieten en minder waard te zijn dan de ander, meende Adler dat een van de sterkste menselijke drijfveren het streven naar macht is.

Alfred was de derde van zeven kinderen van Hongaars-Joodse ouders. In 1904 zou hij overgaan tot het protestantisme. Vanaf zijn geboorte was hij ziekelijk. Als klein kind kreeg hij rachitis wat leidde tot verzwakking van zijn beendergestel.
Toen hij 5 jaar oud was, overleed hij bijna aan longontsteking. Tijdens zijn jeugdjaren koesterde hij een grote wens om zijn lichamelijke zwaktes te overwinnen en besloot hij om arts te worden.

Hij studeerde geneeskunde aan de universiteit van Wenen, waar ook Freud gestudeerd had. Adler had daar veel socialistische vrienden. Zo ontmoette hij ook zijn latere echtgenote, Raissa Timofeyewna Epstein, een sociaal-activiste afkomstig uit Rusland. Zij had in 1894 Moskou verlaten om in Zürich te gaan studeren en in het begin van de 20ste eeuw ijverde zij ervoor, dat universiteiten in heel Europa hun deuren voor vrouwen openden. Zij was daarmee een leidende figuur in de Oostenrijkse vrouwenbeweging.

Tijdens en na zijn medische studie bestudeerde Adler de mogelijkheden van het lichaam om tekorten te compenseren. Het artikel dat hij daarover in 1907 publiceerde, trok de aandacht van Sigmund Freud. Deze nodigde hem uit om, samen met andere psychologen, iedere woensdagavond ideeën uit te wisselen. Zo ontstond de Weense Vereniging voor Psychoanalyse, waarvan Adler de eerste voorzitter was. Maar al spoedig ontwikkelde hij eigen denkbeelden over de aard van de menselijke motivatie en gedrag; ideeën die sterk verschilden van Freuds inzichten. In 1911 verliet hij de groep van Freud en verdiepte hij zijn denkrichting, die hij Individualpsychologie noemde.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij als arts in het Oostenrijkse leger. Daarna specialiseerde hij zich in kinderpsychiatrie en gaf zowel in Europa als de Verenigde Staten lezingen. Tegen 1920 had Adler zijn gedachtegoed systematisch uitgewerkt en praktische toepassingen geformuleerd die mensen uit alle lagen van de bevolking tot steun waren. Hij zette 30 pedagogische centra op en werd directeur van de eerste Kliniek voor Kinderpsychologie in Wenen.

Vanwege zijn Joodse herkomst was Adler in de jaren dertig gedwongen om zijn klinieken in Oostenrijk te sluiten. Hij emigreerde in 1935 naar de Verenigde Staten en doceerde aan het Long Island College of Medicine.

Tot zijn dood in 1937 ging hij door met het ontwikkelen van zijn theorie en het uitbreiden van zijn professionele invloed.

Alfred Adler is minder bekend dan Freud en Jung, maar een aantal begrippen in de hedendaagse psychologie zijn van hem afkomstig.

De naam Individualpsychologie heeft betrekking op het ondeelbare, de eenheid, van iedere persoon. Ieder mens is een “individuum” dat als een geheel functioneert. De term hanteerde Adler in een tijd dat anderen - met name Freud - een verdeelde persoonlijkheid benadrukten. Daarbij werd aangenomen dat delen van de persoon met elkaar in een innerlijke strijd binnen het individu gewikkeld waren. Voor Adler bestond de mens niet uit gescheiden onderdelen.

Ook al is er sprake van een positieve opvoeding, toch kan het kind zich minderwaardig voelen. Ook in de volwassenheid kan een persoon een spraakgebrek hebben of een andere handicap, in armoede belanden of andere tegenslag ondervinden. Volgens Adler zal iedereen die zich in een achterstandspositie bevindt, proberen om deze weg te werken. Een dergelijk streven om een als minder ervaren situatie om te zetten in een meerwaarde, noemt hij het compensatiestreven. Wanneer dit streven extreme vormen begint aan te nemen, spreekt hij van overcompensatie.

Een ander begrip van Adler afkomstig begrip is de levensstijl. Hij bedoelt hiermee de manier die men gebruikt om problemen te overwinnen en die te maken heeft met de identiteit. De één is in staat om met anderen samen te werken, de ander niet. Sommigen proberen de ander te manipuleren, anderen stellen zich collegiaal op. De ene mens probeert de ander te helpen, weer een andere denkt vooral aan zichzelf.

Ook hier zoekt hij de verklaring in de kindertijd: wanneer het kind 4 jaar oud is, heeft volgens Adler zijn gedrag zich al gevormd. Dat komt door zijn roeping: stemmen in het hoofd bepalen hoe het omgaat met tegenspoed. Het al genoemde minderwaardigheidscomplex ziet hij dan ook als complex van verkeerd aangeleerd gedrag.

Met het begrip levensstijl bedoelt Adler dat elk mens een eenduidige en unieke richting in het leven zoekt. Levensstijl zoals beschreven door Adler mag niet worden verward met het hedendaags gebruik van die term. Tegenwoordig staat het voor een manier van leven die verandert al naargelang de tijd en de omstandigheden. Hij bedoelde er de langetermijnoriëntatie van de mens tijdens zijn leven mee. Levensstijl heeft betrekking op de opvattingen die iemand ten diepste heeft over zichzelf, anderen en het eigen levensdoel.

Hoewel hij betoogt dat de mens vooral superioriteit voor zichzelf, als individu, nastreeft, ziet hij ook het gevaar dat hij vereenzaamt en koud en wantrouwig in het leven staat. Hij adviseerde zijn patiënten dan ook om vrijwilligerswerk te gaan doen en te ontdekken dat je je sterker voelt door iets voor anderen te betekenen. Het is geen vaardigheid die je hoeft te leren,zegt hij, je hebt het al in je en het voelt natuurlijk aan om anderen te helpen.

Alfred Adler onderscheidt twee negatieve soorten van opvoeding. Ten eerste beschouwt hij te veel aandacht als de voornaamste oorzaak van gevoelens van afhankelijkheid. Ouders die vinden dat hun kinderen nooit mogen huilen of van streek mogen zijn, maken hen niet weerbaar. Deze kinderen zullen later niet goed in staat zijn om voor zichzelf op te komen. Het tegenovergestelde van te veel aandacht is geestelijke verwaarlozing: zonder regels en liefde wordt het kind, volgens Adler, koud en argwanend. Het kan geen liefde geven en ontvangen. Regels, liefde en respect vormen de basis voor een gezonde ontwikkeling.

Verder beschouwt hij de plaats in het gezin bepalend voor de persoonlijkheid. De eerstgeborene krijgt te veel aandacht en dreigt verwend te worden. Het middelste kind zal proberen nummer één van de troon te verdrijven. Het derde kind krijgt te weinig zorg en aandacht en loopt de kans een minderwaardigheidscomplex te krijgen.

Een ander belangrijke theorie van Adler is dat elk menselijk gedrag doelgericht is en de betekenis van iemands gedrag alleen maar kan worden begrepen als de doelen van de betreffende persoon bekend zijn. Het gezichtspunt dat gedrag wordt bepaald door doelen is de basis voor therapie en rehabilitatie. Het geeft mogelijkheid voor verandering: men kan de geschiedenis niet veranderen, maar men kan wel iemands bedoelingen veranderen.

Bovenal, vindt Adler, is de mens een sociaal wezen. Menselijke gedragingen kunnen alleen maar ten volle worden begrepen vanuit hun sociale betekenis. Het is deze sociale aard van de mens die de basis vormt voor de behoefte erbij te horen. Dit wordt door Adler het Gemeinschaftsgefühl genoemd. De mens wordt geboren met een aantal kenmerken: man/vrouw, arm/rijk, vrede/oorlog. Ook ras en godsdienst zijn bepalend voor wie je bent. Adler noemt ze de kaarten die het leven jou gegeven heeft, maar voegt eraan toe dat 'je kunt zelf bepalen, hoe je met deze gegevenheden omgaat. Je bent het product van je ervaringen en je kunt zelf je persoonlijkheid vormgeven.'
Daarvoor gebruikt hij het begrip het creatieve zelf, een term die beschouwd wordt als het kroonjuweel van Alfred Adler.




#Article 44: Aardewerk (485 words)


Aardewerk is een verzamelnaam voor bij temperaturen tot ongeveer 1100 graden Celsius uit klei gebakken keramiek, zoals vaatwerk, potten, schalen, drinkbekers, kruiken en tegels.

Aardewerk is zachter en minder duurzaam dan steengoed en porselein, maar het is veel gemakkelijker en goedkoper te maken. Vanwege de poreusheid van aardewerk dient het vrijwel altijd geglazuurd te worden. Keramiek wordt pas steengoed genoemd als het op een temperatuur van meer dan 1200 graden Celsius is gebakken. Goede klei voor deze producten is kaolien (China-clay), een fijne witbakkende kleisoort.

Onder aardewerk in eenvoudige vorm worden voorwerpen verstaan die gemaakt zijn van leem of klei, veelal gehaald langs rivieren. Deze worden na droging gebakken en daardoor hard. Door de hoge temperatuur bij het bakken zijn de kleideeltjes aan elkaar geklit of gesinterd. Het materiaal zal dan meestal niet meer door water worden verweekt en uiteenvallen, maar bijvoorbeeld het zwarte aardewerk uit de omgeving van Mohács is zonder nabehandeling niet watervast. 

Bij gebruik van mindere soort klei kan men niet met hoge temperaturen bakken en blijft het werkstuk poreus. Deze moet dan met een glazuurlaag worden bedekt om waterdicht te worden. Voor glazuur, een glassoort, gebruikt men lood- of tinglazuur. Deze smelt bij niet te hoge temperatuur en vloeit over het oppervlak van het product. Deze glazuur kan transparant of dekkend van kleur zijn. Tevens worden glazuren gebruikt om het aardewerk van diverse kleuren te kunnen voorzien. 

Aardewerk voor bouwkundige doeleinden wordt wel aangeduid met bouw- of woonkeramiek.

Keramiek en dan vooral aardewerk heeft gedurende vele duizenden jaren een belangrijke rol gespeeld in de menselijke geschiedenis. Omdat het materiaal slecht verweert zijn overblijfselen van aardewerken voorwerpen een belangrijke bron van informatie. De stijl en de technologie van het aardewerk veranderden in de loop der jaren, waardoor aardewerken scherven en voorwerpen ook goed gebruikt kunnen worden voor het dateren van een bepaalde vindplaats of laag. Er zijn dan ook allerlei culturen naar aardewerkvormen genoemd. De periode tijdens het Neolithicum voordat het pottenbakken ontwikkeld werd, wordt aangeduid als prekeramisch Neolithicum:

De daaropvolgende periode wordt aangeduid als keramisch Neolithicum (PN) (ca. 6500 - 5500). Steeds meer zijn daarna culturen te onderscheiden, zoals Halaf en daarna Obeid.

In Europa zijn culturen te onderscheiden zoals de trechterbekercultuur, de touwbekercultuur, de klokbekercultuur en de urnenveldencultuur.

Ook de afbeeldingen die op het aardewerk aangebracht werden geven soms inzicht in de cultuur. Zo zijn er bijvoorbeeld de Suzannakruik die een bijbels verhaal vertelde, de baardmankruik en de uilenbeker in de vorm van een uil. Dit soort voorwerpen was gedurende een bepaalde tijd populair. Luxe aardewerken goederen vertellen een verhaal omtrent de welstand van de bezitter.

Hiernaast is het van belang dat er bepaalde plaatsen waren waar aardewerk in grote hoeveelheden werd geproduceerd. Het van een dergelijke plaats afkomstig aardewerk had specifieke kenmerken. Dit alles geeft ons inzicht omtrent de toen gebruikte handelsroutes.

In het kader van experimentele archeologie doen verschillende organisaties onderzoek naar de werkwijze waarop aardewerk werd gebakken. 




#Article 45: Andreas Capellanus (307 words)


Andreus Capellanus (Capellanus is Latijn voor kapelaan) was auteur van een middeleeuwse verhandeling met de naam De Amore ('over liefde').

Sommige bronnen noemen hem onder de naam Andreas Cambellanus als kapelaan van Filips II van Frankrijk. Ene Andreas Capellanus wordt in zeven oorkonden uit de jaren 1180 aan het hof van Marie de Champagne geplaatst, die als Mecenas van de hoofse literatuur gold. Tussen 1174 en 1186 schreef hij het werk De Amore libri tres (Drie boeken over de Liefde) een traktaat in drie banden waarin hij Marie de Champagne meermaals noemt. Dit maakt de associatie met haar hof des te waarschijnlijker.

Het traktaat De Amore gaat, zoals de titel doet vermoeden, over de liefde. Het werk is geschreven als goede raad aan zijn (waarschijnlijk fictieve) vriend Gualterius, die van Andreas Capellanus advies in amoureuze zaken vraagt.

In het eerste deel behandelt hij de definitie en het verkrijgen van de liefde en geeft voorbeelden in de vorm van dialogen tussen mannen en vrouwen van verschillende standen. In het tweede deel gaat de auteur in op het behoud van de liefde en het verloop van de relatie tussen geliefden. In het derde deel behandelt hij manieren waarop men zich tegen de liefde kan weren, waarbij hij zich richt naar de gangbare filosofische, religieuze en tamelijk vrouwvijandige houding die in zijn tijd normaal was.

Het oorspronkelijk in Latijn geschreven werk vond al snel grote aftrek en al in 1290 verscheen de eerste Franse vertaling. In de 14e eeuw verscheen het werk in het Italiaans en 1404 in het Duits. De Engelse vertaling The art of courtly love is echter misleidend, daar het werk ook als parodie op de hoofse liefde kan worden opgevat.

Hij was een belangrijke auteur voor ons begrip van het middeleeuwse onderwijs en een bron van veel informatie over het Trivium en Quadrivium van die tijd.




#Article 46: Aruba (2798 words)


Aruba is een land binnen het Koninkrijk der Nederlanden, gelegen op het Zuid-Amerikaanse continentaal plat in de Caraïbische Zee, op 23 kilometer ten noorden van het schiereiland Paraguaná van de Venezolaanse deelstaat Falcón. Het behoort tot de ABC-eilanden van de Kleine Antillen. Aruba heeft een bevolking van  inwoners en met een oppervlakte van  is het ongeveer even groot als het Nederlandse waddeneiland Texel. Het eiland is vrij droog met weinig van de weelderige tropische vegetatie die in de Caraïben gebruikelijk is.

Aruba werd ontdekt in 1499 door Alonso de Ojeda, Amerigo Vespucci en Juan de la Cosa. Het eiland werd samen met Bonaire en Curaçao door de Spaanse Koning aan Juan Martín de Ampués in eigendom gegeven en werden ook de Islas de Los Gigantes genoemd. Een bekend werk dat de hele geschiedenis vertelt van het begin van de Spaanse conquista en kolonisatie is de Elegias de varones ilustres de Indias, geschreven door Juan de Castellanos.

In 1636 werd Aruba overgenomen door de Nederlanders.

In de 19e eeuw verbleef generaal Francisco de Miranda enkele weken op Aruba met een groep van ongeveer 300 vrijheidsstrijders. Op 19 augustus 1806 verspreidde hij een proclamatie onder de bewoners van Aruba.

Aruba was tussen 1807 en 1816 in de handen van de Engelsen. In 1824 werd goud ontdekt, dat tot 1916 door een Engelse maatschappij gewonnen werd. Bij de totstandkoming in 1865 van het nieuwe Regeringsreglement werd door de minister van Koloniën geconstateerd dat de enige band tussen de eilanden de onderhorigheid aan de Staat der Nederlanden was.

In 1879 begon men met een fosfaatwinningsmaatschappij op Aruba bij de Sero Colorado. De ondergrondse tunnels zijn tegenwoordig nog aanwezig.

In 1907 ontstond een fel protest van Arubaanse handelaren tegen de vermeend stiefmoederlijke behandeling door Nederland van Aruba.
In 1933 bood de Raad van Politie van Aruba een petitie aan aan de Koningin voor een meer losse, zelfstandige status, mogelijk geïnspireerd door het Statuut van Westminster van het Britse Gemenebest van 1931.

In 1947 werd door het Arubaanse volk een petitie opgesteld voor separacion, verlaating (secessierecht) en werd na een grootse volksdemonstratie voor volkomen zelfstandigheid, een dergelijke onafhankelijkheid vastgelegd in Aruba's eerste STAATSREGLEMENT volgens de wens van het Arubaanse volk: Aruba als volkomen autonoom staat/land, lid van het Koninkrijk, rechtstreeks onder de Kroon. Actief kiesrecht hebben de op Aruba geboren Nederlanders, en elders geboren Nederlanders die ten minste 10 achtereenvolgende jaren op Aruba hebben gewoond. Daarmee werd dus al in 1947 duidelijk gedefinieerd wie als Arubaans burger beschouwd kan worden.

Op 15 maart 1952 werd wederom een definitie van het Arubaans burgerschap vastgesteld. Deze keer in een motie van de Eilandsraad van Aruba: voor een kiesstelsel, waarbij de op Aruba geborenen en hun kinderen, waar ook geboren, mits Nederlanders, in de volksvertegenwoordiging een meerderheid hebben. Dit voorstel werd aangenomen met 16 stemmen vóór en 5 stemmen tegen.

Gedurende de Conferentie van 1972 in Suriname stelde de heer Yarzagaray: Wij zullen wel een oplossing vinden, maar Aruba zal nooit een tweederangs nationaliteit accepteren!.
Terug op Aruba begon de MEP op planmatige wijze het Arubaanse volk op Aruba's onafhankelijkheid voor te bereiden. Men ging hiervoor naar de Verenigde Naties en naar de buurlanden om steun voor het voorbereiden van een referendum. Aruba kreeg onder andere steun van Venezuela, Panama en Costa Rica en men reisde ook naar Londen voor de steun van de Socialist International, waarvan de MEP later lid werd.

In 1976 werd voor het eerst een datum voor Aruba's onafhankelijkheid vastgelegd, te weten voor 1981; 18 maart werd Dag van Aruba's Volkslied en Vlag, hiermee twee symbolen van Aruba's soevereiniteit en onafhankelijkheid verenigend.

In april 1978, met de ondertekening van het Protocol van Willemstad werden Aruba's zelfbeschikkingsrecht en onafhankelijkheid en ook van de andere eilanden officieel erkend.
Dit leidde tot de Rondetafelconferentie in 1981, waar Aruba in een eindnota haar datum voor onafhankelijkheid nu verlegde naar het jaar 1991.

De grondwet van Aruba werd op 9 augustus 1985 unaniem aangenomen. Op 12 december werd het zeegebied in een Rijkswet vastgelegd (Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 1985, nr. 665; Rijkswet Staatsblad 1985, Nr. 664).

Op 1 januari 1986 werd Aruba afgescheiden van de Nederlandse Antillen en werd het een volkomen zelfstandig en autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden (status aparte): Aruba verkreeg net als Nederland en de Nederlandse Antillen de hoedanigheid van volwaardig land binnen het Koninkrijk. Op 6 januari 1989 waren er voor het eerst sinds het verkrijgen van de status aparte verkiezingen. Deze werden gewonnen door de MEP, die 10 van de 21 zetels behaalde.

Uitgaande van het recht op zelfbeschikking van elk der eilanden, aanvaardde men het besluit van Aruba om gebruik te maken van zijn zelfbeschikkingsrecht door definitief te kiezen voor de onafhankelijkheid. Nederland zou voor het verkrijgen van Aruba's volkenrechtelijke erkenning alle steun verlenen. In 1991 hebben Nederlandse en Arubaanse politici echter alsnog afgezien van de stap naar volledige onafhankelijkheid.

De bevolking van Aruba stamt af van de oorspronkelijke Indiaanse bewoners, Europeanen (voornamelijk Nederlanders en Spanjaarden) en in mindere mate Sefardische Joden en Afrikanen. De oorspronkelijke inwoners behoorden tot de Zuid-Amerikaanse stam van de Arawakken. Men vermoedt dat deze van het vasteland in het verleden zijn overgestoken. Archeologische resten van botten en gebruiksvoorwerpen geven een sterke verwantschap aan tussen de Arawakken van Zuid-Amerika en de inwoners van Aruba. Nadat de meeste indianen uit Aruba naar Santo Domingo (Hispaniola) werden gebracht om als slaven in de mijnen te werken, werd Aruba in opdracht van de Spaanse koning door Juan de Ampiés herbevolkt. In de tweede helft van de zeventiende eeuw schrijft A.O. Exquemelin dat de W.I.C. op Aruba een sergeant en vijftien soldaten gestationeerd hadden en dat het eiland bewoond was door indianen die Spaans spraken. Ongetwijfeld bestond de bevolkingen van alle drie de eilanden; Curaçao, Aruba en Bonaire in die jaren merendeel uit indianen en gestationeerde soldaten van de Nederlandse West Indische Compagnie, en de basis van de taal 'Papiaments' werd al toen gelegd voor het begin van de bloei van de Trans-Atlantische slavenhandel.

In 1806 bestond volgens Commandeur Van den Broek meer dan de helft van de gezinshoofden van Aruba uit Indiaanse gezinshoofden.
De bevolkingsdichtheid op Aruba is nu vrij hoog, ca. 581 inwoners per km². De huidige bevolking van Aruba bestaat naast Arubanen uit veertig andere nationaliteiten. De Arubanen vormen ongeveer 80 procent van de bevolking. De grootste groep overige inwoners van Aruba bestaat uit Nederlanders met tien procent. De rest wordt gevormd door enkele andere Europeanen en een groot aantal Zuid-Amerikanen.

De officiële talen zijn Nederlands en Papiamento - een Creoolse taal gebaseerd op Portugees met sterke invloeden van het Spaans, Engels, Nederlands en Afrikaanse talen. Op Aruba wordt een eigen spelling van het Papiamento gebruikt, die op Curaçao en Bonaire Papiamentu wordt genoemd en afwijkt van de spelling die ze op Curaçao en Bonaire hanteren.

Het oudste officiële document geschreven op Aruba in het Papiaments is van 1803. Alle kranten op Aruba, behalve Amigoe, verschijnen in het Papiamento, en alle vergaderingen van het Parlement van Aruba worden in het Papiamento gehouden. Om werkelijk goed op de hoogte te kunnen zijn van de politiek moet men Papiamento goed kunnen verstaan.

Bij de volkstelling van 2000 was de meest gesproken thuistaal voor 69,4% van de bevolking Papiamento, voor 13,2% Spaans, voor 8,1% Engels en voor 6,1% Nederlands.

De hoofdstad van Aruba is Oranjestad.

Andere plaatsen zijn onder andere:

De belangrijkste reden voor toeristen om naar Aruba te komen zijn de hagelwitte stranden en de azuurblauwe zee. Verspreid over de kalme westkust zijn er vele veilige stranden, al dan niet in de nabijheid van hotels. Stranden die door de Arubanen veel worden bezocht zijn Baby Beach (nabij San Nicolas), Boca Catalina en Arashi Beach (nabij de California Lighthouse) en Mangel Halto. Ook zijn er elders op het eiland nog diverse aantrekkelijke stranden.

Een bekende bezienswaardigheid voor toeristen was de Natural Bridge, de langste natuurlijke brug in de Caraïben. Op 2 september 2005 is deze ingestort, ongetwijfeld door de lange eroderende werking van zeewater en wind. Kleinere natuurlijke bruggen zijn overigens nog altijd aanwezig op het eiland, waarvan één zich naast de resten van de ingestorte brug bevindt.

Nationaal park Arikok is een park dat een aanzienlijk deel van het eiland beslaat. Het park bestaat uit een ruig bergachtig landschap met veel stenen en cactussen. Het park is toegankelijk met een auto, een terreinwagen is wel sterk aanbevolen. Aan het begin van het park is een bezoekerscentrum met informatie over de flora en fauna op het park.

Langs de rotsige noordkust van het eiland, eveneens op Arikok, bevindt zich verder de Natural Pool ('Natuurlijk Zwembad'), op Aruba ook wel aangeduid met 'Conchi. Dit is een, door rotsen afgeschermd, geïsoleerd stukje oceaan met een doorsnee en diepte van enkele meters. Doordat de ruwe zee ten noorden van het eiland hoge golven teweegbrengt die stukslaan tegen de rotsen, wordt de Natural Pool gevuld met water, flora en fauna direct vanuit de oceaan. Natural Pool werd in het verleden gebruikt om gevangen zeeschildpadden te houden. De lokale bevolking beweert dat er van tijd tot tijd kleine haaien gevangen worden in de Natural Pool. De Natural Pool is alleen bereikbaar met een terreinwagen met vierwielaandrijving.

De Altovistakapel nabij Noord is een klein kerkje midden in rotsachtig onbewoond gebied met uitzicht op de ruige zee aan de noordkant van Aruba.

Op Aruba heerst een tropisch steppeklimaat (BSh volgens de klimaatclassificatie van Koppen) met middagtemperaturen van gemiddeld 29 graden in december tot 32 graden in juli en augustus. De gemiddelde jaarlijkse neerslag is rond de 470 mm, maar grote afwijkingen van deze hoeveelheid zijn mogelijk. In sommige jaren valt er meer dan 900 mm, terwijl er in andere jaren nauwelijks een druppel regen valt. Het regenseizoen is in oktober, november en december. Tijdens dit seizoen valt de regen vooral in de nacht en in de ochtend; in de middag en avond is het meestal zonnig en droog. De neerslag valt dan vooral in de vorm van zware buien. In en kort na het regenseizoen is de natuur wat groener dan in de rest van het jaar.

Buiten het regenseizoen is regen zeldzaam, tenzij er een orkaan in de buurt komt. Aruba ligt buiten de orkaangordel en wordt zeer zelden daadwerkelijk getroffen door een orkaan. Het komt zo nu en dan voor dat een orkaan vrij dicht langs het eiland trekt, waardoor een uitloper ervan voor harde wind en zware en langdurige regen- en onweersbuien zorgt. Overstromingen kunnen dan voorkomen. In het voorjaar en de zomermaanden komt saharastof voor. Stofdeeltjes worden meegenomen door de wind en maken het zicht heiig.

Op Aruba schijnt de zon gemiddeld ruim 3.200 uur per jaar. Ter vergelijking: in noordwest Europa is dit gemiddeld 1.600 uur per jaar.

Aruba heeft een dor en rotsachtig landschap met veel cactussen en de Dividivi-boom. De neerslaghoeveelheid van gemiddeld 470 mm is iets lager dan het gemiddelde in Nederland, maar door de sterke verdamping in dit warme klimaat, en de concentratie van regen in zware buien (waarbij de meeste regen niet de rotsachtige bodem in trekt maar de zee in spoelt) blijft Aruba dor en droog. De Dividivi is een voor Aruba karakteristieke boom die met de wind meegroeit. Er zijn bossen met Dividivi-bomen waarbij alle bomen dezelfde kant op staan.

Het westen van het eiland is relatief vlak. Dat deel van het eiland is ook zeer dichtbevolkt. In het oosten van het eiland, waar het Nationaal park Arikok is, is het heuvelachtiger. De Hooiberg is een opvallende heuvel (165 meter) in het midden van Aruba. Het is een kegelvormige heuvel met op de top diverse zendmasten. De Hooiberg is bijna vanaf het hele eiland zichtbaar, en is een opvallende verschijning doordat de heuvel eenzaam boven een vlakte uitsteekt. Hoewel de Hooiberg soms door zijn prominentie als de hoogste heuvel van het eiland gezien wordt, is Aruba's hoogste heuvel in werkelijkheid de Jamanota, met 188 meter.

Er is rondom Aruba veel koraalrif waardoor het een aantrekkelijk gebied is om te duiken. Er is ook een aantal scheepswrakken dat voor duikers interessant is.

Het schoolsysteem op Aruba is vrijwel hetzelfde als in Nederland, op enkele verschillen na. Het primaire onderwijs bestaat uit de kleuterschool (4-6 jaar) en het basisonderwijs (6-12 jaar). Ook is er speciaal onderwijs: kleuter- en/of basisschool voor kinderen die speciale zorg nodig hebben.
Na het primaire onderwijs volgt het secundaire onderwijs, onderverdeeld in LBO (Lager Beroepsonderwijs) / EPB (Educacion Profesional Basico) (3 of 4 jaar), mavo (4 jaar), havo (5 jaar) en vwo (6 jaar). Overigens wordt op de middelbare school op Aruba hetzelfde Centraal Examen (CE) gemaakt als in Nederland.
Na het secundaire onderwijs volgt het post-secundair onderwijs (MBO/HBO/WO). Het MBO (EPI, Educacion Profesional Intermedio) is verdeeld in vier sectoren: Ciencia  Technologia (CT) (Wetenschap en Techniek), Salubridad  Servicio (SS) (Gezondheid en Dienstverlening), Hospitalidad y Turismo (HT) (Gastvrijheid en Toerisme) en Economico (E) (Economie). Daarnaast heeft Aruba het Instituto Pedagogico Arubano (IPA), de lerarenopleiding (HBO) voor primair en secundair onderwijs. Bovendien is er nog de Universiteit van Aruba (UA), met een Faculteit der Rechtsgeleerdheid (FdR), een Financieel Economische Faculteit (FEF), een Faculty of Hospitality and Tourism Management Studies (FHTMS), en een Faculty of Arts and Sciences (FAS).

Zie ook: Lijst van scholen op Aruba

Aruba is een welvarend land. De werkloosheid is laag (alhoewel de regering sinds 2013 geen statistieken meer publiceert) en het inkomen per hoofd van de bevolking is een van de hoogste in het Caraïbisch gebied (ca. US$ 24.087). Eind 2018 bedroeg de arbeidsparticipatie 56,6 procent voor vrouwen. Sinds 2001 kent Aruba een algemene ziektekostenverzekering (AZV) voor de gehele bevolking.

Tot het midden van de jaren 1980 was de belangrijkste industrie van Aruba olieraffinage. Toen werd de raffinaderij gesloten en verschoof de economie van het eiland naar toerisme. Aruba verwelkomt tegenwoordig zo'n 1.235.673 (2007) gasten per jaar, waarvan driekwart Amerikanen. Het toerisme richt zich voornamelijk op de stranden en de zee. De raffinaderij is de afgelopen decennia herhaaldelijk gesloten en weer opgestart, Er is een intentieverklaring getekend met CITGO (de Amerikaanse dochter van de Venezolaanse staatsoliemaatschappij PDVSA) om te onderzoeken of de raffinaderij wederom heropend kan worden

De munteenheid is de Arubaanse florin. Die is gerelateerd aan de koers van de dollar (vaste wisselkoers: 1 Amerikaanse dollar = 1,79 Arubaanse Florin). In de praktijk kan er ook met dollars worden betaald.

Tot 2009 gaf Nederland ontwikkelingshulp aan Aruba. Deze hulp werd met name ingezet voor rechtshandhaving, het onderwijs, de bestuurlijke ontwikkeling, gezondheidszorg en duurzame economische ontwikkeling. Deze hulp werd op verzoek van Aruba in 2009 gestopt. Sinds 2015 is er wel weer een vorm van financieel toezicht ingevoerd, omdat de schuld van Aruba sterk opgelopen is tot meer dan 80% van het BBP.

Aruba beschikt daarnaast over een drietal vrijhandelszones, zones waar in- en uitvoer en dienstenverkeer onbelast plaatsvindt.

Aruba heeft een grote en goed ontwikkelde toeristenindustrie, en ontving 1.082.000 verblijfstoeristen in 2018. Het grootste aantal toeristen komt uit Noord-Amerika, met een marktaandeel van 73,3%, naast 15.2% uit Latijns-Amerika en 8,3% uit Europa. Uit Nederland kwamen er 40.231 bezoekers in 2018. Er zijn vele luxe en minder luxe hotels, voornamelijk geconcentreerd langs de stranden aan de westkust. Aan Palm Beach liggen de luxe op Amerikaanse toeristen gerichte hotels. Dit gebied wordt ook wel de Highrise-area genoemd, vanwege het feit dat de meeste hotels gevestigd zijn in (voor Arubaanse begrippen) hoogbouw. Eagle Beach, op korte afstand van Palm Beach richting Oranjestad, biedt hotels op een wat kleinere en intiemere schaal in laagbouw-huisvesting, vandaar de naam lowrise-area.

Oranjestad is naast de hoofdstad ook een belangrijke plaats in de toeristenindustrie. Hier bevindt zich de haven voor de vele cruiseschepen die Aruba aandoen. De cruise-industrie is een zeer belangrijke pijler van het toerisme op Aruba, omdat tijdens een cruise een groot deel van de passagiers aan wal gaan om het eiland te bezichtigen. Met 334 cruise-calls ontving Aruba 815.161 cruisetoeristen in 2018. Blijkens onderzoek droeg het cruise seizoen 2017/2018 US$ 102.8 miljoen bij aan de Arubaanse economie. In Oranjestad zijn verder nog een aantal luxe hotels, een aantal luxe winkelcentra, diverse op toerisme gerichte winkelstraten waaronder de Mainstreet en horecafaciliteiten te vinden. De Mainstreet, Caya G.F. (Betico) Croes genaamd, heeft de laatste jaren een herinrichting doorgemaakt, en is daarbij onder andere voorzien van een geheel nieuwe bestrating, nieuwe palmbomen, en een tramlijn voor toeristen.

Ook op andere plekken op het eiland is de nodige toeristenaccommodatie te vinden, onder meer in (particuliere) appartementencomplexen.

Formele en minder formele herkenningstekens van het natie-eiland kunnen de status van nationaal symbool verwerven. Zo zijn de Dividivi boom en de Fofoti boom niet weg te denken symbolen van het Arubaans landschap. Vanwege hun bijzondere silhouet komen afbeeldingen van deze bomen veelvuldig voor in toeristische promotiecampagnes. Tot de wettelijke nationale symbolen behoren de vlag van Aruba, het wapenschild en het volkslied. Sinds 2012 is hieraan toegevoegd de Arubaanse holenuil ofwel Shoco in het Papiaments.

Sinds 2013 heeft Oranjestad een tramlijn.




#Article 47: Aswoensdag (524 words)


Aswoensdag is in de katholieke traditie het begin van de 40 dagen durende Vastentijd, die loopt tot en met Paaszaterdag, ook Stille Zaterdag genoemd. Van Aswoensdag tot Pasen zijn er veertig vastendagen, waarbij de zondagen niet worden meegerekend. Aswoensdag wordt voorafgegaan door vastenavond en het carnaval.

Op Aswoensdag laten rooms-katholieken en sommige protestantse gelovigen in de kerk een kruis met as op hun voorhoofd tekenen, het zogenoemde askruisje. Terwijl de priester het askruisje zet, zegt hij doorgaans tegen iedere gelovige afzonderlijk: Gedenk, mens, dat je stof bent en tot stof zult wederkeren (in het Latijn: Memento, homo, quod pulvis es, et in pulverem reverteris). Deze tekst is gebaseerd op het vonnis dat God na de zondeval over de mensheid uitsprak (Genesis 3:19). Sinds 1979 kan ook de tekst worden gebruikt: Bekeer u en geloof in het Evangelie. Deze tekst uit het Evangelie staat in het altaarmissaal zelfs als eerste tekst aangegeven voor de liturgie van Aswoensdag en refereert aan de oproep waarmee Jezus in Galilea zijn prediking begon (Marcus 1,15).

Oud-katholieken en Oosters-Orthodoxe christenen laten zich de as op het hoofd strooien. 

De as is het overblijfsel van verbrande palmtakken (vaak buxustakken), die het jaar daarvoor gebruikt werden voor de viering van Palmpasen op Palmzondag. Het kleine ritueel wordt uitgevoerd ter bezinning en als uiting van boetvaardigheid. In die zin is het een voorbereiding op Goede Vrijdag en Pasen.

In de vroege middeleeuwen werd het opleggen van as bij de mannen over het gehele hoofd en bij de vrouwen het voorhoofd gestrooid als start van de boetetijd. Dit ritueel was enkel bestemd voor zondaars die officieel tot boete werden veroordeeld. Later werd dit een algemeen gebruik omdat men ervan uitging dat iedereen tegen God of zijn medemensen gezondigd had.

Als teken van berouw en vasten komt het gebruik van as in de Bijbel veelvuldig voor. De boeteling strooide zich as over het hoofd. Vaak ging hij daarbij gehuld in een zak, die als boetekleed werd gedragen. Vandaar de uitdrukking in zak en as zitten.

Aswoensdag is, net zoals Goede Vrijdag, in de recentste editie van het kerkelijk wetboek van 1983 een verplichte vastendag voor Rooms-katholieken. Dit houdt in dat alle gedoopten tussen 18 en 60 jaar gehouden zijn op die dagen slechts één volledige maaltijd te nemen. Wie kan, wordt uitgenodigd om ook op andere dagen, zoals paaszaterdag en de vrijdagen van de veertigdagentijd, te vasten. De bisschoppenconferentie kan het onderhouden van vasten en onthouding nader bepalen en ook andere vormen van boete, vooral liefdewerken en oefeningen van vroomheid, geheel of gedeeltelijk in de plaats van vasten en onthouding stellen. Zo bepaalde de Rooms-katholieke Nederlandse Bisschoppenconferentie in 1989: Wij bepalen dat Aswoensdag en Goede vrijdag dagen van verplichte vasten en onthouding in spijs en drank zijn en dat verder het bepalen van de wijze van de beoefening van boete en onthouding aan het eigen geweten en initiatief van de gelovigen wordt overgelaten.

In de regio van Antwerpen wordt er op Aswoensdag traditioneel pruimentaart gegeten, in Nederland haring (het zogenoemde haringhappen).

De vroegste datum voor Aswoensdag kan 4 februari zijn, de laatst mogelijke datum is 10 maart. Zie Paas- en pinksterdatum voor een uitgebreide tabel.




#Article 48: Allerzielen (178 words)


Allerzielen is een gedenkdag uit de westerse rooms-katholieke traditie. Het wordt gevierd op 2 november, de dag na Allerheiligen, waarmee deze dag nauw verbonden is. Met Allerzielen worden de overledenen herdacht en wordt een requiemmis opgedragen. De nabestaanden plaatsen bloemen op het graf. In veel parochies is het gebruikelijk dat als er een parochiaan uit de kerk wordt begraven er een kruisje wordt opgehangen met daarop de naam van de overledene. Op de eerstvolgende Allerzielen komt de familie van de overledene naar de mis om het kruisje in ontvangst te nemen. Allerzielen is een dag om speciaal te bidden voor alle zielen die nog niet in de hemel zijn, maar in het vagevuur.

Allerzielen stamt uit de benedictijner kloostertraditie van Cluny, waar Odilo van Cluny het in 998 voor het eerst liet vieren. In de 13e eeuw kreeg het de naam Allerzielen.

Wanneer Allerzielen samenvalt met een zondag, heeft dit altijd voorrang op de zondagsliturgie.

De laatste jaren is in deze dagen de viering van Halloween, overgewaaid vanuit Amerika, sterk in opmars. Dit is de avond vóór Allerheiligen.




#Article 49: Armoede (747 words)


Armoede  of pauperisme is volgens de definitie van de Verenigde Naties het niet kunnen voorzien in de primaire levensbehoeften, noodzakelijk om een menswaardig bestaan te kunnen leiden. Primaire levensbehoeften zijn schoon en drinkbaar water, voedsel, kleding, huisvesting en gezondheidszorg.

Armoede ontstaat bij een (chronisch) tekort aan betaal- of ruilmiddelen bij bepaalde personen, waardoor de aanschaf van noodzakelijke bestaansmiddelen buiten het bereik van die personen valt.

Ook het geen toegang hebben tot secundaire levensbehoeften kan ervaren worden als armoede, vooral als in een samenleving anderen dat wel hebben. Secundaire levensbehoeften zijn bijvoorbeeld de aanschaf van luxe goederen, het maken van reizen en het deelnemen aan onderwijs, sport en andere sociale activiteiten.

Het tegengestelde van armoede is rijkdom (ook wel welstand). De overgang tussen armoede en (relatieve) welstand wordt aangeduid als de armoedegrens. Deze wordt afhankelijk van het welvaartsniveau in elke samenleving anders gedefinieerd.

Individuele armoede kan het gevolg zijn van langdurige werkloosheid, ziekte, of verslaving aan gokken, kopen, alcohol of drugs. Hierdoor kan iemand van welstand tot armoede vervallen. Een fenomeen van de laatste decennia in vooral westerse landen is het kopen op afbetaling (live now, pay later). Dit kan tot financiële schulden leiden, die de omgeving, gemeentelijke en/of overheidsinstanties dwingen de persoon onder financiële curatele te stellen.

Ook bezuinigingen op de sociale zekerheid, huurtoeslag en op de zorg kunnen tot armoede leiden. Verder kunnen ook prijsstijgingen en inflatie armoede in de hand werken, omdat het inkomen hierdoor wordt uitgehold: met hetzelfde inkomen kan men steeds minder kopen. Dit is vooral voor personen die afhankelijk zijn van een vast inkomen en economisch weinig weerbaar zijn (pensioengerechtigden bijvoorbeeld) zeer problematisch.

Individuele armoede heeft tot gevolg dat iemand in een maatschappelijk isolement terecht kan komen. Door een beperkt budget nemen de mogelijkheden af om deel te nemen aan activiteiten, en worden concessies gedaan aan communicatie- en transportmiddelen. Kleding en middelen voor lichaamsverzorging eveneens, waardoor men zich niet langer representatief voelt. De woonsituatie verslechtert en daarmee krijgt men een ander (minder) sociaal aanzien.

Psychische gevolgen van een verval tot armoede kunnen schuld en schaamte zijn. Soms versterken mensen daardoor zelf hun sociale isolement. Uit onderzoek blijkt dat armoede een negatieve invloed heeft op intelligentie en kinderen die in armoede opgroeiden, hebben op latere leeftijd meer moeite met het reguleren van hun emoties.

Energie-armoede is een bijzondere vorm van individuele armoede, veroorzaakt door uitholling van het besteedbaar inkomen door hoge of stijgende energieprijzen. Energie (gas, elektriciteit) is een eerste levensbehoefte maar daardoor ook een kostenpost waar men vrijwel geen controle over heeft en waar vrijwel niet op bezuinigd kan worden. Vooral voor lagere inkomens kunnen energiekosten een relatief hoog percentage van het beschikbaar inkomen opsouperen, waardoor minder bestedingsruimte is voor andere zaken. Oorzaken zijn vaak:

Een andere, extreme vorm van energie-armoede is terug te vinden in ontwikkelingslanden waar in grote delen van het land in het geheel geen (betrouwbare) elektriciteitsvoorziening voorhanden is. In 2018 was dit in vele landen van Sub-Sahara Afrika het geval. Daaraan verhelpen is een van de  van de VN.

Ook een land als geheel kan door een bankroet tot armoede vervallen, zoals dat bijvoorbeeld gebeurde met Argentinië aan het begin van de 21e eeuw.

Gebeurtenissen als de grote beurscrash in 1929 in New York kunnen overal ter wereld mensen en bedrijven in grote financiële problemen brengen. Gevolgen daarvan zijn: algemene economische malaise, werkloosheid en armoede. De financiële crisis in 2008 zorgt voor een nieuwe golf van armoede.

Armoede kan ook het gevolg zijn van

Verder is het mogelijk dat een land een relatief hoog percentage armen heeft ten gevolge van een ongelijke inkomensverdeling. De macro-economische cijfers laten dan vaak een gunstig beeld zien, maar de meeste winst en welvaart belandt bij een beperkt aantal bedrijven en individuen. Dit is echter niet gunstig voor de economische perspectieven op langere termijn.

Armoede is een economisch, maatschappelijk, sociaal en ook politiek probleem. Armoede heeft verschillende negatieve consequenties zoals het afremmen van economische groei, slechte leefomstandigheden, sociale onrust, en emigratie van geschoolden (braindrain).

In verschillende wijsgerige en godsdienstige stromingen wordt het leven in armoede als ideaal gezien omdat men tot grotere wijsheid en godsvrucht zou komen door van materiële goederen af te zien. Een voorbeeld uit de Griekse oudheid is Diogenes van Sinope. Volgens het Nieuwe Testament sprak Jezus vaak ten gunste van het leven in armoede en dit voorbeeld is in het christendom vaak gevolgd. De gelofte van armoede is bijvoorbeeld een van de drie kloostergeloften. Ook in het boeddhisme geldt armoede als een deugd. Hier geldt dat armoede zelfverkozen is.




#Article 50: Anaximenes (613 words)


Anaximenes (Oudgrieks: , Anaximếnês) was een presocratische filosoof uit Milete die actief was rond 585−526 v.Chr. Samen met de oudere Thales en Anaximander behoorde hij tot de eerste Griekse filosofen, namelijk de Milesische. Hij schreef een natuurfilosofisch werk over kosmologie, waarin hij meteorologische verschijnselen verklaarde en de vorming van aarde en hemellichamen afleidde uit het oerelement lucht.

Over Anaximenes' leven is heel weinig met zekerheid bekend. Hij woonde en werkte in Milete, en zijn vader zou Eurystratus heten. Volgens enkele bronnen was hij een leerling van Anaximander, wat onderzoekers betwijfelen. In zijn filosofie was hij wel door hem beïnvloed. Volgens Herodotus kreeg hij toestemming om in Sparta een uit Babylonië afkomstige zonnewijzer op te richten met een indeling in twaalf uren. Anaxagoras van Clazomenae en Diogenes van Apollonia waren waarschijnlijk leerlingen van Anaximenes.

In de latere oudheid circuleerden brieven onder Anaximenes' naam, maar die zijn pseudepigrafisch. Wel schreef hij een kosmologisch prozawerk getiteld Over de natuur in eenvoudige en zuinige stijl, waarin hij desondanks beelden gebruikte, zoals sterren die rijden op de lucht, en de aarde die plat is als een blad. Over de structuur is niets bekend, en heel weinig citaten zijn overgeleverd. Daarom zijn vooral testimonia bij latere auteurs belangrijk. Zulke auteurs zijn met name Aristoteles, Theophrastus (en doxografen die zich op hem baseerden), (pseudo-)Plutarchus en Hippolytus.

Daarin verkondigde hij de opvatting dat de oersubstantie (archè) het element lucht (aèr) was, waaruit het heelal en alles erin voortkomt, inclusief de goden. De lucht is goddelijk, en mogelijk beschouwde hij die als een levenskracht, de adem van de wereld. Anaximenes' lucht lijkt enigszins op Anaximanders oneindige (apeiron). De lucht was eeuwig en oneindig en omvat de gehele kosmos, zoals ook de ziel, die bestaat uit lucht, het lichaam bijeenhoudt. Hij schreef: 'Lucht ligt dicht bij het onlichamelijke; en omdat we ontstaan door een uitvloeisel van lucht, is het noodzakelijk dat lucht zowel oneindig als rijk is, omdat die nooit stopt' (pseudo-Olympiodorus, Over de goddelijke en heilige kunst van de steen der wijzen, 25). Anaximenes geloofde dat de lucht altijd in beweging was, omdat er anders geen verandering kon plaatsvinden. De kwaliteit van lucht veranderde onder inwerking van de kwaliteiten warmte en koude, zodat via respectievelijk verdichting en verdunning de andere drie elementen aarde, water en vuur werden gevormd. Koude lucht ontstaat door verdikking, wat resulteert in water en vervolgens aarde, maar warme lucht ontstaat door verdunning, wat resulteert in vuur. Met andere woorden, een deel van lucht veranderde in verschijning, afhankelijk van hoeveel lucht op een bepaalde plaats was (verdund-verdicht). Het gaat dus niet om een wezenlijke transformatie van lucht.

De platte aarde ontstaat als eerste in het midden van de kosmos en rust op lucht. Dit is een reactie op Thales' stelling dat de aarde rust op water. De andere hemellichamen ontstaan uit de aarde en zijn ook plat. Ze bestaan vooral uit het element vuur en worden voortgeduwd door gecondenseerde lucht (wind). De zon bevat aarde maar raakte verhit door zijn snelheid. Die zouden niet onder de aarde doorgaan in hun omwentelingen, maar eromheen. Door verdikking van lucht ontstaat achtereenvolgens wind, dan wolken, en dan neerslag. Plotse wisselingen tussen warmte en koude veroorzaken aardbevingen. Regenbogen ontstaan doordat zonnestralen reflecteren op de lucht.

De notie van een oneindige oersubstantie dat naargelang de omstandigheden andere elementen vormt, werd overgenomen door Heraclitus. Deze en anderen richtten zich echter minder op kosmogonie, maar ook op theologie, kennisleer en de rangschikking van materie. In de presocratische Zuid-Italiaanse filosofie (pythagoreeërs, Eleaten, Empedocles) namen meer afstand van de Ionische kosmologische modellen. Pas in de loop van de 5e eeuw v.Chr. namen de eclectische presocraten Anaxagoras, Diogenes, Leucippus en Democritus weer aspecten van onder andere Anaximenes' filosofie over.




#Article 51: Anaxagoras (740 words)


Anaxagoras (Oudgrieks: , Anaxagoras (ho Klazomenios)) (Clazomenae, Ionië, ca. 500 v.Chr. - Lampsacus, ca. 428 v.Chr.) was een presocratische filosoof en astronoom.

Hij was een leerling van Anaximenes en zette de natuurwetenschappelijke traditie van Ionië voort. Hij ging naar Athene, wellicht op verzoek van de staatsman Pericles, die van hem alles overnam wat in staat bleek zijn redenaarskunst te bevorderen, zoals Plato vermeldt. Mogelijk heeft hij ook de schrijver Euripides beïnvloed.

Hij heeft dertig jaar in Athene gewoond en gewerkt en hij was degene die er de filosofie en de in Ionië ontstane wetenschappelijke onderzoeksgeest introduceerde. Hij genoot veel aanzien, niet in de laatste plaats van zijn tijdgenoot Pericles. Toen Pericles oud werd, kregen zijn vijanden de overhand. Zij beschuldigden Anaxagoras van pro-Perzische sympathieën en het verwaarlozen van de religie, omdat hij leerde dat de zon een gloeiende steen was, en de maan louter aarde. Pericles wist met moeite een veroordeling te voorkomen, maar Anaxagoras verliet wel noodgedwongen Athene, om terug te keren naar Ionië. Blijkbaar boden de koloniën een beter klimaat voor het nieuwe, vrijgevochten denken dan het moederland met zijn diepgewortelde tradities.

Hij onderwees dat alle substanties in het universum ontstaan zijn uit een onbegrensde hoeveelheid van kwalitatief verschillende oerelementen, die de kiemen vormen van alle dingen. De oorspronkelijke toestand van het universum was een oerchaos, gebaseerd op de theorie van het apeiron bij Anaximander. De wereld was in dat stadium niet meer dan een oneindig grote verzameling van ongedifferentieerde en ongestructureerde stoffelijke deeltjes, die Anaxagoras Spermata noemde. Deze oerelementen hebben altijd reeds bestaan en er is geen sprake van ontstaan of vergaan van de wereld. 
Belangrijk in dit opzicht is dat Anaxagoras als eerste filosoof een abstract filosofisch begrip heeft ingevoerd, namelijk de Nous. Deze Nous moet opgevat worden als een denkende, redelijke, almachtige, maar onpersoonlijke Geest. Dankzij deze geest is er uit de oer-chaos een welgeordende wereld ontstaan. Het lijkt er op dat Anaxagoras deze Nous alleen als een soort van onbewogen beweger beschouwt, die, na de eerste stoot gegeven te hebben, de schepping verder aan zijn lot overlaat. Dit zou later Plato, en Socrates, tot de tegenwerping brengen dat deze opvatting van Nous leek op een deus ex machina waaraan onmogelijk echte kennis kon worden toegeschreven. Socrates had gehoopt in de theorie van Anaxagoras een antwoord te vinden op de belangrijke vragen die hij zich stelde met betrekking tot de menselijke geest. Anaxagoras zocht echter overal zuiver natuurlijke, mechanische oorzaken. Omdat in elke kiem alle kwaliteiten aanwezig zijn: Alles is in alles, is overgang van de ene stof in de andere mogelijk, doordat hij meer of minder van een bepaalde kwaliteit krijgt. Zo konden uit een veranderende samenstelling van verschillende oerdeeltjes alle stoffen en objecten gevormd worden en zijn ontstaan en vergaan slechts schijn. De dingen veranderen slechts in compositie en inhoud. Zijn theorie van alles is in alles (Homoiomeria) houdt ook in dat geen enkele stof (behalve de Nous) puur is, maar er steeds andere stoffen aanwezig zijn. 

De levende wezens onderscheiden zich van de dode doordat zij door de Nous bezield worden. Het is dezelfde Nous die mensen en dieren bezielt. De mens lijkt superieur aan de dieren omdat hij handen heeft. De schijnbare verschillen in intelligentie zijn het gevolg van lichamelijke verschillen.

Anaxagoras gaf de juiste verklaring voor de zonsverduisteringen en kwam reeds tot het inzicht dat de maan dichter bij de aarde stond dan de zon. Net als de zon zijn ook de sterren vurige stenen. Het feit dat ze gloeien verklaarde hij uit hun snelle rotatie ten opzichte van hun naaste omgeving. In tegenstelling tot de zon kunnen wij er de warmte niet van voelen, maar enkel omdat ze zo ver van ons verwijderd zijn. De zon zou volgens Anaxagoras groter zijn dan de Peloponnesos. Op de maan meende hij bergen te herkennen en hij meende dat er ook levende wezens woonden. In navolging van zijn mentor Anaximenes beschouwde hij de aarde als een schijf, die op lucht zweefde en schuin hing ten opzichte van de zon, waardoor er verschillende temperaturen waren op aarde.

Daarnaast bewees hij dat lucht geen vacuüm, maar een stoffelijke substantie was. Hij bewees dit door het opblazen van uiers en door een pipet waarbij het water werd tegengehouden door lucht. Ook concludeerde hij dat geluid een beweging van de stoffelijke lucht was. 

Het is bekend dat Anaxagoras een boek schreef. Dit boek is niet bewaard gebleven, maar fragmenten werden overgedragen in het werk van Simplicius.




#Article 52: Amok (307 words)


Amok betekent volgens de Van Dale: plotseling onbesuisd optreden, opschudding verwekken.

Het woord amok (Indonesisch/Maleisisch: amuk) is de Maleise naam van de moorddadige aanvallen waar Maleisiërs soms onder lijden. Het maleise mengamuk betekent amok maken. De term amok wordt in het algemeen ook gebruikt voor anderen die zonder provocatie een groep mensen aanvallen met het doel dezen te doden.

Een Maleisiër die amok maakt, rent de straat op met een kris of een ander wapen en begint daarmee iedereen te raken tot hij zelf gedood wordt.

Het amok maken in Maleisië is eind 17e eeuw beschreven door Reynier Adriaensen. Volgens Reynier werden amokmakers opgehangen. Andere auteurs uit die tijd leggen een verband tussen amok maken en het gebruik van opium.

Volgens André Tuinier in een artikel in De Groene Amsterdammer is de amokmaker van oudsher een soort held. Op de eilanden waar amokmaken voorkwam, de Filipijnen, Maleisië en de Indische archipel lijkt amok endemisch en een vaste plaats in de cultuur te hebben.

De Maleise traditie kende twee gerechtvaardigde manieren om amok te maken:

Amok komt echter over de hele wereld voor. Mensen die plotseling in het wilde weg om zich heen gaan schieten op een school bijvoorbeeld. Volgens André Tuinier eindigen alle amokmakers, als ze hun daad overleven, in een psychiatrische inrichting. Vaak is er echter geen aanwijsbare psychische aandoening te vinden als oorzaak voor hun moorddadig handelen.

Het Maleise woord amok of beter amuk is mogelijk een leenwoord uit het Javaans amuk. Amuk gaat terug tot het Oud-Javaans amūk, een afleiding van het grondwoord wūk. Wūk betekent slecht en is verwant aan het Maleis buruk. Het woord amūk betekent dus iets slecht doen.

In het hedendaags taalgebruik wordt amok maken voor veel zwakkere, maar wel opstandige, handelingen gebruikt dan in de oorspronkelijke betekenis. Amok betekent dan opeens onbesuisd optreden, wild worden.

Een aantal moderne citaten:




#Article 53: Antoni van Leeuwenhoek (134 words)


Bestand:Sir William Davidson of Curriehill Abraham Lambertsz van den Tempel.jpg|thumb|Sir William Davidson of Curriehill stelde Anthonie van Leeuwenhoek in 1648 aan als zijn assistent. Van Leeuwenhoek verliet na zes jaar dienst zijn Amsterdamse patroon. (door Abraham van den Tempel, 1664)

Bestand:Plaats waar Anthoni van Leeuwenhoek in 1674 het water verzamelde dat leidde tot de ontdekking van micro-organismen.png|thumb|De pijl markeert het Meerhek, de plaats waar Antoni van Leeuwenhoek in 1674 het water verzamelde dat leidde tot de ontdekking van micro-organismen Vervolgens doet hij onderzoek op gezond sperma. Hij ziet een geweldige menigte diertjes. De zaadcellen bewegen (met hun staart) en daarom zijn zij volgens hem de levensdragers. De vrouwelijke voortplantingsorganen dienen slechts voor de voedselvoorziening voor de reeds aanwezige organismen in het sperma. Hij laat de tekst over de menselijke zaadcellen in het Latijn vertalen.




#Article 54: Arnhem (7369 words)


Arnhem (uitspraakː  of , Arnhems: Ernem, Duits: Arnheim) is een stad en gemeente in Nederland en de hoofdstad van de provincie Gelderland. De gemeente telt  inwoners per  (bron: CBS) en is daarmee de dertiende gemeente van Nederland. 

Tot de gemeente Arnhem behoren behalve de stad Arnhem ook de dorpen Elden en Schaarsbergen, de buurtschappen De Praets en 't Vlot, en delen van de buurtschappen Terlet en Deelen. De agglomeratie Arnhem, bestaande uit onder andere de gemeenten Arnhem, Westervoort, Duiven, Zevenaar, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum en Rheden, telt circa 450.000 inwoners op een oppervlakte van ongeveer 714 km².

Arnhem ligt aan de rivier de Nederrijn, de IJssel en de Sint-Jansbeek. De stad ligt aan beide zijden van de Rijn. Vooral het zuidelijke stadsdeel heeft zich na de Tweede Wereldoorlog grootschalig ontwikkeld. De stad staat internationaal bekend om de Slag om Arnhem: in de Tweede Wereldoorlog speelde Arnhem een belangrijke hoofdrol vanwege de luchtlanding en veldslag van de geallieerde troepen in september 1944, als onderdeel van Operatie Market Garden. Op verschillende plekken in de stad markeren monumenten de plekken waar tijdens de oorlog hevig werd gevochten.

De rechtbank Gelderland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn in de stad gevestigd, en het is de basis van de landelijke militaire kamer en de luchtmobiele brigade. Daarnaast is de stad standplaats van een aantal nationale en internationale bezienswaardigheden, waaronder het Nederlands Openluchtmuseum en dierentuin Koninklijke Burgers' Zoo.

De naam Arnhem zou afgeleid zijn van Arn of Aro - van het Germaanse arnu (arend) - en heem (thuis).

De naam Arneym wordt voor het eerst genoemd in 893 in een goederenregister van de Abdij van Prüm. Eerder, rond 814, werd al een schriftelijke melding gemaakt van Meginhardeswich; dit is het huidige Meijnerswijk in Arnhem-Zuid. De stad werd in 847 geplunderd door de Vikingen.

In de Arnhemse tongval heet de stad Èrnem. Het Arnhemse dialect (Ernems) wijkt sterk af van andere Zuid-Gelderse dialecten door de Haagse invloeden: in de tweede helft van de 18e eeuw trokken rijke Hagenaars naar buitenhuizen in de bossen rondom Arnhem. Het Haagse accent werd door de lokale Arnhemse bevolking overgenomen omdat dit accent status verschafte. Het accent wordt heden ten dage nog voornamelijk in de volkswijken als 't Broek, de Geitenkamp en Klarendal (uitspraak klèrendoal) gesproken.

Arnhem heeft ook enkele bijnamen. Zo werd de stad in de tweede helft van de 19e eeuw het 'Haagje van het Oosten' genoemd; in Arnhem vestigden zich net als in Den Haag in die periode veel oud-Indiëgangers. Vooral in Indië rijk geworden handelaren, oud-officieren en suiker- en tabaksplanters bouwden huizen langs de Velper-, Utrechtse- en Amsterdamseweg. De middenstand en het culturele leven floreerden door hun komst. Arnhem werd daardoor een stad met elitaire uitstraling.

Archeologische vondsten wijzen erop dat zo'n 70.000 jaar geleden al menselijke bewoning was in het gebied waar nu de stad Arnhem ligt. Er zijn twee vuurstenen schavers gevonden uit de tijd van de neanderthalers die in de steentijd het gebied bevolkten. Als jagers en verzamelaars hadden de neanderthalers over het algemeen geen vaste verblijfplaats, zij zwierven door de regio op zoek naar prooi. De oudste overblijfselen in de regio van de moderne mens dateren van ca. 5000 v.Chr.. Er zijn overblijfselen van een jagerskamp gevonden op twee meter diepte in het gebied van de wijk Schuytgraaf.

In de buurt van Warnsborn en Schaarsbergen zijn de eerste sporen gevonden van boeren, bewoners dus met een vaste verblijfplaats. Deze grafheuvels van het standvoetbekervolk dateren van ca. 2400 v.Chr.. Uit de bronstijd (ca. 1500 v.Chr.) zijn sporen gevonden van een nederzetting op de Hoogkamp in de vorm van boerderijen. Waar nu het centrum van Arnhem is zijn overblijfselen gevonden van bewoners uit de ijzertijd.

Arnhem wordt (als Arneym) voor het eerst genoemd in 893 in een register van de bezittingen van de Abdij van Prüm in de Eifel. Het wordt beschreven als een aan Sint Maarten gewijde kerk, met omliggende landerijen. Hoewel de vroege sporen van nederzettingen getoond hebben dat de vroege Arnhemmers zijn afgedaald uit de hoger gelegen bossen, is Arnhem oorspronkelijk niet gebouwd op de oevers van de Rijn, maar op het hoger gelegen deel langs de Sint-Jansbeek. Arnhem ontstond op de plek waar de weg tussen Nijmegen en Utrecht/Zutphen zich splitste. Zeven sprengbeken voorzagen de stad van water en pas toen de loop van de Rijn in 1530 door de Arnhemmers verlegd werd kwam Arnhem aan de rivier te liggen.

De nederzetting kreeg op 13 juli 1233 stadsrechten van graaf Otto II van Gelre, de graaf van Zutphen. Arnhem had in de 13e eeuw 2000 tot 3000 inwoners, die binnen de vestingwallen van de huidige binnenstad woonden. Hoewel Arnhem al voor de stadsrechtsverlening een vorm van verdediging had, groeide deze in 1291 uit tot stadsmuur, die in 1505, 1519 en 1533 werd uitgebreid om ten slotte in de 19e eeuw te worden afgebroken.

In 1441 werd Arnhem op de jaarvergadering van de hanze te Lübeck toegelaten tot dit bewapende handelsverbond, en werd ingedeeld in het Keulse kwartier. De stad verbond zich om wanneer nodig vier gewapende mannen te zullen leveren, en bezocht tot 1615 meestal de hanzedagen in Wesel en soms die in Lübeck. Het vertegenwoordigde dan ook Wageningen en Hattem.

In 1543, toen het hertogdom Gelre opging in het Habsburgse Rijk, kreeg Arnhem als een van de vier hoofdsteden in Gelre de vestiging van het gerecht en de rekenkamer. Als gevolg van de Tachtigjarige Oorlog werd het hertogdom Gelre gesplitst. De drie noordelijke kwartieren namen deel aan de Unie van Utrecht (1579) en gingen daarna deel uitmaken van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In 1543 komt Gelre in handen van Keizer Karel V. Het is Karel V die de rekenkamer en het Hof van Gelre en Zutphen in Arnhem vestigt waarmee Arnhem vanaf die tijd de facto als hoofdstad beschouwd kan worden. Een officiële status werd in de 19e eeuw toegekend.

Eind november 1813 vonden er in en nabij Arnhem zware gevechten plaats tussen de Franse bezettingsmacht en Pruisische troepen, ondersteund door Russische Kozakken. In 1817 werd het de hoofdstad van de provincie Gelderland in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

Aan het begin van de negentiende eeuw kwam Arnhem wegens het gunstige belastingklimaat in de belangstelling te staan van de gegoede burgerij uit het westen van Nederland. Arnhem groeide snel, en veel huizen uit die tijd getuigen van de rijkdom van de nieuwe bewoners. De nieuwe burgerij van Arnhem bracht overigens wel een belangrijke stimulans in het sociale en culturele leven. De rijke bewoners die uit Den Haag en Amsterdam naar Arnhem waren gekomen hadden behoefte aan de faciliteiten die zij gewend waren. Uit deze tijd stammen dan ook onder andere Musis Sacrum, de Stadsarmenapotheek en het Stedelijk Ziekenhuis.

Rond 1870 werd de migratie naar Arnhem langzaam minder, en ging de stad op zoek naar andere inkomstenbronnen. Door de ontwikkeling van toeristische attracties werd Arnhem in de belangstelling gehouden van de rijken. Er werden congressen en tentoonstellingen georganiseerd, en om het vervoer werd gemoderniseerd met een elektrisch tramnet. Met de Nederlandsche Heidemaatschappij en de Eerste Nederlandse Kunstzijdefabriek Arnhem trok Arnhem een tweetal belangrijke werkgevers naar de stad.

Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw groeide Arnhem sterk. Van 9.000 inwoners in 1820 tot bijna 24.000 in 1859. Ook in de 20e eeuw is Arnhem sterk uitgebreid. In de jaren 1930 werd Arnhem zwaar getroffen tijdens de depressie, maar door de aanleg van nieuwe stadswijken kon er nog enig werk worden gegenereerd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de stad het toneel van de Slag om Arnhem, een historische luchtlanding en veldslag die van 17 tot 25 september 1944 plaatsvond, als onderdeel van Operatie Market Garden. Het is de grootste operatie op Nederlands grondgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het was voor de geallieerden en Nederland grotendeels een mislukking doordat de laatste brug (die bij Arnhem) niet kon worden ingenomen en het westen van Nederland mede hierdoor niet bevrijd kon worden. Hierop kreeg het westen van Nederland te maken met de hongerwinter. Arnhem zelf werd in grote mate door bombardementen van zowel de Duitse als de geallieerde zijde verwoest. Ook werd de stad geplunderd door de Duitse bezetters toen deze de stad in 1944 lieten ontruimen.

Op 12 en 13 april 1945 vond bij de bevrijding van Arnhem een tweede slag plaats die zich concentreerde op de wijk Geitenkamp. Arnhem was eind 1944 op last van de Duitsers geëvacueerd en in de wijk waren dwangarbeiders gevestigd en er woonden ook NSB'ers in de vrijgekomen huizen. De Canadese troepen dachten dat Arnhem flink verdedigd werd en voerden een zwaar artilleriebombardement uit op de Geitenkamp. Onder de bewoners, die wel gewaarschuwd waren maar geen kant op konden, viel een onbekend aantal slachtoffers.

Na de oorlog begon men aan de heropbouw en uitbreiding van de stad. De Tweede Wereldoorlog had grote gaten geslagen in de historische binnenstad. Het Haagje van het Oosten onderging een grote metamorfose. In een drang naar vernieuwing en modernisering werden veel beschadigde gebouwen niet hersteld, maar gesloopt. Daarnaast werden er noodwoningen en noodwinkels gebouwd om aan de allereerste levensbehoeften te voorzien. Het ernstig beschadigde tramnet werd vervangen door een trolleybusnet, een plan dat er voor de oorlog al lag. Maar het was inmiddels noodzaak geworden, omdat de remise en een groot aantal trams onherstelbaar beschadigd waren door de oorlogshandelingen. Op 5 september 1949 werd de eerste trolleylijn, tussen Arnhem en Velp in gebruik genomen.

In de jaren 50 is de wederopbouw in volle gang. In een korte tijd worden veel nieuwe woonwijken gerealiseerd, zoals Malburgen en Presikhaaf. De grenzen van Arnhem worden in het zuiden flink verlegd ten koste van het oppervlak van de gemeenten Huissen en Elst. Midden jaren 60 ontstonden de wijken Immerloo en Het Duifje, waar naast veel rijtjeshuizen ook grote galerijflats werden gebouwd. Een paar jaar later kwamen wat luxere woningen en eengezinswoningen tot stand in de wijken Holthuizen en Vredenburg/Kronenburg. Het dorp Elden grensde steeds meer aan het nieuwe Arnhemse stadsdeel en werd na de jaren 80 zo goed als omringd door de wijken Elderveld, De Laar en Rijkerswoerd. Arnhem wist ook enkele grote bedrijven binnen zijn grenzen te krijgen.

In de jaren 1980 had Arnhem een vrij uitgebreide krakersgemeenschap. Een aantal panden, waaronder het landelijk bekende Hotel Bosch werkte samen aan culturele activiteiten. Ook de posters van Loesje verschenen begin jaren tachtig voor het eerst in Arnhem. In 1989 kwam het in de wijk Klarendal tot een 'volksopstand' tegen de drugsoverlast waar bij politiecharges talloze gewonden vielen. Nadien is in Klarendal veel vernieuwd en verbeterd met onder andere het Modekwartier met talloze winkeltjes.

Aan de noordoostkant van Elden, werd in 1998 het stadion Gelredome gebouwd. In 1999 bestond het Sonsbeekpark 100 jaar en werden omvangrijke renovaties uitgevoerd alsmede werd de 'Steile Tuin' aangelegd. Voorts kwam het Watermuseum (2003) tot stand. In 2004 bouwde ProRail op de spoorlijn Arnhem - Nijmegen station Arnhem Zuid. Sinds 2002 wordt er ten westen van de spoorlijn gebouwd aan de Vinex-wijk Schuytgraaf.

In de jaren negentig werd het verouderde station in Arnhem te klein bevonden en dus werd er besloten tot de bouw van een nieuw station. Het hele stationsgebied werd op de schop genomen, er kwamen kantoortorens en een nieuw busstation waar ook de bekende trolleybussen hun halte hebben. Na een relatief lange bouwtijd (1997-2015) werd de nieuwe OV-terminal van Ben van Berkel, met een capaciteit van 110.000 trein- en busreizigers per dag, op 19 november 2015 feestelijk geopend. Het station heet sindsdien officieel Arnhem Centraal.

Het wapen van Arnhem is blauw van kleur en bestaat uit een zilveren Arend. De bekken en klauwen zijn allemaal goud van kleur. De kroon is goud en bestaat uit vijf bladeren. Het hartschild wordt vastgehouden door twee staande leeuwen van natuurlijke kleur. De leeuwen kijken de toeschouwer aan.

Zegels uit 1281 en daaropvolgende eeuwen vertonen al dubbele adelaars; in de 17e eeuw komt de adelaar op een schild te staan. Als oorsprong van het wapen van Arnhem wordt door historici het wapen van de familie Van Arnhem genoemd. Dat wapen bestond uit een zilveren schild met daarop een rode eenkoppige adelaar. De familie heeft verscheidene hoge functies bekleed aan het hof van verschillende keizers en ook in de raad van de stad Arnhem. Op 20 juli 1816 werd het wapen officieel.

Arnhem ligt in de provincie Gelderland, in het oosten van Nederland. De stad ligt aan de rivier de Nederrijn, de IJssel en de Sint-Jansbeek. De stad ligt op beide oevers van de Rijn. Vooral het zuidelijke stadsdeel heeft zich na de Tweede Wereldoorlog grootschalig ontwikkeld.

In Arnhem stromen verschillende beken. Hoewel de stad in de loop van de eeuwen flink groeide zijn deze beken bewaard gebleven. Naast de Sint-Jansbeek, is er de Klarenbeek en de Molenbeek of Boekhorstbeek, de Klingelbeek of Slijpbeek en de Lichtenbeek. Naast deze natuurlijke wateren kent Arnhem ook een netwerk van sloten, voornamelijk gelegen in de wijk Presikhaaf in Arnhem-Noord en in Arnhem-Zuid. Daarnaast heeft Arnhem een aantal (recreatie-)plassen; een plas in het Arnhemse deel van de Rosandepolder, de Immerlooplas in de wijk Malburgen, een plas ten oosten van Schuytgraaf en verschillende plassen in uiterwaardenpark Meinerswijk. De Rijkerswoerdse Plassen liggen in de gemeente Overbetuwe, maar grenzen aan de wijk De Laar in Arnhem.

Arnhem staat in 2014 op een gedeelde zevende plaats van de groenste steden van Nederland. De aanwezigheid van een aantal grote parken dankt de stad mede aan de ligging aan de zuidrand van de Veluwe. De parken waren tot aan het eind van de 19e eeuw grotendeels als landgoederen in bezit van rijke families (Het Gelders Arcadië). Deze verkochten de landgoederen, toen ze onrendabel werden, vaak aan de gemeente. Het landgoed Zijpendaal grenzend aan het park Sonsbeek kwam pas in 1924 te koop en werd met hulp van ENKA-oprichter Dr. J.C. Hartogs aangekocht. Arnhem kent nu 15 parken. Behalve Sonsbeek en Zijpendaal zijn dat onder meer Park Klarenbeek, Park Presikhaaf en Park Angerenstein.

Arnhem ligt, net als in een groot gedeelte van Nederland, in een gebied met een gematigd zeeklimaat, waarbij de weerpatronen sterk worden beïnvloed door de nabijheid van de Noordzee in het westen en de daarmee gepaard gaande noordwestenwinden en stormen. De wintertemperaturen zijn er mild; gemiddeld boven nul, al is vorst niet ongewoon tijdens vlagen van oostelijke of noordoostelijke wind vanuit het Europese binnenland, zoals uit Scandinavië, Rusland en zelfs Siberië, De zomers zijn er warm, maar zelden heet.

Er worden regelmatig dagen met grote neerslag waargenomen, maar de jaarlijkse neerslag komt niet boven de 800 mm uit. De meeste neerslag valt als aanhoudende motregen of lichte regen. De aanwezigheid van veel waterbekkens zorgt ervoor dat bewolkte en vochtige dagen veel voorkomen, met name in de koelere maanden van oktober tot maart.

De stad Arnhem wordt bestuurlijk verdeeld in 3 stadsdelen: (Arnhem-)Centrum, Arnhem-Noord en Arnhem-Zuid.

Arnhem Centrum is het centrum van Arnhem, ook wel de oude binnenstad, en beslaat het gebied dat vanaf de 10e eeuw tot in de 19de eeuw de stad Arnhem was. Het centrumgebied wordt aan de noord- en oostkant begrensd door de John Frostbrug en de singels, aan de westkant door de Nelson Mandelabrug en aan de zuidkant door de rivier de Rijn. De binnenstad van Arnhem is opgedeeld in 8 kwartieren, elk met een eigen karakter en een eigen icoon. De kwartieren zijn: Rijnkwartier, Rozetkwartier, Musiskwartier, Korenkwartier, Stationskwartier, Eusebiuskwartier, 7 Straatjes (kwartier) en het Janskwartier.

Arnhem-Noord is het gedeelte van Arnhem ten noorden van de rivier de Rijn, met uitzondering van het gedeelte Arnhem-Centrum. De stad Arnhem is ontstaan rond de St. Jansbeek en heeft zich in de 10e eeuw uitgebreid naar het zuiden, naar het huidige centrum. Ten noorden van het stad bevinden zich de toeristische trekpleisters Koninklijke Burgers' Zoo en het Nederlands Openluchtmuseum. Tevens zijn ziekenhuis Rijnstate, Sportcentrum Papendal, ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten en de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen gevestigd in Arnhem-Noord.

Arnhem-Zuid is het gedeelte van Arnhem ten zuiden van de huidige loop van de rivier de Rijn. Arnhem-Zuid telt ongeveer 80.000 inwoners. In Arnhem-Zuid bevindt zich het multifunctionele stadion Gelredome, thuisbasis van Vitesse en grote evenementen, het overdekte Winkelcentrum Kronenburg, de woonboulevard en de historische uiterwaarden Meinerswijk. Arnhem-Zuid heeft een treinstation: station Arnhem Zuid, gelegen tussen de wijken Elderveld, De Laar West en Schuytgraaf.

Op 1 januari 2016 telde Arnhem 155.694 inwoners, waarvan 69% van volledig Nederlandse afkomst is en 31% ten minste één ouder of grootouder heeft die in het buitenland is geboren. Qua inwonertal (na Nijmegen en Apeldoorn) is het de derde gemeente en de tweede stad van Gelderland. Volgens een prognose van de gemeente Arnhem zal dat aantal tot 2030 stijgen tot ongeveer 160.000 inwoners. Met de aangrenzende plaatsen Velp, Elst, Westervoort en Oosterbeek ligt het inwoneraantal momenteel boven de 216.532. Groot Arnhem (De Connectie) is een samenwerkingsverband tussen de gemeente Arnhem, Renkum en Rheden. Door de samenwerking die in 2017 is gestart, raken de gemeenten Renkum en Rheden steeds meer met Arnhem vervlochten.

De laatste groepen instromers hebben geen grote veranderingen gebracht in de segregatie. Gegoede burgers en intelligentsia domineren van oudsher in de Burgemeesterswijk en Hoogkamp, de Singels, Alteveer en Cranevelt, het Spijkerkwartier en sinds de bouw ervan de wijk Schuytgraaf. Mensen met lagere inkomens per gezinslid zijn te vinden in onder andere Klarendal, Het Broek, de Geitenkamp, Presikhaaf, Monnikenhuizen en Malburgen. Middengroepen wonen sinds de bouw in de Elderveld, De Laar, Rijkerswoerd en Vredenburg/Kronenburg.

De stad verandert mee met haar bevolkingsstructuur. Voormalige eenvoudige wijken met kleine en slechte woningen als Klarendal en Presikhaaf gingen door een fase van gentrificatie en hebben nu een sociaal gemengde bevolking.

Arnhem speelt als centrumgemeente een centrale rol in de regio. Dit tabel geeft aan welke gemeenten tot de stadsregio-subregio Arnhem behoren. De tabel gaat uit van de WGR-gebieden. Het aantal inwoners en de oppervlakten zijn in de tabel per WGR-gebied aangegeven.

Anno 2020 is er in Arnhem veel ontwikkeling in technologie en energie. Daarnaast profiteert de stad van de ligging tussen de Randstad en Ruhrgebied. Door de ligging op routes tussen West-Oost en Noord-Zuid-Nederland en dicht bij Duitsland, heeft Arnhem zich kunnen ontwikkelen als handelsregio. De meeste werknemers van bedrijven uit Arnhem, komen uit de Stadsregio Arnhem-Nijmegen en Noordrijn-Westfalen.

De Gelderse hoofdstad is de achtste stad in Nederland met een World Trade Centre-vestiging. Dit WTC is gevestigd bij het centraal station in de blauwe Rijntoren. Atos Origin heeft een kantoor hierin gevestigd. Naast de Rijntoren staat de groene Parktoren. Aan de voet van de beide torens staat het hoofdkantoor van verzekeraarscombinatie Coöperatie VGZ UA. Tevens hebben de Chinese gemeenten Yichang en Wuhan hun handelspost in de WTC-toren. Ook Granch Biopack Europe uit Wuhan, gespecialiseerd in biologisch afbreekbare verpakkingen, nam zijn intrek in het WTC.

De stad kent onder meer een meubelboulevard en vijf industrieterreinen: Kleefse Waard, Het Broek, IJsseloord I en II en Overmaat. Daarnaast is er het parkachtige bedrijventerrein Arnhems Buiten, het voormalige KEMA-terrein, dat ruimte biedt aan onder andere het kantoor van DNV, het hoofdkantoor van de beheerder van energienetten TenneT en vestigingen van Nuon en NRG. De KEMA Laboratories is het grootste commerciële laboratorium ter wereld, voor het testen van elektrische apparatuur. Industriepark Kleefse Waard biedt ruimte aan onder andere het hoofdkantoor van Teijin Aramid en Vestas Benelux. Daarnaast hebben onder andere AkzoNobel, DNV GL Energy, General Electric Energy Europe en Accsys Technologies hun productiecentrum op het industriepark.

Bekende ondernemingen en instellingen in de stad zijn onder meer netwerkbedrijf Alliander, DEKRA, Essent, OHRA, Arcadis, CITO, Ballast Nedam, CCV Group, KPMG, ING, Beslist.nl, Oliecentrale Nederland (Shell), TÜV Rheinland, EIFFEL, Kamer van Koophandel, IrisZorg, het UWV, Gelders Archief, Koninklijke Burgers' Zoo en Nederlands Openluchtmuseum. Een van de grootste werkgevers is ziekenhuis Rijnstate met meer dan 5000 werknemers. Tevens is Arnhem zetel van de rechtbank Gelderland, het Ministerie van Justitie, Rijkswaterstaat Oost-Nederland en de landelijke militaire kamer. Ook de luchtmobiele brigade is gelegerd in de provinciehoofdstad.

Sportcentrum Papendal is een vestigingsplaats van een aantal nationale verenigingen, stichtingen en instellingen, zoals: de Atletiekunie, Sport Medisch Centrum Papendal en De Gelderse Sportfederatie. Tevens is Papendal de vaste thuisbasis van de Nederlandse sportorganisatie NOC*NSF. Bij het NOC*NSF zijn 90 landelijke sportorganisaties aangesloten. Het organisatie treedt zowel op als Nationaal Olympisch Comité als Nationaal Paralympisch Comité.

Arnhem heeft ook een winkelgebied: in Arnhem-Centrum vindt men de Ketelstraat, Roggestraat, Vijzelstraat, Rijnstraat, Koningsstraat, Bakkersstraat en de Jansstraat. Op loopafstand van de binnenstad is het Modekwartier gevestigd. Hier bevinden zich in 2013 vijftig winkels en zeventig bedrijfsruimten op het gebied van mode en design. De Steenstraat en de Hommelseweg vormen samen het centrum van de Turkse gemeenschap in Arnhem.

Daarnaast heeft Arnhem een aantal overdekte winkelcentra, zoals het Winkelcentrum Kronenburg in Kronenburg (Arnhem-Zuid). Het winkelcentrum Presikhaaf gold in 1971 op een tentoonstelling in Parijs als het modernste winkelcentrum van Europa.

Door zijn centrale ligging in oostelijk Nederland is Arnhem een knooppunt voor verkeer via weg, water en later het spoor.

Er lopen diverse provinciale en rijkswegen door en langs Arnhem en rond de binnenstad ligt een Centrumring. Deze ringweg heeft een lengte van 3,3 kilometer en is hiermee een van de kortste (centrum)ringwegen in Nederland. De centrumring is deels eenrichtingsverkeer tegen de klok in.

De rivier de Rijn loopt vanuit Duitsland, door Arnhem, naar Rotterdam. Vanuit Arnhem loopt de rivier de IJssel ook richting het noorden, onder meer naar Zutphen. Aan de zuidoever van de Rijn ligt een haven voor de pleziervaart en in de haven liggen verschillende rondvaartboten die vanuit Arnhem de IJssel en de Neder-Rijn bevaren. Aan de Nieuwe Haven heeft zich het industrieterrein Kleefse Waard ontwikkeld, met onder meer een vestiging van AkzoNobel. De Sint-Jansbeek is een waterloop die van de heuvels van Park Zypendaal door Park Sonsbeek en de Arnhemse binnenstad naar de rivier de Rijn stroomt. Aan de rand van park Angerenstein in Arnhem-Noord ontspringt de Julianabeek.

Arnhem heeft vier bruggen over de Rijn: de John Frostbrug, Nelson Mandelabrug, Andrej Sacharovbrug en de spoorbrug Oosterbeek. Er zijn twee bruggen over de rivier de IJssel: de Westervoortse brug, die loopt van industrieterrein Kleefse Waard naar Westervoort, en een brug waar de A12 vanaf knooppunt Velperbroek richting Oberhausen loopt. Aan de Arnhemse zijde van de Westervoortsebrug bevindt zich het uit 1865 stammende Fort Westervoort.

Het RijnWaalpad is een 17 km lange fietssnelweg en verbindt Arnhem met Nijmegen. Het is de eerste snelfietsroute van de regio. In 2018 werd de tweede snelfietsroute geopend en verbindt Arnhem met Wageningen.

Het openbaar vervoer in Arnhem wordt gekenmerkt door het plaatselijke trolleybusnet, het enige nog bestaande trolleybusnetwerk in de Benelux en een van de grootste in West-Europa. De stad kende in het verleden een tramnet, maar na de Tweede Wereldoorlog kwamen de trams niet meer terug. Vanaf 1949 ging Arnhem over op trolleybussen. Hoewel voor de overige stadslijnen en het regionale busverkeer CNG-bussen worden gebruikt, maken de belangrijkste stadsbuslijnen in Arnhem gebruik van de trolleybus. Vanuit Arnhem Centraal rijden trolleybussen door de hele stad en naar Oosterbeek en Velp. Het busstation ligt op het Stationsplein bij het centraal station in het centrum. Vanaf medio december 2009 hebben de bussen een nieuwe huisstijl gekregen en rijden ze onder de naam Breng.Naast het busvervoer heeft Arnhem vier treinstations: Arnhem Centraal (sinds 1845), Arnhem Velperpoort (sinds 1953), Arnhem Presikhaaf (sinds 1969) en Arnhem Zuid (sinds 2005). Sinds december 2014 is Arnhem aangesloten op het Nachtnet van de NS. Het centraal station vormt een belangrijk knooppunt van openbaar vervoer in Oost-Nederland en in het spoorwegverkeer met Duitsland. Bovendien is het een overstapknooppunt voor het stads- en streekvervoer in Gelderland.

Arnhem Centraal is een halteplaats voor een aantal internationale buslijnen van verschillende maatschappijen zoals Eurolines, Flixbus (Meinfernbus). De parkeerplaats van de Rijnhal is jarenlang een vaste opstapplaats voor vakantiebussen van reisorganisaties zoals Sundio Group en Solmar Tours.

Arnhem heeft een eigen vliegbasis: Vliegbasis Deelen, dat iets ten noorden van de stad ligt. Na de bevrijding werd het een vliegbasis van de Koninklijke Luchtmacht. Deelen wordt sinds 1995 alleen nog tijdens oefeningen gebruikt. Een ander vliegveld is Nationaal Zweefvliegcentrum Terlet, dat bedoeld is voor zweefvliegtuigen. Naast enkele zweefvliegclubs is op het vliegveld het Service Center Terlet gevestigd, hier kan men terecht voor onderhoud en keuringen van zweefvliegtuigen.

De verlegging van de Rijn onder Karel van Gelre in de 16e eeuw zorgde voor betere handel voor de stad. De eerste havenkraan werd gebouwd in 1449 aan de Oude Haven. In 1526 en 1569 werd deze vervangen. Doordat de Oude Haven vlak voor de verlegging gelegen is, hoefde deze niet te verhuizen toen de Rijn verlegd werd. In 1603 werd aan de oostkant van de stad de Nieuwe Haven aangelegd, inclusief een nieuwe kraan in 1610. In 1782 werd de oude kraan, die in een gemetseld gebouw stond, vervangen door een nieuw, houten model met een tredmolen. In 1824 werd de houten kraan vervangen door een ijzeren stoomhijskraan, die tot aan de Tweede Wereldoorlog dienst bleef doen.

Sinds het jaar 1813 is Arnhem de provinciehoofdstad van Gelderland. Al in de vroege 14e eeuw speelt de stad een centrale rol in wat toen het Hertogdom Gelre was. In die periode kreeg Arnhem de beschikking over een rekenkamer en een rechtscollege. In 1579 werd de stad officieel de hoofdstad van Gelre. In 1585 ging Arnhem, als hoofdstad van het gewest Gelre, bij de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden horen. Als in 1813 het Koninkrijk der Nederlanden ontstaat, is het dan ook bijna logisch dat Arnhem de hoofdstad van de provincie Gelderland wordt.

De provincie Gelderland wordt bestuurd vanuit het provinciehuis (ook wel Huis der Provincie of Het Gelders Huis genoemd) aan de Grote Markt van Arnhem.

De gemeente Arnhem omvat naast de gelijknamige stad de dorpen Elden en Schaarsbergen, de buurtschappen De Praets en 't Vlot, en delen van de buurtschappen Terlet en Deelen. De dorpen worden echter als volwaardige stadswijken gezien.

Hieronder de behaalde zetels per partij bij de gemeenteraadsverkiezingen sinds 1994 (collegepartijen vetgedrukt):

Het college van burgemeester en wethouders voor de periode 2018-2022 wordt gevormd door een coalitie van GroenLinks, D66, PvdA en de VVD. Ahmed Marcouch (PvdA) is sinds september 2017 burgemeester van Arnhem.

Eind 2017 kwam er een onafhankelijk rapport naar buiten over de verziekte bestuurscultuur in Arnhem. De Arnhemse gemeenteraad is zeer kritisch over het functioneren van twee wethouders van SP en D66. Dit bleek ook invloed te hebben op de gemeenteraadsverkiezingen in 2018. Met het verlies van de twee grootste partijen in het college, kiezen de inwoners voor verandering. GroenLinks profiteert daarvan en is met 7 zetels de grootste partij in de nieuwe gemeenteraad.

De volgende personen maken deel uit van het bestuur:

Arnhem heeft zusterbanden met de volgende steden:

Rijnstate is een algemeen ziekenhuis in de regio Arnhem. De hoofdvestiging van het ziekenhuis bevindt zich in Arnhem-Noord. In Velp, Zevenaar en Arnhem-Zuid (polikliniek met laboratorium en diverse paramedische instellingen) bevinden zich nevenlocaties. Er werken bijna 4.300 personen, verdeeld over 5 locaties. Het heeft een verzorgingsgebied van circa 450.000 inwoners. Het ziekenhuis heeft een opleidingsstatus voor 21 medisch-specialistische opleidingen en voor klinische chemie, klinische farmacie, spoedeisende geneeskunde en klinische psychologie.

Vroeger bezat Arnhem drie ziekenhuizen: het Gemeenteziekenhuis (met Irene kinderziekenhuis), het St. Elisabeth Gasthuis en
het Diaconessenziekenhuis. In 1986 fuseerden het St. Elisabeths Gasthuis en het Gemeenteziekenhuis tot De Malberg. Na de fusie met het Diaconessenhuis in 1988 ontstond het Ziekenhuis Rijnstate, met 843 bedden en met 5.300 medewerkers. In 2001 fuseerden Ziekenhuis Rijnstate Arnhem, Ziekenhuis Velp, Ziekenhuis Zevenaar en twee verpleeghuizen tot de Alysis Zorggroep. Op 1 januari 2011 zijn de verpleeghuizen uit Alysis getreden en zelfstandig verdergegaan. De ziekenhuizen gingen verder onder de naam Rijnstate.

In de 19e eeuw ontstond de Johanna KinderFonds in de bossen van Arnhem-Noord, waar dichtbij in de jaren 1960 door de tv-actie van Mies Bouwman en Arie Klapwijk een woongemeenschap voor gehandicapten uit voortkwam (Het Dorp). Later is daar door fusies het revalidatiecentrum Klimmendaal bijgekomen. In de bossen vlak bij Papendal ligt vakantieoord Stichting Bio Kinderrevalidatie wat oorspronkelijk ook als revalidatiecentrum begon en dat nu een regionale mytylschool en een vakantiepark voor gezinnen met (meervoudig) gehandicapte kinderen, plus een manege omvat.

De brandweer heeft een kazerne aan de Rietgrachtstraat (uitrit aan de Eusebiusbuitensingel) voor Arnhem-Centrum, Arnhem-Noord en Westervoort. Een kleinere kazerne staat aan de Groningensingel, in de wijk Vredenburg. De ambulance heeft haar hoofdpost aan de Meander (industrieterrein IJsseloord2) en een dependance op de brandweerkazerne aan de Rietgrachtstraat. De Meldkamer van de Ambulance en Brandweer zijn gevestigd in de Gezamenlijke MeldKamer van de Regio in het politiebureau aan de Beekstraat in Arnhem. In Arnhem-Noord bevindt zich het hoofdbureau van de nationale politieregio Oost-Nederland.

In het centrum staat het Paleis van Justitie. Arnhem heeft één gevangenis: de penitentiaire inrichting Arnhem-Zuid, bekend als de bluebandbajes vanwege het blauwe randje op het gebouw, in de wijk Malburgen-Immerloo. In Arnhem-Noord fungeerde de Koepel , officieel: penitentiaire inrichting De Berg tot 2013 als gevangenis.

De stad telt meerdere theaters, waarvan het Stadstheater Arnhem het belangrijkste is. Dit theater doet dienst als schouwburg en als concertzaal. Musis Sacrum op het Velperplein is het vaste concertgebouw van Phion, het orkest van Gelderland en Overijssel. Theater aan de Rijn, KAB Posttheater, Huis van Puck, Theater Het hof, Theater aan de Rijn, Theater Huis Oostpool, Theater de Plaats en Theater de Leeuw zijn kleinere podia. Toneelgroep Oostpool is een van de vier grotere toneelgezelschappen van Nederland. Net als Phion, Philharmonie Gelre en het professionele dansgezelschap Introdans is Oostpool gevestigd in Arnhem. Arnhem heeft ook twee theaterfestivals: Hoogte 80 en Sonsbeek Theatre Avenue.

Luxor Live is een centrum voor popmuziek in Arnhem, met Willemeen en de Jacobiberg als kleinere podia voor amateurs en beginnende bandjes. Ook zijn er veel concerten in het GelreDome met een capaciteit voor 40.000 bezoekers. Filmhuizen in de stad zijn Focus filmtheater en de bioscopen Vue Eurocinema en Pathé Arnhem.

Centraal gelegen in de stad bevinden zich de Korenmarkt en de Varkensstraat met voornamelijk grand cafés, discotheken, clubs en grote terrassen. De Korenbeurs is omgebouwd tot een vanaf 2019 dagelijks geopende foodhal. Aan de zuidkant van het centrum ligt de Rijnkade, ingericht met terrassen tijdens de zomermaanden. Ook op het Jansplein, Willemsplein, Audrey Hepburnplein en het Jonas Daniël Meijerplaats bevinden zich onder meer enkele restaurants en cafés. Bij het Centraal Station op het Stationsplein zijn grand cafés, terrassen, restaurants en een bioscoop te vinden, net als op het Velperplein.

De Prostitutie in Arnhem bestond uit raamprostitutie in en rond het Spijkerkwartier, maar in 2006 liet de gemeente al deze ramen sluiten. Daarnaast is er een officiële tippelzone aan de Oude Veerweg.

Een lokale lekkernij, verbonden met de naam Arnhem, maar ook bekend buiten de stad, zijn de Arnhemse Meisjes. Arnhemse Meisjes zijn ovale hardgebakken koekjes van bladerdeeg die rijkelijk zijn bestrooid met suiker. De koekjes werden voor het eerst gebakken in 1829 door de Arnhemse bakker Hagdorn. Toen Roald Dahl in Arnhem was, vond hij deze lekkernij zo lekker dat hij met de bakker had afgesproken het geheime recept van de Arnhemse Meisjes te krijgen.

Als gevolg van Operatie Market Garden en de Slag om Arnhem trekt de stad veel geïnteresseerden in de Tweede Wereldoorlog. Doordat de belangstelling, in het bijzonder van de westerse wereld, voor de slag groot is, zijn er verschillende films, documentaires, computergames, museums en exposities verschenen over De Slag en Operatie Market Garden in de regio Arnhem. Het bekendste museum over De Slag is het Airborne Museum. Het museum is gevestigd in het voormalige hoofdkwartier van de Britse troepen tijdens de slag. Het museum bevat naast de tentoongestelde collectie tevens de met prijzen bekroonde Airborne Experience, waar bezoekers zelf in de voetsporen treden van een soldaat. Vanuit het informatiecentrum Airborne at the Bridge, aan de Arnhemse Rijnkade, kijken de bezoekers uit over de John Frostbrug, waar zo hard om is gestreden.

De Liberation Route is een route die de geallieerden volgden tijdens de bevrijding van Europa. De route loopt van Normandië via Arnhem over de Zuid-Veluwe richting Berlijn. In 2008 werd in Nederland begonnen met het zichtbaar maken van een deel van de Liberation Route aan de hand van zogeheten luisterplekken. Per regio zijn speciale routes uitgezet voor wandelaars, fietsers en auto's en er is een mobiele app beschikbaar.

Verschillende delen van Arnhem zijn een beschermd stadsgezicht: Geitenkamp, Mussenberg, Patrimoniumbuurt-Vogelwijk, Sonsbeekkwartier-Noord, Sonsbeekpark e.o., Spijkerkwartier / Boulevardkwartier en Van Verschuerwijk. Verder zijn er in Arnhem honderden rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, en een aantal oorlogsmonumenten.

De Grote of Eusebiuskerk vormt sinds de 15e-16e eeuw het middelpunt van Arnhem. De Eusebius is bekend als een voorbeeld van de laatgotiek in Nederland. Vooral de overvloed aan beeldhouwwerk, zowel binnen als buiten, is uniek. De belangrijkste bouwheer van de Eusebiuskerk was Karel van Egmond, hertog van Gelre en graaf van Zutphen (1467-1538). Zijn praalgraf bevindt zich in de kerkzaal, evenals zijn wapenrusting wat tevens het oudste harnas van Nederland is. In de kerkzaal staan meer historische objecten zoals de Salvatorklok uit 1539, een 16e-eeuws freco, de spreekstoel en het Strumphlerorgel. Vanuit de kerkzaal zijn de fundamenten van de voorloper van de Eusebius te bezoeken (de St. Maartenskerk uit 1000-1100) en de grafkelders met onder andere de skeletten van drie neven van Willem van Oranje. De toren van de Eusebius beschikt over een panoramalift.

Het grootste museum in Arnhem is het Nederlands Openluchtmuseum. Het museum geeft een beeld van het leven in Nederland gedurende de laatste eeuwen. In 1996 werd een tramlijn op het museumterrein aangelegd. Dankzij deze ringlijn kunnen ook bezoekers die minder goed ter been zijn gemakkelijker de verder van de hoofdingang gelegen delen van het museum bezoeken. Een replica van een kwart van de in 1944 verwoeste Arnhemse tramremise werd gebouwd. Ook een Arnhemse tram uit 1929 werd gereconstrueerd. Deze kwam in 1998 in gebruik. Het museum biedt sinds 2017 een tentoonstelling rond de Canon van Nederland.

Andere diverse musea, exposities en instellingen in Arnhem zijn:

In Arnhem worden elk jaar verschillende evenementen verspreid over de stad gehouden. Een aantal vindt plaats in het centrum, op de Grote Markt, Park Sonsbeek, Stadsblokken-Meinerswijk en in het GelreDome.

Arnhem is samen met Amsterdam en Utrecht een van de grootste en populairste steden van Nederland voor Koningsnacht en Koningsdag festiviteiten. Veelal komen er gemiddeld een half miljoen feestvierders naar de hoofdstad. Om de drukte in de stad te verminderen worden er evenementen op diverse locaties in het centrum georganiseerd. Volgens traditie worden de Koningsdag festiviteiten afgesloten met een groots vuurwerk ontstoken vanaf de Rijn.

Jaarlijks trekt de internationale herdenking, tijdens de herdenkingsweek, bij het monument op het Airborneplein duizenden bezoekers naar het centrum van Arnhem. Tijdens de officiële herdenking worden alle geallieerden herdacht, die gesneuveld zijn bij hun pogingen om de brug over de Rijn (de John Frostbrug) te veroveren en te behouden in de periode 17-26 september 1944. Na de herdenking op het Airborneplein, vindt The Bridge to Liberation plaats bij de John Frostbrug. Duizenden mensen worden meegenomen in het verhaal van de Slag om Arnhem met beeld en muziek van Het Gelders Orkest en bekende Nederlandse artiesten. In de herdenkingsweek zijn er herdenkingen en evenementen in de regio, waarbij stil wordt gestaan bij de Slag om Arnhem.

In Park Sonsbeek wordt elke zomer vanaf einde mei tot einde augustus op zondagmiddagen Park Open georganiseerd, een serie van gratis culturele evenementen met theater, muziek en dans. In augustus wordt de serie afgesloten met een vierdaags festival Sonsbeek Theater Avenue. Tevens zijn in het park in de zomermaanden om de zoveel jaar de Sonsbeek-beeldententoonstellingen te bezichtigen.

In en rondom Arnhem zijn 

Park Sonsbeek, Stadsblokken-Meinerswijk en Nationaal Park De Hoge Veluwe te vinden. Het Nationaal Park Veluwezoom is daarnaast een heuvelachtige gebied en bestaat grotendeels uit gevarieerd bos, heide, en een enkele zandverstuiving. Centraal in dithet nationaal park ligt het bekende uitzichtpunt de Posbank. Het dorp Schaarsbergen markeert de overgang tussen het stedelijke gebied van Arnhem en de natuurgebieden van de Veluwe, Schuytgraaf ligt in de streek Over-Betuwe. Het is een landelijke streek met veel vee- en fruitteelt en boomkwekerijen. Het gebied grenst zich tegen de uiterwaarden van de Nederrijn. Aan de overkant van de Nederrijn heeft men zicht op de Veluwse stuwwal, die gevormd is in de voorlaatste ijstijd. De omgeving is erg bosrijk. Op de stuwwal bevinden zich de Valkeniersbossen, de Westerbouwing en Landgoed Duno.

Arnhem is door zijn ligging aan de Nederrijn en IJssel ook een rivierenlandschap. Bekendste recreatiegebieden zijn de Rijkerswoerdse Plassen en de Lathumse plas.

Koninklijke Burgers' Zoo is een dierentuin in Arnhem-Noord. Met bijna 1,5 miljoen bezoekers in 2013 is de Arnhemse Zoo de meest bezochte attractie in Gelderland. Landelijk is Burgers' Zoo de op vier na best bezochte attractie in Nederland.

De Oranjekazerne, ook aangeduid als Complex Schaarsbergen, is een militaire kazerne gelegen in een bos- en heiderijke omgeving ten noorden van Arnhem. Het complex is in gebruik bij de Luchtmobiele Brigade. De kazerne is gelegen in een uitgestrekt, bos- en heiderijk gebied van (voormalige) militaire complexen en oefenterreinen rondom de Koningsweg, dat zich uitstrekt vanaf het noordelijker gelegen vliegveld Deelen en het Nationaal Park De Hoge Veluwe, tot aan de zuidelijk gelegen Rijksweg 12. De helikopters van de Koninklijke Luchtmacht bezoeken vliegveld Deelen regelmatig voor training voor uitzending van het Koninklijke Landmacht personeel van de Luchtmobiele Brigade. Tevens vindt ook de afstemming van het KL personeel plaats op de operaties met de KLu tactische aanvals- en transporthelicopters. MLT Deelen ligt even ten noorden van de Gemeente Arnhem, waar 11 en 12 Luchtmobiele bataljon in de Oranjekazerne zijn gelegerd, en ligt op korte afstand van de oefenterreinen Ederheide en Ginkelse Heide.

De Willemskazerne was meer dan honderd jaar de garnizoensplaats van de Gele Rijders. Voor het gebouw ontstond een plein, dat in 1855 de naam Willemsplein kreeg. Het einde van de Willemskazerne kwam in de Tweede Wereldoorlog. Vlak voor de Slag om Arnhem werden belangrijke posities van de Duitse troepen door de geallieerden gebombardeerd. De kazerne viel hieronder en na de bombardementen bleef er weinig over van de kazerne. De restanten van de kazerne werden na de Tweede Wereldoorlog weggehaald, waarna een parkeerplaats op de locatie kwam te liggen. Het gedeelte van het Willemsplein dat direct voor de kazerne lag, werd omgedoopt tot het Gele Rijders Plein. Op het plein staat het ruiterstandbeeld de Gele Rijder. Dit standbeeld is ter herinnering aan het korps Gele Rijders dat gelegerd was in de Willemskazerne. Na de heroprichting van het korps begin jaren zestig, waren ze gelegerd in de Oranjekazerne. Daarna verhuisden de Rijders naar de Saksen Weimarkazerne om ruimte te bieden aan de Luchtmobiele Brigade. In 1999 verliet de inmiddels fors gedecimeerde artillerie de stad voor een kazerne in 't Harde.

De Hogeschool van Arnhem en Nijmegen is een van de hogescholen van Nederland en verzorgt hbo-opleidingen. Internationaal afficheert de school zich onder de naam HAN University of Applied Sciences. ArtEZ is eveneens gevestigd in Arnhem. Artez is een hogeschool voor de kunsten waar men een opleiding kan volgen in de muziek, theater/dans, bouwkunst en beeldende kunst. De academie heeft een goede reputatie op het gebied van modevormgeving, interaction design en grafische vormgeving en biedt ook een postacademische vervolgopleiding. Artez heeft drie locaties in Arnhem. ArtEZ hogeschool voor de kunsten en het ArtEZ Conservatorium bevinden zich vlak bij het centraal station. ArtEZ Fashion Masters en DAI heeft een vestiging in de Kortestraat en de werkplaats typografie in de Agnietenplaats. Hogeschool Van Hall Larenstein (Velp) is een van de drie hogescholen in de regio Arnhem.

Daarnaast zijn er in Arnhem een aantal middelbare scholen, waaronder het Lorentz Lyceum het Olympus College en het Stedelijk Gymnasium Arnhem. Daarnaast zijn er in de wijk Presikhaaf naast de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, de mbo-instellingen ROC Rijn IJssel en ROC A12 gevestigd. Particuliere Hoger hbo-instellingen in Arnhem zijn onder meer HBO Nederland en het Luzac College. Ook huisvest Arnhem een Internationale school voor primary en secundary onderwijs in de wijk Schuytgraaf. Op sportcomplex Valkenhuizen, aan de Beukenlaan, in Arnhem-Noord en op Papendal zijn er locaties van het CIOS gevestigd. Het opleidingsinstituut dient als vooropleiding voor de Academie voor Lichamelijke Opvoeding.

De Gelderlander is een regionale ochtendkrant die verschijnt in het grootste gedeelte van Gelderland. De krant is eigendom van krantenconcern Wegener. De Gelderlander had tot de jaren vijftig een uitgesproken rooms-katholiek karakter. In die jaren kwam daar enige verandering in en ging de krant zich richten op een breder publiek.

De Arnhemse Koerier is een lokaal nieuwsmedium voor Arnhem en omgeving. De provinciale Omroep Gelderland en de lokale omroep RTV Arnhem berichten verder veelvuldig over Arnhem.

Binnen Arnhem zijn vele vormen van sportbeoefening mogelijk. Op internationaal en nationaal niveau heeft Arnhem onder meer voetbalclub SBV Vitesse. De club won de KNVB Beker in 2017. De thuisbasis is het GelreDome. In dit stadion worden naast voetbalwedstrijden ook speciale evenementen georganiseerd, zoals interlandwedstrijden van het Nederlands voetbalelftal, het Europees kampioenschap voetbal 2000 en het EK voetbal onder 21 in 2007. De Arnhemse voetbalclub is in 1892 opgericht en komt uit in de Nederlandse Eredivisie. Andere bekende sportverenigingen uit Arnhem zijn de American Footballclub Arnhem Falcons en de korfbalvereniging Oost-Arnhem. Arnhem Falcons komt uit in de Eredivisie en heeft haar thuisbasis op sportpark 't Cranevelt. Oost-Arnhem speelt topkorfbal, werd driemaal Nederlands kampioen in de zaal en eenmaal op het veld en heeft haar thuisbasis op sportpark De Paasberg. In 1988 en 1989 won Oost-Arnhem de Europa Cup voor clubs.

In 1911, 1974 en 1975 was de stad gastheer van de NK Atletiek. Tijdens de Olympische Zomerspelen 1928 in Amsterdam was Monnikenhuize het stadion waar de voetbalwedstrijd Chili - Mexico werd gespeeld. In 2018 werd in Arnhem het wereldkampioenschap inline-skaten gehouden.

In 2017 werd Arnhem door de European Capitals and Cities of Sport Federation (ACES Europe) uitgeroepen tot de ‘European City of Sports’. De erkenning ging naar de Gelderse hoofdstad, omdat Arnhem volgens de organisatie door middel van sport en beweging zich inzet voor een gezonde stad. In 2011 werd Arnhem al uitgeroepen tot Nederlandse sportgemeente van het jaar.

Aan de rand van Arnhem ligt Sportcentrum Papendal, een groot sportcentrum met faciliteiten voor verschillende topsporten. Zo is er destijds de eerste kunststof atletiekbaan van Nederland aangelegd en is er een 18-holes golfbaan. Papendal wordt regelmatig door topsporters en atleten gebruikt als trainingsfaciliteit. Het kantoor van het NOC*NSF is op Papendal gevestigd. Nadat de Sovjet-Unie afzag van het organiseren van de Olympische Spelen voor gehandicapten, werd Arnhem in 1980 de gastheer van de zesde Paralympische Spelen op Papendal. Ook werd er tussen 1975 en 2008 de Papendal Games georganiseerd, een van de grootste atletiekwedstrijden van Nederland. De wedstrijd is van oudsher al een van de laatste mogelijkheden voor Nederlandse atleten om zich te kwalificeren voor grote internationale toernooien. In de voorbereiding voor de Olympische Zomerspelen 2012 werd op Papendal een replica gemaakt, door het NOC*NSF, van een BMX parcours. In 2016 is de baan aangepast naar het ontwerp voor de Spelen in Rio de Janeiro. Sinds 2012 wordt er jaarlijks de UCI BMX Supercross World Cup gehouden. De BMX Supercross World Cup 2017 op Papendal werd, net als in 2013, door de internationale wielerbond UCI uitgeroepen tot het beste event van de BMX World Cup Serie.

Tot in de jaren zeventig werd de Rijnhal voornamelijk gebruikt als sportcentrum en was het decor van spring- (paardensport), zaalvoetbal, tennis en vechtsporten. In 1995 won Nederland het EK volleybal voor vrouwen, wat plaatsvond in de Rijnhal. Ook werden er vele concerten gegeven door (inter)nationale artiesten. Op 1 juni 2015 ging de hal definitief dicht. Het grootwinkelbedrijf in sport- en vrijetijdsartikelen Decathlon werd de nieuwe eigenaar van het gebouw. In 2017 opende Mountain Network, in een leegstaand gedeelte van de Rijnhal, de grootste bouldercentra van Nederland, genaamd RijnBoulder.

Arnhem is zowel nationaal als internationaal bekend als locatie van wielerevenementen. In 2016 begon de Giro d'Italia in Gelderland. Er voerden drie etappes van de Giro door Gelderse provincie. De eerste was in Apeldoorn en de tweede en derde voerden van Arnhem naar Nijmegen en vice versa. Beide hadden een lengte van zo'n 190 kilometer. Op 8 mei 2016 ging de derde etappe van de Giro d'Italia over de Posbank. Arnhemmer Maarten Tjallingii kwam als eerste boven en veroverde daarmee de blauwe bergtrui. De stad fungeerde in 2018 als startplaats van de Boels Ladies Tour.

In de jaarlijkse wielerwedstrijd Veenendaal-Veenendaal Classic (voorheen Dutch Food Valley Classic en Arnhem-Veenendaal) vormen Arnhem en de Posbank een belangrijke obstakel. De wedstrijd maakte deel uit van de UCI Europe Tour, in de categorie 1.1.

Ome Joop's Tour is de jaarlijkse Arnhemse fietstour van tien dagen voor jongens en meisjes in de leeftijd vanaf 10 jaar. Voorwaarde is dat het kind nog op de basisschool zit en verder geen vakantiemogelijkheid heeft.

Arnhem heeft de afgelopen jaren diverse prijzen gewonnen.




#Article 55: Azië (554 words)


Azië is het grootste werelddeel op de planeet Aarde. Aan de westkant grenst het aan Europa en Afrika, in het noorden aan de Noordelijke IJszee, in het oosten en zuidoosten aan de Grote Oceaan en in het zuiden aan de Indische Oceaan. In het jaar 2006 telde het continent circa 3,97 miljard inwoners, ofwel 61% van de totale wereldbevolking (6,5 miljard). Azië, met een oppervlakte van 43.810.000 km², bedekt

Het continent Azië wordt gedefinieerd door het binnen de Afrika-Euraziatische landmassa te onderscheiden van Europa en Afrika. De precieze grenzen van het continent zijn vaag (met name voor niet-cartografen). Azië en Afrika zijn van elkaar gescheiden door het Suezkanaal (Landengte van Suez). De grens tussen Europa en Azië loopt grofweg via de Dardanellen, de Zee van Marmara, de Bosporus, de Zwarte Zee, het Kaukasusgebergte (niet geheel onomstreden, sommigen plaatsen de lijn via de Koema-Manytsjlaagte), de Kaspische Zee, de Oeralrivier (volgens anderen de rivier de Emba) en het Oeralgebergte naar Nova Zembla.

Azië kan zelf beschouwd worden als een subregio van het grotere Euraziatische continent. De onderverdeling van Azië in regio's is niet helemaal rechtlijnig omdat er geen consensus over is, hieronder is een grove onderverdeling van Azië in verschillende subregio's:

Deze term wordt bijna nooit gebruikt door geografen en refereert meestal aan het Aziatische gedeelte van Rusland, ook wel bekend als Siberië en het Russische Verre Oosten. Soms worden ook de noordelijke delen van andere Aziatische landen zoals Kazachstan hieronder gerekend.

Normaal gesproken worden met Centraal-Azië de volgende gebieden bedoeld:

Soms worden ook Afghanistan, Mongolië en de West-Chinese regio Sinkiang hiertoe gerekend. Het gebied in Centraal-Azië dat vroeger deel uitmaakte van het Keizerrijk Rusland wordt in Rusland ook wel Midden-Azië genoemd.

Hiermee wordt vaak bedoeld Oost-Azië gecombineerd met Zuidoost-Azië en het oostelijke gedeelte van Rusland aan de Grote Oceaan (het Russische Verre Oosten).

Normaal gesproken worden met Oost-Azië de volgende gebieden bedoeld:

Soms worden ook Mongolië en Vietnam bij deze regio's ingedeeld.

Normaal gesproken worden met Zuidoost-Azië de volgende gebieden bedoeld:

Het omvat de landen Myanmar, Thailand, Laos, Cambodja, Vietnam (alle op het vasteland gelegen), de Filipijnen, Singapore, Indonesië, Brunei en Oost-Timor (eilandnaties) en Maleisië. Maleisië wordt door de Zuid-Chinese Zee in tweeën gedeeld en ligt zowel op het vasteland als op de eilanden.

Aan Zuid-Azië wordt ook wel gerefereerd als het Indisch subcontinent. Hierop liggen de volgende landen: India, Pakistan, Nepal, Bhutan, Bangladesh (op het vasteland), Sri Lanka en de Maldiven (eilandnaties). Hoewel het grootste deel van Afghanistan niet op dit subcontinent ligt, wordt ook dat land vaak tot Zuid-Azië gerekend.

Zuidwest-Azië, ook wel West-Azië genoemd, wordt normaal gesproken aangeduid met de niet-geografische term Midden-Oosten. Onder deze term vallen soms ook de Arabische landen in Noord-Afrika.

Normaal gesproken worden met Zuidwest-Azië de volgende gebieden bedoeld:

Tot Azië behoren de volgende gebieden (alfabetisch):

In Azië worden vele religies beleden. De grootste religies zijn het hindoeïsme, de islam en de traditionele Chinese godsdienst. In Oost-Azië is het syncretisme wijdverbreid. In West-Azië zijn de islam en het Oosters christendom de voornaamste religies. De positie van de staatsreligie is verschillend: in sommige landen is er een staatsgodsdienst, terwijl andere landen officieel atheïstisch zijn. Religies hebben een diepgaande invloed op de houding van Azië en hebben invloed op alle aspecten van het leven. Vaak worden politieke kandidaten volgens de religie gekozen. Religie wordt in Azië door het nationalisme misbruikt.




#Article 56: Albert Van Dyck (189 words)


Albert Van Dyck (Turnhout, 1902 - Antwerpen, 1951) was een Vlaams schilder.

Toen Van Dyck begon als kunstenaar, was het Vlaamse expressionisme via de Latemse Scholen de gezaghebbende kunststroming geworden in de Vlaamse kunstwereld. Aanvankelijk evolueerde Albert Van Dyck, via een luministische stijl, naar een zuiver picturale schilderkunst, waarbij hij vooral aandacht schonk aan het kind en aan het schrale Kempense landschap, vooral dan de omgeving van Kasterlee en Schilde, waar hij verbleef. Mede met onder anderen War Van Overstraeten, Albert Dasnoy, Jozef Vinck en Marcel Stobbaerts reageerde hij echter op de door hen als buitensporig aangevoelde evolutie van het expressionisme. Door critici werd hun kunst als Animisme omschreven.

Bij zijn artistieke vorming, studeerde Albert Van Dyck aan de Academie en aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen, onder de leraars Isidoor Opsomer, Albert Ciamberlani en Jules De Bruycker. In 1932 richtte hij een eigen vrije Academie op te Antwerpen. Hij had er onder anderen Jan Vaerten als leerling. In 1949 werd hij in die stad professor in het tekenen, aan het Hoger Instituut.

In Schilde werd op 4 oktober 1997 het Museum Albert Van Dyck geopend.




#Article 57: Amstel Gold Race (876 words)


Amstel Gold Race is een Nederlandse eendaagse wielerklassieker voor profrenners, die sinds 1966 jaarlijks wordt verreden in de Limburgse heuvels. De Amstel Gold Race werd opgericht door wielerploegleiders Ton Vissers en Herman Krott.

De Amstel Gold Race maakte sinds 1989 deel uit van de wereldbeker wielrennen, sinds 2005 van de UCI ProTour, sinds 2009 van de UCI World Calendar en vanaf 2011 behoort hij tot de UCI World Tour. Desondanks wordt de wedstrijd nog altijd een trapje lager ingeschat dan bijvoorbeeld Luik-Bastenaken-Luik, Milaan-San Remo of de Ronde van Vlaanderen.

De naam komt van de hoofdsponsor, het biermerk Amstel. De Nederlander Jan Raas won de wedstrijd vijf keer, een record. Men sprak in die jaren wel van de Amstel Gold Raas. In recentere jaren, bij de 4 overwinningen van Philippe Gilbert werd er ook gesproken van  Monsieur Cauberg  en de  Amstel Gilbert Race. In 2020 ging de editie vanwege de coronapandemie niet door, na eerder al verplaatst te zijn naar het einde van het jaar.

De Amstel Gold Race is een wedstrijd van draaien en keren, waarin vele Zuid-Limburgse hellingen, soms meer dan eens, beklommen moeten worden. Enkele van de belangrijkste hellingen zijn de Cauberg, Keutenberg en de Eyserbosweg. Nadat vele jaren Meerssen (vanaf 1966 tot en met 1990, met uitzondering van 1968, toen lag de finish in Elsloo) en Maastricht (vanaf 1991 tot en met 2002) de aankomstplaatsen waren, werd vanaf 2003 de aankomststreep getrokken op de top van de Cauberg in Valkenburg. Vanaf de editie van 2013 finishten de renners twee kilometer na de top van de Cauberg in Vilt. In 2017 werd er andermaal een parcourswijziging doorgevoerd. De finalelus die traditioneel door Valkenburg liep om via de Cauberg te finishen werd uit het parcours gehaald. De koers loopt nu vanaf de laatste berg, de (Bemelerberg), binnendoor naar de finish in Berg en Terblijt. Hierdoor ligt de laatste berg niet op 1,8 km, maar op 7,4 km van de finish. De organisatie hoopte door deze wijziging te bewerkstelligen dat de koers minder gesloten zou blijven in de finale.

De eerste startplaats van de Amstel Gold Race was Breda in 1966. Door Oranjefeesten (het was Koninginnedag) fietsten de renners dat jaar circa 50 kilometer meer dan gepland. De startplaats lag relatief ver van de Limburgse heuvelzone. In 1967 verhuisde de start daarop naar Helmond, waar de start tevens in 1968, 1969 en 1970 plaatsvond. Van 1971 tot en met 1997 vond de start plaats in Heerlen en sinds 1998 in Maastricht.

In 1993 vond voor het eerst een groot deel van de finale plaats op Belgisch grondgebied. Belangrijkste hellingen daar zijn de Hallembaye en de Saint-Pierre. De lus door België werd in 2001 weer geschrapt, belangrijkste reden hiervoor was de MKZ-crisis. Racefietsen, volgauto's en motoren werden voor de start ontsmet. De lus door België, inclusief de tocht over de Sint-Pietersberg bij Maastricht, keerde daarna niet meer terug in het parcours. Alhoewel het na de beklimming van het  Drielandenpunt, via het Belgische Gemmenich meteen de Nederlandse grens weer over gaat.

De editie van 2017 ging vanaf de start in Maastricht via 35 hellingen naar Berg en Terblijt. In deze editie waren heuvel 8 (Mescherberg (Heiweg)) en heuvel 9 (Kalleberg) nieuw in vergelijking met eerdere edities.

Renners in het cursief gedrukt zijn renners die nu nog actief zijn.

Compleet overzicht van de eerste drie in de uitslagen:

De Amstel Gold Race voor vrouwen is georganiseerd van 2001 tot en met 2003. Tijdens de derde editie dreigden de mannen- en vrouwenwedstrijd elkaar te overlappen, waarna de wedstrijd uit voorzorg voor herhaling niet meer werd georganiseerd. Veertien jaar later, op eerste paasdag 2017, zal er weer een vrouweneditie verreden worden, op dezelfde dag als de mannen. Op 3 oktober 2016 werd, in aanwezigheid van Marianne Vos en Anna van der Breggen, de nieuwe koersdirecteur Leontien van Moorsel en het parcours van de vrouwenwedstrijd gepresenteerd: de start en finish zijn, net als bij de mannen, in Maastricht en Berg en Terblijt. In 2017 rijden de vrouwen in totaal 121,6 km over 17 hellingen, waaronder drie lokale rondes met, in tegenstelling tot de nieuwe finale van de mannen, de Cauberg op 1,8 km van de finish. De wedstrijd voor vrouwen maakte in 2003 deel uit van de wereldbeker en vanaf 2017 van de World Tour.

Sinds 2001 wordt er naast de wedstrijd voor de profs ook een toerversie voor amateurs, recreatieve fietsers en andere geïnteresseerden georganiseerd. De deelnemers hebben de keuze tussen een traject van 60, 100, 125, 150, 200 of 250 km. Alle deelnemers krijgen een rugnummer, bikechip (voor het vastleggen van tijden en het herkennen van foto/video passages) en een nummerbordje. Onderweg bestaat de mogelijkheid energie bij te tanken in de daarvoor ingerichte revitaliseringsposten. Net als in de wedstrijdklassieker bereiken de deelnemers na een pittige eindklim de top van de Cauberg, de finishplaats. Over het algemeen wordt de inschrijving voor dit evenement binnen twee weken gesloten, omdat dan alle ongeveer 12.000 startkaarten uitverkocht zijn. In 2009 vond een ware run op startkaarten plaats. Dit resulteerde in een zeer overbelaste website. Binnen dertig uur waren dan ook alle startbewijzen uitverkocht. In 2010 kwam er een vernieuwde website, en daarmee een verbeterde bereikbaarheid van de mogelijkheid tot inschrijving, een uitverkoop in recordtijd van slechts 38 minuten waarin diezelfde 12.000 startbewijzen verkocht werden.




#Article 58: Atletiek (1274 words)


Atletiek is een oude sport waar de sporters (atleten) individueel of in groepen (estafette) moeten presteren.Atletiek wordt zowel op de weg, in het veld als op een atletiekbaan beoefend. Atletiek wordt wel 'de moeder der sporten' genoemd omdat het de menselijke basisbewegingen (lopen, springen, werpen) omvat.

Atletiekbanen zijn meestal ovaal gevormd en 400 meter lang. Op het middenterrein worden de werp- en springonderdelen beoefend. Er zijn banen van gras, sintels of kunststof.

Dit artikel gaat over de atletiek als wedstrijdsport, maar atletiek in brede zin omvat ook recreatieve vormen. De Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie (kortweg Atletiekunie) in Nederland doet ook veel voor de loopsport, sportief wandelen en Nordic walking. Voor de loopsporters zijn er wel wedstrijden maar ook de zogeheten trimlopen, 'wedstrijden' waarbij geen uitslag wordt opgemaakt. Slechts een klein deel van degenen die hardlopen als eerste sport noemen, is daadwerkelijk lid van de Atletiekunie.

Atletiek is een sport die oorspronkelijk nauw verbonden was met de Griekse klassieke Olympische Spelen, die vanaf 776 voor Christus om de vier jaar gehouden werden als onderdeel van een feest ter ere van de god Zeus. Het vijfdaagse programma bestond uit sportieve krachtmetingen en wedstrijden in de schone kunsten. De beste atleten kwamen tegen elkaar uit in een vijfkamp, die bestond uit de onderdelen hardlopen, verspringen, worstelen, speerwerpen en discuswerpen. De diverse onderdelen hadden veel minder regels dan nu.

Atletiek is samen met de zwemsport de oudste sport ter wereld. De Kretenzers (bewoners van Kreta) deden als eersten aan atletiek rond 1500 v.Chr. De moderne atletiek ontstond in Engeland aan het einde van de 17e eeuw. De eerste professionele wedstrijden vonden daar plaats in de vroege 19e eeuw. Atletiek was een onderdeel op de eerste moderne Olympische Spelen in 1896. Nu is de atletiek nog steeds de belangrijkste sport in de Olympische Spelen, maar de band tussen atletiek en de Olympische Spelen is wel losser geworden. Dit kun je merken aan het feit dat naast de Olympische Spelen nog een heleboel andere atletiekevenementen worden gehouden, zoals de jaarlijkse Europacupwedstrijden en de Wereldkampioenschappen atletiek, die voor het eerst plaatsvonden in 1983.

Bij grote wedstrijden wordt niet naar leeftijd gekeken, het gaat puur om de prestatie. Slechts een enkeling is zo getalenteerd dat hij of zij al op jonge leeftijd om de prijzen mee kan doen en daarom zijn er ook wedstrijden en kampioenschappen naar leeftijd, waar meer met gelijken gestreden kan worden. Internationaal zijn atleten junior/jeugd tot en met het jaar van de negentiende verjaardag; de overgang naar de senioren vindt plaats op 1 januari van het jaar waarin men twintig wordt. De onderverdeling van de junioren is niet internationaal vastgelegd en verschilt van land tot land. In Nederland en Vlaanderen is de onderverdeling als volgt, waarbij gekeken wordt naar het jaar waarin men negentien wordt, enzovoort. De doorschuiving bij de categorieën vindt in Nederland en Vlaanderen gemakshalve plaats per 1 november, omdat atleten dan de hele winter in dezelfde leeftijdsgroep trainen en wedstrijden doen. Voor records en ranglijsten is 1 januari de grens.

Om de stap van junioren naar senioren wat te verzachten zijn er internationale kampioenschappen voor neo-senioren ingevoerd. Talenten die bij de junioren in de top meededen, bleken namelijk bij de senioren soms hun motivatie te verliezen, omdat ze niet meer zo in de schijnwerpers stonden, terwijl ze na een paar jaar trainen opnieuw tot de top zouden kunnen behoren. Neo-senior is men in de jaren waarin de 20e, 21e en 22e verjaardag vallen. In Nederland zijn er geen, maar in België wel aparte kampioenschappen voor deze categorie, onder de naam 'beloften'.

Het omgekeerde gebeurt bij het ouder worden. Er komt een moment, dat jongere atleten altijd sterker zullen blijken te zijn. Om toch met gelijken te kunnen strijden, is de mastersatletiek (voorheen veteranen genoemd, maar dat had te veel een militaire bijklank) ingevoerd. Master is men vanaf de 35e verjaardag en de overgang naar een volgende vijfjaarsklasse gebeurt op de verjaardag zelf.

Veel atletiekwedstrijden vinden plaats op een speciale atletiekbaan; in de winter wordt ook op indoorbanen atletiek bedreven. Daarnaast zijn er wedstrijden op de weg (stratenlopen of wegwedstrijden genoemd) en in het vrije veld (veldlopen of cross(country)). Bij grote kampioenschappen vinden de marathon en de langere snelwandelwedstrijden op de weg plaats, maar start en finish liggen meestal op de atletiekbaan.

Er zijn 24 olympische atletiekonderdelen. Deze worden onderverdeeld in looponderdelen, springonderdelen, werponderdelen en meerkampen. Bij de looponderdelen is er het onderscheid tussen de gewone looponderdelen, de hindernislopen, de estafettes en het snelwandelen.

Sommige looponderdelen worden zelden beoefend, ook al erkent de IAAF wereldrecords op die afstanden. De courante, meest gelopen afstanden, kennen de sterkste records; op incourante afstanden staan de records een beetje of heel veel zwakker. De courante afstanden zijn:

Incourante(re) afstanden waarvoor door de IAAF records worden bijgehouden, zijn de volgende. Indoor: 50 m. Outdoor op de baan: 1000 m, Engelse mijl (1609,344 m = 1 Engelse mijl), 2000 m, 20.000 m, uurloop, 25.000 m, 30.000 m (de vier langste afstanden worden zo goed als nooit gelopen). Op de weg: 10 km, 15 km, 20 km, 25 km en 30 km.

Naast de officiële onderdelen worden er soms wedstrijden gehouden op allerlei andere afstanden en onderdelen, te veel om op te noemen. Zo sprint de jongste jeugd over 40 m en oudere jeugd over 60 m en 80 m. Ook de andere afstanden worden bij de jeugd veelal iets ingekort; bij de masters is dat eveneens soms het geval (80 en 300 m horden). In landen zonder het metrieke stelsel worden nog wel wedstrijden gelopen over bijvoorbeeld 100 yards (91.44 m) of 3218 m (twee Engelse mijl). Verder zijn er dubbele meerkampen, namelijk de veertienkamp voor vrouwen en de twintigkamp voor mannen of vrouwen, met daarin ook de afgeschafte 200 m horden. Er is de bliksemmeerkamp, een zevenkamp of tienkamp die binnen het uur afgewerkt moet worden, er zijn exotische estafettes als de 10x100 m estafette en Zweedse estafette (400m-300m-200m-100m). Bij de jeugd bestaat het softbalwerpen als voorbereiding op het speerwerpen, terwijl werpers het gewichtwerpen hebben bedacht om ook een werpvijfkamp te kunnen doen. De ultralopers houden wedstrijden over vele afstanden, tot 1000 mijl (1609 km).

Het aanbod atletiekwedstrijden bestaat grotendeels uit eendaagse wedstrijden en meerdaagse kampioenschappen. De eendaagse wedstrijden, of meetings, zijn vaak onderdeel van nationale of internationale circuits, vooral betreffend bij topsport. Zo zijn de belangrijkste meetings, waaronder de twee belangrijkste meetings uit de Benelux, de Memorial Van Damme en Fanny Blankers-Koen Games, onderdeel van de IAAF Diamond League of de IAAF World Challenge, twee circuits die worden gemonitord door de IAAF. Vergelijkbare circuits zijn er ook op continentaal, nationaal en regionaal niveau. Naast circuits voor baanatletiek zijn er ook series wedstrijden voor onder andere meerkampen, veldlopen, wegwedstrijden en snelwandelen. Deze circuits worden vaak georganiseerd onder auspiciën van een internationale of nationale atletiekbond. Bij de breedtesport zijn eendaagse wedstrijden vaak instuiven die niet bij een circuit horen. Bij een instuif is de prestatie meestal het belangrijkst en doet de uiteindelijke klassering er minder toe.

Naast de meetings waar atleten individueel strijden zijn er ook wedstrijden waar er individueel prestaties worden geleverd die bijdragen aan een ploegenklassement. Vaak worden prestaties van verschillende onderdelen bij elkaar opgeteld door middel van hetzelfde puntensysteem gehanteerd bij de meerkamp of door middel van punten gebaseerd op plaatsering. Voorbeelden van dit soort wedstrijden zijn de Nederlandse eredivisie atletiek, de IAAF Continental Cup en de Europacup 10000m.Een derde soort atletiekwedstrijden zijn kampioenschappen. Deze worden eveneens op verschillende niveaus variërend van regionaal tot internationaal gehouden. Meestal zijn dit kampioenschappen voor een bepaald grondgebied, maar het kunnen ook kampioenschappen voor een bepaalde groep mensen zijn zoals de wereldkampioenschappen voor studenten, en de Spelen voor Franssprekenden. Sommige kampioenschappen zijn multisportevenementen.




#Article 59: Arantxa Sánchez Vicario (249 words)


Arantxa Sánchez Vicario (Barcelona, 18 december 1971) is een voormalig professioneel tennisspeelster. De Spaanse speelde 17 jaar lang in toernooien van de WTA. In juni 1985 werd ze beroepstennisser.

Ze won 29 enkelspeltoernooien, waarvan vier grandslamtitels:

Op de grandslamtoernooien won zij bovendien zes dubbelspeltitels en vier keer het gemengd dubbelspel. In 1991 bereikte zij samen met haar broer Emilio Sánchez de finale van het gemengd dubbelspel op het US Open.
In 1995 bekleedde ze gedurende 12 weken de nummer een-positie.
Ze nam op 12 november 2002, toen ze dertig jaar was, afscheid van het proftennis.

Ze is de enige tennisspeler in de geschiedenis van het Olympisch tennis die vijf keer deelnam aan de Zomerspelen. In 1988 was ze er voor de eerste keer bij, toen strandde ze in de eerste ronde. In haar thuisland Spanje behaalde ze op de Spelen van 1992 in Barcelona de halve finale en de bronzen medaille. Ze haalde er ook de bronzen medaille in het vrouwendubbelspel. In 1996 te Atlanta boekte ze haar beste resultaat: ze behaalde de zilveren medaille door in de finale te verliezen van Lindsay Davenport. Ze won er ook de bronzen medaille in het vrouwendubbelspel. In 2000 ging ze ook naar Sydney waar ze van de latere winnares Venus Williams verloor in de kwartfinale. In 2004 deed ze voor de laatste maal mee. In de Griekse hoofdstad Athene kwam ze in het vrouwendubbeltoernooi aan de zijde van Anabel Medina Garrigues niet verder dan de eerste ronde.

Positie per einde seizoen:




#Article 60: Adolf Hitler (18791 words)


Adolf Hitler (Braunau am Inn, 20 april 1889 – Berlijn, 30 april 1945) was een in Oostenrijk-Hongarije geboren Duits politicus en de leider van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). Op 30 januari 1933 kwam hij aan de macht als rijkskanselier van Duitsland en na 2 augustus 1934 als staatshoofd (Führer en rijkskanselier). Hij was aan de macht tot aan zijn dood in 1945. Hitler is het meest bekend om zijn centrale leidende rol in de opkomst van de Duitse variant van het, oorspronkelijk Italiaanse, fascisme in Duitsland (het nationaalsocialisme), de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust.

Hitler veranderde Duitsland van een beginnende democratie, de Weimarrepubliek, in een totalitaire staat met hemzelf als de absolute dictator, die elke tegenstand tegen zijn regime op meedogenloze wijze de kop indrukte. Tegenstanders werden opgesloten in concentratiekampen of, zoals Ernst Röhm, vermoord. Vanaf het begin was Hitlers politiek gebaseerd op gebruik van geweld en terreur door middel van de Sturmabteilung (SA) en later de Schutzstaffel (SS). Hitlers streven om de vernederingen van de Vrede van Versailles (1919) voor Duitsland ongedaan te maken en zijn expansiepolitiek om Lebensraum voor Duitsland te creëren, leidden tot het begin van de Tweede Wereldoorlog. Een ander kenmerk van Hitlers politiek was zijn extreem-racistische nazi-ideologie waarbij een ras van als Arisch beschouwde übermenschen moest worden gecreëerd. Dat leidde tot de systematische uitroeiing van miljoenen die als untermenschen gezien werden, zoals Joden, maar ook Slavische volkeren, Roma, gehandicapten en andere niet-Joodse slachtoffers van het naziregime, in de Holocaust. Toen duidelijk was dat Duitsland de oorlog verloor gaf Hitler de opdracht dat het Duitse volk tot het bittere einde moest vechten en dat de nazi's de Duitse industriële complexen moest vernietigen. Zelf pleegde hij in zijn ondergrondse bunker in Berlijn zelfmoord. Aan het einde van zijn regering lagen Duitsland en een groot deel van Europa in puin en waren er tientallen miljoenen doden te betreuren.

Hitler was een gedecoreerde veteraan van de Eerste Wereldoorlog. In 1919 werd hij lid van de voorloper van de nazipartij (DAP) en in 1921 werd hij de leider van de NSDAP. In 1923 pleegde hij een poging tot staatsgreep, bekend als de Bierkellerputsch bij de Bürgerbräukellerbierhal in München. De mislukte staatsgreep leidde tot de opsluiting van Hitler, een periode waarin hij zijn memoires, Mein Kampf, schreef. Na zijn vrijlating in 1924 kreeg hij steeds meer steun onder de Duitse kiezers. Hitler promootte pangermanisme, antisemitisme en anticommunisme met charismatische redevoeringen en propaganda. Hij werd in 1933 tot rijkskanselier benoemd en transformeerde de Weimarrepubliek in het Derde Rijk, een eenpartijdictatuur gebaseerd op de totalitaire en autocratische ideologie van het nationaalsocialisme.

Het was duidelijk de bedoeling van Hitler om in Europa een Nieuwe Orde van absolute nazi-Duitse hegemonie te vestigen. Zijn buitenlandse en binnenlandse politiek had tot doel Lebensraum te scheppen voor wat hij zag als het Arische ras. Dit vereiste de herbewapening van Duitsland, wat leidde tot de bezetting van het Tsjechische deel van Tsjecho-Slovakije en de invasie van Polen door de Wehrmacht in 1939. Zo begon de Tweede Wereldoorlog in Europa.

Onder leiding van Hitler bezetten Duitse troepen en hun Europese bondgenoten tussen 1940 en 1943 het grootste deel van Europa en Noord-Afrika. Vanaf 1943 drongen de geallieerde legers de Duitsers weer terug en versloegen en bezetten ten slotte Duitsland in 1945. Hitlers bewind leidde tot tientallen miljoenen doden waaronder de systematische moord op miljoenen burgers, waaronder ongeveer zes miljoen Joden en tussen de 500.000 en 1.500.000 Roma.

Hitler vertrok vanwege zijn Groot-Duitse sentimenten in 1913 naar de Duitse stad München in Beieren. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak meldde hij zich direct als vrijwilliger. Hij diende vier jaar lang als ordonnans in de rang van Gefreiter, bij het Duitse 16e Beierse reserve-infanterieregiment en vocht onder meer bij de Eerste Slag om Ieper. Hitler raakte meermalen gewond. Bij Mesen schampte een kogel zijn voorhoofd en hij zou het latere litteken met een haarlok verbergen. Hij kreeg beide versies van het IJzeren Kruis maar weigerde volgens collega's promotie omdat hij zijn regiment niet wilde verlaten. Na zijn demobilisatie en terugkeer in München besloot hij in november 1918 de politiek in te gaan. In 1919 sloot hij zich aan bij een van de talloze kleine politieke groeperingen die in Beieren welig tierden: de DAP, die later de NSDAP werd.

Hitler kwam aan de macht in een tijd waarin het Duitse volk leed onder werkloosheid, armoede en vernedering van de Eerste Wereldoorlog. Het Verdrag van Versailles dwong Duitsland tot zware herstelbetalingen voor de oorlogsschade. Deze verplichting drukte zwaar op het land. De Duitse economie kon niet heropgebouwd worden. Eind oktober 1929, net toen Duitsland wat begon op te krabbelen, deed de beurscrash van New York de Duitse economie instorten. Via propagandamachine wist Hitler zichzelf en zijn partij populair te maken en won hij steeds meer zetels in het parlement.

Op 30 januari 1933 werd Hitler benoemd tot rijkskanselier. Hij stond aan het hoofd van een kabinet samengesteld uit ministers van de NSDAP, de Duitse Nationale Volkspartij en enkele partijlozen uit het voorgaande kabinet-Schleicher. Een maand later ging het Rijksdaggebouw in Berlijn dankzij hem in vlammen op. Ironisch genoeg gebruikt Hitler de zelf aangestookte brand om zijn macht te vergroten. Hij haalde president Paul von Hindenburg over om de politie meer bevoegdheden te geven met een noodverordening en de politie pakte communisten en andere vijanden of vermeende vijanden van de nazi's op. In diezelfde periode voerden de nazi's een propagandacampagne voor de Rijksdagverkiezingen van maart 1933.

Ondanks alle propaganda en de uitschakeling van politieke vijanden haalde de NSDAP geen absolute meerderheid, de partij kreeg 43,9 procent van de stemmen. Om toch alle macht in handen te krijgen voerde Hitler op 23 maart 1933 een grondwetswijziging door, dit lukte Hitler met de steun van de katholieke Zentrumpartei en de conservatieve DNVP. Zo kreeg Hitler de bevoegdheid om vier jaar lang buiten de Rijksdag (het parlement) om te regeren en wetten uit te vaardigen. Dit was het begin van het Derde Rijk. Naar deze machtsovername door Hitler wordt verwezen met de term Machtergreifung. Hitler begon onmiddellijk zijn lang gekoesterde plannen uit te voeren zoals het naar zich toe trekken van alle macht in Duitsland, het weren van Joden uit het openbare leven en de voorbereiding van Duitsland op een veroveringsoorlog. In 1938 annexeerde het Duitse Rijk Oostenrijk (Anschluss) dat sindsdien bekendstond als Ostmark. Op 28 september 1938 wilde het Duitse Rijk Tsjecho-Slowakije aanvallen om Sudetenland te heroveren. Op initiatief van Mussolini werd inderhaast op 30 september het verdrag van München gesloten tussen Hitler, Daladier en Chamberlain, als een stap in de Britse appeasementpolitiek om te proberen de dreigende oorlog af te wenden. Op grond van dat verdrag stond men toe dat Hitler Sudetenland innam, maar hierna moest de Duitse expansie worden stopgezet. In maart 1939 annexeerde Hitler echter alsnog de rest van Tsjecho-Slowakije.

In augustus 1939 werd een niet-aanvalsverdag getekend tussen Stalin en Hitler, het Molotov-Ribbentroppact, ook wel het Duivelspact genoemd vanwege de onnatuurlijke aard ervan. Hiermee had Hitler de handen vrij aan het oostfront en kreeg Stalin de gelegenheid tot diverse gebiedsuitbreidingen. Kort daarop, op 1 september 1939, gaf Hitler het bevel Polen binnen te vallen, waarop het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk twee dagen later Duitsland de oorlog verklaarden. Stalin viel na een week Polen aan vanuit het oosten, tot de demarcatielijn zoals overeengekomen in het Hitler-Stalin-pact. Dit luidde het begin van de Tweede Wereldoorlog in. Aanvankelijk wist Hitler het grootste gedeelte van Europa te bezetten, maar bij de aanval op de Sovjet-Unie in 1941 – die meteen een einde maakte aan het pact met Stalin– slaagden de Duitsers er niet in Moskou te veroveren. In 1942 hielden de Duitsers nog stand, maar vanaf 1942-1943 keerden de kansen definitief en werd het Derde Rijk in de tang genomen. In de winter van 1944-1945 stonden de geallieerden aan de grenzen van Duitsland en zij trokken vervolgens op naar Berlijn.

Nadat duidelijk werd dat hij de oorlog verloren had, pleegde Hitler op 30 april 1945 in de namiddag, samen met zijn vrouw Eva Braun, zelfmoord in zijn bunker te Berlijn. Ze waren een dag eerder in deze bunker getrouwd. Braun nam vergif in, terwijl Hitler zich door het hoofd schoot. Iets later werden hun lijken naar boven gebracht, in een kuil gelegd, overgoten met bijna 200 liter benzine en verbrand. Mogelijk hebben de Russen later Hitlers schedel en de resten van hun lichamen weer opgegraven en naar Moskou gebracht voor nader onderzoek.

De vader van Hitler, Alois Hitler sr., werd in 1837 geboren als de onwettige zoon van Maria Anna Schicklgruber en kreeg daarom de naam van zijn moeder. Vijf jaar later huwde Maria Anna met de molenaarsknecht Johann Georg Hiedler die waarschijnlijk ook de biologische vader van Alois was. De achternaam van Alois Schicklgruber zou op 23 november 1876 door de dorpspastoor van Döllersheim worden gewijzigd in Hitler, zoals Alois Hitler dat eerder op diezelfde dag had laten vastleggen door notaris Penkner in Weitra. De familienaam Hitler was dus geen spelfout maar gewoon een zeldzame schrijfwijze van de familienaam die dan eens als Hütler, Hüttler, Hüetler, Hüettler, Hiedler, Hietler of Hitler werd gespeld. Later zou zijn zoon Adolf in het boek Mein Kampf (Mijn strijd) vermelden dat de naamswijziging het enige was waar hij zijn vader dankbaar voor was. Heil Hitler klonk immers veel beter dan Heil Schicklgruber. De moeder van Hitler, Klara Pölzl, geboren in 1860, was drieëntwintig jaar jonger dan haar echtgenoot.

Zowel van vaders- als moederskant was de familie van Hitler afkomstig uit het Oostenrijkse Waldviertel, een streek tussen de Donau en het huidige Tsjechië. Uit genetisch onderzoek dat de journalist Jean-Paul Mulders onder verwanten van Hitler liet uitvoeren zou zijn gebleken dat Hitler behoorde tot de haplogroep E1b1b, die weinig voorkomt in Duitsland en West-Europa, maar bij 50 à 80 procent van de Noord-Afrikanen voorkomt, met name bij Berbers, Somaliërs en Asjkenazische Joden. De naam Hitler was waarschijnlijk afgeleid van Huttler, wat letterlijk keuterboer of schaapherder betekent, hij die in een hut woont. Mogelijk was Johann Georg Hiedler die in het Derde Rijk officieel voor de grootvader van de Führer doorging niet de biologische vader. Als mogelijke vader van Alois komt ook de broer van Johann Georg in aanmerking, namelijk Johann Nepomuk Hüttler die in Spital Nr. 36 woonde en waar Alois Hitler werd grootgebracht. Alois Hitler was echter wel een echte Hitler en geen bastaard of de zoon van een Jood. Uit analyse van het Y-chromosoom van de achterkleinkinderen van Alois Hitler bleek dat dit identiek was aan dat van mannelijke familieleden uit Neder-Oostenrijk. Daarmee zou bewezen zijn dat Alois Hitler dezelfde mannelijke gemeenschappelijke voorvader heeft als de nu nog levende verwanten Hüttler in het Waldviertel; Alois Hitler was derhalve geen bastaard.

Hitler had drie broers, een halfbroer, twee zusters en een halfzuster, allen kinderen van Alois Hitler. De drie broers en een van de zussen overleden op jonge leeftijd:

Hitlers zuster Paula leidde een teruggetrokken bestaan en overleed in Berchtesgaden. Hitlers halfzuster Angela was gehuwd met Leo Raubal en had voor zover bekend een zoon en twee dochters.
Hitlers halfbroer, Alois Hitler jr., werd caféhouder in Berlijn. Adolf en Aloïs Hitler hebben onderling nooit een sterke band gehad.

Hitler had officieel zelf geen kinderen. De Fransman Jean-Marie Loret (1918-1985) beweerde desondanks een zoon van hem te zijn. Hitler zou Lorets destijds 16-jarige moeder midden 1917 bezwangerd hebben, toen hij als soldaat in Noord-Frankrijk gelegerd was. DNA-tests spraken dit echter tegen.

Hitler had een innige band met zijn moeder, maar met zijn autoritaire vader lag hij voortdurend in conflict. Alois Hitler had niet meer opleiding genoten dan de lagere school, maar wist toch bij de douane carrière te maken. Op het moment dat hij overleed verdiende hij een salaris dat ongeveer overeenkwam met dat van een directeur van een lagere school. Hitlers vader was een humeurige man, die als grote passie de bijenteelt had en wiens grote wens het was om een eigen huis met een lapje grond te bezitten. Na zijn werk liep hij eerst altijd naar zijn bijenkorven om vervolgens via het café naar huis te gaan. Het gezinsleven lag hem niet; hij was een humeurige en ongeduldige echtgenoot wat nog verergerde na zijn bezoek aan de kroeg. Met name Klara Pölzl moest het ontgelden; ze werd afgesnauwd en ook geslagen. Zeer waarschijnlijk reageerde hij zijn frustraties ook af op zijn oudere kinderen, onder wie Adolf. Klara was geen partij voor haar dominante echtgenoot en kon zowel zichzelf als haar kinderen niet beschermen.

Alois Hitler verlangde dat de jonge Adolf in zijn voetsporen zou treden, maar deze had daar absoluut geen zin in. Zodoende was Adolf dikwijls het slachtoffer als zijn opvliegende vader weer eens in woede uitbarstte. Ook zijn moeder en zuster Paula kregen klappen als ze Adolf tevergeefs probeerden te beschermen. Het is mogelijk dat ook hiermee de politieke voorkeur van de jonge Adolf beinvloed werd: hij had een hekel aan zijn vader die hem een loopbaan wilde opdringen die hem afkeer inboezemde; het is goed mogelijk dat hij hierdoor ook een afkeer ontwikkelde voor de staat waaraan Alois Hitler zijn leven had gewijd en wat hij ook van Adolf verwachtte. Dit bracht hem automatisch in het kielzog van politieke tegenstanders van de Habsburgse Dubbelmonarchie: de Duits-nationalisten die een Anschluss tussen Oostenrijk en Duitsland voorstonden, en tegen emancipatie van andere volkeren was. Het is denkbaar dat de jonge Adolf zijn vader hier opzettelijk mee sarde.

Deze gewelddadige jeugd heeft hoogstwaarschijnlijk een negatieve uitwerking op Hitlers karaktervorming gehad. Toen hij ouder werd kreeg Adolf ook last van woede-uitbarstingen waarvan soms ook Paula het slachtoffer werd. Bij zijn latere carrière als dictator zijn velen getuige geweest van Hitlers beruchte woede-uitbarstingen waarbij hij dikwijls helemaal door het lint ging.

Tijdens zijn tienerjaren overleed zijn autoritaire vader, maar Hitler ervoer dit eerder als een opluchting dan als een gemis. Met zijn moeder had hij wel een sterke band. Het gezin verhuisde regelmatig omdat Alois vanwege zijn werk regelmatig overgeplaatst werd. In 1892 verhuisde het gezin van Braunau naar Passau, in 1895 naar Hafeld bij Fischlham, en in 1897 naar Lambach. In november 1898 verhuisde het gezin voor de laatste keer, naar Leonding niet ver van Linz.

In zijn kinderjaren was Adolf Hitler, vooral door toedoen van zijn strenggelovige moeder, koorknaap en misdienaar in de lokale katholieke parochiekerk. Ze had hem daarvoor op achtjarige leeftijd bij de plaatselijke parochie aangemeld. Op de lagere school deed Hitler het goed. Op de lagere school was hij vaak haantje de voorste. Hij was meestal de aanvoerder tijdens het oorlogje spelen, waarbij hij met de kinderen uit het dorp veldslagen uit de Frans-Pruisische Oorlog en de Tweede Boerenoorlog naspeelde. Als koorknaapje in de kloosterkerk keek Hitler enorm op tegen de abt, een positie die hij later ook wilde bekleden. Hitler was onder de indruk van de pracht en praal van de kerkinterieurs, de rituelen en de koorzang tijdens de Heilige Mis en de discipline van de kloosterlingen, die zich alle aardse geneugten ontzegden en zich opofferden voor het Zieleheil van de parochianen. Hij was een levendige en intelligente schooljongen maar hij was lui, iets wat hem zijn verdere leven parten zou blijven spelen. Dit maakte aanvankelijk voor de intelligente jongen weinig uit, maar zou hem tijdens de middelbare school opbreken.

De jonge Hitler was een vrij teruggetrokken persoon en wekte zelfs een verlegen indruk. Dit in schril contrast met zijn latere discussiebereidheid, waarin hij steevast trachtte zijn gelijk te behalen. Dagdromen was een van zijn favoriete bezigheden. Dit was een van de redenen waarom Hitler stelselmatige arbeid verafschuwde; het hield hem af van het dagdromen en hij voelde zich er bovendien te goed voor, hij was volgens hemzelf bestemd voor belangrijkere dingen. Zelfkritiek was hem vreemd; anderen waren zijn hele leven altijd volgens hem de oorzaak van zijn falen. Perioden van koortsachtige activiteit wisselden zich af met lange perioden van besluiteloosheid en inactiviteit waarbij er niets concreets uit zijn handen kwam. Besluiten en decreten las hij vluchtig of niet alvorens te tekenen. Slechts in het voorbereiden van zijn speeches stak hij veel tijd en energie. Hitler placht 's nachts zeer laat naar bed te gaan, soms rond 3 uur 's nachts. Hitlers latere dagritme zou dit reflecteren; hij placht, ook toen hij al aan de macht was, laat in de ochtend op te staan.

Op twaalfjarige leeftijd verzette Hitler zich tegen het ontvangen van het vormsel, ondanks de wens van zijn vrome moeder. Hij werd gedwongen het sacrament toch te ontvangen. In 1907 bezocht Hitler als achttienjarige voor het laatst een katholieke kerkdienst waarbij hij ook ter communie ging. Daarna zou hij grote afstand tot de Kerk bewaren, en zelfs zeer vijandig zeggen dat hij de katholieke kerk vertrappen wilde zoals men een lelijke pad vertrapt. Hij liet een priester, die hij voorheen in vertrouwen genomen had, zelfs in de Nacht van de Lange Messen in 1934 vermoorden in een bos bij München.
Zijn verdere leven zou Hitler een sterke afkeer van religie in het algemeen en het christendom in het bijzonder houden.

Hoewel Hitler enkele jeugdvrienden had, voelde hij zich bij veel mensen nauwelijks of niet op zijn gemak. Honden zijn mijn enige vrienden, zei hij eens. Overal waar hij kwam toen hij aan de macht was, zou hij volgens ingewijden een stijve ongemakkelijke atmosfeer om zich heen verspreiden. Generaals, ministers en partijbonzen die met hem in aanraking kwamen probeerden zich ervoor te hoeden een van Hitlers favoriete onderwerpen aan te snijden. Als dat gebeurde hield Hitler een monoloog die soms wel urenlang kon doorgaan, terwijl zijn gedwongen publiek slechts verveeld kon luisteren. Mussolini – zelf gewend het hoogste woord te voeren – werd hierdoor de mond gesnoerd en ergerde zich hieraan.

Op tekenen na kon Hitler op de Realschule (te vergelijken met de Nederlandse havo en het tso in Vlaanderen) van Linz, niet goed meekomen. Hij had vanwege zijn afstandelijke gedrag en zijn verlegenheid (in het bijzonder tegenover vrouwen) weinig of geen vrienden. Mogelijk droeg de afstand van een uur lopen tussen zijn woonplaats Leonding en de middelbare school in Linz, eraan bij dat Hitler in een sociaal isolement terecht kwam. Bovendien kelderden zijn prestaties doordat hij lui was. Hij had zeker genoeg intelligentie om de Realschule succesvol te kunnen doorlopen maar Hitlers karakterfout was dat hij bij vakken die hem niet interesseerden, hoegenaamd geen enkele inspanning wilde leveren. Zijn lage cijfers schreef hij echter toe aan zijn leraren, die hij als erudiete apen omschreef. Slechts de door hem aanbeden geschiedenisleraar Leopold Poetsch bleef verschoond van zijn kritiek (de liefde werd echter niet met goede cijfers beantwoord; matig tot ruim voldoende was het hoogste dat hij behaalde). Tijdens zijn puberteit werd de jonge Hitler ook voor het eerst en voor het laatst in zijn leven dronken. Een melkmeisje vond hem 's ochtends stomdronken en bracht hem naar huis. Toen hij was bijgekomen zwoer hij nooit meer te drinken. Daar hield hij zich aan, op een enkel glas wijn na. Ook minderde hij zijn vleesconsumptie. Sommige biografen beweren dat hij zelfs geheel vegetariër werd. De meeste bronnen stellen echter dat hij in die periode af en toe toch vlees at in de vorm van Leberknödel, een soort ballen van aardappelen en varkenslever. Dat hij sympathie voor dieren had, bleek uit het feit dat zijn regime als een van de eerste in de wereld wreedheid tegen dieren strafbaar stelde en de rituele koosjere slachtmethoden, bedreven door Joden, demoniseerde in propaganda.

In tegenstelling tot voor dieren had Hitler geen enkel medegevoel of empathie voor zijn medemensen en was zelfs volstrekt meedogenloos en wraakzuchtig wat zijn tegenstanders betreft. Mensen waren voor hem hoofdzakelijk middelen die hij al of niet kon gebruiken om zijn gestelde doelen te bereiken. Het is niet duidelijk of de jonge Hitler in zijn jeugd al dit gebrek aan consideratie of zelfs algehele gewetenloosheid vertoonde. In het verlengde van Hitlers gebrek aan inlevingsvermogen ontbrak het Hitler aan relativeringsvermogen en gevoel voor humor.

Hitler doorliep de onderbouw van de middelbare school met de grootste moeite en bleef één keer zitten. Nadat zijn vader was overleden, wist hij zijn moeder in 1905 eindelijk te overreden hem van school te halen. Op zijn 16e verliet hij de school zonder diploma. Twee jaar lang zou hij zijn dagen in ledigheid doorbrengen, terwijl zijn moeder en zus voor hem zorgden.

De jonge Hitler ontwikkelde een opmerkelijk beeld van vrouwen en seksualiteit. Zijn ideale vrouw was een mooi en lief meisje, dat hem niet tegensprak en hem in de watten zou leggen. Bovendien moest het een degelijk Duits meisje zijn: eens zou hij woedend zijn uitgevallen tegen zijn kameraden in het leger toen die suggereerden een 'mademoiselle' te 'nemen'. Hiermee in verband stond zijn afkeer van openlijke seksualiteit. Hij leidde zijn vriend August Kubizek eens door de Weense rosse buurt om te laten zien hoe 'walgelijk' het er daar aan toeging. Prostituees bezocht hij derhalve niet, bovendien was hij bang voor (geslachts)ziektes. Homoseksualiteit vond hij 'afstotelijk'. Dit zou later doorwerken in de extreme seksuele preutsheid die het Derde Rijk later doorvoerde, de sluiting van alle bordelen en de vervolging van homoseksuelen.

In 1907 gebeurde er iets wat waarschijnlijk een grote invloed op een deel van Hitlers leven had; bij Klara Pölzl, Hitlers moeder, werd borstkanker geconstateerd. Ze overleed op 21 december hetzelfde jaar. Hitler had van zijn moeder gehouden en vond het vreselijk te zien hoe zij zo'n pijn leed en overleed. Hij zou altijd angst voor ziekten houden.

De directeur van het postkantoor had Adolf Hitler gevraagd wat hij wilde worden en of hij niet bij hem op het postkantoor wilde werken. Volgens een buurvrouw van de familie Hitler in Urfahr had Adolf Hitler de directeur van het postkantoor geantwoord dat hij een beroemd kunstschilder wilde worden.

Omdat het Hitlers ambitie was om een beroemd kunstschilder te worden vertrok hij in september 1907 naar Wenen om zich te laten inschrijven bij de kunstacademie. De kunstacademie waarbij hij zich aanmeldde wees hem echter af; hij slaagde wel voor de eerste maar niet voor de tweede ronde van het toelatingsexamen. De rector wees hem erop dat hij een tekentalent had maar dat zijn ongeschiktheid voor de afdeling schilderkunst buiten twijfel stond. De rector zei tegen Hitler dat zijn talent eerder lag op het gebied van de architectuur dan op het gebied van de beeldende kunst. Naar eigen zeggen kwam Hitler na enkele dagen tot de conclusie dat hij op een dag architect zou moeten worden. Dit betekende niet dat hij pogingen ondernam om de lacunes in zijn opleiding – een groot struikelblok voor de toelating tot een studie in de architectuur – weg te werken.

In werkelijkheid deed Hitler zelfs geen poging zich te richten op een architectuurstudie, aangezien hij het jaar erna wederom probeerde om toegelaten te worden tot de afdeling schilderkunst van dezelfde kunstacademie in Wenen. Deze keer kwam hij echter zelfs de eerste ronde niet door. Hij leefde als een student op kamers. Hitler ergerde zich aan de populariteit van de art nouveau en hij zag met lede ogen aan hoe het expressionisme in de schilderkunst opkwam. Het werk van moderne Weense kunstschilders als Gustav Klimt en Egon Schiele kon Hitler niet bekoren.

Niet van zins zich echt in te zetten en verder te bekwamen, leefde Hitler een jaar van zijn moeders erfenis. Toen het geld op was, vertrok hij in de herfst van 1909 zonder de huur te betalen. Hij sliep een tijdje op straat tot hij opvang bekwam in een daklozenasiel. De volgende jaren bleef hij rondzwerven door Wenen en overnachten in verschillende liefdadige pensions. In de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog verdiende hij naast zijn wezenuitkering de (karige) kost met allerlei kleine baantjes en werkte hij als ongediplomeerd kunstschilder. Zo schilderde hij op zijn kamer in het pension waar hij verbleef vaak ansichtkaarten met landschapjes, stadsgezichten en toeristische trekpleisters na, die hij als aquarel verkocht. De afbeeldingen van een ansichtkaart van het gemeentehuis van München en het schilderij van Hitler doen vermoeden dat dit schilderij door Hitler gemaakt is aan de hand van een ansichtkaart.

Het feit dat hij als kunstschilder mislukt was schreef hij toe aan de kunstacademie die zijn talent miskende en de leraren die het onderwijs hadden verpest. Dat zijn eigen luiheid en gebrek aan artistiek talent misschien debet aan het mislukken van zijn kunstenaarscarrière was, heeft hij nimmer erkend.

Overdag bracht hij veel tijd door in bibliotheken en leeszalen waar hij vooral kranten en boeken uit populaire reeksen las, zoals boeken van Karl May. In de avonden bezocht hij regelmatig concerten. Daarbij ging zijn voorkeur uit naar uitvoeringen van opera's, operettes en grote werken van componisten uit de romantiek. Onder anderen Johann Strauss, Mozart, Beethoven en Italiaanse meesters behoorden tot zijn favoriete componisten. Het Wenen van rond 1900 was een van de belangrijkste cultuurcentra binnen Europa waar per jaar ruim 450 maal werken van Wagner uitgevoerd werden. Richard Wagner was een van de idolen van de Weense jeugd in de periode waarin Hitler in Wenen verbleef. Lohengrin en Rienzi waren Hitlers favoriete Wagneropera's. Van Lohengrin heeft hij in Wenen tien uitvoeringen bijgewoond. Hitlers voorkeur voor neoclassicistische architectuur en het werk van een stedenbouwkundige als Georges-Eugène Haussmann sloot goed aan bij Hitlers artistieke voorkeur.

Hitler bezocht verschillende keren het Weense parlement, waar hij een grote verachting kreeg voor de democratie. De parlementsleden uit Hongaarse en Slavische bevolkingsgroepen spraken in het Weense parlement meestal hun eigen moedertaal. In het Weense parlement werd naast Duits het vaakst Tsjechisch gesproken, een taal die Hitler niet verstond. In deze periode vormde hij (mede door allerlei contacten) zijn ideologische basis, bestaande uit occultisme, antisemitisme, antiparlementarisme en Groot-Duits nationalisme; ook keek hij veelal neer op de Slavische volkeren. Het versterkte zijn weerzin tegen de democratie en tegen Joden die volgens Hitler via de politiek de grootste invloed hadden op de ontwikkelingen binnen de Oostenrijkse samenleving.

Hitler was in Wenen een romanticus geworden die hield van heroïek en drama en hunkerde naar roem, een gefrustreerde, werkloze jongeman die aan de rand van de samenleving beland was. In het decennium voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog liepen in Wenen en andere grote Europese steden waarschijnlijk duizenden werklozen als Hitler rond.

De Britse historicus Ian Kershaw geeft in zijn uitgebreide Hitlerbiografie aan dat het niet duidelijk is waardoor de Jodenhaat van Hitler nu eigenlijk ontstaan is. Hij had aanvankelijk Joden in zijn kennissen- en huisgenotenkring en zelfs een Joodse huisarts uit Linz, die Hitlers moeder in haar laatste dagen heeft verzorgd. Hitler heeft zich ten aanzien van deze arts zeer erkentelijk getoond. Later geïnterviewde kennissen van Hitler uit diens Weense tijd verklaarden nooit ook maar een enkel negatief woord ten aanzien van Joden uit Hitlers mond gehoord te hebben. Vaak sprak hij zelfs lovend over zijn vele Joodse kennissen. Maar in korte tijd werd hij toch een fanatiek antisemiet. Kershaw zelf heeft gesuggereerd dat Hitler op dat moment zijn Joodse kennissen simpelweg nodig had (onder andere voor het verkopen van zijn schilderijen en prenten) en dat hij daarom zijn ware gevoelens voorlopig voor zich hield.

Anti-Slavische en antisemitische stromingen waren in Wenen, evenals in Sudetenland en Silezië, in opkomst, als reactie op het toenemende Slavische separatisme. De Joden werd het kwalijk genomen dat zij als fabrieksbazen Slavische arbeiders in dienst namen, die hiertoe naar steden als Praag, Posen, Pressburg en Wenen trokken en het Duitse karakter van deze steden zouden ondermijnen. De jonge Hitler was al in Wenen onder de indruk gekomen van het antisemitisme waarmee de toenmalige burgemeester, Karl Lueger, aan de macht was gekomen. Ook de antisemitische beweging van Georg von Schönerer heeft invloed gehad op de jonge Hitler. Tijdens zijn jaren in Wenen en later in München, waar hij volgens eigen zeggen graag mensen en hun gedrag observeerde, nam zijn overtuiging de vorm aan die hij later in al haar extremiteit zou etaleren.

In discussies met andere bewoners van het Weense mannenhuis, waar hij af en toe woonde, bracht hij zijn standpunten compromisloos naar buiten. Hij praatte om anderen te overtuigen van de juistheid van zijn visie, was altijd bereid tot discussiëren en hij bleek radicaal en zwart-wit in zijn denken. Opvallend was toen al dat Hitler niet tegen inhoudelijke kritiek op zijn denkbeelden kon en begon te schreeuwen als hij dreigde een discussie te verliezen.

Ook ontwikkelde hij in Wenen een sterk Duits nationalistisch gevoel, zoals veel Duitsers in Oostenrijk dat kenden. In zijn denken zou een aansluiting van Oostenrijk bij Duitsland een zegen voor dat land zijn. Hij zag in het heersende huis Habsburg een teveel aan schadelijke Slavische, dus on-Duitse, invloeden. Ook in het bolsjewisme, marxisme en communisme zag hij een groot kwaad dat bestreden moest worden.

Waarschijnlijk vormde zich in Wenen reeds de kern van Hitlers grote ideaal; het idee van één leider (Adolf Hitler), één wil (die van hemzelf), één volk (het Duitse). Al vroeg in zijn politieke carrière, vanaf 1925 ongeveer, liet hij zich der Führer (de leider) noemen. Hij droomde van een toekomstig Derde Duitse Rijk (het Dritte Reich) als opvolger van het eerdere Heilige Roomse Rijk ('eerste rijk') en Duitse Keizerrijk ('tweede rijk'), waarin geen plaats zou zijn voor Joden en andere door hem verderfelijk geachte groepen in de samenleving (onder anderen homoseksuelen), maar waar Duitsers in harmonie en verenigd onder één leider (hijzelf) zouden bouwen aan hun toekomst. Later werd duidelijk dat hij in feite absolute wereldheerschappij verlangde, waarin de Duitsers het machtigste volk zouden zijn. De omvang van deze grootheidswaan groeide met zijn succes.

In zijn rassentheorie verheerlijkte Hitler het vermeende Arische ras, waarvoor hij Lebensraum (leefruimte) wilde creëren; daarvoor had hij vooral het grote Rusland in gedachten. Hij verheerlijkte het idee van de 'edelgermaan'. Hitler geloofde sterk in de maakbaarheid van de mens, getuige ook zijn goedkeuren van de experimenten van Josef Mengele en het aan het werk zetten van Baldur von Schirach aan het hoofd van de Hitlerjugend. Wat Joden betreft stond hij erop hen een 'ras' te noemen; dit paste bij zijn zuiver/onzuiver-bloedtheorie. Hij beschouwde Joods bloed als het gif van de samenleving, dat daaruit geëlimineerd zou moeten worden. Sommige Hitlerverklaarders noemen dit zijn mystiek. Anderen benadrukken prozaïscher verklaringen zoals zijn uitgesproken afkeer van het Joodse kapitalisme, zonder dat hij daar specifiek namen bij noemde. Hij creëerde in elk geval een zeer haatdragende en schampere karikatuur van de Jood en vuurde die af op zijn publiek. Hitler is in zijn rassentheorie zeker beïnvloed geweest door het 19e-eeuwse oriëntalisme in Europa en De Geheime Leer van de theosofische occultiste Helena Blavatsky die het vermeende Arische ras als vijfde kosmische gangmaker een belangrijke rol toebedeelde en die schreef over de (voorbijgaande) inferioriteit van de Semitische volkeren. Toen de nazi-interpretatie van Blavatsky's theosofische rassentheorie duidelijk werd, maakten de Theosofische Vereniging en andere theosofische bewegingen aan hun leden duidelijk dat in de theosofie het begrip ras niet etnisch mocht worden geïnterpreteerd. Deze uitleg is gebaseerd op De geheime leer van Blavatsky deel 2, na pagina 251, waar ze zich afzet tegen het Darwinisme en spreekt over een theosofische evolutie in rassen van de gehele mensheid die perioden beslaan van miljoenen jaren. Die evolutieleer gaat over het ontstaan van denkvermogen en astrale en stoffelijke menswording in mythische bewoordingen.

De Oostenrijkse, cisterciënzer monnik en racistisch mysticus Jörg Lanz von Liebenfels noemde zijn eclectische, racistische leer ariosofie, naar analogie van de theosofie en de antroposofie. Of de leer van Lanz von Liebenfels invloed gehad heeft op het racisme van Hitler wordt betwijfeld.

Het antisemitisme is niet door Hitler uitgevonden. Door de eeuwen heen is het in Europa, variërend naar tijd en plaats, aanwezig geweest. Hitler heeft daar onder andere met de hierboven genoemde karikaturen van Joden en door zijn grote redenaarstalent handig op in weten te spelen en het antisemitisme tot ongekende hoogten weten op te zwepen.

In de lente van 1913 emigreerde Hitler uit onvrede naar het Duitse Keizerrijk. Hij verhuisde naar München in het Zuid-Duitse koninkrijk Beieren. Hij ontsnapte daarmee aan de militaire dienst in het Oostenrijks-Hongaarse leger. Lafheid was dat waarschijnlijk niet, want toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, nam Hitler onmiddellijk enthousiast dienst in het Keizerlijke Duitse leger.

Een waarschijnlijker reden voor Hitlers overstap van Wenen naar de Beierse hoofdstad, was dat hij voor Oostenrijk geen zelfstandige rol meer zag weggelegd; toen al was in zijn denken aansluiting bij Duitsland een onontkoombaar feit.

Wel bracht deze stap de jonge Hitler in de problemen toen hij enkele maanden later bezoek kreeg van de politie. De Oostenrijkse politie had hem weten te lokaliseren en verzocht Beieren nu om uitlevering van Hitler. In Oostenrijk wachtte hem mogelijkerwijs een gevangenisstraf wegens ontduiking van de dienstplicht. Hierop volgde een geschrokken en geagiteerde brief van Hitler die ertoe leidde dat de autoriteiten enig begrip voor Hitlers situatie toonden. Als hij zich in Salzburg zou laten keuren zou hij niet strafrechtelijk vervolgd worden. Hitler reisde naar Salzburg en werd daar uiteindelijk afgekeurd voor militaire dienst.

Hitler begreep de inwoners van München niet. De meerderheid van de Beierse bevolking wilde zich het liefst bij de Habsburgers van Frans Jozef I van Oostenrijk aansluiten, terwijl Hitler de Oostenrijkse hoofdstad Wenen net was ontvlucht. De Beierse boeren moesten tot Hitlers misnoegen niets hebben van de Groot-Duitse richting. Ze gruwden van het idee van een Groot-Duits rijk onder keizer Wilhelm II van Duitsland van het Pruisische Huis Hohenzollern, uit het kille, noordelijke en overwegend protestantse Berlijn.

Hitler had gehoopt in München een beter kunstklimaat aan te treffen waarin hij zich als kunstschilder meer thuis zou voelen. Maar het kunstklimaat in München verschilde tot Hitlers teleurstelling weinig van dat in Wenen. In München werkte de kunstschilder Paul Klee, die contacten onderhield met kubisten en kunstenaarskring Der Blaue Reiter. Der Blaue Reiter was in 1911 in München opgericht door de invloedrijke Russische kunstschilder Wassily Kandinsky, samen met onder anderen Franz Marc, die onder meer blauwe paarden schilderde. Het kleurgebruik in Hitlers schilderijen zou in enkele gevallen impressionistisch genoemd kunnen worden, maar zeker niet expressionistisch.

Hitler was een realistisch schilder die niet met de moderne kunstschilders en abstracte kunstenaars in München, en andere grote steden in Europa, geassocieerd wilde worden. Omdat hij bij voorkeur gebouwen schilderde en zich verwant voelde aan de 19e-eeuwse, Oostenrijkse kunstschilder Rudolf von Alt, die hij als zijn belangrijkste leermeester beschouwde, noemde Hitler zich voortaan liever een architectuurschilder dan een kunstschilder. In de schilderijen van Hitler zou een paard of een koe nooit een vierkante kop hebben of blauw kunnen zijn. In Hitlers schilderijen kunnen koeien alleen bruin, wit, grijs, zwart of gevlekt zijn en kunnen de luchten nooit groen of geel, maar alleen blauw of grijs zijn.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd in Duitsland in het algemeen en ook door Hitler met enthousiasme begroet, hij meldde zich in Beieren vrijwillig voor het leger aan. Hitler had het liefst aan het oostelijk front tegen de Russen gevochten, maar hij werd bij een legeronderdeel ingedeeld dat naar Vlaanderen gestuurd werd om tegen de Fransen te vechten.

In het List-regiment nam Hitler deel aan de Eerste Slag om Ieper, ter hoogte van Kruiseke-Wervik. Op 29 oktober 1914 kreeg het List-regiment zijn eerste vuurdoop. Na de vier dagen van zware gevechten die volgden, zouden van de 3600 man van het List-regiment nog maar 611 man over zijn, zo schreef Hitler aan zijn kennissen Joseph Popp en Ernst Hepp. Tijdens de eerste acties kwam volgens andere bronnen naar schatting 70% van de soldaten uit het List Regiment om het leven, voor het grootste deel door vriendschappelijk vuur. In december 1914 ontving Hitler daarom het IJzeren Kruis 2e klasse.

Daarna werd hij ordonnans tussen het hoofdkwartier van het regiment en de bataljonshoofdkwartieren, dichter bij de loopgraven. In mei 1918 kreeg hij een Regimentsdiploma wegens dapperheid tegenover de vijand en in december 1918 werd hem het, aan manschappen zelden verleende, IJzeren Kruis 1e klasse verleend.

In oktober 1916 werd Hitler aan zijn linkerdij geraakt door een granaatscherf. Voor behandeling van zijn verwondingen verbleef hij van 9 oktober tot 1 december 1916 in het Rode-Kruisziekenhuis in Beelitz bij Berlijn. Na zijn verblijf in het ziekenhuis in Beelitz kreeg Hitler verlof om aan te sterken. Hij was twee jaar niet in Duitsland geweest. Op doorreis naar München kwam hij voor de eerste keer van zijn leven in Berlijn. Hij was erg onder de indruk van de grote gebouwen en pleinen en de brede boulevards in de stad.

Hitler ontdekte tijdens dit eerste verlof dat overal in Berlijn en München joden als klerk werkten: Vrijwel iedere klerk was een jood en vrijwel iedere jood was een klerk. In het ziekenhuis lagen gewonde soldaten waarvan sommigen blij waren dat ze vanwege invaliditeit niet meer naar de loopgraven terug konden.

Eind september 1917 nam Hitler acht dagen verlof op om Berlijn te verkennen. Hij ergerde zich aan de mentaliteit van de Duitse burgers die alleen maar zaten te zeuren over het gebrek aan levensmiddelen, de lage lonen en de verplichting om in de munitie- en wapenfabrieken van schatrijke industriëlen te werken. Veel Duitsers klaagden over keizer Wilhelm II die ze verantwoordelijk hielden voor de economische malaise.

Op 14 oktober 1918 raakte hij als Gefreiter gewond bij een gasaanval bij Wervik. Hij bleef hierna drie maanden blind als gevolg van de blootstelling aan mosterdgas. Hij werd verpleegd in een militair ziekenhuis in het Duitse Pasewalk. Ook raakte hij bij Mesen gewond aan het voorhoofd door een kogelschampschot. Om het litteken te verbergen droeg Hitler voortaan zijn haar met een schuine lok over zijn voorhoofd.

De ineenstorting van het westelijk front, onder andere als gevolg van de Amerikaanse interventie en door de uitputting van de laatste Duitse reserves, heeft Hitler, die sinds oktober 1918 in Pasewalk werd verpleegd, niet bewust meegemaakt; hij ging er daardoor van uit dat het front steeds stand had gehouden. Zo geloofde Hitler heilig in de dolkstootlegende waarbij de nederlaag van het Keizerlijk leger werd toegeschreven aan het 'verraad van de socialisten, Joden, communisten en republikeinen' (de zogenaamde Novemberverbrecher). Tijdens Hitlers herstel in het ziekenhuis werd de oorlog beëindigd, en tevens het Duitse keizerrijk, en werd Duitsland een republiek. Hitler keerde gedesillusioneerd terug naar München waar, evenals in de rest van Duitsland, chaos heerste door de novemberrevolutie en de nasleep daarvan.

Ondanks zijn staat van dienst is Gefreiter Hitler nooit bevorderd, omdat zijn superieuren vonden dat hij geen leidinggevende capaciteiten had. De loopgraafmilitairen hebben hem echter altijd beschouwd als een Etappenschwein (achterhoedevarken), omdat hij het minder zwaar had gehad dan zij. Tussendoor had Hitler tijd om te schilderen en te lezen, zoals te zien aan het schilderij van de ruïne in Messines uit 1914. Hij las onder andere een boek van de gemakkelijk leesbare filosoof Schopenhauer. Later, tijdens een reünie in 1922, negeerden zij hem daarom.
Lange tijd hebben onderzoekers gemeend dat Hitler een heldenrol tijdens deze oorlog vervuld had. Door archiefonderzoek van het List-regiment door Thomas Weber is in 2010 echter aangetoond dat dit stoelde op Hitlers eigen aannames en nazipropaganda tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Omdat Hitler als ordonnans een IJzeren Kruis Eerste Klasse ontving is er onder historici veel gediscussieerd over Hitlers moed als soldaat. In de Eerste Wereldoorlog is slechts 218.000 keer een IJzeren Kruis Eerste Klasse uitgereikt en 5.196.000 keer een IJzeren Kruis Tweede Klasse, een verhouding van 1 op 24. Bovendien wilde Hitler, nadat hij in 1916 door een granaatscherf aan zijn linkerdij geraakt was, na de behandeling van zijn verwondingen, terugkeren in het List-regiment. Hij wilde beslist niet naar een andere eenheid of naar huis gestuurd worden.

In het List-regiment had Hitler een hogere rang dan de soldaten in zijn eenheid. Hij opereerde achter de vuurlinie zodat hij niet vaak in de voorste loopgraven onder vuur kwam te liggen. Hij hoefde niet voor zijn eigen inkomen te zorgen door in losse baantjes te werken of zijn schilderijen te verkopen, zoals hij voor de oorlog in Wenen en München had gedaan. Als hij zijn functie als ordonnans kwijt zou raken dan werd hij waarschijnlijk gedwongen om in een munitie- of wapenfabriek te werken.

Hitler had zijn voordracht voor een IJzeren Kruis Eerste Klasse mogelijk ten onrechte van de joodse luitenant Hugo Gutmann gekregen. Gutmann had een voordracht voor deze onderscheiding voor buitengewoon grote moed aan een groep koeriers beloofd als ze na het uitvallen van een aantal belangrijke telefoonverbindingen, als gevolg van zware artilleriebeschietingen door de geallieerden, een bericht naar de voorste linies zouden overbrengen. Van buitengewoon grote moed zou tijdens het optreden van de koeriers geen sprake zijn geweest.

Tijdens de Sovjetopstand in München en de vestiging van de zogenaamde Beierse Radenrepubliek in 1919 heeft Hitler mogelijk deelgenomen aan het oproer. Een document met de naam Hittler (met twee t's) doet dit vermoeden, al is er nog veel discussie tussen academici omtrent dit omstreden onderwerp. Hoe dan ook, het Freikorps kwam München ontzetten en de communistische opstand werd in de kiem gesmoord. Opeens dook Hitler op als infiltrant van het leger. Het was in die hoedanigheid dat hij vanaf dat ogenblik bijeenkomsten van kleine politieke groepjes bijwoonde, die als paddenstoelen uit de grond schoten na de val van het Duitse Keizerrijk.

In 1919 kreeg Hitler als infiltrant de opdracht een vergadering van zo'n kleine, mogelijk linkse partij, bij te wonen. Dit was de DAP, de Deutsche Arbeiterpartei, waarvan het woord Arbeiter al voldoende was hen in de ogen van het leger verdacht te maken. De toen nog piepkleine partij was opgericht door de spoorwegbeambte Anton Drexler en Karl Harrer. Zij vergaderden in een bedompt café, waar slechts circa honderd belangstellenden aanwezig waren. Tot Hitlers verrassing bleek de partij nationalistisch, maar verder was het een armzalig zooitje. Het aantal leden bedroeg nog geen vijfhonderd, van wie misschien vijftig actief waren, en het batig kassaldo bedroeg ongeveer vijftig Papiermark. Net toen Hitler aanstalten maakte om weg te gaan, maakte een professor opmerkingen die Hitler razend maakten. Hij nam het woord en sprak de vergadering heftig toe, tot de professor vertrok. Hierop liep Hitler tevreden weg. Anton Drexler rende achter hem aan en gaf hem wat pamfletten, met het verzoek (bestuurs)lid te worden. Na een nacht nadenken stemde Hitler toe en sloot zich bij de partij aan.

Hitler beweerde zelf altijd dat zijn lidmaatschapsnummer van de DAP 7 was. Dit zou bijdragen tot zijn mythevorming over een armzalig groepje van zeven dat onder Hitlers hoede zou uitgroeien tot een machtige partij. Hij was echter niet het zevende lid, maar het zevende lid van het dagelijks bestuur. Zijn werkelijke lidmaatschapsnummer was 555. Op de afbeelding van Hitlers ledenkaart staat echter wel het lidmaatschapsnummer 7. Dit is echter het gevolg van het feit dat de partij pas in 1920 een fatsoenlijke administratie kreeg en de inmiddels binnen de partij machtige Hitler zichzelf een kaart met nummer 7 kon toebedelen. Hitler had nummer 555 maar was als 55e toegetreden. De administratie begon echter met nummer 501 om zo de partij groter te laten lijken.

Binnen de DAP maakte Hitler zich in eerste instantie sterk voor de propaganda en fondsenwerving. Bij Hitlers aanmelding als partijlid had de DAP slechts 7,5 Mk in kas. Een van Hitlers maatregelen, in februari 1920, was de verandering van de partijnaam in NSDAP. Toen de NSDAP in december 1920 de Völkischer Beobachter kocht kon de partij al 120.000 Mk voor het extreem-rechtse weekblad op tafel leggen. In 1918 had het Thule-Gesellschaft van Rudolf von Sebottendorf, als vrijmetselaar ingewijd in de Oude en Primitieve Ritus Memphis-Misraïm, de krant Münchner Beobachter gekocht. In 1919 werd de naam van de krant veranderd. Het Thule Gesellschaft was de nieuwe naam voor de loge in München van de Germanenorden Walvater van de Heilige Graal, opgericht door Hermann Pohl. De antisemitische hiëronymieten priester en journalist Bernhard Stempfle schreef voor de Münchner Beobachter in 1919, werd later lid van Hitlers inner circle en hielp hem bij het schrijven van Mein Kampf.  
 
Waarschijnlijk waren de meeste donaties in de eerste jaren na de oprichting van de partij afkomstig van het Thule-Gesellschaft, leden van Vrijkorpsen in de Weimarrepubliek en uit fondsen van verenigingen binnen de Reichswehr. In juni 1921 had Hitler zijn positie binnen de partij zo versterkt dat hij de macht van Anton Drexler kon overnemen. Samen met Ernst Röhm richtte Hitler de SA op, de knokploeg/ordedienst van de NSDAP.

De partij groeide pijlsnel door Hitlers organisatorische, retorische en hypnotiserende gaven. Hitler liet propagandamateriaal drukken dat hij desnoods zelf verspreidde en binnen de kortste keren waren de zalen gevuld met meer dan 2000 man. Het succes zal Hitlers eigendunk ongetwijfeld hebben vergroot, maar stond in schril contrast met zijn onbeholpenheid in kleine kring. In 1921 werd hij partijleider.

Een bewaard gebleven brief van hem uit 1919 getuigt ervan dat toen al iets van een verlosser-idee in hem aanwezig was; hij beschouwde zichzelf als de enige die Duitsland naar een wedergeboorte kon leiden. In het openbaar profileerde hij zich aanvankelijk nog als trommelaar die de massa's bijeen zou roepen. Ook later zei hij meermalen dat hij geloofde door het lot te zijn voorbestemd voor zijn rol in de geschiedenis. In zijn laatste jaren versterkte die overtuiging zich alleen maar; het was Hitler of de chaos; hij vereenzelvigde Duitsland met zijn eigen levenslot. Hitler verklaarde vanaf 1919/1920 regelmatig dat genieën zoals hij hooguit eens per duizend of tweeduizend jaar geboren werden.

Rudolf Hess, bewonderaar van Hitler van het eerste uur, leek de toespraken van Hitler als een soort religieuze openbaringen te beleven. Hij zweepte aan het begin van een partijmanifestatie de NSDAP-leden in de zaal bijvoorbeeld op met de kreten:

Als reactie op deze aankondiging van Rudolf Hess barstte in de zaal een compleet pandemonium los.

Misschien wel de belangrijkste reden die Hitler aangaf voor zijn beslissing politiek actief te worden, was de linkse Novemberrevolutie van 1918, waarmee de adellijke regenten, inclusief de Duitse keizer Wilhelm II, van hun macht werden ontdaan. Voor veel Duitsers was de vernedering van de zogenaamde dolkstootlegende moeilijk te verteren en de democratische Weimarrepubliek van 1919 ondervond dan ook veel tegenstand. Bovendien had naar Hitlers overtuiging deze revolutie Duitsland definitief de nederlaag bezorgd. Hij zag het als zijn missie dat weer recht te zetten. De oorlog die hij in 1939 begon was voor hem een voortzetting van de Eerste Wereldoorlog, om Duitsland alsnog de overwinning te bezorgen op het bolsjewisme en het internationale Jodendom.

In het Sudetische Trautenau bestond sinds 1904 al een nationaalsocialistische partij, die eerst evenals Hitlers partij de Deutsche Arbeiterpartei heette en na de Eerste Wereldoorlog haar naam veranderde in de Duitse Nationaalsocialistische Arbeiderspartij, de DNSAP. Ook de partij van Hitler veranderde van naam en werd in 1920 de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). Contacten tussen de twee partijen mondden uit in een samengaan begin jaren twintig. Maar de NSDAP bleek in 1923 superieur en in 1926 werden ze samengevoegd tot één partij: de NSDAP, met een Oostenrijkse en een Duitse tak. Hitler werd de enige leider van beide afdelingen.

Ondanks de vele strubbelingen binnen de partij lukte het Hitler de macht te behouden. Door onder meer agressieve publiciteit en Hitlers sprekerstalent, groeide het aantal toehoorders spoedig tot enkele duizenden per avond. In plaats van cafés werden nu grote bierhallen afgehuurd voor de samenkomsten en spreekbeurten. Tijdens of na de bijeenkomsten braken regelmatig vechtpartijen uit tussen NSDAP-leden en de SA aan de ene kant en tegenstanders van de NSDAP aan de andere kant. Hitler heeft voor de mishandeling van een tegenstander van de NSDAP tijdens zulke ongeregeldheden in de zomer van 1922 een maand vastgezeten. Hierbij moet vermeld worden dat de NSDAP in 1923 nog niet in het parlement was vertegenwoordigd. De NSDAP verwierf voor het eerst zetels in het parlement na de Duitse Rijksdagverkiezingen van mei 1924; samen met de Nationaal-Socialistische Vrijheidsbeweging, waarmee de NSDAP één partij vormde, werd 6,6% van de zetels behaald.

Door de hoge herstelbetalingen die Duitsland volgens het Verdrag van Versailles vanaf 1919 aan de geallieerden moest doen, raakte de Duitse economie steeds verder in het slop. Omdat de Duitse overheid steeds meer geld moest bijdrukken om zijn ambtenaren te kunnen betalen liep de inflatie steeds sneller op tot de hyperinflatie in 1922 en 1923. Frankrijk liet in 1923 beslag leggen op de kolenproductie van de mijnen in het Ruhrgebied omdat Duitsland niet langer aan zijn financiële verplichtingen kon voldoen. Op 11 januari 1923 trokken Franse en Belgische troepen het Ruhrgebied binnen om beslag te leggen op de Duitse kolenvoorraden. De Duitse mijnwerkers gingen in staking maar de Franse militairen braken de staking en traden hard tegen de protesten en het verzet van Duitse burgers op.

De Duitsers moesten meer geld bijdrukken, onder andere om de stakende mijnwerkers te kunnen betalen, waardoor de inflatie in 1923 nog sterker steeg. Tot 1922 leed de Duitse bevolking vooral onder de armoede maar door het gebrek aan steenkool dreigde in de herfst van 1923 de winterse kou waardoor de spanningen verder opliepen. Bovendien was Duitsland na de Eerste Wereldoorlog overspoeld door een vluchtelingenstroom die na de Russische Revolutie en de Russische Burgeroorlog vanuit Oost-Europa op gang gekomen was. Onder de bevolkingsgroepen die voor de pogroms en de Rode Terreur van Lenin uit Rusland waren gevlucht bevonden zich veel chassidische joden die in het straatbeeld van de Duitse steden erg opvielen.

De partijaanhang groeide door de crisis en daarmee de hoop op verandering. Op 9 november 1923 werd op aandringen van Hitler een poging gedaan de macht in Beieren te grijpen en daarna de Weimarrepubliek omver te werpen. Deze Bierkellerputsch, zoals hij genoemd wordt, begon in de Bürgerbräukeller, een bierhal in München. Daar stelde Hitler, zwaaiend met een pistool, de nieuwe regering aan de enthousiaste toehoorders voor, terwijl gewapende groepen mannen strategische gebouwen en instellingen in de stad trachtten te veroveren. Ook Ernst Röhm nam deel aan deze putsch, die mislukte en waarbij veertien coupplegers en vier politiemensen omkwamen.

Hitler probeerde vlak voordat hij werd gearresteerd zelfmoord te plegen, maar dit werd verhinderd door de vrouw van Ernst Hanfstaengl, bij wie hij onderdak had gekregen. Ondanks de slachtoffers, die door Hitlers mislukte 'putsch' gevallen waren, werd hij coulant behandeld door de rechtbank, bemand door conservatieve rechters die waarschijnlijk sympathiek tegenover zijn denkbeelden stonden. Dat er vraagtekens bij de neutraliteit van de toenmalige Beierse rechtbank gezet kunnen worden blijkt uit de bestraffing van linkse verdachten: communistische relschoppers werden meestal veel zwaarder gestraft. Hitler werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenschap. Van de vijf jaar zat hij slechts 264 dagen uit in de gevangenis van Landsberg, onder tamelijk comfortabele omstandigheden. Op 20 december 1924, ruim een halve week voor kerst, werd hij alweer vrijgelaten.

Hitler en zijn medegevangenen konden in de gevangenis in Landsberg vrijwel onbeperkt bezoek ontvangen. Hitler en Rudolf Hess kregen regelmatig bezoek van vrienden en bekenden, onder andere van dr. Karl Haushofer en Winifred Wagner, de schoondochter van Richard Wagner.
Zijn gevangenschap benutte Hitler voor het schrijven van Mein Kampf (Mijn strijd). In dit autobiografische boek beschreef hij zijn afkomst en jeugd, zijn tijd in Linz, Wenen en München, de vorming van zijn denken, zijn ideeën en zijn toekomstplannen. Hitler verheerlijkt in het boek het Duitse volk almede diens 'bloed' en 'bodem', waarbij hij historische gebeurtenissen, zoals het verlies van de Centrale mogendheden in de Eerste Wereldoorlog, in dienst stelt van een op zijn antisemitisme gebaseerde ideologie. De gedeelten in Mein Kampf over Lebensraum en geopolitiek zijn door Rudolf Hess geschreven die Hitlers secretaris en een van zijn medegevangenen was.

De gevangenen in Landsberg konden boeken uit de bibliotheek laten bezorgen en kranten en tijdschriften lezen. Hitler las in plaats van kranten en boeken uit populaire reeksen, zoals hij tijdens zijn verblijf in Wenen las, vooral boeken over krijgswetenschap en filosofie. Hitlers belangstelling ging vooral uit naar teksten en passages die hij aan Hess kon dicteren om in Mein Kampf opgenomen te worden. Hij zocht vooral naar racistische en antisemitische teksten en naar theorieën over de superioriteit van het Germaanse ras.

Al enkele maanden na zijn vrijlating eind december 1924 werd Hitlers spreekverbod en het verbod op de partij in München opgeheven. Waar het verbod op de partij nog wel bestond, en dat gold in het begin voor vrijwel heel Duitsland, werd door middel van gewelddadige provocaties geprobeerd het nieuws te halen. Dat lukte vaak. Desondanks werd het verbod in de ene na de andere deelstaat opgeheven. In de media werd steeds meer macht veroverd.

Het eerste deel van Mein Kampf werd in 1925 uitgegeven. De verkoop hiervan liep zo goed dat in 1926 de uitgave van een tweede deel volgde. Dankzij de verkoop van Mein Kampf kon Hitler kort na zijn vrijlating van een goed inkomen genieten. In de periode 1925-1933 heeft de verkoop van het boek Hitler ongeveer 1,2 miljoen RM opgeleverd, dat is omgerekend naar de maatstaf van 2015, ongeveer € 1,4 miljoen of een inkomen van rond de € 200 000,- per jaar.

Het verkoopsucces van de eerste uitgave van Mein Kampf was vooral te danken aan Hitlers veroordeling voor de deelname aan de Bierkellerputsch, waardoor hij in extreemrechtse kringen als een martelaar gezien werd. Na zijn vrijlating kon hij dankzij de inkomsten uit de verkoop van Mein Kampf een rustiger leven leiden en in bredere kring aanhang verwerven. Door aanhangers van het nationaalsocialisme in heel Duitsland werd Mein Kampf steeds meer gezien als het evangelie en Hitler zelf werd na zijn vrijlating uit de gevangenis door zijn bewonderaars gezien als de verlosser die Duitsland van de dreigende ondergang zou redden. Een van Hitlers bewonderaars was Martin Bormann, die begin 1927 lid van de NSDAP werd en door Hitler in 1928 als fondsenwerver voor de NSDAP werd aangesteld. Bormann was een handige en loyale ambtenaar die zorgde dat alle belangrijke financiële, juridische en administratieve zaken voor Hitler en de NSDAP werden geregeld.

Hitler woonde vanaf 1920, na zijn ontslag uit militaire dienst, op een kleine kamer in de Thierschstrasse 41 in München. Na zijn vrijlating uit de gevangenis in Landsberg huurde hij een tweede kamer die hij als kantoor gebruikte. In 1929 verhuisde hij naar een luxueus 9-kamerappartement aan de Prinzregentenplatz 16 in München. Naast zijn luxeappartement in München huurde Hitler in 1928 het chalet Haus Wachenfeld, het vakantiehuis van NSDAP-lid de weduwe Wachenfeld, op de nabijgelegen Obersalzberg, voor een vriendenprijsje van 100 RM per maand. Na een paar maanden kocht hij het chalet als tweede huis.

Voor de huishouding in Haus Wachenfeld in Berchtesgaden vroeg Hitler in 1928 zijn zes jaar oudere halfzus Angela Hammitzsch. Toen Hitler regelmatig in Berchtesgaden verbleef had hij een verhouding met de 21 jaar jongere, 16-jarige Maria Reiter of Mimi voor intimi. Hitler noemde haar niet alleen Mimi maar verzon een hele reeks koosnaampjes zoals Mimilein, Mizzi en Mizzerl voor zijn vriendin. Nadat Hitler zijn luxe-appartementencomplex in München had betrokken nam hij in 1931 zijn negentien jaar jongere halfnicht Geli Raubal, de dochter van zijn halfzus Angela, als huishoudster in dienst. Na verloop van tijd circuleerden er geruchten dat Hitler een heimelijke verhouding met zijn 23-jarige halfnicht had. Zij zou een vriendin verteld hebben dat haar onkel Alf een monster was en dat niemand zich kon voorstellen wat hij van mij eist. Volgens anderen zou Geli een verhouding met een andere man in Linz hebben en was ze van plan om naar Wenen te verhuizen. Op 19 september 1931 wordt Geli Raubal dood in Hitlers appartement aangetroffen. Of zij werd vermoord of zelfmoord gepleegd heeft is nooit duidelijk geworden. Hitler raakt door alle commotie in een crisis en dreigt zijn strijd op te geven door zelfmoord te plegen.

Omdat de NSDAP in 1931 flink in de lift zat was de partijleiding er alles aan gelegen om Hitler door deze crisis heen te slepen. Kort na deze affaire maakte Hitler kennis met Eva Braun, een secretaresse van Hitlers fotograaf Heinrich Hoffmann, die op Geli Raubal leek en tot 29 april 1945 zijn maîtresse zou blijven. Hitler hield meer van trouwe, gehoorzame viervoeters dan van zelfstandige vrouwen of baldadige kinderen. Hij heeft altijd verkondigd dat hij een vrijgezel was gebleven omdat hij met Duitsland getrouwd was.

Na zijn vrijlating was voor Hitler, als leider van de Nationaalsocialistische Arbeiderspartij, de weg vrij voor deelname aan de verkiezingsstrijd. Aanvankelijk ging dit niet van een leien dakje. De partij wist bij de eerste landelijke verkiezingen waar ze aan mee deed weliswaar rond de dertig zetels in de Rijksdag te bemachtigen, maar dit werden er bij elke volgende verkiezing minder. Ook bleef de groei van het ledental beneden verwachting. Dit was te wijten aan het Amerikaanse geld dat, dankzij het Dawesplan, Duitsland weer binnenstroomde en de economische hoogconjunctuur van de roaring twenties. De Fransen vertrokken uit het Ruhrgebied, de nieuwe Rentenmark bleek waardevast en de Duitse economie groeide weer. Berlijn werd een internationaal centrum van cultuur met talrijke kunstenaars, artiesten, filmmakers en modekoningen en een bruisend uitgaanscentrum. Langzaam sijpelde wat welvaart door naar de middenklasse, men keerde zich af van extremistische partijen zoals de NSDAP en stemde weer op de traditionele partijen zoals de SPD, DVP en Zentrum. In 1928 kwam de partij met 12 zetels in het parlement: een dieptepunt. In 1929 kreeg Hitler weer kansen voor zijn partij.

Op 25 februari 1932 werd Hitler door een aanstelling als Regierungsrat in de Vrijstaat Brunswijk genaturaliseerd tot Duitser, juist op tijd om zich kandidaat te kunnen stellen voor de presidentsverkiezingen van 13 maart. Hij werd pas lid van de Rijksdag in 1933, toen hij al rijkskanselier was.

Eind jaren twintig kon de NSDAP uitgroeien tot een grote landelijke partij die op de Reichsparteitagsgelände in Neurenberg grote manifestaties organiseerde. De crisis van 1929, ontstaan door de Beurskrach, breidde zich uit naar Duitsland. Een golf van faillissementen deed de werkloosheid explosief stijgen. De rijksregering moest impopulaire maatregelen nemen met toepassing van artikel 48 van de Grondwet, waarna zij direct in nieuwe verkiezingen werd afgestraft. De kiezers stemden weer massaal op de extremistische partijen ter rechter- en ter linkerzijde van het politieke spectrum, terwijl het gematigde centrum werd weggevaagd. De NSDAP kwam met 107 zetels terug in het parlement. In 1932 behaalden ze bij een van de vele verkiezingen dat jaar het grootste aantal zetels in het parlement (280), in augustus, hoewel Hitler bij de presidentsverkiezingen geen meerderheid van stemmen behaalde. Maar ook de communisten behaalden een groot aantal zetels. Er zou in theorie een meerderheidskabinet gevormd kunnen worden door of de nazi's of de communisten. Deelname aan de regering door een van beiden werd echter door rijkspresident Von Hindenburg verhinderd, die van beide kampen niets moest hebben. Bovendien wilde Hitler alleen deelnemen aan een kabinet als hijzelf hierin regeringsleider (rijkskanselier) werd. In november werden opnieuw verkiezingen gehouden, waarbij de nazi's terugvielen van 280 naar 196 zetels. De overige partijen, conservatieven en socialisten, bleven echter sterk verdeeld.

In januari 1933 raakte Duitsland door een serie complotten bijna onbestuurbaar. De straat werd opnieuw beheerst door de knokploegen van extreemlinks en -rechts. Conservatief Kurt von Schleicher en de communisten loerden op kansen om een junta of een radenrepubliek te vormen op legale of illegale wijze en ieder kabinet zonder de nazi's viel.

In deze periode kocht Hitler het chalet Haus Wachenfeld, later de Berghof genoemd, op de Obersalzberg nabij Berchtesgaden. Daar bouwde Hitler zijn tweede (informele) machtscentrum waar later vaak vergaderingen en besprekingen van Hitler met andere nazibonzen en Hitlergetrouwen plaatsvonden. Ook sommige andere toplieden, zoals Hermann Göring, hadden een chalet in de buurt van de Berghof.

Uiteindelijk werd Hitler toch weer gepolst voor deelname aan een kabinet. De partijschulden werden door het bedrijfsleven betaald (de partij was vrijwel failliet door de bijna onafgebroken verkiezingscampagnes) en men begon een lobby bij de rijkspresident. Na weken getouwtrek en intriges, vooral met medewerking van de conservatief Franz von Papen en door vele geweldsincidenten door de Sturmabteilung in het land, ging de rijkspresident uiteindelijk in januari 1933 overstag en mocht Hitler, met hemzelf als kanselier, een regering proberen te vormen. Men zag het alternatief, een communistische regering, als een groter kwaad dan een naziregering.

Mede op aandringen van de conservatieve politicus Franz von Papen, die verzekerde dat dankzij de meerderheid van conservatieven en katholieken in het nieuwe kabinet Hitler kort gehouden kon worden, werd Hitler in januari 1933 ten slotte door de toenmalige rijkspresident van de Weimarrepubliek, Paul von Hindenburg, met tegenzin benoemd tot rijkskanselier. Hindenburg had een lage dunk van Hitler en sprak denigrerend over deze kleine Gefreiter (nl: korporaal), zwerver en mislukte kunstenaar, maar hij werd van diverse zijden onder druk gezet om Hitler tot rijkskanselier te benoemen en gaf ten slotte toe.
Von Papens voorspelling kwam niet uit: mede door de Rijksdagbrand (die Hitler wonderwel uitkwam) zag Hitler al na een paar weken kans om met steun van twee derde van het parlement (met name de stem van de, aanvankelijk weifelende, katholieke Centrumpartij was van belang) een machtigingswet door te voeren die hem extra bevoegdheden gaf om orde op zaken te stellen (ofwel per decreet te regeren), waarna hij in de rest van het jaar alle politieke tegenstanders buitenspel zette. In juli 1933 werden alle partijen verboden, uitgezonderd de NSDAP.

In de loop van 1934 culmineerde onrust in de eigen nazigelederen, twijfel aan Hitlers capaciteiten binnen de Reichswehr en kritiek van conservatieve hoek (Von Papen) in de bloedige Nacht van de lange messen, waarmee Hitler de oppositie binnen de SA en laatste resten van verzet binnen Duitsland uitschakelde. In de zomer van 1934 liet Hitler Ernst Röhm, Gregor Strasser en een aantal andere SA-kopstukken en politieke tegenstanders, in totaal ruim 85 man, tijdens de Nacht van de Lange Messen uit de weg ruimen. Deze eerste grote politieke zuivering binnen de NSDAP werd voor een groot deel onder leiding van Heinrich Himmler, Sepp Dietrich en Reinhard Heydrich uitgevoerd. De SA werd na deze ingreep gemarginaliseerd en gereduceerd tot een clubje van oud-strijders. De macht binnen de NSDAP werd door de SS en de SD overgenomen. Hitler consolideerde met deze ingreep zijn macht waarna met name Göring, Goebbels, Himmler en Heydrich de belangrijkste taken binnen de NSDAP toebedeeld krijgen. Bovendien wist Hitler op deze manier de weerzin die Von Hindenburg en de Reichswehr tegen de SA en de NSDAP hadden, weg te nemen. De Duitse elite, Von Hindenburg en veel officieren binnen de Reichswehr waren niet gecharmeerd van Hitlers bruinhemden en zijn aanhang binnen de Freikorpsen en de Stahlhelm, Bund der Frontsoldaten, een legioen van zo'n 500.000 agressieve vechtjassen. Het elitekorps van de Reichswehr was goed getraind en bewapend, maar was met slechts 100.000 man veel kleiner dan het leger dat Hitler kon mobiliseren.

Zelfs de rijkspresident, toen al geruime tijd ziek, liet naderhand zijn goedkeuring publiceren. Toen Hindenburg een maand later overleed, voegde Hitler de bevoegdheden van het ambt van rijkspresident bij die van zijn eigen ambt als rijkskanselier. Vanaf toen verzwakte Hitler de rollen van parlement en regering definitief tot het punt waarop hij dictatoriale macht had. Hitler versterkte zijn positie verder met behulp van onder andere Heinrich Himmlers Gestapo en een goed georganiseerd propagandanetwerk, dat onder leiding stond van Joseph Goebbels. Naast de al spoedig alomtegenwoordige propaganda die over het Duitse volk werd uitgestort, zag Hitler terreur nu als een belangrijke machtsfactor. Vanaf de oprichting van de partij tot aan de ondergang werd geweld een veelgebruikt middel om oppositie de mond te snoeren. Waren de knokpartijen voorheen meer bedoeld om de krant te halen en tegenstanders te intimideren, na de machtswisseling ging men over tot regelrechte moord op mensen die openlijk tegen Hitler en het nazisme in het geweer kwamen. Veel (mogelijke) tegenstanders verdwenen spoorloos. Hitler vond het belangrijk om ook het leven op straat te beheersen.

Tussen Hitlers handlangers bestond een felle rivaliteit, die Hitler hoogstwaarschijnlijk heeft uitgebuit om te zorgen dat niemand aan zijn autoriteit tornde. Wanneer een conflict voorkwam (en dit gebeurde vaak door de onnauwkeurige afbakening van bevoegdheden) liet Hitler dit een tijd op zijn beloop, om vervolgens de overwinnaar te steunen. Het spelletje dat Hitler met zijn onderdanen speelde lijkt op een passieve verdeel- en heerspolitiek in combinatie met de natuurlijke selectie van de meest geschikte onderdanen. Deze manier van leidinggeven en organiseren lijkt op de principes van het in nazikringen populaire sociaal darwinisme te berusten.

Nadat Hitler de macht had overgenomen ging hij over tot de uitvoering van naziplannen, waaronder de aanleg van een groot Duits wegennet, de Reichsautobahn. In werkelijkheid was dit plan niet door Hitler zelf of door een van zijn medewerkers bedacht. Het plan bestond al in 1927, geruime tijd voor Hitlers machtsovername in 1933. Bovendien liet hij alle burgerlijke organisaties, zoals vakbonden en sport- en jeugdverenigingen, opheffen of via Gleichschaltung opgaan in naziorganisaties, zoals het Deutsche Arbeitsfront (DAF), de Hitlerjugend en de Bund Deutscher Mädel. Hitler richtte zich vooral op de arbeiders en de jeugd.

Sebastian Haffner wijst er in Kanttekeningen bij Hitler op dat Hitler goed kon organiseren en delegeren en dat het voor hem geen probleem was om plannen van tegenstanders en voorgangers over te nemen om ze vervolgens als een plan van Hitler of een naziplan te laten uitvoeren. Zo werd voor de aanleg van het wegennet teruggegrepen op het HaFraBa-plan uit de Weimarrepubliek. Dat hij met de aanleg van het nieuwe wegennet in één klap honderdduizenden Duitsers weer werk bezorgde, waardoor zijn populariteit bij de Duitse arbeiders zou zijn toegenomen, is een propagandamythe; meer dan enkele tienduizenden banen werden er niet mee geschapen. In 1935 opende Hitler de autobahn tussen Frankfurt en Darmstadt. Dit betrof onder meer de Linksrheinische en de Rechtsrheinische autobahn.

Een jaar eerder, in 1934, had Hitler Ferdinand Porsche de opdracht gegeven om een Kraft durch Freude-wagen te ontwerpen, een wagen voor het volk: de Volkswagen. Een ander groots en kostbaar Kraft durch Freude-project, dat Hitler zelf bedacht had en waarmee hij de Duitse arbeider wilde behagen, was de bouw van het vakantieoord Seebad Prora op het Oostzee-eiland Rügen waar Duitse arbeiders tijdens hun vakantie konden uitrusten. De Volkswagen werd na de oorlog pas voor het eerst geproduceerd en het Seebad Prora complex is nooit als vakantieoord in gebruik genomen nadat het gebouwd was.

Na 1934 groeide de populariteit van de Führer, zoals Hitler zich liet noemen, enorm. Ondanks alle repressie troffen die maatregelen voorlopig nog een minderheid van de bevolking en de meeste Duitsers waren bereid de andere kant op te kijken als er razzia's waren op Joden, socialisten en andere door de nazi's ongewenste groeperingen. Met hulp van financieel specialist Hjalmar Schacht herstelde de economie zich, de werkloosheid verdween binnen enkele jaren dankzij het stimuleringsprogramma. Veel geld werd in de herbewapening gestopt, hetgeen veel werk opleverde. Om dit alles te bekostigen liep het begrotingstekort echter enorm op, maar Hitler weigerde zijn uitgaven bij te stellen waarna Schacht zich in 1938 terugtrok.

In 1938 was het Duitse leger het laatste instituut dat mogelijk nog weerstand kon bieden aan de nazi's, maar na de Blomberg-Fritschaffaire in datzelfde jaar eigende Hitler zich ook het opperbevel van de Wehrmacht toe en ontsloeg onwillige militaire kopstukken.

Een belangrijk actiepunt was de uitbreiding van de productie van wapens en de ontwikkeling van nieuw oorlogstuig. In 1942 zou hij rijksarchitect Albert Speer benoemen tot rijksminister voor Bewapening en Munitie. Ook na 1943, toen de militaire kansen in de oorlog gekeerd waren, bleef Hitler optimistisch geloven dat nieuw ontwikkelde wapens, de propaganda sprak over Wunderwaffen, zoals een nieuw type vliegtuig, een nieuw type tank en de V1- en V2-wapens, de rollen weer zouden omdraaien. Hitler verordonneerde in 1939 de georganiseerde moord op geestelijk en lichamelijk gehandicapten: het zogenaamde T-4-euthanasieprogramma. Er zijn door Hitler ondertekende documenten overgeleverd waaruit blijkt dat hij deze actie goedkeurde. Op 18 augustus 1941 liet Hitler het programma tijdelijk stoppen door druk van de katholieke kerk (Clemens August kardinaal von Galen), de andere kerken en de families van de slachtoffers. Er waren toen al 70.000 mensen vermoord. De Duitse openbare weerstand leidde tot vertraging, maar niet tot een totale stop; het werd in het grootste geheim voortgezet.

Een belangrijke voedingsbodem voor het antisemitisme dat tot de Holocaust zou leiden was de publicatie van de Protocollen van Zion die een vermeende wereldwijde manipulatie door het internationale jodendom als onderwerp hadden. Ze waren een vervalsing maar werden in de jaren twintig in ruime kring als authentiek beschouwd.

Meteen na Hitlers aantreden verschenen in openbare ruimten de eerste bordjes Voor Joden verboden. Beroepsverboden werden uitgevaardigd en huwelijkswetten aangepast. Vanaf 1935, nadat de rassenwetten van Neurenberg waren ingevoerd, was het voor een Jood verboden om te trouwen met een niet-Jood. Steeds meer Duitse Joden gingen over tot emigratie. Anderen werden opgepakt en naar 'werkkampen' gestuurd, wat later de vernietigingskampen zouden worden. Een van de meest antisemitische Hitlergetrouwen was Julius Streicher, die zich al in de jaren twintig ontpopte tot een vurig propagandist van de haat tegen Joden, waar Hitler dankbaar gebruik van maakte.

In de Poolse hoofdstad Warschau werden na de Poolse Veldtocht in september 1939 de daar wonende Joden in een getto bijeengedreven en later afgevoerd naar de vernietigingskampen. Overigens werden ook in totaal een miljoen Polen naar werkkampen getransporteerd en werden uit alle bezette gebieden in totaal 6 miljoen mannen tussen de 18 en 45 jaar gedwongen tewerkgesteld in de Duitse oorlogsindustrie. Dit werd de Arbeitseinsatz genoemd. De rechters van Neurenberg noemden het later slavernij. Tijdens de Wannseeconferentie (januari 1942), waar 15 nazileiders, maar niet Hitler zelf, bijeen waren gekomen om tot een definitieve oplossing (Endlösung) van het Jodenvraagstuk (Judenfrage) te komen, werd besloten om de circa 10 miljoen Europese Joden systematisch om te brengen. De organisatie daarvan werd in handen gegeven van Reinhard Heydrich en Heinrich Himmler; de administratie aan Adolf Eichmann en de uitvoering aan de talloze officieren, militairen en burgers die door de jaren heen voldoende waren getraind en gehard. Zigeuners, homoseksuelen, Jehova's getuigen en andere groepen mensen die als ongewenst werden beschouwd ondergingen hetzelfde lot.

De Holocaust zelf was in de omgeving van Hitler als gespreksonderwerp een taboe. Een directe opdrachtrelatie tussen Hitler en de Holocaust is tot op heden niet gevonden. Het Derde Rijk opereerde sterk op het de Führer tegemoet werken: dingen doen waar geen opdracht voor gegeven was maar waar wel de ruimte voor was gegeven en waarvan verondersteld werd dat dit in de geest van de Führer was, aldus Hitlers biograaf Ian Kershaw. Zo kon Hitler (voor zichzelf) schone handen houden. Hitler is nooit in Auschwitz, Majdanek, Sobibór, Treblinka of een van de andere vernietigingskampen geweest. Hij nam zelf niet actief deel aan de Endlösung. Hoewel hij in de ogen van de buitenwereld voorzichtig leek te manoeuvreren, heeft hij over zijn bedoelingen ten aanzien van de Joden nooit twijfel laten bestaan. Ontelbare keren heeft hij de woorden vernietiging en wegvagen uitgesproken. Bekend is het volgende citaat uit Hitlers toespraak van 30 januari 1939  ‘als het internationale Finanzjudentum binnen en buiten Europa erin zou slagen de volkeren nogmaals in een wereldoorlog te storten, dan zal het resultaat niet [de bolsjewisering van de aarde en daardoor] de zege van de joden zijn, maar de vernietiging van het joodse ras in Europa!

Hitler stuurde doelbewust aan op een oorlog in Oost-Europa om de Duitse hegemonie in Europa veilig te stellen, maar hij zou volgens sommigen niet uit zijn geweest op een algehele Europese oorlog of een wereldoorlog.
Aanvankelijk hoopte Hitler dat Duitsland zijn dominante positie op het Europese continent kon versterken. Polen, Hongarije, Tsjechoslowakije, Roemenië, Joegoslavië en Bulgarije zouden satellietstaten worden van Duitsland, die bovendien met hun economieën dienstbaar zouden zijn aan die van Duitsland. Frankrijk moest worden vernederd om de Eerste Wereldoorlog te wreken, maar dit was niet het hoofddoel. Hitler hoopte zelfs op een bondgenootschap met het Verenigd Koninkrijk, net zoals keizer Wilhelm II aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Hitler maakte mogelijk de miscalculatie dat het voor het Verenigd Koninkrijk niet acceptabel zou zijn dat één land het hele Europese vasteland onder controle zou hebben. De werkelijke ideologische en geopolitieke vijand was de Sovjet-Unie, dat het in Hitlers ogen verderfelijke communisme aanhing en bovendien op de plaats lag waar de toekomstige Lebensraum verwezenlijkt moest worden. Deze ideologische tegenstelling weerhield Hitler en Stalin echter niet om op realpolitische wijze een tijdelijk verbond (Molotov-Ribbentroppact van 1939) te sluiten en Polen te verdelen.

Om de Fransen en Britten in de Middellandse Zee bezig te houden sloot Hitler een pact met de Italiaanse fascistische dictator Benito Mussolini. Deze liaison werd de as Rome-Berlijn, of simpelweg de as genoemd. Ook Japan verklaarde zich solidair met Duitsland. Deze drie landen werden hierna tot de zogenaamde asmogendheden gerekend.

De halfslachtige maatregelen van de Volkenbond tegen de Italiaanse agressie in Ethiopië en tegen de Japanse agressie in Mantsjoerije gaven Hitler het eerste signaal dat de westerse mogendheden ver zouden gaan om oorlog te voorkomen.

Op 7 maart 1936 werd het Rijnland herbezet, in 1938 gevolgd door de Anschluss (aansluiting), feitelijk de annexatie van Oostenrijk en (het Tsjechische) Sudetenland. De internationale gemeenschap reageerde zoals Hitler hoopte, maar niet verwachtte, slechts met diplomatiek geschut. De Britse premier Neville Chamberlain kwam zelfs op bezoek om een vriendschapsverdrag te tekenen: het Verdrag van München. Aangemoedigd door de lauwe reacties van de internationale gemeenschap annexeerde Hitler vervolgens de Tsjechische helft van Tsjechoslowakije en inderdaad: er werd hiertegen nauwelijks geageerd door het buitenland.

Met het bombardement op Guernica op 26 april 1937 kon Hermann Göring voor de eerste keer bepalen wat het effect van verrassingsbombardement op een bevolkingscentrum was. Aan de reeks bombardementen werd onder andere deelgenomen door Heinkel He 111, Italiaanse Savoia-Marchetti SM.79 en Dornier Do 17Z bommenwerpers. Het zwaarste tapijtbombardement werd met Heinkel-51 en Junckers-52 bommenwerpers uitgevoerd. Het laatste bombardement kostte de meeste burgers het leven. De schattingen van het aantal dodelijke slachtoffers liepen sterk uiteen en varieerden tussen de 150 en 1650. In de biografie van Ian Kershaw wordt het aantal doden en gewonden onder de 6.000 inwoners van het stadje op ongeveer 2500 geschat.

Waarschijnlijk waren de bombardementen door Hitler, Mussolini en Göring deels als experiment bedoeld. Ze werden door het Duits vrijwilligerslegioen en de Italiaanse luchtmacht uitgevoerd om tijdens de Spaanse Burgeroorlog de overgave af te dwingen van de Internationale Brigades in Baskenland. Mogelijk wilden Hitler en Göring de gegevens over de resultaten van de bombardementen voor de buitenwereld het liefst zoveel mogelijk geheim houden. De bombardementen hadden vanuit strategisch of militair perspectief geen nut aangezien Guernica een vrij kleine, Baskische stad is en niet op een strategisch belangrijke positie ligt.

In 1939 sloot Hitler met de dictator van de Sovjet-Unie, Jozef Stalin, een niet-aanvalsverdrag: het Molotov-Ribbentroppact. Aan dit verdrag werd bovendien een geheime clausule toegevoegd, waarin al een overeenkomst over de verdeling van Polen stond. Het was inmiddels duidelijk voor het buitenland dat Hitler niet van plan was om te stoppen met het annexeren van zijn oosterburen en het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en ook Nederland begonnen hun defensie-uitgaven te verhogen. De oorlog wierp zijn schaduw al vooruit.

Er is gespeculeerd over de vraag waarom Hitler zulke grote risico's nam en daarmee op een oorlog aanstuurde. In 1938 en 1939 stond Hitler op het toppunt van zijn macht en roem. Duitsland was oppermachtig in Centraal-Europa. Oostenrijk en Sudetenland waren ingelijfd en de Fransen en Britten hadden met het Verdrag van München veel van zijn eisen ingewilligd. Er bestaat een theorie dat Duitsland vanwege te hoge uitgaven op een economische crisis afstevende en dat Hitler daarom wel oorlog moest voeren (lees: goederen roven) om een dreigende crisis en ontevredenheid onder de bevolking te voorkomen. Bovendien vijzelt het hebben van buitenlandse vijanden de saamhorigheid onder de bevolking en de binnenlandse politieke steun voor een sterke leider op.

Een andere reden is door Hitler in 1937 zelf tijdens de zogenaamde conferentie van Hossbach aangegeven: hij wilde dat Duitsland de wereldmacht zou veroveren en hij wilde graag zelf meemaken dat Duitsland de wereldheerschappij zou veroveren. In 1939 was hij vijftig en hij was bang voortijdig ziek te worden of te overlijden. Voor dit gebeurde moest hij zijn werk afmaken. Daarnaast bestond onder de Duitse elite het idee dat men de verkregen machtspositie moest uitbuiten zodra daartoe de mogelijkheid bestond, voordat een andere potentiële wereldmacht zou opstaan. Hierbij werd verwacht dat dit de Sovjet-Unie zou worden, wanneer die op hetzelfde economische ontwikkelingsniveau als West-Europa zou komen, iets dat in de Koude Oorlog werkelijkheid leek te worden. Hoewel de Sovjet-Unie wel een militaire mogendheden werd, is ze op economisch terrein nooit de gelijke van West-Europa geworden.

Met de Anschluss en de bezetting van Sudetenland en Tsjechië had Hitler een geniale strategische zet gedaan omdat hij de Tsjechen hun wapens uit handen had gerukt en over de Tsjechische productiecapaciteit voor zwaar geschut, pantservoertuigen en tanks kon beschikken. Nu kon hij samen met de Russen en de Slowaken Polen binnenvallen en de veroverde gebieden onderling verdelen.

De Poolse strijdkrachten werden tijdens Poolse Veldtocht door de Duitsers volgens het aanvalsplan Fall Weiss, in samenwerking met de vanuit het zuiden binnenvallende Slowaken en vanuit het oosten binnenvallende Sovjets, in minder dan vijf weken vermorzeld. De aanhoudende bombardementen op Warschau door de Luftwaffe dwongen de Poolse legerleiding de strijd op 6 oktober 1939 op te geven. Het Duitse luchtwapen bleek tijdens de inval in Polen uitstekend gewerkt te hebben.

De hermilitarisering van het Rijnland en de annexatie van Oostenrijk en Tsjechië hadden niet tot een militaire reactie geleid en daarom verwachtte Hitler in september 1939 na de inval in Polen slechts diplomatieke strubbelingen van de kant van Frankrijk en Engeland. Maar dit keer vergiste Hitler zich, want twee dagen nadat de Duitsers Polen waren binnengevallen verklaarden het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk nazi-Duitsland de oorlog. Het halfslachtige Saaroffensief van 7 september 1939 en de zogenaamde Schemeroorlog die als reactie op de Duitse inval in Polen volgden, luidden het begin van de Tweede Wereldoorlog in. Winston Churchill werd benoemd als minister van Marine in het kabinet van Chamberlain. Sommige Duitse militairen schrokken van de oorlogsverklaringen maar op Hitler maakten de weifelende militaire reacties die op de oorlogsverklaringen volgden, niet veel indruk.

In 1939 kon Hitler over meer gevechtsvliegtuigen, bommenwerpers en transporttoestellen beschikken dan de Fransen en Engelsen: in totaal ruim 5.500 inzetbare toestellen aan Duitse kant tegenover een kleine 3.000 direct inzetbare toestellen aan de kant van de Engelsen en Fransen. Daar kwam nog bij dat Hitler over veel ervaren piloten kon beschikken omdat hij in 1933 was begonnen om duizenden leden van de Hitlerjugend tot piloot op te leiden. Door zweefvliegclubs voor jongeren op te richten en aerobatiekwedstrijden met sportvliegtuigen voor de Hitlerjugend te organiseren, hadden zijn piloten vanaf 1933 de vliegervaring kunnen opdoen die hen later bij de Luftwaffe goed van pas zou komen. Voordat Hitler aan de macht kwam was de vliegsport in Duitsland en een aantal andere Europese landen onder een breed publiek populair geworden. Daarom kregen de meeste Europese politici voor de aanval op Polen nog geen argwaan toen in de loop van de jaren 30 het zweefvliegen onder de leden van de Hitlerjugend steeds populairder werd.

Na de bombardementen op Warschau waren de meeste West-Europese politici wakker geschud. De Russische beer was daarentegen in een diepere slaap weggezonken omdat Hitler zich aan zijn verleidelijke, geheime afspraak uit het Molotov-Ribbentroppact had gehouden. De Duitsers hadden ongeveer twee derde deel van het Poolse grondgebied veroverd terwijl in het geheim was afgesproken dat het gebied gelijk tussen de Russen en de Duitsers verdeeld zou worden. Hitler riskeerde zelfs een conflict met zijn generaals door de Duitse troepen uit een deel van de veroverde Poolse gebieden terug te trekken tot achter de demarcatielijn die met Stalin was afgesproken.

In werkelijkheid had Hitler Stalin een rad voor ogen gedraaid door een deel van het veroverde gebied af te staan. Hij had tijdens de Poolse Veldtocht kunnen zien dat het Rode Leger vrij zwak en slecht bewapend was. Stalin voerde een machtsstrijd in eigen land waardoor het Rode Leger verder verzwakte en rekende niet op een aanval van Duitsland. De Russen zouden pas op 22 juni 1941, ruim een jaar na het bombardement op Rotterdam en een half jaar na de eerste bombardementen op Engelse steden, op ruwe wijze uit hun diepe slaap gewekt worden. Door Stalin een extra kers op de Poolse taartpunt cadeau te doen gingen de Russen pas anderhalf jaar later tot actie over dan de meeste West-Europese landen. De krijgslist zou Hitler een forse tijdwinst ten opzichte van Stalin opleveren voordat hij aan operatie Barbarossa begon.

Op 8 november 1939 ontplofte 's avonds om 21:20 uur na de jaarlijkse bijeenkomst van de NSDAP in de Bürgerbräukeller in München een zware bom, 8 minuten nadat Hitler en de belangrijkste NSDAP-kopstukken waren vertrokken. De tijdbom was door de meubelmaker Georg Elser in een dragende pilaar in het gebouw aangebracht, vlak achter het podium waarop Hitler stond om zijn jaarlijkse toespraak voor de NSDAP te houden. Om de plaats en het tijdstip te bepalen waar de bom moest ontploffen had Elser in 1938 de jaarlijkse bijeenkomst van de NSDAP bezocht, dat was op de avond voor de Kristallnacht. Door het mistige, kille najaarsweer op 8 november 1939 besloot de NSDAP de bijeenkomst vroeger te laten beginnen en zo vroeg mogelijk te beëindigen. Hitler kon vanwege de mist niet per vliegtuig reizen zodat hij na de bijeenkomst met de trein naar Berlijn moest reizen. Elser was al uit München vertrokken op het moment dat de bom ontplofte.

Elser was niet de enige die Hitler en de NSDAP-top uit de weg wilde ruimen. Na de annexatie van Sudetenland in 1938 was een groep van vier oudere samenzweerders uit de Duitse elite, bestaande uit de heren Beck, Goerdeler, Popitz en Hassell, van plan geweest om Hitler af te zetten of uit de weg te ruimen. Franz Halder en Walther von Brauchitsch waren in 1939, in samenwerking met Friedrich Goerdeler, van plan geweest om Hitler uit zijn functie te laten zetten wegens zijn incompetentie. Ook onder de jonge officieren in de Wehrmacht, onder wie Claus von Stauffenberg en Henning von Tresckow, groeide vanaf 1939 de onvrede over Hitler en de NSDAP-top. Het complot van 20 juli 1944 werd gesmeed tijdens bijeenkomsten op het landgoed van Helmuth James Graf von Moltke in Kreisau. De deelnemers aan de voorbereiding van de aanslag werden door de Gestapo de Kreisauer Kreis genoemd.

Na de mislukte Elser-aanslag zouden er nog vier pogingen ondernomen worden om een aanslag op Hitler te plegen.

Om geallieerde interventies te voorkomen en het initiatief te houden sloeg Hitler begin april 1940 in West-Europa toe. Begin april 1940 werd Denemarken bezet en werd Noorwegen aangevallen door het opstarten van operatie Weserübung. Begin mei 1940 werd het aanvalsplan Fall Gelb uitgevoerd voor de bezetting van Nederland en België, begin juni 1940 gevolgd door de uitvoering van Fall Rot voor de bezetting van Frankrijk.

Noorwegen en Denemarken werden als eersten bezet om de aanvoer van Zweeds ijzererts via Narvik veilig te stellen en om aan het begin van de oorlog in het noorden van Europa een strategisch gunstige startpositie voor de Kriegsmarine tegenover de Royal Navy in te nemen. Hitler voelde aanvankelijk weinig voor het opstarten van operatie Weserübung maar op herhaald en dringend verzoek van admiraal Erich Raeder, en tot grote schrik en ontzetting van Churchill, werd operatie Weserübung opgestart voordat de nazi's aan de slag om Frankrijk begonnen.

De bezetting van Denemarken verliep zeer snel omdat het Deense leger niet paraat was en de Deense legerleiding overvallen werd door de snelle landing van de Duitse troepen. De bezetting van Noorwegen verliep daarentegen vrij stroef omdat het OKH onder Hitlers leiding de taakverdeling tussen de verschillende legeronderdelen niet goed kon coördineren. Bovendien hadden de Engelse, Franse en Poolse troepen zich al stevig verschanst in de centrale delen van Noorwegen, ruim voordat de Duitse aanval begon. Churchill besloot echter om de geallieerde troepen uit Noorwegen terug te trekken aangezien de posities in Noorwegen niet permanent gehandhaafd konden worden toen de geallieerden de slag om Frankrijk dreigden te verliezen.

Met de bezetting van Denemarken kreeg Hitler de controle over het Skagerrak, het Kattegat en de toegang tot de Oostzee terwijl het neutrale Zweden strategisch geïsoleerd werd. Daarmee konden de nazi's de bevoorrading van de Sovjet-Unie vanaf de Noordzee grotendeels blokkeren. De bevoorrading van Hitlers bondgenoten kon in een later stadium via de havens in de Baltische staten en Finland voortgezet worden. De transportschepen die via de veel langere de noordelijke route naar Moermansk moesten varen om de Russen te bevoorraden konden vanuit Duitse bases in Finnmark in het noorden van Noorwegen aangevallen worden.

Met de uitvoering van Fall Gelb werden Nederland, België en Luxemburg onder de voet gelopen. De Duitse aanval op Nederland begon op 10 mei 1940 waarna met behulp van het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940 en de dreiging van een volgend bombardement, Nederland binnen een week tot overgave gedwongen werd. Nederland capituleerde op 15 mei 1940. Leopold III van België capituleerde ruim anderhalve week later op 28 mei 1940, na de Achttiendaagse Veldtocht.

De verdediging van de Lage Landen tegen de naderende grootscheepse Duitse aanval was slecht voorbereid. Nederland vertrouwde nog steeds op zijn waterlinies en was, net als België, niet op een Duitse invasie met luchtlandingstroepen voorbereid. De legers van beide landen hadden evenmin op aanvallen met bommenwerpers en tankdivisies gerekend. Bovendien zat er een groot gat zat tussen de Nederlandse verdedigingslinie van Vesting Holland, met de Grebbelinie, de Nieuwe Hollandse Waterlinie, en de Zuider Waterlinie, en de verdedigingslinies voor het centrale deel van België met verschillende stellingen langs het Albertkanaal en de KW-stelling.

Nederland was voor de nazi's vooral van strategisch belang omdat Nederland aan de monding van de Rijn, de Maas en de Schelde ligt. Nederland en België liggen bovendien op strategisch belangrijke posities voor de luchtverdediging van het Ruhrgebied. Daarom was Hitler van plan om beide landen na de bezetting samen met Noorwegen en Denemarken, stukje bij beetje gelijk te schakelen. Als eerste stap op de weg naar gelijkschakeling stelde Hitler de gehaaide nazi en geslepen jurist Arthur Seyss-Inquart aan als Rijkscommissaris voor bezet Nederland.

Na de succesvolle uitvoering van Fall Gelb konden Hitlers troepen via verschillende routes door de Ardennen en Vlaanderen om de Maginotlinie heentrekken, het noorden van Frankrijk bezetten en aan de slag om Frankrijk beginnen. Het Britse expeditieleger werd in het noordwesten van Frankrijk ingesloten, verloor de slag om Duinkerke en werd van het vasteland van Europa verjaagd. De Britten en een deel van de Fransen trokken zich met operatie Dynamo uit Frankrijk terug. Door het verlammende defaitisme onder de Franse militairen en de angst voor zware bombardementen op grote Franse steden, waren de Fransen niet meer in staat de razendsnelle Duitse opmars te stuiten.

Dit verbazingwekkende succes had Hitler voor een deel te danken aan de Blitzkrieg-doctrine en de inzet van de Luftwaffe van Hermann Göring, waarbij met een combinatie van alle wapenen op bepaalde plaatsen in de linie het overwicht werd behaald. Hitlers troepen wisten zo de Britten en het grootste deel van het Franse leger in Noord-Frankrijk en België vast te pinnen, te omsingelen en vervolgens te verslaan waarna Parijs gemakkelijk ingenomen kon worden. In essentie was Fall Rot een aangepast Von Schlieffenplan dat in tegenstelling tot 1914-1918 nu wel succesvol volbracht werd.

Binnen twee maanden hadden Hitlers troepen de slag om Frankrijk gewonnen. Om de overwinning op de geallieerden te vieren liet Hitler de treinwagon van maarschalk Ferdinand Foch uit het museum halen en naar het oorlogsmonument van de geallieerden uit 1918 in het bos bij Compiègne brengen. Onder de schaduw van het oorlogsmonument moesten de Fransen op 21 juni 1940 de voorwaarden voor een nieuwe wapenstilstand met nazi-Duitsland tekenen. Daarna werden het oorlogsmonument met de gevallen adelaar uit 1918 en de treinwagon door de SS vernietigd. Frankrijk werd in tweeën gedeeld, waarbij het noorden en westen van het land vanuit Parijs door Duitse militairen bestuurd zou worden. Hitler belde die avond Goebbels op om te vertellen dat hij de plechtigheid in de treinwagon bij het Franse oorlogsmonument als een Duitse wedergeboorte ervaren had.

Het zuidoostelijke deel van Frankrijk liet Hitler vanuit het kuuroord Vichy door het conservatieve, Rooms katholieke, antisemitisch regime van de 84-jarige oorlogsveteraan Philippe Pétain besturen. Pétain had geen politiek programma en feitelijk had ook geen macht, maar hij stond sympathiek tegenover het antisemitisme van de nazi's. Vichy-Frankrijk, dat aan de zuidkant ingesloten was door het Spanje van Franco en het Italië van Mussolini, stond onder toezicht van de nazi's en de Italiaanse fascisten. Op 24 juni 1940 hadden de Fransen tevens een overeenkomst moeten tekenen voor de wapenstilstand met Italië. Mussolini was het zuidoosten van Frankrijk binnengevallen om de Duitsers in hun strijd tegen de geallieerden te steunen. Vichy-Frankrijk was door de overeenkomsten te tekenen tot een antisemitisch, provinciaals vazalstaatje gereduceerd.

Omdat Hitler op 27 september 1940 in Berlijn een driemogendhedenpact met Italië en Japan had gesloten, meende hij na de installatie van het Vichy-regime samen met zijn bondgenoten automatisch aanspraak te kunnen maken op de Franse gebieden in Noord-Afrika en het Verre Oosten. Pétain werd gesteund door een vrij brede, diffuse achterban die uit rechts-extremisten, conservatieve katholieken, nationalisten en opportunisten bestond. Het deed Hitler veel plezier om op 24 oktober 1940 in Montoire-sur-le-Loir, in het bijzijn van Joachim von Ribbentrop en andere nazikopstukken, de hand van de oude, verslagen Pétain te kunnen schudden.

De krijgsgevangenen werden in de kampen van de nazi's slecht behandeld en hadden vaak zwaar te lijden onder de kou of andere extreme weersomstandigheden, honger en dorst en uitbraken van besmettelijke ziekten als vlektyfus en dysenterie. De meeste Franse krijgsgevangenen weigerden na de capitulatie en hun vrijlating om actief met Pétain en het Vichy-regime mee te werken. Sommigen wisten aan de krijgsgevangenschap te ontkomen en Frankrijk te ontvluchten. Anderen pleegden na ontslag uit de krijgsgevangenkampen een vorm van passief verzet. Het Franse verzet, de Résistance, was verdeeld over verschillende groeperingen, zowel binnen als buiten het Franse grondgebied en de Franse koloniën.

De oorlogsveteraan en nationalist Charles de Gaulle richtte in 1940 een beweging op onder de naam Vrije Franse Strijdkrachten. De Vrije Fransen worden onder leiding van de Franse generaal Marie-Pierre Kœnig ondergebracht bij de Franse eenheden van de geallieerde troepen. De Gaulle vervulde hoofdzakelijk een politieke rol. De Franse trotskisten, voorgekomen uit de Vierde Internationale van de Komintern, vervullen met hun de Francs-Tireurs et Partisans (FTP) een belangrijke rol in het binnenlandse verzet. Tegen het eind van de oorlog begint de organisatie van het binnenlands verzet onder de naam Forces françaises de l'intérieur meer vorm te krijgen.

Het sterk religieus getinte kamermuziekstuk Quatuor pour la fin du temps is onder erbarmelijke omstandigheden gecomponeerd door Olivier Messiaen, tijdens zijn verblijf in het gevangenkamp Stalag VIII-A in Görlitz/Zgorzelec, op de huidige grens tussen Polen en Duitsland. De romancyclus De wegen der vrijheid van Jean-Paul Sartre is een sterk politiek getinte romancyclus waarin het politiek activisme van de hoofdpersoon en zijn verblijf in een gevangenkamp, een belangrijke rol spelen. Beiden worden tot de belangrijkste werken uit de Franse kunst en cultuur van de 20e eeuw gerekend.

Hitler schreef het succes van de Slag om Frankrijk geheel toe aan zijn eigen tactische en strategische inzichten. Het valt echter niet te ontkennen dat de factoren toeval en geluk ook een grote rol hebben gespeeld. Omdat Hitler niet inzag dat de successen voor een deel aan toeval of aan het falen van zijn tegenstanders toegeschreven konden worden, werd hij overmoedig. Na de successen die hij in het eerste oorlogsjaar behaald had was Hitler er heilig van overtuigd geraakt dat niets een verdere opmars van zijn troepen kon stoppen.

Door de eerste eclatante militaire successen werden Hitlers lang gekoesterde plannen voor de verovering van Rusland en de beheersing van de Kaukasische olievoorraden, die na het Ribbentrop-Molotovpact tijdelijk in de ijskast waren gezet, in december 1940 weer nieuw leven ingeblazen. Hitler wilde echter geen tweefrontenoorlog en daartoe moest eerst het Verenigd Koninkrijk worden verslagen of idealiter tot bondgenoot gemaakt.

De Britten gingen niet op Hitlers vredesvoorstellen in, mede door de onverzettelijke houding van de nieuwe Britse premier Winston Churchill. Hitler beval daarop dat de voorbereidingen voor een invasie van de Britse eilanden opgestart moesten worden (Operatie Seelöwe) maar in augustus en september 1940 werd het de Duitsers tijdens de Slag om Engeland duidelijk dat de Britten boven verwachting stand wisten te houden. De Luftwaffe kon het luchtruim boven Engeland niet onder controle krijgen; een militaire vereiste om een geslaagde invasie te kunnen uitvoeren. In combinatie met het traditionele Britse overwicht ter zee werd een invasie van de Britse Eilanden nu onmogelijk.

Ongeduldig geworden besloot Hitler zonder volledige overwinning aan het westelijke front dat er toch een oostelijk front geopend moest worden. Hij besloot de Sovjet-Unie in 1941 aan te vallen, teneinde zijn hoofddoel, Lebensraum in het oosten, te verwezenlijken. Opmerkelijk is dat Hitler voorheen altijd gewaarschuwd had tegen een tweefrontenoorlog en zelfs ernstig de Duitse bevelhebbers uit de Eerste Wereldoorlog verweet dat ze hiermee begonnen waren. Het voeren van een tweefrontenoorlog werd Hitler dan ook zeer ontraden – naar later bleek terecht – door onder anderen Joseph Goebbels en Hermann Göring, die Duitsland nog niet klaar vonden voor zo'n grote uitbreiding van de oorlog. Maar Hitler was vastbesloten en stuurde Göring zelfs op vakantie.

Nog een tegenvaller voor Hitler was dat zijn vriend Mussolini op de Balkan en in Noord-Afrika geen militaire successen wist te boeken. Toen de Grieken onder leiding van Ioannis Metaxas Mussolini's troepen dreigden te verslaan, was Hitler zelfs gedwongen met zijn Balkanveldtocht in te grijpen. Door toedoen van Mussolini moesten de Duitsers begin 1941 middels de invasie van Joegoslavië het zuidwesten van de Balkan veroveren om de Duitse toegang tot de oliebronnen in het Roemenië van Ion Antonescu definitief veilig te stellen.

Daarna moest het roemruchte Afrikakorps van Erwin Rommel met de Noord-Afrikaanse Veldtocht het Italiaanse leger in Noord-Afrika ontzetten. Deze onvoorziene afleiding heeft het offensief tegen Rusland wellicht te zeer vertraagd: had Duitsland de tijd die verloren ging in de Balkan en Noord-Afrika tegen de Sovjet-Unie gebruikt, dan had men wellicht Moskou voor de winter inviel kunnen innemen.

Dat de Slag om Engeland anders verliep dan verwacht, was de eerste tegenslag die Hitler te verduren kreeg sinds hij met oorlogvoeren was begonnen. Bovendien had Hitler geen rekening gehouden met het mislukken van de acties die Mussolini op de Balkan zou uitvoeren. Deze tegenslagen waren in Hitlers beleving niet het gevolg van zijn eigen inschattingsfouten. Ze werden volgens Hitler veroorzaakt door de domheid en de koppigheid van Churchill en de Engelsen, die het gevaar van het oprukkende bolsjewisme niet zagen, en door het tekortschieten van Mussolini en de wispelturige Italianen.

Omdat het eerste oorlogsjaar in het voorjaar en de zomer van 1940 grote successen opgeleverd had, nam Hitler zich voor om op de ingeslagen weg voort te gaan en zijn triomftocht in 1941 voort te zetten. Hitler besloot de kritiek die Göring, Goebbels en andere nazikopstukken hadden op zijn plan voor de opmars in oostelijke richting, te negeren.

Bovendien bleek het niet tot Hitler door te dringen dat het moeilijk is om een grote bezettingsmacht in de veroverde gebieden in het westen en noorden van Europa op de been te houden, terwijl de rest van de troepen op een tweede front in het oosten slag moesten leveren met een potentieel zeer sterke tegenstander als Rusland. Blijkbaar was het Hitler ontgaan dat de twee sterkste militaire mogendheden op aarde nog niet actief deelnamen aan de oorlogen met de asmogendheden en dat die mogendheden hun achterstand ten opzichte van nazi-Duitsland snel konden inhalen.

Op 22 juni 1941 begon Hitler aan wat door velen wordt beschouwd als zijn grootste vergissing: operatie Barbarossa, de invasie van de Sovjet-Unie. Hitlers oorspronkelijke plan was om voor het invallen van de winter Europees Rusland, waar verreweg het grootste gedeelte van de Russische bevolking woonde en waar zich de zware industrie bevond, tot aan de lijn Astrachan-Archangel te bezetten. Later zou men eventueel tot aan de Oeral oprukken.

Hierna zou de rest van de Sovjet-Unie als tegenstander, als Stalin zich nog niet zou hebben overgegeven, niet veel meer voorstellen; het Duitse optimisme was mede geïnspireerd door de slechte prestaties van het Rode Leger tijdens hun oorlog tegen de Finnen in 1939-1940. Maar ook hadden, naar later bleek, de Duitse spionnen in Rusland een veel te negatief beeld doorgegeven van de vermeend zwakke capaciteiten en reserves van het Rode Leger; het was veel beter in staat nieuwe lichtingen op te roepen, te trainen en uit te rusten dan de Duitsers hadden ingecalculeerd in hun aanvalsplannen. Nog een belangrijke factor was de uitgestrektheid van het front. In de veldtocht tegen Frankrijk waren de afstanden betrekkelijk klein en konden de Duitsers vrijwel over de hele linie van het westelijke front een beslissend overwicht bereiken. Aan het oostelijk front was dit anders.

Na aanvankelijk weer ongekend grote successen in de eerste maanden van de invasie, waarbij de Duitsers snel oprukten en enorme aantallen Russische soldaten gevangen namen, voorspelden de nazileiders de overwinning als zeer nabij. De Russische luchtmacht verloor bijvoorbeeld in de eerste weken na de aanval een paar duizend Mikoyan-Gurevich MiG-1, Lavochkin-Gorbunov-Gudkov LaGG-1 en Yakovlev Yak-1 gevechtsvliegtuigen, voornamelijk omdat Stalin in voorgaande jaren de opleiding en het trainen van zijn piloten en de ontwikkeling van zijn gevechtsvliegtuigen had verwaarloosd. De Duitsers beschikten over de nieuwste Messerschmitt Bf 109 gevechtsvliegtuigen en goed getrainde piloten die ongeveer twee jaar gevechtservaring hadden die ze bij de invallen in Polen en Frankrijk hadden opgedaan.

Maar na de eerste successen werd Hitlers opmars vertraagd. Stalin wist ondanks de enorme verliezen steeds weer nieuwe troepen en materieel in de strijd te werpen. De Sovjet-reserves bleken groter te zijn dan de Duitsers hadden verwacht. Bovendien wisten de Russen bijna al hun wapenfabrieken te verplaatsen tot achter de Oeral waar ze een onafgebroken stroom nieuwe tanks, vliegtuigen, kanonnen en ander wapentuig produceerden. De Duitsers kregen ook steeds grotere logistieke problemen naarmate de aanvoerlijnen langer werden. De bevolking in Oekraïne en de Baltische landen verwelkomde de Duitsers aanvankelijk als bevrijders van het stalinistische juk maar dit sloeg snel om toen bleek dat het nazistische juk op zijn minst net zo zwaar en bloedig was. Achter de Duitse linies laaide een voor de Wehrmacht steeds hinderlijker partizanenstrijd op die veel legereenheden bond die deze moesten bestrijden. De opmars werd door al deze tegenslagen zozeer vertraagd, dat de zomer en de herfst voorbijgingen zonder beslissende veldslag die Stalin op de knieën kon krijgen. Volgens een aantal historici (w.o. Willem Melching) is op grond van o.a. de dagboeken van Goebbels vast te stellen dat Hitler al twee maanden na het begin van de veldtocht inzag dat de oorlog niet meer gewonnen kon worden.

Uiteindelijk bleek de invallende winter te veel voor het tot het uiterste beproefde Duitse materieel en de oververmoeide Duitse manschappen, die door de haperende aanvoerlijnen vaak zelfs nog in zomeruitrusting moesten vechten. Vlak voor Moskou moest de Wehrmacht halt houden en de winter uitzitten. Op 5 december 1941 kregen ze zelfs een eerste Sovjet-tegenoffensief te verduren, waardoor ze 100 tot 250 km werden teruggedreven. Orders van Hitler om stand te houden werden genegeerd, wat leidde tot het ontslag van een aantal Duitse bevelhebbers. Toen een snelle overwinning op de Sovjet-Unie mislukt was, begon er een uitputtingsoorlog, waarbij Duitsland in termen van mankracht, grondstoffen en in het bijzonder olietoevoer ernstig in het nadeel was. In de zomer van 1942 werden nogmaals fenomenale successen door de Duitsers geboekt, maar de doorstoot naar de Kaukasische olievelden mislukte uiteindelijk bij Stalingrad. De Duitse troepen aan het zuidelijke deel van het oostfront werden eind 1942 gedwongen tot een lange en bloedige terugtocht tot de rivier de Dnjepr, opgejaagd door het Rode leger. Na de Slag om Koersk in juli 1943 nam het Rode Leger het initiatief voorgoed over en begon voor hen de moeizame weg naar Duitsland zelf.

Toen de winter eind 1941 inviel sloten de Verenigde Staten zich ook aan bij Hitlers tegenstanders door de Japanse aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor, op 7 december 1941. Dit leidde tot de oorlogsverklaring van Duitsland aan de VS waarbij Hitler hoopte dat de Japanners een tweede oostelijk front in de Sovjet-Unie zouden openen, zodat Stalin zijn krachten zou moeten verdelen tussen de Duitsers en de Japanners. Tot Hitlers teleurstelling deden de Japanners geen aanval op de Sovjet-Unie in het oosten en kon Stalin de meeste troepen uit Ruslands verre oosten inzetten aan het front bij Moskou. Bovendien leidde de oorlogsverklaring aan de VS tot georganiseerde deelname aan de oorlog door een geallieerd bondgenootschap. De Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk leidden de tegenaanval aan het westfront en de Sovjet-Unie die aan het oostelijk front. Hitler was in twee jaar tijd in oorlog met het grootste land ter wereld (Sovjet-Unie), het grootste rijk ter wereld (Verenigd Koninkrijk) en de grootste economie ter wereld (Verenigde Staten). Sommige generaals van Hitler zagen toen (1942) al in dat de oorlog op den duur onmogelijk meer te winnen was met zoveel tegenstanders en stelden voor een gunstige vredesregeling met de geallieerden te treffen nu het nog kon. Zo had Stalin voorgesteld dat Hitler de Oekraïne mocht houden in ruil voor een wapenstilstand. Hitler reageerde hier nog niet eens op maar was wel furieus ten aanzien van de Duitse generaals die hierin wel wat zagen en ontsloeg de meeste van deze dissidenten. Vanaf toen nam hij persoonlijk het commando van het leger over en smoorde de kritiek op zijn plannen in de kiem. Overigens speelde dit de geallieerden zeer in de kaart: in tegenstelling tot wat Hitler van zichzelf vond was hij geen vakman in strategie en tactiek aan het front. Hij maakte veel strategische blunders: het tot elke prijs vasthouden aan eenmaal veroverd terrein, het forceren van zinloze aanvalsacties en het verwaarlozen van defensieve maatregelen. Dit alles tot afgrijzen van militaire professionals zoals Heinz Guderian, Erich von Manstein en Erwin Rommel, die meestal machteloos moesten toezien hoe Hitler in snel tempo de reserves van de Wehrmacht erdoor joeg en de strategische positie van het leger steeds verder werd verzwakt.

De vernietiging van 'Untermenschen', en het uitwissen van de sporen van vernietigingskampen, kreeg vanaf het einde van 1941 de topprioriteit. Even voor de Wannseeconferentie van 20 januari 1942, had Hitler aan Reinhard Heydrich laten weten dat hij haast wilde maken met de 'evacuatie' van alle Joden uit Europa. Het werd onzeker of de 'Endlösung der Judenfrage', op tijd afgerond kon worden. Van de vernietigingskampen, die voor het grootste deel in Polen gevestigd waren, zijn Sobibór, Treblinka II, Chełmno en Majdanek met succes ontmanteld. Maar het is de nazi's niet gelukt om het grootste vernietigingskamp, Auschwitz-Birkenau, te ontmantelen of de sporen uit te wissen van de misdaden die daar gepleegd zijn.

In het voorjaar van 1942, nog geen vier maanden na de Wannseeconferentie, werd op 27 mei om 10:00 uur 's ochtends in de Tsjechische hoofdstad Praag operatie Anthropoid uitgevoerd door de Tsjechische verzetsstrijders Jozef Gabčík en Jan Kubiš. Ze pleegden de aanslag op klaarlichte dag met een haperende stengun, een Luger P08, een antitankgranaat en hun Colt Model 1903 Pocket Hammerless pistolen op de open Mercedes-Benz Typ 320 van Heydrich. De aanslag mislukte voor een groot deel. Heydrich liep vrij zware verwondingen aan zijn middenrif en milt en een ingeklapte linkerlong op, maar hij verkeerde niet in levensgevaar. Na een week kwam hij toch onverwacht te overlijden als gevolg van een bloedvergiftiging. Hitler verloor hiermee zijn beoogde opvolger. Hitler en de nazi's sloegen terug met de vernietiging van de dorpen Lidice en Ležáky en lieten 13.000 Tsjechen arresteren. Tot een groot bloedvergieten kwam het niet omdat de nazi's zich in 1942 geen groot verlies van arbeidskrachten in het Protectoraat Bohemen en Moravië konden veroorloven.

Een andere tegenslag was de val van de Italiaanse dictator Mussolini in september 1943, na de landing van de Geallieerde troepen op Sicilië. Hij had zijn land in de oorlog gestort en weinig anders dan tegenslagen en vernederingen geïncasseerd. De Italiaanse bevolking morde en ook binnen Mussolini's eigen fascistische partij groeide de kritiek. Uiteindelijk werd hij zelfs afgezet door zijn 'medefascisten' en werd een nieuwe leiding geformeerd. Het nieuwe Italiaanse regime koos op 13 oktober 1943 de zijde van de Geallieerden, zodat de Duitse troepen in Italië ineens een bezettingsleger waren geworden, dat tegelijk de Geallieerde opmars in Italië moest stuiten. Met Duitse steun kon Mussolini nog tot het eind van de oorlog in Noord-Italië, dat onder controle van de Duitsers bleef, aan het hoofd blijven van de zogenaamde 'Italiaanse Sociale Republiek', ofwel de Republiek van Salò.

Vlak voor een bezoek van Mussolini aan Hitler was er op 20 juli 1944 werd in Hitlers Pruisische hoofdkwartier Wolfsschanze een bijna-gelukte bomaanslag op Hitler gepleegd door een groep officieren onder leiding van Claus von Stauffenberg. De bom was in een koffer geplaatst, die onder een tafel werd gezet. Maar net voor de explosie verplaatste Heinz Brandt de aktetas achter een dikke tafelpoot. Het bureau had aan de zijkanten een gesloten poot, die sterk genoeg was om de explosie tegen te houden. Vier andere aanwezigen in de kamer vonden de dood wel en een aantal anderen raakte gewond. Hitler raakte gewond aan zijn benen en aan een arm maar niet levensbedreigend. Hitler zelf zag die aanslag overigens niet als een tegenslag; het feit dat hij tegen alle verwachting in ontkwam vatte hij volgens Kershaw en andere biografen triomferend op als een ingreep van de Voorzienigheid.

De invasie in Normandië op 6 juni 1944 leidde de bevrijding in van de bezette West-Europese gebieden. Frankrijk was binnen een paar maanden bevrijd, maar tegenslagen voor de geallieerden zoals de mislukte luchtlanding bij Arnhem en het Duitse Ardennenoffensief in de winter van 1944-1945 brachten nog even uitstel van de onvermijdelijke nederlaag voor de nazi's.

In het voorjaar van 1945 hadden de Russen inmiddels Oost-Pruisen bereikt en de Amerikanen en Britten trokken de Rijn over met als gemeenschappelijk doel Berlijn. Het was voor iedereen duidelijk dat het einde voor de nazi's nabij was. Zoals eerder al vermeld kende Hitler geen zelfkritiek. Hij weet dus alle schuld voor zijn falen aan zijn generaals die hem verraden hadden en ook aan het Duitse volk dat hem in de steek liet en dat daarom in Hitlers ogen in zijn historische missie had gefaald. De laatste dagen van zijn leven bracht hij door in de sombere Führerbunker nabij de kanselarij. Hitler was op dat moment lichamelijk en geestelijk een wrak en leed aan de ziekte van Parkinson. Zijn lijfarts, dr. Morell, hield hem met diverse injecties op de been. Hitler gaf bevel tot het vernietigen van alle industriële complexen en het zich doodvechten tegen de Russen (ook bekend als het Nerobefehl). Hij ging de afgrond in en probeerde het Duitse volk mee te slepen. Door de snelle opmars van de geallieerden en ook de (heimelijke) tegenwerking van steeds meer officieren en zelfs nazikopstukken als Albert Speer, werden deze laatste Führerbefehlen niet meer uitgevoerd. Op 20 april 1945 vierde Hitler zijn 56e verjaardag, de laatste. Naar de bunker kwam een aantal hoge nazi's, o.a. Goering en Himmler, waarvan de meesten direct daarna het onder Russisch artillerievuur liggende Berlijn ontvluchtten. Hitler overwoog ook even om Berlijn te verlaten en vanuit Zuid-Duitsland de oorlog voort te zetten. Goebbels overtuigde hem echter om in Berlijn te blijven. Op 22 april verklaarde Hitler aan zijn generaals dat de oorlog verloren was. Keitel en anderen wilden echter koste wat kost verder vechten. Goering was intussen in ongenade gevallen en op 23 april werden hem al zijn bevoegdheden afgenomen. Op 28 april hoorden Hitler's medewerkers een verslag van de BBC waarin gemeld werd dat Reichsführer-SS Heinrich Himmler de Westerse geallieerden een overgave had aangeboden en dat dit aanbod was afgewezen. Himmler had tegenover de geallieerden beweerd dat hij bevoegd was om een overgave aan te bieden. Hitler beschouwde dit als verraad.

Op 29 april 1945 legde Adolf Hitler zijn testament vast en trouwde met Eva Braun. Er was geen stromend water meer in de ondergrondse bunker en vele generaals begonnen zich te bedrinken. Hitler vernam via het beluisteren van de Britse radio dat Mussolini was vermoord en dat zijn lijk ondersteboven was opgehangen aan een tankstation in Milaan. Op 30 april pleegde Hitler zelfmoord in zijn bunker in Berlijn, samen met Eva Braun. Naar alle waarschijnlijkheid nam Hitler een cyanidepil in en schoot hij zichzelf hierna met een pistool door het hoofd. Braun nam naar alle waarschijnlijkheid alleen een gifpil in. Een aantal van zijn naaste medewerkers, onder wie zijn beruchte minister van Propaganda Joseph Goebbels, benam zich daarna ook het leven. Acht dagen later, op 8 mei 1945, gaf Duitsland zich over.

Wat er na Hitlers dood met zijn lichaam gebeurde is nooit duidelijk geworden. De waarschijnlijkste geschiedenis is de volgende. Na Hitlers dood gaf Goebbels opdracht de lijken te verbranden. Haastig werden de lijken door de SS-lijfwachten met benzine overgoten en in brand gestoken. De aanwezige soldaten hadden haast aangezien de Russische granaten neerregenden. Hierdoor verbrandde het lichaam niet volledig.

Goebbels weigerde om voor de Sovjets te capituleren en pleegde op 1 mei met zijn gezin zelfmoord. Uiteindelijk zou het Rode Leger bij de bunker twee lichamen aantreffen, waarvan een waarschijnlijk van Hitler was. De NKVD (de 79e SMERSJ) legde beslag op de lijken en liet forensisch arts Faust Sherovsky een autopsie verrichten. De lichamen werden daarna herhaaldelijk begraven en opgegraven, uiteindelijk zou het lichaam bij een nieuw gebouw van SMERSH in Magdeburg begraven zijn. In 1970, toen het gebouw aan Oost-Duitsland overgedragen zou worden, zouden de lijken door de Russische KGB opgegraven en opnieuw verbrand zijn waarna de as in de Elbe verstrooid werd.

Een niet verbrande kaak met bijbehorende brug en een stuk van een schedel (met kogelgat) wordt tot op heden bewaard in het Russisch Staatsarchief te Moskou en is alleen voor wetenschappers toegankelijk. Onderzoek aan de hand van Hitlers originele gebitsfoto's leek aan te tonen dat de kaak inderdaad toebehoorde aan Hitler. Nieuwer onderzoek met behulp van DNA-materiaal afkomstig van de schedel trok dit echter weer in twijfel. Volgens DNA-analyses behoorde het schedelfragment met kogelgat toe aan een vrouw, die op basis van de schedelnaden, tussen de twintig en veertig jaar oud moet zijn geweest. Volgens de onderzoekers vormden deze gegevens het definitieve bewijs dat de schedel niet afkomstig was van Hitler. Tot op heden wordt dus nog gespeculeerd, ook over het precieze verloop van de gebeurtenissen in Hitlers bunker in april 1945.

In de door Hitler ontketende oorlog, de concentratiekampen en de verschrikkingen daaromheen verloren alleen al in Europa 39 miljoen mensen het leven. Het grootste gedeelte van Europa was ten gevolge van de oorlog verwoest. Frankrijk en Groot-Brittannië verloren hun dominante wereldrol aan de nieuw opgekomen supermachten, VS en de Sovjet-Unie. In het oosten moest het verslagen Duitsland aanzienlijke gebiedsdelen aan Polen en de Sovjet-Unie afstaan, waarbij de Duitse bevolking die hier gewoond had naar het westen verjaagd werd. De rest van Duitsland raakte als gevolg van de vrijwel onmiddellijk beginnende Koude Oorlog na 1945 verdeeld in twee landen: de Duitse Democratische Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland. Europa en Duitsland zouden tot 1990 verdeeld blijven door het IJzeren Gordijn.
Op de langere termijn is de Europese samenwerking met als sluitstuk de Europese Unie een direct gevolg van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, evenals de oprichting van de staat Israël in 1948.

De uiteindelijke schuldvraag omtrent de Holocaust is grondig onderzocht, maar daarover bestaan volgens Rosenbaum veel verschillende meningen, van zonder Hitler geen Holocaust (Lucy Dawidowicz), via het is de schuld van de Duitsers (Daniel Goldhagen) tot het is de schuld van het christendom (Hyam Maccoby) en zelfs het is wellicht de schuld van de Joden zelf (zonder Joden geen Holocaust; George Steiner). Ook hebben velen voorzichtig of minder voorzichtig met de vinger naar God gewezen (Emil Fackenheim, Yehuda Bauer).

De Britse historicus Ian Kershaw, die een lijvige tweedelige biografie schreef, heeft Hitler vooral in een historische context willen plaatsen; hij stelt dat Hitler zo veel macht kon vergaren doordat veel van zijn aanhangers bereid waren hem tegemoet te werken. Ook in Polen en Frankrijk was er sterk nationalisme en antisemitisme. Zonder Hitler misschien geen Auschwitz, maar wel pogroms tegen Joden, zoals trouwens na de Duitse capitulatie in 1945 nog in Polen zou gebeuren.

Het is duidelijk dat de massamoord op miljoenen mensen niet zonder medeweten van Hitler kon worden georganiseerd (zie ook Wannseeconferentie). Een schriftelijke opdracht is echter niet teruggevonden. Hitlers naaste medewerkers (Himmler, Göring, Kaltenbrunner en Frick) zouden een operatie van deze omvang, en met een dergelijke logistieke complexiteit, niet zonder Hitlers toestemming hebben kunnen organiseren. De massale vergassing van de Europese Joden past ook bij Hitlers op film bewaarde uitspraak in de Reichstag dat een nieuwe oorlog de ondergang van het Joodse ras in Europa zou zijn. Ook zijn autobiografie, Mein Kampf, bevat vele passages tegen het jodendom.

Meningen die geheel van de bovenstaande verschillen, komen van onder anderen Claude Lanzmann, die vindt dat elke verklaring de enormiteit van Hitlers schuld verdoezelt, en van Louis Micheels, die zich afvraagt of de waarom-vraag wel gesteld moet worden. De meest afwijkende mening komt echter van David Irving, die de omvang van de Holocaust relativeert en de betrokkenheid van Hitler onbewezen acht, en die dan ook een schare bewonderaars achter zich kreeg uit revisionistische, neonazistische of andere extreemrechtse kringen.

Omdat Hitler zelfmoord pleegde is er nooit een gerechtelijk oordeel geveld over zijn verantwoordelijkheid voor de Holocaust, zoals voor andere nazi's tijdens de Processen van Neurenberg of het IG Farbenproces.

Baldur von Schirach, ex-leider van de Hitlerjugend en gouwleider van Wenen schreef in 1967:

Ian Kershaw (Hitlerbiograaf) benadrukt naast Hitlers redenaarstalent, de politieke situatie in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog en de kritische houding van vele Duitsers tijdens de Weimarrepubliek tegenover een pluralistische maatschappij.
Binnen het Duitse nationalisme streefden volgens Kershaw velen naar eenheid onder de bevolking. Deze Duitsers wezen dus een democratisch stelsel met rivaliserende politieke partijen af:




#Article 61: Annie M.G. Schmidt (1264 words)


Anna Maria Geertruida (Annie) Schmidt (Kapelle, 20 mei 1911 – Amsterdam, 21 mei 1995) was een Nederlands dichteres en schrijfster van verzen, liedjes, boeken, toneelstukken, musicals en radio- en televisiedrama.

Annie M.G. Schmidt werd in Nederland en Vlaanderen vooral beroemd met kinderboeken als Pluk van de Petteflet (1971) en Abeltje (1953), series kinderverhalen als Jip en Janneke (1952-1957) en kinderversjes als Dikkertje Dap (1950) en Het Beertje Pippeloentje (gebundeld in 1958). Generaties Nederlanders zijn met haar poëzie en verhalen opgegroeid, waardoor haar werk tot het collectieve geheugen van naoorlogs Nederland is gaan behoren.

Annie M.G. Schmidt was de dochter van Johannes Daniël Schmidt, sinds 1909 predikant in Kapelle, en Geertruida Maria Bouhuijs. Ze slaagde in 1930 voor het eindexamen hbs-a aan de Rijks Hoogere Burgersschool te Goes. Ze werkte aanvankelijk als bibliothecaresse, onder meer in Amsterdam. In november 1940 behaalde ze het directeursdiploma van de Centrale Vereeniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken. Een jaar later solliciteerde ze in Deventer en Vlissingen. Ze werd aangenomen in Vlissingen als directrice van de stadsbibliotheek. Na de Tweede Wereldoorlog werkte ze in 1946 als documentaliste en later, tot 1958, als redactrice bij de Amsterdamse krant Het Parool.

Schmidt had vanaf 1950 een relatie met de gehuwde chemicus Dick van Duijn. Met hem kreeg ze een zoon Flip, die in haar latere werk regelmatig zou meespelen. Met Van Duijn woonde ze vanaf 1954 beurtelings in Le Rouret aan de Côte d'Azur en in Berkel en Rodenrijs. Voor haar bleef Amsterdam de plek waar ze het liefste was. Na Dicks zelfgekozen levenseinde in 1981 ging ze in 1982 wonen aan de Vossiusstraat in Amsterdam.

In 1991 stopte ze met schrijven na haar laatste, slecht ontvangen, toneelstuk We hebben samen een paard. Ze was inmiddels vrijwel blind. Na een val in januari 1994 en als gevolg daarvan een heupoperatie en revalidatie, besloot ze een aantal zaken rondom haar levenseinde zelf in de hand te nemen. Ze maakte afspraken met haar huisarts die op de hoogte was van haar ideeën over euthanasie. Schmidt verzocht Harry Bannink de begrafenismuziek te schrijven: Harry moet een mooie medley maken, met liedjes van hem en mij zoals In een rijtuigie en Op een mooie pinksterdag en dat moet dan in iets klassieks overgaan. Toen ik alles had besproken dacht ik: ik had eigenlijk nu wel een feestje verdiend waar ik wel bij was.

In de vroege ochtend na haar 84e verjaardag werd ze in haar slaapkamer gevonden, inmiddels overleden. Naast haar bed bevonden zich een wijnfles en pillenflesjes. Een arts stelde vast dat ze die ochtend rond vier uur aan een hartstilstand overleden was.

 

In haar periode bij Het Parool werd ze lid van de cabaretgroep De Inktvis, waaraan ook andere Paroolcoryfeeën meededen. Annie Schmidt – de tussenletters M.G. waren nodig ter onderscheiding van een andere schrijfster A. Schmidt – schreef in de beginjaren cabaretteksten en -liedjes voor onder anderen Wim Kan, Wim Sonneveld en Conny Stuart.

Bekendheid als schrijfster kreeg ze met de hoorspelserie In Holland staat een huis over de Familie Doorsnee. Daarvan werden 91 afleveringen gemaakt in de periode 1952–1958. Een bekend liedje hieruit is Ali Cyaankali met muziek van Cor Lemaire, die ook voor de televisieserie Pension Hommeles de muziek schreef. Schmidt was voor die tijd zonder meer een vrije geest, die door de toenmalige volksgeest in Nederland niet altijd begrepen werd. Door de kwaliteit van haar werk had ze daarvan niet veel last. Zo schrok ze er niet voor terug om (voor die tijd) pittige taal te gebruiken. In een hoorspel liet ze iemand zeggen dat hij die ander een schop onder zijn achterwerk zou geven. De volgende dag regende het opzeggingen en verontwaardigde reacties bij de VARA die het hoorspel had uitgezonden. Schmidt werd te verstaan gegeven dat dit echt niet kon. Door de blijmoedigheid van haar werk bleef ze een publiekslieveling.

In 1965 schreef Annie M.G. Schmidt de tekst van de eerste oorspronkelijk Nederlandstalige musical Heerlijk duurt het langst, die 534 voorstellingen zou beleven. Harry Bannink componeerde de muziek. Tussen 1966 en 1968 volgde de inmiddels legendarische televisieserie Ja zuster, nee zuster, weer in nauwe samenwerking met Bannink. Veel meer musicals zouden volgen, waaronder En nu naar bed (1971), Wat een planeet (1973), Foxtrot (1977) en Madam (1981). Tussendoor vestigde Er valt een traan op de tompoes (1980) haar naam als toneelschrijver. Ook de 12-delige televisieserie Pleisterkade 17 had tussen 1975 en 1977 veel succes. Ze was goed bevriend met Fiep Westendorp, die ook al haar Jip en Jannekeboekjes illustreerde.

Al tijdens haar leven verschenen er boeken over haar en maakten biografen plannen voor biografieën. Schmidt hield die aandacht zelf zo veel mogelijk af. Biograaf Hans Vogel kreeg te horen dat hij maar moest wachten tot ze dood was. Niet lang na Schmidt overleed Vogel zelf, waarna zijn boek werd voltooid door Hans van den Bergh. Het kreeg de titel Wacht maar tot ik dood ben en belicht vooral het theaterwerk van Schmidt.

Joke Linders, die het boek Doe nooit wat je moeder zegt schreef (over de jeugdliteratuur van Schmidt), kreeg geen medewerking van de erven Schmidt.

In 2002 verscheen Anna, een biografie door Annejet van der Zijl. Van der Zijl kreeg volledige medewerking van de erfgenamen Schmidt. Een zevendelige televisieserie getiteld Annie M.G. is gebaseerd op dit boek en was in 2010 te zien bij de Vlaamse en Nederlandse publieke tv-omroep.

In maart 2009 verscheen met medewerking van de zoon van Annie M.G. Schmidt, Flip van Duyn,!--zie voor de spelling de geïllustreerde bibliografie Ik krijg zo'n drang van binnen van Marcel Raadgeep. Naast haar zelfstandige publicaties komen ook de bibliofiele uitgaven, de luisterboeken, haar vertalingen, de bladmuziek en de bijdragen aan kranten en tijdschriften aan de orde. Alle beschrijvingen zijn voorzien van illustratiemateriaal in kleur. Ook is er een overzicht van publicaties over de auteur opgenomen.

In 2004 werden de resterende Pluk-verhalen met illustraties van Fiep Westendorp, reeds eerder uitgekomen in het tijdschrift Margriet, gebundeld in een nieuw boek: Pluk redt de dieren. In 2014 verscheen een bloemlezing Schmidt: Die van die van u gedundrukt door van Oorschot van bijna 140 van haar gedichten uit de jaren 1947-1984 .

Ali Cyaankali – Het fluitketeltje – De poedelman – De leeuw is los! – Mr. Van Zoeten – Dikkertje Dap – Ik heb een tante en een oom – De dappere ridder van Vogelenzang – De brievenbus wou niet meer – De spin Sebastiaan – Het Stoute kinderenhuis – De tandarts houdt een winterslaap – de Lange familie Pijpestang – De lapjeskat – Zeven motten – Wat is dat, mevrouw van Gelder? (Houdt u beren in de kelder?) – Ik ben lekker stout – Isabella Caramella – De graaf van Weet-ik-veel – De koningin van Lombardije – Het beertje Pippeloentje – Bello – Hendrik Haan – M'n opa – De kat van ome Willem – In een rijtuigie – Ja zuster, nee zuster – Wilt u een stekkie? – Dit is pater Swierelier – De laatste dans.

Veel liedjes zijn op muziek gezet door Harry Bannink die jarenlang haar vaste componist was. Maar ook andere componisten schreven muziek voor haar teksten, zoals Han Beuker en Cor Lemaire. Een aantal van haar gedichten is door VOF de Kunst tot liedjes bewerkt. In 2013 maakten popzangers een cd met nummers van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink onder de titel De Supersonische Boem (naar de tekst van Vluchten kan niet meer). In overleg met de auteur werden 347 kinderversjes  verzameld in het boek Ziezo (1987) (samengesteld door Tine van Buul en Reinold Kuipers en uitgegeven door Querido).

Naar Schmidt is de Annie M.G. Schmidt-prijs genoemd, een onderscheiding voor het beste theaterlied.




#Article 62: Auteur (380 words)


Een auteur (van het Latijnse auctor, schrijver) is de oorspronkelijke geestelijke eigenaar van een creatief werk. Meestal wordt er in het dagelijks spraakgebruik de schepper van een boek, bundel of artikel op het gebied van letterkunde mee bedoeld. De term wordt vaak synoniem gebruikt met schrijver of journalist. Maar ook heeft bijvoorbeeld elk muziekstuk een auteur: de componist of arrangeur. De term wordt ook in de filmwetenschap gebruikt om aan te geven dat een bepaalde regisseur een persoonlijk stempel weet te drukken op zijn films.

Bij andere creatieve werken zoals een schilderij, een beeld, een website, een grafisch werk of een gebouw spreken we meestal niet van een auteur, hoewel de makers dat in juridische zin wel zijn.

De auteur van een creatieve schepping of degene aan wie de auteur de rechten heeft overgedragen (een uitgever of opdrachtgever bijvoorbeeld) heeft daarvan het auteursrecht, waarmee hij voor bepaalde tijd distributie van het werk beheert. Het werk wordt bestreken door de wettelijke regelingen die in de nationale en Europese auteurswetgeving zijn vastgelegd. Het fenomeen internet heeft vanaf het eind van de 20e eeuw geleid tot een nog altijd doorgaand proces van her-ijking en aanpassing van die wetgeving.

Met name voor boekauteurs en scenarioschrijvers is het moeilijk om met hun eersteling door te breken in de markt en een uitgever of producent te vinden. Velen van hen hebben dan ook de neiging om een eventueel aangeboden contract, waarvan het royaltypercentage (het bedrag dat na publicatie aan de auteur wordt uitgekeerd) niet in hun voordeel is, toch maar te accepteren. Vooral grote uitgevers en producenten maken hier handig gebruik van omdat zij beseffen dat een auteur niet al te luid durft te protesteren tegen het aangeboden contract. Vanuit die achtergrond is het beroep agent ontstaan. Omdat de agent een percentage van de inkomsten van een auteur krijgt, is het in het belang van die agent om de auteur zo veel mogelijk te laten verdienen. Voor de producent en uitgever is het van belang om de agent te vriend te houden omdat zij op die manier het beste materiaal aangeboden krijgen (omdat de agent het anders aan de concurrent zou geven). Naast de diensten van een agent is het belangrijk om ook gebruik te maken van een auteursrecht-advocaat.

Lijsten zijn te vinden op deze pagina's:




#Article 63: Algemeen Belgisch Vakverbond (3568 words)


Het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV), in het Frans Fédération Générale du Travail de Belgique (FGTB), is een socialistische vakbond met een sociaaldemocratische filosofie. De vakbond maakt deel uit van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie (SGA).

Het ABVV is een socialistische vakbond die het sociaal overleg centraal plaatst. Haar basiswaarden steunen op de vier pijlers gelijkheid, rechtvaardigheid, democratie en solidariteit. Deze vormen de leidraad op de verschillende syndicale actieterreinen.

Het syndicalisme vindt zijn oorsprong in de industrialisatie van West-Europa in de tweede helft van de 19de eeuw. De artisanale productie werd in een recordtempo vervangen door nieuwe fabrieken en machines. Meteen ontstond ook een nieuwe beroepscategorie, de fabrieksarbeider.

Thuisarbeid was niet meer rendabel dus trokken mensen massaal naar de steden om werk te zoeken in de vele fabrieken, aanvankelijk vooral in de textielindustrie. Arbeiders werkten en leefden er in erbarmelijke omstandigheden. Ze klopten werkdagen van 14 uur in ongezonde werkplaatsen en tegen een hongerloon. Onder de arbeiders waren ook veel kinderen. De arbeiders en hun gezinnen hadden te kampen met huisvestingsproblemen. Bovendien was er geen enkele vorm van sociale bescherming. Wie ontslagen werd of getroffen werd door een arbeidsongeval of ziekte, viel van de ene op de andere dag zonder inkomen.

De wantoestanden veroorzaakten groeiend ongenoegen en geregeld braken rellen uit. Alleen waren de arbeiders nauwelijks georganiseerd en veranderde er in de praktijk weinig aan hun situatie. Stilaan groeide echter bij de arbeiders het besef dat ze zich moesten verenigen om hun leef- en arbeidsomstandigheden te kunnen verbeteren. Op 4 maart 1857 werd in Gent de Broederlijke Maatschappij der Wevers opgericht. Een maand later hielden de spinners hun Maatschappij der Noodlijdende Broeders boven de doopvont. Die eerste vakverenigingen stelden zich relatief gematigd op en stonden ook open voor alle arbeiders, ongeacht de politieke strekking of levensbeschouwing waartoe ze zich bekenden.

Die eensgezindheid was echter van korte duur. Al snel viel de arbeidersbeweging uiteen in een socialistische en een christelijke vleugel. Hierbij kozen de socialisten voor de klassenstrijd als strategie om sociale vooruitgang te boeken in tegenstelling tot de christelijke vakbeweging die zich afzette tegen de 'goddeloze' socialisten, onder impuls van de Rooms-Katholieke Kerk. Deze ondersteunde de uitbouw van een christelijke arbeidersbeweging, enerzijds om de arbeiders uit het vaarwater van het vrijzinnige socialisme te houden en anderzijds omdat ook zij de nood inzag van sociale vooruitgang voor de werkende massa. Zo werd in 1886 de Antisocialistische Katoenwerkersbond opgericht, waaruit later het Algemeen Christelijk Vakverbond zou groeien.

De economische depressie van 1873 tot 1895 maakte de arbeidersmisère nog dramatischer. Het Belgische patronaat, dat reeds bekendstond voor zijn uitgesproken lage lonen, verscherpte die strategie nog om zo zijn concurrentiekracht te handhaven. De werkloosheidsgraad nam in deze periode onwezenlijke proporties aan en de situatie verslechterde zienderogen. Door artikel 310 van het strafwetboek was het zo goed als onmogelijk hiertegen syndicale actie te ondernemen en van de politiek moest ook geen heil verwacht worden. Door het cijnskiesrecht bestond de arbeidersklasse immers niet. Deze politieke onmondigheid leidde tot de oprichting van de Belgische Werklieden Partij (BWP) in 1885.

In de schoot van deze politieke partij werd op 11 april 1898 de Syndikale Kommissie opgericht, als antwoord op de wet van 31 maart 1898 die de beroepsverenigingen legaal maakte. De hoofdtaak van deze organisatie was de eenheid van de verschillende beroepsfederaties en afzonderlijke vakbonden te bewerkstelligen en het coördineren van de vakbondsactiviteiten binnen de socialistische zuil. Zij was ook verantwoordelijk voor de explosieve groei van het socialistische syndicalisme tijdens het Interbellum.

Op 1 januari 1938 werd de commissie omgevormd tot het Belgisch Vakverbond (BVV) of Confédération générale du Travail de Belgique (CGTB).

Op 22 november 1940 verplicht de Duitse bezetter de vakbonden op te gaan in een gemeenschappelijke organisatie met het Vlaams-nationalistische Arbeidsorde wat leidde tot de oprichting van de Unie van Hand- en Geestesarbeiders (UHGA).

Vanaf oktober 1944 bereidden het BVV en enkele andere linkse vakbonden de oprichting van een nieuwe syndicale eenheidsorganisatie voor. Ook het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) werd uitgenodigd maar haakte af. De onderhandelingen verliepen moeizaam omwille van de rivaliteit tussen het BVV en het BVES. Daar kwam bij dat het BVV pas na lange onderhandelingen ermee instemde de directe banden met de socialistische partij op te zeggen. Het tot stand komen van het ABVV onder zijn huidige benaming gebeurde op 29 april 1945 na succesvolle fusiegesprekken tussen het Belgische Vakverbond (BVV) en een aantal andere linkse vakverenigingen die ontstaan waren tijdens de Duitse bezetting en Wereldoorlog II. Zo traden naast het BVV het communistische Belgisch Verbond der Eenheidssyndicaten (BVES), het onafhankelijke Algemeen Geünifieerd Syndicaat der Openbare Diensten (ASOD) en de Mouvement Syndical Unifié (MSU) van André Renard toe tot het ABVV. Deze houding verandert echter na de oprichting van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie (SGA) in 1949 en de BSP een deel van het ABVV-programma overnam. Daarnaast werd er met de partij samengewerkt tegen de terugkeer van koning Leopold III. Hoewel de communistische tendens in oorsprong zeer sterk was, heeft na verloop van tijd de sociaaldemocratie de overhand gehaald. In sommige gevallen werden de communistische vakbondsleiders uitgesloten. De groep rond Renard integreerde beter in de structuren, maar bleef zich linkser en onafhankelijker opstellen. Ze verdedigde de syndicale onafhankelijkheid en de directe actie en had vooral invloed in Wallonië.

Bij de oprichting van het ABVV eisten de voorstanders van de directe actie een cumulatieverbod tussen een politiek en een syndicaal mandaat. Zelfs algemeen secretaris Louis Major hield zich er echter niet aan, waardoor er een intern conflict ontstond dat pas in 1964 opgelost geraakte. De macht van de beroepscentrales werd beetje bij beetje ingeperkt en de gewestelijke afdelingen van de centrales moesten zich aansluiten bij een interprofessionele gewesten. Deze laatste namen dan de meeste administratie over. De vakcentrales van hun kant kregen zitting in de bestuursorganen van het ABVV.

In 1950 ontketende de socialistische vakbond een grote staking omtrent de koningskwestie. Dit was een van de eerste grote ideologische strijden in België tussen vrijzinnigen (liberalen, socialisten en communisten) versus katholieken. In een volksraadpleging in datzelfde jaar had (katholiek) Vlaanderen massaal voor de terugkeer van Leopold III op de troon gestemd, (vrijzinnig) Wallonië en Brussel massaal tegen. In het totaal was er hierdoor een meerderheid pro terugkeer. Dit zorgde voor ongenoegen in Franstalig België en lokte een luide roep voor een Waalse republiek uit. Ook het ABVV is tegen en legt hierom de Waalse industriebekkens lam. Al snel breidt de staking ook uit naar Vlaanderen. Leopold III ziet zich hierdoor gedwongen alsnog af te treden ten gunste van Boudewijn. Datzelfde jaar komen vrijzinnigen en katholieken in de schoolstrijd wederom lijnrecht tegenover elkaar te staan.

Toen de arbeidersbewegingen een cruciale rol kregen toebedeeld bij de uitbetaling van de sociale uitkeringen. Besloten werd dat de mutualiteiten de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen voor hun rekening zouden nemen en de vakbonden de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen. Alzo ontstond de noodzaak aan een regionale structuur, die in 1952 leidde tot de oprichting van de gewestelijke afdelingen. Onder voorzitter Louis Major (1952-1968) werden ze verder organisatorisch uitgebouwd en gaandeweg kregen zij er ook interprofessionele vakbondstaken bij.

Doordat de Belgische economie relatief ongeschonden uit de Tweede Wereldoorlog was gekomen, kon de overheid op minder financiële steun uit het Marshallplan rekenen dan de buurlanden. Deze moderniseerden hun economie in sneltreinvaart, waardoor de verouderde Belgische industrie niet meer kon concurreren. België zakte hierdoor in een diepe structurele economische crisis. Doordat de zwaarst getroffen industriële sectoren voornamelijk in Wallonië gelegen waren, werd deze regio het hardst getroffen.
De regering-G. Eyskens III had zich immers voorgenomen de helft van de Waalse mijnen te sluiten, wat leidde tot een algemene mijnstaking in Henegouwen op 13 februari 1959. Al snel breidde deze zich uit over de andere mijnbekkens en ook de metaalarbeiders uit onder andere Charleroi sloten zich aan. De staking was wederom succesvol en leverde de Waalse mijnwerkers een reconversieplan op.

De rooms-blauwe regering Gaston Eyskens III trachtte de crisis te bekampen met een soort vijfjarenplan. Deze Wet voor de economische expansie, de sociale vooruitgang en het financieel herstel (ook wel de eenheidswet genoemd), moest een oplossing bieden voor zowel de stijgende werkloosheid, als de sluiting van de Waalse mijnen, als de oplopende staatsschuld en ten slotte ook nog voor de financiële gevolgen van het verlies van Belgisch Congo. Om dit te realiseren besloot de regering Eyskens III de fiscale druk te verhogen en terzelfder tijd te snoeien in de overheidsfinanciën. Zo werden de indirecte belastingen verhoogd, een staat van behoefte ingevoerd, een verscherpte controle op de werkloosheidsverzekering doorgevoerd, een herziening van de lonen en het statuut van het overheidspersoneel opgelegd en ten slotte ingrijpende besparingen in de ziekte- en invaliditeitsverzekering doorgevoerd.

De dramatische gevolgen van deze beslissing werden al snel zichtbaar en de socialistische partij en de vakbonden hekelden de beslissing, des temeer daar er zich begin 1960 een licht economisch herstel aftekende. Het ABVV legde een alternatief voor de Eenheidswet op tafel van André Renard waarin gepleit werd voor structuurhervormingen zoals de controle op holdings, nationalisering van bedrijven en de oprichting van een nationale gezondheidsdienst om meer economische democratie te realiseren. Op 29 januari 1960 brak dan het echte verzet uit tegen de eenheidswet door middel van een 24-urenstaking waaraan 700.000 werknemers deelnamen. Op 27 maart 1960 volgde dan een grote protestbetoging die opgezet was door het ACOD waarbij het stakingsrecht in de publieke sector centraal stond.

In oktober van datzelfde jaar zette de Socialistische Gemeenschappelijke Actie een brede informatiecampagne op rond de socialistische alternatieven op de eenheidswet door middel van een zeventigtal meetings, gevolgd door een werkonderbreking te Luik die gevolgd werd door 50.000 arbeiders. Tijdens de nationale actie legden 140.000 werknemers het werk neer in de provincies Luik en Henegouwen. Het protest mondde uit in een algemene staking op 20 december 1960 die was uitgeroepen door ACOD en waarbij de andere bonden zich al snel aansloten. In Wallonië werd de staking gedragen door het intergewestelijke Coördinatiecomité van Waalse gewestelijke afdelingen, in Vlaanderen waar zo'n orgaan nog niet was opgericht, beperkte de grote staking zich in eerste instantie tot de openbare sector te Antwerpen en Gent.

Toen het ACV op 27 december 1960 besloot zich definitief afzijdig te houden, kwam het tot massabijeenkomsten in de voornaamste Waalse steden en Brussel. Een dag later werd de actie overgedaan te Gent waarbij het tot gewelddadige confrontaties kwam met de ordediensten, hierdoor besloten steeds meer Vlamingen de staking te steunen en bereikte het aantal stakers een hoogtepunt op 30 december.

Op 3 januari 1961 kreeg de staking in Wallonië een regionalistische dimensie, dit was de dag dat André Renard het ABVV-programma van economische structuurhervorming koppelde aan de hervorming van de staat, waardoor men alvast in Wallonië, zo stelde hij, het vakbondsgedachtegoed in de praktijk kon omzetten. Dezelfde dag hernam de Kamer van volksvertegenwoordigers de discussie over de Eenheidswet. André Renard dreigde met het stilleggen van de hoogovens in de metaalnijverheid, het ultieme middel om de werkgevers en overheid op de knieën te krijgen.

Hoewel in Vlaanderen en Brussel de actie luwde en de eerste gedeeltelijke werkhervattingen volgden, hield de staking in Wallonië stand ondanks de straatgevechten met en sabotageacties van de ordediensten. Op 6 januari bestormde een massa betogers het Station Luik-Guillemins, hierbij lieten twee betogers het leven. Daarna luwden ook de acties in Wallonië en volgden de eerste werkhervattingen. Op 13 januari stemde de Kamer de Eenheidswet, toch was dit slechts een pyrrusoverwinning: de regering viel op 19 januari en kondigde vervroegde verkiezingen af. De acties van de vakbond werden opgeschort op 22 januari 1961.

Toch komt ook de vakbond niet ongeschonden uit de strijd, zo verlaat André Renard eind februari ontgoocheld het ABVV om met zijn Mouvement Populaire Wallon (MPW) de economische structuurhervormingen en het federalisme te verdedigen. De MPW profileerde zich als drukkingsgroep die bij de linkerzijde van de Waalse Socialistische Beweging op veel sympathie en bijval kon rekenen. Hier voelde de Belgische Socialistische Partij (BSP) zich echter zo door bedreigd dat ze het lidmaatschap van de MPW als onverenigbaar met het eigen lidmaatschap achtte.

Bij het ABVV werd de vraag van André Renard en Wallonië wel gehoord en werd er dan ook tijdens het statutair congres van 22 tot 24 april 1968 beslist tot de oprichting van intergewestelijke afdelingen voor Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Toch veroorzaakte deze evolutie heel wat discussie over de manier waarop het socialistisch syndicalisme in het federale België georganiseerd moest worden. De intergewestelijken kregen de taak mee de gezamenlijke problemen te onderzoeken en werden na de ondertekening van het Egmontpact in februari 1978 de syndicale tegenmacht voor de overheid en de werkgevers op het niveau van de gewesten en gemeenschappen.

In november-december komt het tot twee stakingen gericht tegen de werkgevers die in ruil voor 80.000 nieuwe banen een looninlevering eisten. In september 1983 trekt het spoorwegpersoneel een stakingsgolf op gang uit protest tegen de begroting 1984. Tot een algemene staking komt het net niet, nadat de regering in extremis een akkoord met de vakbondstop bereikte. Tot de volgende grote stakingsgolf is het wachten tot mei 1986. De besparingsplannen van de Regering-Martens VI hadden het overheidspersoneel reeds meermaals aangezet tot werkonderbrekingen. Op 31 mei kwam het tot een algemene staking met 250.000 aanwezigen op de ABVV-betoging in Brussel.

In november 93 komt het tot drie stakingsdagen tegen de door de Regering-Dehaene I ingevoerde loonstop en aanpassing van de index om de Europese begrotingsnormen te halen. De actiedagen van 15 en 26 werden goed opgevolgd, de derde actiedag draaide echter op een fiasco uit door onenigheid in het gemeenschappelijk vakbondsfront. Eind december keurt het parlement de licht aangepaste plannen van de regering Dehaene goed.

In 2005 vatte de Regering-Verhofstadt II het plan op om de eindeloopbaan grondig te hervormen. Dit mondde uit in de wet van 30 december 2005, het zogenaamde generatiepact. Dit pact maakte van het voormalige recht op outplacement een plicht voor de werknemer en paste de voorwaarden voor het brugpensioen aan. Door gerichte acties van onder andere het ABVV konden de brugpensioenen gevrijwaard worden, doch verwachtte de wetgever van de bruggepensioneerden dat ze voortaan beschikbaar zouden blijven voor de arbeidsmarkt en trok ze de brugpensioenleeftijd op tot 60 jaar en met de voorwaarde dat de werknemer een loopbaan van 38 voltijdse jaren achter de rug heeft.

Dezelfde dag als waarop minister-president Geert Bourgeois zijn septemberverklaring voorlas werd er door de vakbonden van de VRT een optocht georganiseerd naar het Vlaamse Parlement. Een dag later blies het ABVV in gezamenlijk vakbondsfront met het ACV en ACLVB - een eerste keer verzamelen, meer dan 5000 militanten verzamelden op het Muntplein. Eensgezind klonk het dat ze geen asociaal, onevenwichtig en onrechtvaardig beleid zouden dulden. Op 3 november werd er door Horval actie gevoerd aan de Unizo-kantoren in Antwerpen, waar een DJ Jos-actie op poten werd gezet. Eveneens op de vooravond van de nationale manfestatie van 4 november 2015 vond er een 24-urenbezetting van het Anneessensplein in Brussel plaats door de ABVV Jongeren samen met ACV Enter en ACLVB FreeZbe waarbij de studenten van o.a. Studententroef aansloten.

Een dag later vond een algemene manifestatie tegen het regeringsmaatregelen plaats. Meer dan 120.000 betogers verzamelden in Brussel aan het Noordstation. Onder de betogers waren er minstens 10.000 uit Antwerpen stad afkomstig. Verschillende actievoerders geraakten echter niet op de locatie wegens capaciteitsgebrek. De belangrijkste punten van kritiek van de vakbonden op de regering zijn dat de besparingen vooral ten laatste zijn van de werknemers, en dan met name de 2,6 miljard besparingen in de gezondheidszorg, de indexsprong van 2% en manipulaties van het indexmechanisme waardoor een gemiddelde werknemer 1066 euro bruto aan koopkracht inboet of tewel minimum 27000 euro netto op een volledige loopbaan, de hervorming van de wet van 96, waardoor er voortaan een imperatieve i.p.v. indicatieve loonnorm is, de invraagstelling van de anciënniteitsbarema's, de aanval op het sociaal overleg en de vrijheid van (loon-)onderhandelen en het optrekken van de pensioenleeftijd tot 67. Daarnaast hebben ze kritiek op de besparingen in de kinderbijslag die een gemiddeld gezin 230 euro kost en het feit dat er geen indexering van de kinderbijslag plaatsvindt, de verhoging van het inschrijvingsgeld aan hogescholen en universiteiten, de hervormingen van het pensioensparen en de verhoging van het remgeld in de gezondheidszorg. Gemiddeld genomen zou een Belg door al deze maatregelen 336 euro aan koopkracht per jaar inboeten, vooral de lage inkomens zouden het grootste slachtoffer zijn. Zo zien ouderen met een gemiddeld pensioen hun koopkracht met 562 euro afnemen. Deze cijfers werden bevestigd door zowel fiscalist Michel Maus als door hoogleraar economie Gert Peersman van de Universiteit Gent, deze laatste maakte evenwel de bedenking dat het verlies aan koopkracht in realiteit hoger ligt, aangezien er met verschillende andere besparingen geen rekening werd houden.

Het einde van de betoging te Brussel Zuid werd verstoord door onder andere rechts-extremistische groeperingen zoals Nation die de confrontatie met de politie opzochten. Zo werd onder ander Eite Homan - jarenlang de leider van het Aktiefront Nationale Socialisten (ANS) en actief geweest bij de Blood and Honour-afsplitsing Racial Volunteer Force (RVF) - en Karl-Jan Walle - oprichter van de Folksfahne 18 en actief bij Nationale Socialistische Aktie (NSA) - herkend. De beelden van deze rellen gingen de wereld rond, en kwamen in onder andere Groot-Brittannië, Rusland, de Verenigde Staten en de Arabische wereld in het nieuws. Een solidariteitsactie die werd opgezet voor een auto die vernield was, bracht op enkele uren 12.000 euro op. Burgemeester van Antwerpen en N-VA-voorzitter Bart De Wever kondigde aan een politiemacht op de been te brengen tijdens de betoging in Antwerpen, waarop de vakbonden de burgemeester eraan herinnerde dat de acties op 24 november stakingsaanzegging betroffen en geen betoging. Advocaten stelden zich dan weer de vraag of de focus op de rellen tijdens de nationale betoging een andere agenda verhult.

Op maandag 24 november vond de eerste provinciale staking in een reeks van drie plaats in de provincies Antwerpen, Limburg, Henegouwen en Luxemburg. Zondagmiddag hierop voorafgaand werd het scheepsverkeer reeds platgelegd in Antwerpen, Gent, en vanaf 17u ook in Zeebrugge. Alfaport, de koepel van Antwerpse Havenbedrijven verwachtte vooraf dat de activiteiten op een laag pitsje zouden staan. Sven Deridder, voorzitter van de Beroepsvereniging van Loodsen, liet weten dat er naar alle waarschijnlijkheid niet veel beweging op de Schelde zal zijn. Ook Het Agentschap Maritieme Dienstverlening sloot zich hierbij aan en meldde dat sluisdeuren gesloten bleven. De haven lag zo goed als helemaal plat, er waren vier vaste stakersposten en daarnaast ook enkele mobiele ploegen om elders de werking van bedrijven stil te leggen. Eveneens in Antwerpen verzamelde in alle vroegte aan het Zuiderpershuis een bont gezelschap van syndicalisten, studenten en mensen uit de sociale en culturele sector namens Hart Boven Hard voor een fietstocht langs de verschillende piketten om de stakers een hart onder de riem te steken. Onder de aanwezigen stand-upcomedian Nigel Williams, professor Jan Blommaert, rapster Slongs Dievanongs, muzikant Abdelkader Zahnoun, rapper Scale van de Sint Andries MC’s, schrijver en voormalig stadsdichter van Antwerpen Joke Van Leeuwen en modeontwerpster Rachida Aziz. Later op de dag werd er eveneens door Hart Boven Hard een fietseling georganiseerd waaraan initieel 600 fietsers deelnamen, een aantal dat geleidelijk vermeerderde tot 800.

In de regio's Mechelen en Kempen werd er aan verschillende kruispunten gesensibiliseerd onder het motto 'Wij zijn de peer!, later op de dag verzamelden duizenden vakbondsmilitanten, waaronder een grote delegatie uit de zorgsector op de Grote Markt in Turnhout, waar om vijf voor twaalf balonnen werden opgelaten. In Mechelen bliezen Hart Boven Hard en de vakbonden verzamelen in 't Arsenaal. In Limburg werden kruispunten in Paal, Hasselt, Houthalen, Genk, Neerpelt, Sint-Truiden, Tongeren en Dilsen bezet. In Hasselt werd een rouwstoet georganiseerd die de hoofdkwartieren van de verschillende partijen bezochten. In Henegouwen viel in Charleroi vanaf middernacht geleidelijk alles stil en stonden er bij ochtendgloren piketten aan de bedrijven, ook grootwarenhuizen en scholen waren dicht en er was amper openbaar vervoer. Ook de toegang tot de luchthaven van Gosselies werd geblokkeerd, reizigers mochten enkel te voet door. In Mons werd de toegang tot het winkelcentrum Grands-Près geblokkeerd en werden op verschillende invalswegen tot de stad filterblokkades georganiseerd. Ook in La Louvière werd gestaakt, tevens werd er een algemene vergadering georganiseerd door ACOD die druk werd bijgewoond. Zowel bij De Lijn als de NMBS lag het trein-, bus- en tramverkeer grotendeels plat in de betrokken provincies en was er spoorhinder in heel het land.

Op 1 december vonden er provinciale acties plaats in de provincies Namen, Luik, Oost- en West-Vlaanderen. Op 8 december werd er actie gevoerd in Vlaams- en Waals-Brabant en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Op 15 december vond er een landelijke stakingsactie plaats.

De interprofessionele structuur van het ABVV volgt min of meer de staatsstructuur. Zo zijn er binnen het Federaal ABVV het Federaal Congres, het Federaal Comité, het Federaal Bureau en het Federaal Secretariaat. Daarnaast is het ABVV, op interprofessioneel vlak opgedeeld in 3 intergewestelijken en 17 gewestelijke afdelingen.
Ten slotte is het ABVV, net als alle andere Belgische vakbonden, lid van het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (IVVV) en het Europees Vakverbond (EVV).

De professionele structuur is een indeling per arbeidssector, deze zijn vervolgens ingedeeld in zes vakcentrales.

Elke vakcentrale bestaat uit:

Uit een studie van de VUB in opdracht van De Nieuwe Werker uit 2004 blijkt dat 42% van de leden lid van het ABVV is omwille van de dienstverlening, 33% van thuis uit en 24% uit ideologische overweging. De prioriteiten van de leden gaan volgens dezelfde studie uit naar meer jobs (57%), hogere lonen, hogere pensioenen en minder stress op het werk.

Het ledenblad van het ABVV De Nieuwe Werker is een tweewekelijks magazine. Het werd opgericht in 1945.




#Article 64: Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België (315 words)


De Algemene Centrale der Liberale Vakverbonden van België (ACLVB) of Centrale Générale des Syndicats Libéraux de Belgique (CGSLB) of Allgemeine Zentrale der Liberalen Gewerkschaften Belgiens (AZLGB) is een van de drie representatieve vak(ver)bonden van België. De Liberale Vakbond vertegenwoordigt ongeveer 297.000 werknemers in België.

De ACLVB vindt net als de andere Belgische vakbonden haar oorsprong in de tweede helft van de 19e eeuw. Ze is gegroeid uit verschillende liberale vakverenigingen die overal in het land ontstonden. In 1920 leidde dat tot de oprichting van de Nationale Centrale der Liberale Vakbonden van België. De naam werd in 1939 veranderd in ACLVB.

De ACLVB kende een gestage groei tijdens de laatste jaren. Dat vertaalde zich onder meer in een stijging van het aantal mandaten in de werknemersorganen in de bedrijven na de laatste sociale verkiezingen.

Eind oktober 2006 nam Guy Haaze ontslag als voorzitter van de ACLVB. Op 13 januari 2007 werd Jan Vercamst op een buitengewoon congres verkozen tot nieuwe Nationaal Voorzitter. Hij volgde Nationaal secretaris Luk De Vos op, die de functie van voorzitter ad interim waarnam na het ontslag van Guy Haaze. In 2015 volgde Mario Coppens Vercamst op.

De ACLVB hangt een sociaal-liberale filosofie aan en is daarmee een van de weinige vakbonden die zich dan ook ten volle steunt op de liberale ideologie. Centraal staat daarbij overleg. Stakingen worden gezien als een ultiem drukkingsmiddel, dat pas gebruikt wordt wanneer andere drukkingsmiddelen niet blijken te helpen.

De Liberale Vakbond onderscheidt zich van de andere Belgische vakbonden door haar interprofessionele structuur. Arbeiders en bedienden uit verschillende sectoren maken deel uit van dezelfde organisatie. Dit in tegenstelling tot het christelijke ACV en het socialistische ABVV die bestaan uit verschillende vakgroepen. Enige uitzondering is het Vrij Syndicaat Voor Het Openbaar Ambt (VSOA) dat de ambtenaren vertegenwoordigt binnen de ACLVB.

Internationaal gezien maakt de ACLVB deel uit van het Internationaal Vakverbond (IVV) en het Europees Vakverbond (EVV).




#Article 65: Aboe Nidal (253 words)


Aboe Nidal (Jaffa, mei 1937 – Bagdad, 16 augustus 2002) was een van de meest gezochte en gevreesde Palestijnse terroristen ter wereld. Hij wordt verantwoordelijk gehouden voor in totaal 90 aanslagen in 20 landen, die voornamelijk plaatsvonden tussen midden jaren zeventig en begin jaren negentig van de 20e eeuw. De naam Aboe Nidal betekent vader van de strijd.

Aboe Nidal werd geboren als Sabri al-Banna in de havenstad Jaffa, nu een deel van de gemeente Tel Aviv-Jaffa. Zijn vader, Hajj Khalil al-Banna, bezat 2500 hectare sinaasappelplantage gelegen tussen Jaffa en al-Majdal Asqalan Tijdens de Nakba vluchtte zijn familie eerst naar hun huis in al-Majdal en daarna naar Burej (een kamp voor ontheemden) in de Gazastrook en later naar Nablus. In de jaren zestig sloot hij zich aan bij Yasser Arafats Fatah, later de voornaamste fractie binnen de in 1964 opgerichte PLO.

In 1974 brak Aboe Nidal met de Fatah, omdat deze impliciet een twee-staten oplossing accepteerde; om zijn eigen organisatie 'Fatah-Revolutionaire Raad', meest bekend als 'Organisatie Aboe Nidal' op te richten.

Enkele van de meest opvallende gebeurtenissen:

Nidal was nogal omstreden in Arabische kringen. Zo werd hij bij verstek ter dood veroordeeld door Palestijnse, Libanese en Jordaanse rechtbanken.

Op 19 augustus 2002 werd Aboe Nidal dood aangetroffen in zijn huis in de Iraakse hoofdstad Bagdad. Aangenomen wordt dat hij daar woonde sinds 1998. Hij zou toen leukemie hebben gehad. Dat was echter niet zijn doodsoorzaak. De Iraakse autoriteiten spraken van zelfmoord, maar die verklaring wordt in twijfel getrokken: hij werd met schotwonden aangetroffen.




#Article 66: Arabische Liga (597 words)


De Arabische Liga (Arabisch: جامعة الدول العربية) is een organisatie van 22 Arabische landen die in 1945 werd opgericht om samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen en de gemeenschappelijke belangen te behartigen. Het hoofdkwartier van de Arabische Liga is gevestigd in Caïro, Egypte.

De Arabische Liga werd opgericht in Caïro op 22 maart 1945. De oorspronkelijke leden waren Egypte, Irak, Transjordanië (in 1946 hernoemd tot Jordanië), Libanon, Saoedi-Arabië en Syrië. Op 5 mei van dat jaar trad ook Noord-Jemen toe. Het oorspronkelijke doel van de Liga was het verstevigen en coördineren van politieke, economische en sociale programma's voor alle leden van de Liga en het bemiddelen bij conflicten tussen de leden onderling en tussen leden en derde partijen.

Sinds 13 april 1950 heeft de Liga ook een coördinerende rol in defensieve militaire operaties. Vanaf haar oprichting stelde de Liga zich zeer afwijzend op tegenover Israël. De Arabische Liga heeft daarnaast in het verleden een belangrijke rol gespeeld binnen het onderwijs. Zo wilde ze het analfabetisme bestrijden. Ook bemoeide ze zich met het welzijn van kinderen en het verbeteren van de positie van vrouwen binnen de Arabische wereld.

Op dit moment zijn de belangrijkste doelen voor de Liga als volgt omschreven:
Het verstevigen van de relatie tussen Arabische landen, zorg voor de onafhankelijkheid van Arabische landen, het gemeenschappelijke goed dienen van alle Arabische landen, het verzekeren van betere condities voor alle Arabische landen, de toekomst van alle Arabische landen garanderen en de hoop en verwachtingen van alle Arabische landen ten uitvoer brengen.

Dit kwam en komt neer op de bevrijding van Arabische/islamitische landen van westerse overheersing (vele van de oprichtende staten hadden aan de vooravond van de naoorlogse dekolonisatie nog te maken met Brits of Frans bestuur) en bevordering van de 'Arabische eenheid'.

Een doel in het verleden was het voorkomen van de oprichting van een Joodse staat in het Brits Mandaatgebied Palestina. Na de oprichting van de staat Israël in 1948 verschoof het doel naar de bestrijding van Israël. Toen Egypte in 1978 de Camp-David-akkoorden sloot met Israël - en dus toenadering zocht tot Israël - werd Egypte geroyeerd en werd het hoofdkantoor van de Liga uit de Egyptische hoofdstad Caïro overgeplaatst naar Tunis. In 1987 werden de diplomatieke banden met Egypte hersteld, en in 1989 werd Egypte weer als lid toegelaten. Het hoofdkantoor werd vervolgens weer verplaatst naar Caïro (in 1989). Ook nu nog zijn veel landen van de Arabische Liga tegenstander van het bestaan van de staat Israël. Zes leden van de Arabische Liga onderhouden inmiddels diplomatieke relaties met Israël: naast Egypte en Jordanië sinds 2020 ook Bahrein, de Verenigde Arabische Emiraten, Marokko en Soedan. Sommige andere landen onderhouden betrekkingen op een lager niveau. Na de val van het bewind van Moebarak in Egypte in 2011 bekoelde de relatie tussen Egypte en Israël.

In juni 1976 stuurde de Arabische Liga een vredesmacht naar Libanon. In de jaren tachtig probeerde ze tijdens de Libanese Burgeroorlog te bemiddelen tussen de strijdende partijen.

Sinds 27 november 2011 probeert de liga samen met de Verenigde Naties een oplossing te vinden in het conflict in Syrië tijdens de opstand tegen president Bashar al-Assad.

Op 17 november 2012 heeft de Arabische Liga zich, na topoverleg in Caïro, uitgesproken tegen de 'agressie' van Israël in het gewapende conflict dat in diezelfde maand weer oplaaide tussen Israël en de Palestijnen in de Gazastrook. De Arabische Liga kondigde een missie aan om de solidariteit jegens de Palestijnse bevolking uit te spreken en om te bemiddelen in een staakt-het-vuren tussen beide partijen.

De Arabische Liga heeft 22 lidstaten. Dit zijn, naar hun jaar van toetreding:




#Article 67: Afrikaans Nationaal Congres (648 words)


Het Afrikaans Nationaal Congres (afkorting: ANC; Engels: African National Congress; ook in het Afrikaans wordt African National Congress gezegd) is een politieke groepering, die in 1912 in Bloemfontein werd opgericht om de belangen van de mensen in Zuid-Afrika te behartigen. De basis voor de groepering werd in 1882 gelegd met de formatie van de Native Education Association in de toenmalige Britse Kaapkolonie.

Het ANC ziet zichzelf als een nationalistische partij van alle kleuren en voorstander van een non-raciale samenleving. In het Handvest van de Vrijheid uit 1955 worden de grondbeginselen van democratie en mensenrechten beschreven. Het mag niet worden gezien als een blauwdruk voor socialisme.

De organisatie werd gesticht op 8 januari 1912 als South African Native National Congress (SANNC) aan de Waaihoek Wesleyan Church in Bloemfontein, met als doel meer rechten te bekomen voor de zwarte bevolking van Zuid-Afrika. John Dube, de eerste voorzitter, en dichter en schrijver Sol Plaatje waren bij de oprichters. De organisatie kreeg de naam ANC in 1923 en richtte een militaire vleugel op, de Umkhonto we Sizwe (Speer van de Natie) in 1961.

Van herkomst is het ANC voornamelijk een Xhosa-beweging. De Defiance Campaign is het eerste grote georganiseerde geweldloze verzet, georganiseerd door het ANC en veroorzaakte een enorme toeloop van ANC-leden, behalve Xhosa ook van andere stammen. Ook begon het ANC samen te werken met blanken die ook tegen de apartheid streden, waaronder blanke leden van de Zuid-Afrikaanse Communistische Partij (SACP).

In 1961 werd het ANC in Zuid-Afrika verboden. In 1964 werd ANC-leider Nelson Mandela, symbool van het verzet tegen de apartheid, verbannen naar Robbeneiland, tot zijn vrijlating in 1990.

Tot 1988 werd het ANC door de Verenigde Staten officieel beschouwd als terroristische organisatie. Tot 27 juli 2008 werden Nelson Mandela en andere ANC-politici nog opgevoerd op de officiële lijst van degenen die door het Congres van de VS als terroristen beschouwd worden. Na bekendwording verdwenen hun namen van de terroristenlijst.

Het ANC werkte in zijn strijd tegen de apartheid samen met de SACP en andere lokale antiracistische partijen, zoals het Pan-African Congress (PAC). Tot 1994 werd de strijd tegen apartheid gebaseerd op actie voor gelijke rechten voor zowel blanken als zwarten. Tegenwoordig is de partij ANC officieel lid van de Socialistische Internationale en voorstander van democratisch socialisme.

Op 2 februari 1990 verklaarde president F.W. de Klerk in zijn traditionele openingstoespraak voor het parlement de opheffing van het verbod op het ANC, het PAC, de Communistische Partij en 31 andere verboden organisaties. Bij de vrije verkiezingen in 1994 behaalde de partij onder aanvoering van Mandela een grote overwinning en nam sindsdien deel aan de nationale eenheidsregering. Het ANC werkte nauw samen met de Afrikaanse Nuwe Nasionale Party, opvolger van de Nasionale Party. Na 2005 stapten een aantal NNP-leden zelfs over naar het ANC.

Sinds de eerste vrije verkiezingen van 1994 heeft het ANC steeds de president van het land geleverd. Dit waren achtereenvolgens Nelson Mandela, Thabo Mbeki, Kgalema Motlanthe, Jacob Zuma en Cyril Ramaphosa.

Voormalig ANC-voorzitter Jacob Zuma werd aangeklaagd wegens corruptie, en geldt als populist.

De anglicaanse ex-bisschop Desmond Tutu bekritiseerde het ANC fel vanwege de 'stille diplomatie' tegen het voormalige Zimbabwaanse regime van Robert Mugabe en de toename van de tegenstellingen tussen arm en rijk in Zuid-Afrika.

Ook in de Westerse wereld is vaak kritiek op het ANC te horen. Ten eerste kreeg de regering-Mbeki kritiek wegens haar ineffectieve aidsbeleid. Ten tweede zou ze de haat tegen blanken niet voldoende bestrijden en overvallen op blanke boeren.

In 2006 kreeg Jacob Zuma heel wat kritiek met het zingen van het lied Umshini wami, wat vertaald uit het Zulu Breng me mijn machinegeweer betekent. Hij verklaarde echter wel dat dit lied voor hem geen aansporing tot geweld betekent.

De voormalige jeugdleider van het ANC Julius Malema en voormalig president Zuma werden ook bekritiseerd voor het zingen van het lied dubul' ibhunu wat Schiet een Boer betekent. Het ANC verdedigde dit gedrag.




#Article 68: Anti-Revolutionaire Partij (717 words)


De Anti-Revolutionaire Partij (ARP) was de eerste politieke partij in Nederland. Ze bouwde verder aan een al bestaande parlementaire stroming, die was begonnen door Guillaume Groen van Prinsterer. De naam 'antirevolutionair' verwijst naar het verwerpen van de ideeën van de Franse Revolutie.

De partij werd opgericht door Abraham Kuyper in 1879. Het belangrijkste strijdpunt van de ARP was de gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs. De traditionele achterban van de ARP werd gevormd door de (neo)calvinistische 'kleine luyden'. Kuyper begreep dat hij meer zetels nodig had om invloed uit te oefenen en pleitte daarom voor uitbreiding van het kiesrecht, hetgeen daadwerkelijk geschiedde in 1917. De politieke strategie van Kuyper was de antithese, het bewerkstelligen van een politieke scheidslijn tussen confessionele partijen enerzijds, zoals zijn eigen ARP en de katholieken, en de seculiere partijen anderzijds. Hiermee kon hij een meerderheid krijgen voor zijn politieke standpunten.

De ARP had een sterke binding met de (mede door Kuyper gestichte) Gereformeerde Kerken in Nederland (kortweg Gereformeerde Kerk genoemd); ruim 80% van de ARP-kiezers was gereformeerd. Eenzelfde percentage van de ARP-bestuurders was lid van dit kerkgenootschap, de overigen kwamen vooral uit de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk en de Christelijke Gereformeerde Kerk bij de ARP. Vaak zaten voor de ARP dominees in de Tweede Kamer.

De ARP had een sterke aanhang in Friesland, Overijssel en Zeeland, en op het Zuid-Hollandse platteland. De gemeenten Urk, Grijpskerke, Grootegast, Almkerk en Zuidland golden als grootste bolwerken van de ARP. De Veluwe gold als een christelijk-historisch bolwerk met aanhangers van de CHU.

Partijleiders na Kuyper waren Hendrik Colijn, Jan Schouten, Jelle Zijlstra, Sieuwert Bruins Slot, Barend Biesheuvel en Willem Aantjes. In de Tweede Wereldoorlog ging de ARP ondergronds. Veel antirevolutionairen namen deel aan het verzet. De Nederlandse regering in Londen werd geleid door ARP-voorman Pieter Sjoerds Gerbrandy.

De ARP had, vanuit haar visie op de overheid als draagster van een van God gegeven wettig gezag, grote moeite met de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië, die in 1949 na twee politionele acties niettemin plaatsvond. Vanaf de jaren zestig ging ze zich ontwikkelen in meer vooruitstrevende richting. Zo bleven ARP-ministers en -Kamerfractie in de nacht van Schmelzer in 1966 trouw aan het kabinet Cals-Vondeling. Vervolgens haalde de Anti-Revolutionaire voorman Jelle Zijlstra echter als premier van een tussenkabinet de kastanjes uit het vuur voor de KVP.

In 2001 verscheen er onder auspiciën van de Vereniging van Christen-Historici een nieuw standaardwerk over de geschiedenis van de partij: De Anti-Revolutionaire Partij, 1829-1980, onder redactie van George Harinck, Roel Kuiper en Peter Bak (Uitgeverij Verloren, Hilversum).

Omdat de Anti-Revolutionaire Partij sterk verbonden was met de Gereformeerde Kerken in Nederland, werkten kerkelijke conflicten vaak in de ARP door.

In 1894 zorgde een conflict tussen Kuyper en de invloedrijke Alexander de Savornin Lohman over uitbreiding van het kiesrecht (Kuyper was voor, maar Lohman tegen) dat Lohman uit de fractie stapte en de Vrij-Antirevolutionaire Partij stichtte (een van de voorlopers van de Christelijk-Historische Unie).

Ter linkerzijde van de ARP stichtte A.P. Staalman, die vond dat partijleider Kuyper te weinig een sociaal gezicht liet zien, in 1905 de Christen-Democratische Partij.

In 1918 richtten enkele bevindelijk-gereformeerden de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) op, uit onvrede over de samenwerking van de ARP met de rooms-katholieken en het overwegend Kuyperiaanse karakter van de partij. Hun voorman ds. G.H. Kersten was het niet eens met enkele leerstellingen van de Gereformeerde Kerken en de ARP en vond dat de bevindelijk-gereformeerden hieruit politieke consequenties moesten trekken.

Toen de ARP eind jaren veertig geen positie wilde kiezen in een kerkelijk conflict binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland over doop en genadeverbond, dat leidde tot de zogenaamde Vrijmaking, volgde een politieke afsplitsing in de vorm van het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV), waarbij veel vrijgemaakt-gereformeerden zich aansloten.

In 1967 was de ARP samen met de Christelijk-Historische Unie (CHU) en de Katholieke Volkspartij (KVP) in gesprek over het begrip 'christelijke politiek'. De respectieve fractieleiders Biesheuvel, Mellema en Schmelzer kwamen op televisie het motto 'samen uit, samen thuis' toelichten. Onder leiding van Piet Steenkamp richtten de drie partijen in 1973 het Christen-Democratisch Appèl (CDA) op. In 1980 werden ARP, CHU en KVP opgeheven. Opvallend is, dat de ARP samen ging met een katholieke partij (KVP), terwijl zij tot laat in de jaren vijftig nog een licht negatieve opvatting had over het rooms-katholicisme.

Bron:  (Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen)




#Article 69: Afro-Aziatische talen (182 words)


Talen van de Afro-Aziatische taalfamilie worden in grote delen van het Midden-Oosten, de Hoorn van Afrika en Noord-Afrika gesproken. Sommige van deze talen behoren tot de oudste geschreven talen in de wereld, maar de verschillende takken waren al uiteengewaaierd voor het schrift werd uitgevonden.

Hoewel de verwantschap taalkundig wel aantoonbaar is, zijn er daarom weinig kenmerken die alle talen van de groep nog gemeen hebben, hoewel de meeste wel een vrouwelijke uitgang op -t kennen.

In 1876 kwam Friedrich Müller met de hypothese van een Hamito-Semitische taalfamilie, met aan de ene kant de Semitische talen als Hebreeuws, Arabisch en Aramees en in de Hamitische tak talen als Berbers, Egyptisch en Somalisch. Marcel Cohen (1950) verwierp het idee van een aparte 'Hamitische' groep als één geheel tegenover de Semitische. Dat werd bevestigd door het werk van Joseph Greenberg, die in zijn boek The Languages of Africa (1963) de zes subfamilies zoals we die nu kennen onderscheidde, en die tegelijk een nieuwe naam voor de familie voorstelde: Afro-Aziatisch. Die naam is de meest gebruikte tot op heden.

De Afro-Aziatische talen vertonen een specifiek dynamisme:




#Article 70: Anatolische talen (321 words)


De Anatolische talen vormen samen een van de sub-groepen van de Indo-Europese taalfamilie.
De oudste bekende Anatolische woorden zijn aangetroffen op kleitabletten uit ca. 1900-1800 v.Chr. uit de Assyrische handelskolonies in Midden-Turkije. Hiermee is het Anatolisch de oudst overgeleverde tak van het Indo-Europees. De belangrijkste vertegenwoordigers van de Anatolische taalgroep zijn het Hettitisch en het Luwisch.

De Anatolische talen worden gewoonlijk gezien als de eerste afsplitsing van het Proto-Indo-Europees, van een taalfase die Indo-Hettitisch of Middel-PIE wordt genoemd. Volgens de populaire Koerganhypothese zou deze afsplitsing rond 3500 v.Chr. hebben plaatsgevonden, en zouden de sprekers van Proto-Anatolisch vervolgens via de Kaukasus of de Balkan Anatolië zijn binnengetrokken. De concurrerende, maar minder aanvaarde Anatolische hypothese plaatst de afsplitsing eerder, rond 6500 v.Chr. Volgens deze hypothese zou Pre-Proto-Indo-Europees in Anatolië zijn gesproken tot rond 6500 v.Chr. een deel van de sprekers naar de Balkan emigreerde. Uit de taal van de achterblijvers ontwikkelden zich dan de Anatolische talen.

Na de veroveringingen van Alexander de Grote werd Anatolië sterk gehelleniseerd. De inheemse talen werden verdrongen door het Grieks, en raakten vermoedelijk rond de eerste eeuw v.Chr. uitgestorven.

In het tweede millennium v.Chr. worden de volgende talen in Klein-Azië (Midden-Turkije) aangetroffen:

Na de val van het Hettitische rijk rond 1200 v.Chr. verdwijnt het Hettitisch als geschreven taal (het Palaisch is al rond 1300 v.Chr. uitgestorven). Het Luwisch daarentegen blijft geschreven worden tot aan de 7e eeuw v.Chr.
De volgende Anatolische talen worden in Klein-Azië aangetroffen in de 6e – 1e eeuw v.Chr.:

Andere talen die mogelijk tot de Anatolische taalfamilie behoren zijn de talen van Lycaonië en Isaurië, waarin geen teksten gevonden zijn, en Mysisch en Pamphylisch, waarvan te weinig bekend is om vast te stellen of ze inderdaad tot de Anatolische talen behoren.

De hier weergegeven stamboom is afkomstig van Linguist List. Andere bronnen kunnen een andere indeling geven. De taalfasen van Hettitisch die tussen haakjes worden weergegeven hebben een eigen ISO 639-3 code.

Anatolische talen




#Article 71: Archosauria (421 words)


De Archosauria waren de heersende reptielen die een groot deel van het Mesozoïcum (Trias, Jura, Krijt) beheerst hebben. Zij behoorden tot de groep van de Archosauriformes, een onderverdeling van de Archosauromorpha. 

De naam werd voor het eerst gebruikt door Edward Drinker Cope in 1869. Hij duidde er een enorm gevarieerde groep mee aan, waaronder zelfs deelgroepen van de Synapsida. Om deze reden raakte de naam op het eind van de 19e eeuw in onbruik, maar werd rond 1914 nieuw leven ingeblazen door Friedrich von Huene en ruwweg beperkt tot de Archosauriformes.

Een klade Archosauria werd voor het eerst gedefinieerd in 1986 door Jacques Gauthier als de groep bestaande uit de laatste gemeenschappelijke voorouder van de vogels en krokodilachtigen. Dit begrip had een beperktere inhoud, als een op de nog levende leden verankerde kroongroep. Paul Sereno gaf in 1991 een in vorm nieuwe definitie met als ankergroepen de Crurotarsi en de Ornithodira. Aangezien de Ornithodira de Pterosauria omvatten en de afstamming daarvan problematisch is, gaf Senter in 2004 weer een definitie gebaseerd op krokodillen en vogels. Sereno gaf in 2005 hiervan een exacte vorm: de groep bestaande uit de laatste gemeenschappelijk voorouder van de nijlkrokodil Crocodylus niloticus en de huismus Passer domesticus en al zijn nakomelingen. De klade Archosauria is nauw verwant aan Euparkeria.

Na de uitstervingsgolf aan het eind van het Perm waaieren de Archosauromorpha snel uit in een grote verscheidenheid van vormen. De vroege stamboom daarvan zal misschien wel nooit helemaal duidelijk worden, maar na enige tijd zijn er twee takken binnen de verdeling Archosauria:

Vroeger was het de gewoonte om basale Archosauria onder te brengen in de parafyletische groep Thecodontia (thecodonten). Tegenwoordig wordt het gebruik van dergelijke groepen vermeden en de is naam geheel in onbruik geraakt. Krokodillen staan van alle nog levende Archosauria in morfologie het dichtst bij de eerste voorouder van de groep. Daarom werd wel aangenomen dat ook die een aquatische levenswijze had. Modern onderzoek heeft dit weerlegd.
 
De meeste (dinosauriër)paleontologen denken dat de vogels van de dinosauriërs afstammen, maar sommige (vogel)paleontologen zoals Alan Feduccia zijn het daar niet mee eens. Zij denken dat de vogels ouder zijn en van de vroege Archosauria afstammen, mogelijk uit de Crurotarsi-tak (ten dele overeenkomend met de Pseudosuchia). Zie oorsprong van de vogels voor een langere beschrijving van dit dispuut.

Een andere lastige vraag is of Pterosauria wel tot de Archosauria behoren. De eerste kladistische analyses leken dit aan te tonen, maar de laatste analyses leiden tot een verwerping van dit resultaat; vele gerenommeerde experts hebben de hypothese altijd afgewezen.




#Article 72: Spinachtigen (103 words)


De spinachtigen (Arachnida) vormen een klasse van de geleedpotigen met als de bekendste groep de echte spinnen.

Ze hebben 8 poten en meestal een in tweeën gedeeld lichaam; kop en borststuk zijn gefuseerd tot een cephalothorax, oftewel kopborststuk en het opisthosoma, het achterlijf. De lichaamslengte van spinachtigen varieert van kleiner dan 1 millimeter (mijten en teken) tot 23 centimeter (schorpioen). De mannetjes zijn meestal kleiner dan de vrouwtjes. Zweepstaartschorpioenen, bastaardschorpioenen en schorpioenen hebben ook krachtige vangwerktuigen ontwikkeld. De laatste twee groepen zijn tevens giftig, de minuscule bastaardschorpioenen hebben gifklieren in de scharen, schorpioenen de bekende gifstekel.

De klasse bestaat uit de volgende ordes:




#Article 73: Spinnen (dieren) (12655 words)


Spinnen (Araneae) zijn een orde van geleedpotigen die behoren tot de klasse van de spinachtigen (Arachnida). Andere spinachtigen worden ook wel met 'spin' aangeduid, zoals de zeespinnen en de zweepspinnen. De vertegenwoordigers van de orde Araneae worden daarom ook wel 'echte spinnen' genoemd om ze van de andere groepen te onderscheiden.

Er zijn ruim 45.000 verschillende soorten spinnen beschreven. Spinnen hebben een wereldwijde verspreiding en kennen een grote variatie in lichaamsbouw, gedrag en voedselspecialisatie. Er zijn niet alleen zeer vele soorten spinnen, maar binnen een soort is de populatiedichtheid vaak ook erg hoog. De Britse spinnenkenner W. S. Bristowe omschreef de spinnen eens als een reusachtig tapijt dat de aarde omspant. Spinnen worden verdeeld in twee basale groepen: de tangkakigen of Araneomorphae en de rechtkakigen of vogelspinachtigen (Mygalomorphae).

In België en Nederland leven bijna 700 verschillende soorten spinnen. Een aantal spinnen komt zeer algemeen voor en is bij het grote publiek bekend. Voorbeelden zijn de huisspin en de trilspin die in huizen leven en in tuinen komt de kruisspin algemeen voor. Sommige spinnen zijn echter zeldzaam en worden door wetgeving beschermd, een voorbeeld is de lentevuurspin.

Spinnen zijn terrestrisch; het zijn typische landbewonende roofdieren die levende prooidieren eten, die in de regel gevangen worden met behulp van spinsel. Veel spinnen maken een vangweb en zijn passieve jagers; ze wachten tot een prooidier in het web verstrikt raakt waarna de prooi wordt buitgemaakt. Andere spinnen jagen actief op prooien of wachten vanuit een hinderlaag. Spinnen ruimen grote hoeveelheden insecten op, vooral vliegen en muggen. Een aantal spinnen heeft zich gespecialiseerd in het vangen van andere dieren als op het land levende kreeftachtigen zoals pissebedden, rechtvleugeligen zoals sprinkhanen, mieren of andere spinnen (zoals de spinneneters).

Spinnen zijn er in diverse vormen, kleuren en maten. Een aantal tropische soorten wordt groter en heeft soms bonte kleuren, een markante lichaamsvorm of karakteristieke uitsteeksels. De meeste spinnen hebben echter een goede camouflage. Een aantal spinnen is zo sterk gecamoufleerd dat ze niet meer als zodanig te herkennen zijn. Voorbeelden zijn spinnen die lijken op dierlijke uitwerpselen of plantendelen zoals bladeren en takjes. Er zijn ook soorten die andere dieren zoals wespen of mieren imiteren.

De meeste spinnen blijven klein en hebben een lichaamslengte -exclusief poten- van ongeveer een centimeter. De kleinste spinnensoorten worden niet langer dan één millimeter. De grootste soorten kunnen een spanwijdte van de poten hebben van meer dan 25 centimeter.

Spinnen hebben zich over de gehele wereld verspreid en ontbreken alleen in permanent koude gebieden. De verschillende soorten zijn te vinden op alle continenten en komen als groep algemeen voor in alle landen van de wereld, dit in tegenstelling tot veel andere groepen van geleedpotige dieren.

De verspreiding van spinnen hangt vaak samen met een bepaalde familie, sommige groepen komen maar in een beperkt deel van de wereld voor. Vertegenwoordigers van een aantal spinnenfamilies zijn echter kosmopolitisch en komen overal ter wereld voor. Voorbeelden zijn de vogelspinnen die alleen in noordelijk Eurazië en midden en noordelijk Noord-Amerika ontbreken. De pantserzakspinnen komen vrijwel wereldwijd voor en hebben van alle spinnenfamilies een van de grootste verspreidingsgebieden.

Families die een beperkte verspreiding hebben zijn de Holarchaeidae die leven in Nieuw-Zeeland en Tasmanië en de Liphistiidae die enkel voorkomen in zuidoostelijk Azië en Japan.

Spinnen bezetten alle mogelijke niches en er zijn maar weinig gebieden waar geen spinnen te vinden zijn. De meeste spinnen leven in tropische, subtropische en gematigde streken maar ze kunnen ook in zeer droge, koele of juist hete biotopen worden gevonden. Spinnen leven in verschillende woestijnen en zelfs op de Mount Everest zijn door de Britse spinnenexpert Thomas Savory spinnen aangetroffen. Deze leefden op een hoogte van 6600 meter boven zeeniveau en bijna 1200 meter boven de plantengroei. Alleen in permanent koude gebieden zoals de polen en hoge bergtoppen kunnen spinnen zich niet handhaven.

Ook op sterk geïsoleerde plaatsen komen spinnen voor, zoals de afgelegen rotseilandjes Sint-Pieter-en-Sint-Paulusrotsen, die gelegen zijn tussen Afrika en Zuid-Amerika. Spinnen leven nooit in de zee maar er zijn enkele soorten die aan een leven in het water zijn aangepast.

Menselijke bebouwing is voor een aantal spinnen zeer geschikt als habitat, zo zijn tuinen, parken en wegbermen voor vele soorten een goede leefomgeving. Spinnen die in grotten leven kunnen de onderaardse bouwsels waarderen en zijn te vinden in spoortunnels, waterputten, rioleringen en mijnen. Een voorbeeld van een dergelijke soort is Meta menardi, die ook in Nederland voorkomt.

In Nederland en België leven ongeveer 700 verschillende soorten spinnen.
(Zie ook de lijst van spinnen in Nederland en de lijst van spinnen in België.)

Er zijn slechts een paar soorten in de Benelux die algemeen bekend zijn bij de bevolking. Voorbeelden zijn de kruisspin (Araneus diadematus), de trilspin (Pholcus phalangioides) en de gewone huisspin (Tegenaria atrica). Deze drie soorten komt men relatief vaak tegen. Een andere veelvoorkomende soort is de veldtrechterspin (Tegenaria agrestis), deze leeft echter meer verborgen in de struiken. De kruisspin laat zich meer zien in tuinen en plantsoenen maar voelt zich absoluut niet thuis in huizen, in tegenstelling tot de trilspin en de huisspin die hier juist zeer algemeen zijn. Een andere spin die vaak te zien is op en rond huizen is de huiszebraspin (Salticus scenicus). Deze blijft klein en heeft een zwart-wit bandenpatroon. Deze spin behoort tot de springspinnen en is bij zonnig weer vaak aan te treffen op muren.

Enkele bijzondere soorten spinnen in België en Nederland zijn de kalkmijnspin (Atypus piceus) die alleen in zuidelijk Limburg leeft en lange tunnels graaft die bekleed worden met spinrag. De spin komt hier zelden uit. Alleen om te eten en in het geval van de mannetjes om een vrouwtje te vinden wordt de schuilplaats verlaten. De voorjaarsvuurspin (Eresus sandaliatus) is een soort waarbij de mannetjes erg bont gekleurd zijn en regelmatig worden waargenomen als ze gaan zwerven op zoek naar een vrouwtje. Ze worden niet erg groot -tot 11 millimeter- maar vallen wel op door het helder rood gekleurde achterlijf dat voorzien is van vier zwarte stippen. De waterspin is de enige spin die altijd onder water leeft, deze soort komt ook in de lage landen voor.

In België en Nederland komen geen gevaarlijke spinnen voor. Er zijn wel enkele soorten die beter met rust gelaten kunnen worden vanwege de pijnlijke beet. De beet van de roodwitte celspin (Dysdera crocata) bijvoorbeeld is bijzonder pijnlijk. De celspin leeft van pissebedden en heeft krachtige en lange cheliceren (kaken) om deze te doden. De beet van de spoorspin (Cheiracanthium punctorium) staat eveneens bekend als zeer pijnlijk en kan leiden tot onder andere duizelingen en misselijkheid. Ten slotte kan ook de waterspin een beet geven die men niet snel zal vergeten.

Spinnen hebben altijd acht poten en een uit twee delen bestaand lichaam waarvan het voorste deel de poten draagt. Dit voorste deel is duidelijk te onderscheiden van het zakachtige achterlijf. Spinnen bezitten meestal vier paar ogen, dus acht in totaal, en ze hebben in de regel geen tot grijpklauwen omgevormde lichaamsuitsteeksels. Deze kenmerken onderscheiden de spinnen van alle andere spinachtigen zoals zweepspinnen, zweepstaartschorpioenen en 'echte' schorpioenen, die altijd grijpklauwen hebben. Schorpioenen hebben daarnaast een verlengd deel van het achterlijf met een gifstekel en zweepstaartschorpioenen hebben hier een lang enkelvoudig aanhangsel dat bij spinnen altijd ontbreekt. Van de hooiwagens en de teken en mijten zijn spinnen te onderscheiden door hun in tweeën gedeelde lichaam, bij de eerder genoemde groepen zijn deze delen gefuseerd tot één geheel.

De meeste spinnen bereiken een lichaamslengte -exclusief uitsteeksels en poten- van niet meer dan een centimeter. Een aantal soorten wordt enkele centimeters lang en er zijn soorten die nog groter worden. De grootste soorten kunnen een lichaamslengte van ongeveer 12 cm bereiken, zoals de goliathvogelspin. De spin Heteropoda maxima uit Laos is een van de grootste spinnen ter wereld. Deze jachtkrabspin kan een spanwijdte van de poten bereiken tot 30 centimeter.

De kleinste spinnen worden niet langer dan 0,7 millimeter. De voor zover bekend allerkleinste soort is Anapistula caecula uit Ivoorkust, waarvan de vrouwtjes een lichaamslengte bereiken tot 0,55 millimeter. De mannetjes van de soort zijn waarschijnlijk nog kleiner maar deze zijn nog niet wetenschappelijk beschreven. De mannetjes van de spin Patu digua uit Colombia worden tot 0,37 millimeter groot. De vrouwtjes echter worden langer dan die van de eerder genoemde Anapistula caecula.

Mannetjes blijven bij spinnen vaak kleiner dan vrouwtjes, soms zelfs aanzienlijk kleiner. Bij een aantal spinnen zijn de verschillen zelfs zo groot, dat beide seksen eerder twee aparte soorten lijken, zoals voorkomt bij de wespspin. Bij sommige spinnen echter zijn de mannetjes ongeveer even groot als vrouwtjes.

Vrijwel alle spinnen hebben een schutkleur zoals bruin of zwart zodat ze minder zichtbaar zijn voor vijanden. Ze gebruiken hun kleuren als camouflage op de ondergrond waarop ze leven. Bij de spinnen zijn echter alle kleuren van de regenboog beschreven, zoals blauw, rood, roze, geel en zelfs groen met een rode vlek. De soorten uit het geslacht Gasteracantha zijn ongetwijfeld een van de meest bont gekleurde en vreemdst gebouwde spinnen. Dit geldt alleen voor de vrouwtjes, mannetjes zijn onooglijk klein en minder fraai. Van veel soorten zijn de mannetjes zelfs nog niet ontdekt. Gasteracantha-soorten hebben naast felle kleuren vaak stekelachtige structuren aan het achterlijf, die soms twee keer zo lang zijn als de spin zelf. De stekels zijn meestal schuin naar achteren of naar boven gericht en dienen waarschijnlijk om vijanden te waarschuwen dat de spin niet makkelijk door te slikken is.

Spinnen die een zeer giftige beet hebben waarschuwen hun vijanden vaak met waarschuwingskleuren. Ze geven hiermee aan dat ze beter met rust gelaten kunnen worden, een voorbeeld is de zwarte weduwe. Ook veel grotere vogelspinnen hebben felle kleuren, deze worden echter voornamelijk veroorzaakt door de iriserende lichaamsbeharing, zoals de veelkleurige boomspin (Avicularia versicolor). Mannetjes van de zeer giftige roodhoofdmuisspin (Missulena occatoria) hebben een overwegend diepzwart lichaam maar een afstekend blauw achterlijf en een bloedrode bovenzijde van de kop en kaken (cheliceren). De herfstvuurspin heeft een knalrood achterlijf met vier zwarte vlekken wat doet denken aan een lieveheersbeestje. De spin Paradictyna rufoflava ten slotte heeft eveneens een ongebruikelijke kleurentekening; het gehele lichaam is groen van kleur maar de achterzijde van het achterlijf is juist rood van kleur.

Spinnen zijn soms zeer goed gecamoufleerd en nauwelijks op te merken doordat ze tegen de achtergrond wegvallen. Dit kan worden veroorzaakt door de lichaamskleur of lichaamsvorm en ook combinaties zijn gebruikelijk. Spinnen waarbij zowel vorm als kleur zijn aangepast op de achtergrond zijn zeer moeilijk te zien als ze stilzitten. Veel soorten hebben een goede camouflage om niet op te vallen voor vijanden, andere soorten gebruiken hun schutkleur om prooien in een hinderlaag te lokken.

Een aantal spinnen kan van kleur veranderen. Een bekend voorbeeld vormen de krabspinnen, die hun lichaamskleur van geel naar wit kunnen veranderen door de lichaamsvloeistoffen in de huid anders te verdelen. Ook bestaan er soorten die een 'zomerkleur' en een 'herfstkleur' kennen, zoals de viervlekwielwebspin (Araneus quadratus). Deze soort heeft normaal een groenbruine kleur, maar verkleurt in de herfst naar roodbruin.

De grindwolfspin dankt haar naam aan de bodembewonende levenswijze op een substraat van grind. Door de kleuren en de vlekkentekening is de spin moeilijk te zien in haar natuurlijke habitat. Spinnen die tot het geslacht Hypochilus behoren leven op met mos begroeide boomstammen en hun lichaamskleur bootst deze zeer goed na, waardoor ze wegvallen tegen de ondergrond. Het geslacht Pandercetes kent vertegenwoordigers die op boomstammen leven en hierop nauwelijks opvallen. Niet alleen de lichaamskleur met grillige vlekken, maar ook de sterke beharing over het gehele lichaam zorgen ervoor dat de spin op een natuurlijke ondergrond zeer moeilijk te zien is. De beharing is zo geplaatst dat het lichaam van de spin onder geen enkele lichthoek een schaduw werpt.

Spinnen worden voornamelijk gegeten door vogels. Sommige soorten spinnen hebben een lichaamsvorm en -kleur die lijkt op vogelpoep. Dit is geen toeval aangezien vogels nooit vogelpoep zullen eten. Er zijn zelfs spinnen die een lichaamsgeur verspreiden die lijkt op de geur van vogelpoep. Dit dient niet alleen om vogels te weren, maar ook om insecten te lokken die leven van vogelpoep. Andere spinnen lijken sprekend op takjes of andere plantendelen zoals de driehoekswebspin (Hyptiotes paradoxus). Deze spin leeft in naaldbossen en lijkt uiterlijk op een droge knop van de spar (Picea). De soorten die behoren tot het geslacht Arachnura lijken sprekend op een blad dankzij de bladsteel-achtige vergroeiing van het achterlijf.

Soorten uit het geslacht Poltys leven op takken en kennen een specifieke camouflage waarbij ze op een uitloper van een takje lijken. Niet alleen de kleur maar ook de lichaamsvorm zijn hierop aangepast, evenals de houding van de poten.

De Braziliaanse krabspin Epicadus heterogaster is een van de opmerkelijkst gevormde spinnen. Deze soort heeft zeven zeer hoge 'bulten' op het achterlijf die van elkaar af staan waardoor het geheel op een orchideeachtige bloem lijkt. De kleuren van de spin versterken deze gelijkenis, bovendien kent de spin verschillende sterk afwijkende kleurvormen. De meest gangbare lichaamskleur is geheel wit, maar ook paarse, helder gele en rode kleuren komen voor.

Een aantal spinnen heeft een sterk op mieren gelijkend uiterlijk. Dergelijke soorten leven vaak voornamelijk van mieren of hun larven en poppen. Deze spinnen behoren tot het geslacht Myrmarachne en de familie springspinnen. De verschillende soorten spinnen lijken soms zelfs op verschillende mierensoorten, afhankelijk van welke soort ze eten. De soort Myrmarachne plataleoides bijvoorbeeld imiteert de weefmier Oecophylla smaragdina.

Het kopborststuk is het voorste deel van een spin en bestaat uit één geheel. De kop is met het potendragende borststuk gefuseerd. Het kopborststuk wordt bij geleedpotigen wel cephalothorax genoemd en bij spinnen wordt dit deel specifiek met prosoma aangeduid.

Spinnen hebben geen antennes zoals deze voorkomen bij de insecten. Spinnen hebben wel tastsprieten maar deze zijn ontstaan uit monddelen en worden de pedipalpen genoemd. Deze gelede en sterk beweeglijke aanhangsels hebben een soortgelijke tastzintuiglijke functie, vergelijkbaar met de antennen van insecten. Daarnaast vervullen de pedipalpen bij de mannetjesspin een gespecialiseerde rol als geslachtsorgaan. Het laatste segment van de palp van een mannetje bestaat uit een duidelijk vergroot opslagorgaan dat bulbus wordt genoemd en een functie van spermatofoor heeft. Het zijn opslagplaatsen waarin de spin sperma bewaart en paarorganen waarmee hij het inbrengt in de geslachtsopening of epigyne van het wijfje. De bulbus draagt aan het uiteinde een naaldachtig aanhangsel, de embolus. Het geheel heeft een pipetachtige functie; het sperma wordt door de smalle opening in de bulbus gezogen waar het wordt opgeslagen, zie ook onder voortplanting.

De palp van een vrouwtje is draadachtig en wordt gebruikt als tastorgaan. Bij een aantal soorten worden ze door de vrouwtjes gebruikt om de eicocon met zich mee te dragen. De vorm van de palp van het mannetje is een van de belangrijkste kenmerken bij de determinatie van spinnen.

Spinnen hebben twee cheliceren of gifkaken, die hol zijn zodat het gif kan worden ingespoten in het prooidier. De gifklier van de spin is inwendig aan de voorzijde van het kopborststuk gelegen en wordt bediend door twee gedraaide spieren die het gif met grote kracht in de kaken en vervolgens in de prooi brengen.

Spinnen worden verdeeld in twee groepen op basis van de bouw van de cheliceren. De oorspronkelijke kaakvorm is orthognaat; de cheliceren staan hierbij parallel en de gifstekel is omlaag geklapt. De cheliceren kunnen - gezien vanaf de lichaamsas - alleen van boven naar beneden bewegen. De moderne spinnen hebben een kaakbouw die labidognaat wordt genoemd; bij deze soorten kunnen de cheliceren van links naar rechts worden bewogen en hierdoor kunnen ze als een tang worden gebruikt.

Bij veel van dergelijke spinnen worden de cheliceren ook gebruikt om mee te kauwen. De kaken zijn voorzien van scharnieren en de uiteinden worden tegen een met doornen bedekte basis gewreven waardoor het voedsel wordt vermalen. Er zijn ook spinnen die hun prooi uitzuigen en een van buiten perfect intact huidje van hun slachtoffer achterlaten.

Niet alle spinnen spuiten gif in, bij enkele soorten is de gifklier gedegenereerd en de cheliceren hebben geen opening aan het uiteinde waardoor bij andere spinnen het gif toegediend wordt. Een voorbeeld is de driehoekswebspin. Dergelijke spinnen spenderen vaak meer tijd aan het inpakken van een prooidier, om het gebrek aan verlammend gif te compenseren.

Op de bovenzijde van het borststuk zijn de ogen gelegen en vaak is dit deel wat gewelfd zodat de ogen wat hoger gelegen zijn en zo een beter zicht hebben. Een dergelijke verhoging wordt de oogheuvel genoemd en komt ook voor bij andere spinachtigen. Bij enkele soorten is de oogheuvel extreem verlengd, wat doet denken aan een 'giraffennek', een voorbeeld zijn de soorten uit het geslacht Afrarchaea die voorkomen in Zuid-Afrika en Madagaskar. Spinnen hebben altijd enkelvoudige ogen, die een enkele lens bevat en geen samengestelde ogen zoals voorkomt bij insecten en kreeftachtigen.

De meeste spinnen hebben vier paar ogen, dus acht in totaal, en een aantal soorten heeft drie paar ogen, dus zes in totaal. Sommige soorten spinnen hebben twee of slechts één paar ogen en bij enkele soorten spinnen zijn de ogen functioneel volledig verloren gegaan. Dergelijke soorten leven uitsluitend in grotten aangezien visuele zintuigen hier vanwege de permanente duisternis nutteloos zijn. Een voorbeeld is de soort Neoleptoneta myopica: die heeft nog wel zes ogen, maar deze bevatten geen pigmenten en kunnen dus geen licht waarnemen. Dit gaat niet voor alle grottenbewoners op; de spin Spelungula cavernicola leeft eveneens in grotten maar heeft nog wel ontwikkelde ogen.

De ogen zijn altijd in paren gelegen, vaak is één paar wat beter ontwikkeld dan de andere drie en dit zijn meestal de voor-middenogen. Vooral jagende zwervende spinnen zoals de springspinnen hebben ten minste één paar ogen dat zeer goed is ontwikkeld. Dergelijke spinnen kunnen diepte zien, verschillende kleuren waarnemen en gepolariseerd licht zien. Het netvlies of retina is beweeglijk zodat het blikveld wordt verruimd. De meeste spinnen zien echter vrij slecht en kunnen alleen grove lichtverschuivingen waarnemen. Ze kunnen zo waarnemen of het dag of nacht is en beelden vormen van objecten die heel dichtbij zijn. Het gezichtsvermogen verschilt sterk per spin, soorten die tot de wolfspinnen behoren hebben ongeveer 5000 retinacellen in het oog terwijl de grijze huisspin ongeveer 400 retinacellen heeft. Ter vergelijking, het oog van een mens heeft er ongeveer 80 miljoen.

De springspinnen hebben in tegenstelling tot de meeste spinnen een vrij goed gezichtsvermogen. De vertegenwoordigers van deze familie kunnen diepte zien en zo afstanden inschatten en hebben dus een stereoscopisch zicht, in tegenstelling tot de andere spinnen. Dit komt doordat twee van hun ogen vergroot en bovendien naast elkaar aan de voorzijde van de kop geplaatst zijn. Zo kunnen ze een afstand van 40 keer hun eigen lichaamslengte ver springen, wat zonder het kunnen zien van diepte niet mogelijk is. Het goede gezichtsvermogen heeft er ook toe geleid dat de mannetjes bij de balts een visuele voorstelling geven door ritmisch met hun poten te zwaaien. Ook bij springspinnen is het zicht echter beperkt, ze kunnen voorwerpen weliswaar scherp waarnemen maar maximaal tot een afstand van ongeveer 30 centimeter.

De celspinnen bijvoorbeeld hebben zes kleine oogjes die dicht bij elkaar gelegen zijn aan de voorzijde van de kop. De soorten uit het geslacht Oxyopes hebben twee vergrote voor-middenogen met daaronder twee kleinere. Een paar ogen bevindt zich aan de zijkanten van de kop en het andere aan de bovenzijde, zodat de spin in alle richtingen kan zien.

De ogen van spinnen, zowel het aantal, de vorm als de exacte positie ervan, zijn een van de lichaamskenmerken waarin spinnen sterk kunnen verschillen. Vaak is bij een spin aan deze configuratie van de ogen te zien tot welke familie de soort behoort. Soorten uit de familie Dysderidae bijvoorbeeld hebben zes kleine ogen die in een groepje op het midden van de kop gelegen zijn. Bij de wolfspinnen zijn twee ogen vergroot en aan de voorzijde van de kop geplaatst, aan weerszijden van de kop is een vergroot oog aanwezig en aan de onderzijde van de kop zijn vier kleine oogjes gelegen in een horizontale rij. Bij de webspinnen komen vaak vier verticale rijen oogjes van twee voor naast elkaar waarbij de oogjes klein en gelijk van grootte zijn. Bij de springspinnen ten slotte zijn twee sterk vergrote ogen aan de voorzijde van de kop gelegen, de zes andere ogen zijn aan de zijkanten en de achterzijde van de grote ogen gepositioneerd. Een bijzondere geslacht van spinnen is Walckenaeria, waarvan de mannetjes een periscoop-achtig uitsteeksel hebben aan de voorzijde van het kopborststuk. Aan de bovenzijde van deze steelachtige structuur zijn de ogen gelegen. Het uitsteeksel speelt een rol bij de paring van de spin.

Zoals alle spinachtigen (Arachnida) hebben spinnen acht poten en niet zes zoals insecten of tien en meer zoals kreeftachtigen, duizendpoten of miljoenpoten. Dit is bij de meeste soorten ook duidelijk te zien maar bij een aantal spinnen zijn de palpen sterk vergroot zodat het net lijkt of ze een extra paar poten hebben. Er zijn ook soorten die sterk verlengde spintepels aan het achterlijf hebben die aan poten doen denken.

De acht looppoten ontspruiten aan de cephalothorax. Het voorste potenpaar wordt met een romeinse I aangeduid, het achterste potenpaar met IV. De rugzijde van de cephalothorax heet de carapax, de buikzijde wordt sternum genoemd. De poten hebben wel buigspieren (musculus flexor) maar in sommige van de grootste gewrichten geen strekspieren (musculus extensor). De strekking van de poten gebeurt hier hydraulisch door het opvoeren van de bloeddruk in het kopborststuk, zie ook onder bloedsomloop.

De poten zijn vaak bedekt met diverse typen zintuigharen, die aanraking, luchtvochtigheid, vibraties en geuren kunnen waarnemen. Soorten die in holen leven hebben vaak een korte, fluweelachtige lichaamsbeharing die bij het graven geen weerstand geeft. Andere soorten hebben juist een lange en stekelige beharing, zoals soorten die tot de familie lynxspinnen behoren. Het pootoppervlak van de tarsen is bij sommige spinnen zeer goed ontwikkeld. Veel spinnen kunnen als beschermingsmechanisme een poot op de grens tussen coxa en trochanter zelf amputeren (autotomie) als deze door een vijand wordt beetgepakt.

Het uiteinde van de poot is bij spinnen verschillend van vorm, soorten die webben maken hebben twee kam-achtige structuren aan iedere poot, met daartussen een haakachtige structuur. Door deze tegen elkaar te klemmen kan een spin zich vasthouden aan de spindraad. Soorten die geen web maken maar bodembewonend zijn of in bomen leven hebben echter een geheel andere structuur aan het pootoppervlak, bij deze soorten draagt de onderzijde van de poot vele fijne haartjes die zelf ook weer uitschieters hebben. De haartjes zijn zo klein dat ze op alle mogelijke oppervlakken blijven plakken. Dergelijke spinnen kunnen zelfs verticaal tegen glas lopen, dit mechanisme komt ook voor bij geheel andere dieren zoals hagedissen uit de familie anolissen.

Het achterlijf van een spin is meestal bol- tot eivormig en bevat het grootste deel van de organen. In het achterlijf bevinden zich het hart, de boeklongen, het grootste deel van het spijsverteringskanaal en de voortplantingsorganen. Het achterlijf wordt bij geleedpotigen wel abdomen genoemd maar bij de spinnen wordt hiervoor de term opisthosoma gebruikt. Het achterlijf is bij spinnen altijd van het kopborststuk te onderscheiden aan de petiolus, dit is de sterke insnoering van het spinnenlichaam. De petiolus is een nauwe verbinding tussen de voor- en de achterzijde van het lichaam van spinnen. Het lichaam van een spin wordt minder 'stijf' door de petiolus, een dergelijke structuur komt ook voor bij sommige insecten zoals de wespen ('wespentaille') en bij veel mieren.

Spinnen hebben een zenuwstelsel dat afwijkt in vergelijking met dat van andere ongewervelden en zelfs van andere spinachtigen. Bij de insecten en duizendpotigen is een zogenaamd touwladderstelsel aanwezig dat bestaat uit een verdikt deel (zenuwknoop of ganglion) in het achterlijf en twee zenuwstrengen die door het gehele lichaam lopen en steeds vertakkingen hebben naar de ledematen. Het lijkt hierdoor op een touwladder waarbij iedere dwarsverbinding als een soort 'deelhersenen' kan worden beschouwd. Insecten, kreeftachtigen en duizendpotigen kunnen hierdoor hun poten onafhankelijk bewegen zonder dat de 'hoofdhersenen' hiervoor gebruikt worden. Ook bij andere spinachtigen is een dubbele zenuw gebruikelijk, bij de schorpioenen zijn de verschillende deelhersenen met elkaar verbonden zodat een betere coördinatie mogelijk is.

Bij de spinnen echter is het zenuwstelsel geheel gelegen in het cephalothorax. Er zijn zenuwbanen die door de petiolus naar de spintepels leiden en naar de haartjes op de huid van het achterlijf. Tijdens de ontwikkeling van het embryo verschijnen de zenuwkanalen als gesegmenteerde delen, net als bij de insecten en andere geleedpotigen. Ze worden echter al vroeg in de ontwikkeling naar het kopborststuk verplaatst. De hersenen zijn gecentraliseerd tot één 'knoop van zenuwknopen'. Een dergelijke centralisatie van de hersenen kan de intelligentie van een dier sterk bevorderen; centralisatie van de ganglia is bijvoorbeeld de reden dat inktvissen in vergelijking met andere weekdieren zeer intelligent zijn.

Het zenuwstelsel reageert op de signalen van de zintuigcellen van de spin. Spinnen kunnen verschillende variabelen waarnemen, allereerst kunnen ze kleuren en bewegingen waarnemen door de retinacellen in de ogen. De ogen zijn direct aan het ganglion of zenuwknoop verbonden middels een zenuwstreng. De belangrijkste zintuigen van spinnen zijn echter de haartjes op het lichaam. De huid van spinnen bevat haartjes die trillingen in de lucht kunnen waarnemen en zo aankomende vijanden of prooien kunnen detecteren. Spinnen kunnen waarschijnlijk geen geluidstonen onderscheiden maar slechts hun aanwezigheid waarnemen. Dergelijke haren worden wel bekerharen genoemd vanwege de bekerachtige vorm van de huidopening waaruit ze steken. De bekerharen kunnen luchttrillingen waarnemen van millimeters tot enige centimeters en zijn alleen effectief op een korte afstand.

De reukharen spelen een belangrijke rol bij de sociale spinnen, die elkaar als familielid herkennen. Sociale spinnen verjagen soortgenoten die niet tot de eigen familie behoren en ze zijn hiertoe in staat door de hooggespecialiseerde reukharen. De spinnen kunnen zo de lichaamsgeur van soortgenoten onderscheiden.

Spinnen zijn in staat om hun geotaxie te bepalen; dit wil zeggen dat ze in staat zijn waar te nemen hoe hoog ze zich bevinden. Positief geotactische spinnen zijn boombewoners die hogere plantendelen opzoeken. Negatief geotactische spinnen zijn terrestrisch en zullen de bodem blijven prefereren. Daarnaast kunnen spinnen verschillende omgevingsvariabelen vaststellen, zoals de temperatuur, de luchtdruk en de luchtvochtigheid.

Spinnen behoren tot de geleedpotigen en hebben dus geen longen zoals zoogdieren. Veel spinnen hebben zogenaamde boeklongen die de naam danken aan de vele bladachtige plaatjes die zuurstof opnemen. Veel soorten hebben ook vertakte buisjes die het lichaam van zuurstof voorzien, een zogenaamd tracheeënstelsel. Bij veel spinnen komt een combinatie voor. Het ademhalingsapparaat is altijd gelegen in het achterlijf, en ook de ademopeningen zijn hier gepositioneerd. De ademopeningen bestaan uit een spleetachtige opening aan de buikzijde van het achterlijf waarbij het aantal openingen kan verschillen per familie. Meestal zijn de spleten onbehaard om de ademhaling te vergemakkelijken. Veel soorten hebben een paar op ongeveer het midden van de onderzijde van het achterlijf en een paar vlak voor de spintepels.

Boeklongen zijn van oorsprong geen inwendige organen, in feite zijn de boeklongen ontstaan uit tot een soort kieuwen omgevormde pootjes. Dergelijke pootjes komen bij andere op het land levende ongewervelden nog wel voor, zoals op het land levende pissebedden waarbij ze pleopoden worden genoemd. Bij de spinnen zijn de 'pootjes' niet meer als zodanig te herkennen en zijn ze gedurende de ontwikkeling van de voorouders van de spinnen in het achterlijf opgenomen. Deze leefden in zee en hadden kieuwen die met water in contact moesten komen en daarom bestonden uit uitwendige organen. Dit is ook te zien bij het embryo van een spin, waarbij de ademhalingsorganen zich in eerste instantie ontwikkelen als uitstulpingen maar later in het achterlijf zakken.

De boeklong is een hoog ontwikkeld orgaan dat bestaat uit dunne plakjes weefsel die in contact staan met atmosferische lucht. De naam boeklong is afgeleid van de bouw, de longen van spinnen bestaan uit op een bladzijden uit een boek gelijkende structuur. De 'bladzijden' bestaan uit dunne plaatjes weefsel. Deze plaatjes zijn hol zodat er bloedvloeistof doorheen kan stromen, bloedvloeistof is de drager van zuurstof en bevat het uit te scheiden CO2. Tussen de plaatjes vindt de gasuitwisseling plaats waarbij koolstofdioxide wordt afgegeven en zuurstof wordt opgenomen. Om te voorkomen dat de plaatsjes aan elkaar plakken, zijn ze voorzien van kleine uitsteekseltjes. De zuurstof wordt via een bloedvloeistof naar de verschillende organen getransporteerd.

Het buisvormige hart van een spin ligt ongeveer in het midden van het achterlijf aan de bovenzijde. Het bloed komt het hart binnen door vier klepjes (ostia). Spinnen die ademen via een tracheeënstelsel die het gehele lichaam voorziet van zuurstof, hebben een kleiner en vaak minder krachtig hart dan spinnen die voornamelijk van zuurstof worden voorzien door de boeklongen. Spinnen die via boeklongen ademen, moeten alle zuurstof via bloedvloeistof naar de organen pompen, terwijl spinnen met een ontwikkeld tracheeënstelsel hun lichaam deels direct voorzien van zuurstof.

Via een stelsel van ader-achtige buisjes wordt het bloed naar de verschillende weefsels geleid. Spinnen hebben een open bloedsomloop, hun bloedvloeistof stroomt slechts deels door met aderen vergelijkbare buisjes, maar stroomt vrij door de organen. De bloedvloeistof wordt teruggebracht in de kanaaltjes zodat het langs de boeklongen kan worden gevoerd om van zuurstof te worden voorzien en van CO2 kan worden ontdaan.

Het bloed van spinnen bevat stoffen die zuurstof binden om het zo door het lichaam te verspreiden. Bij de spinnen wordt hiervoor geen ijzerverbinding zoals hemoglobine gebruikt maar een koperverbinding genaamd hemocyanine. Als hemocyanine zuurstofmuleculen draagt, kleurt het niet rood zoals bij ijzerverbindingen het geval is, maar blauw.

De spin gebruikt bij het lopen de bloeddruk om de poten te strekken, waarbij iedere keer als de spin zijn poot naar voren plaatst bloed in de poot wordt gebracht. Spinnen hebben namelijk wel buigspieren, maar geen strekspieren in hun poten, zie ook onder het kopje poten. Deze bloeddrukverschillen worden niet beïnvloed door het hart in het achterlijf maar door spieren in het kopborststuk.

Dit doet denken aan een hydraulisch systeem, het heeft als nadeel dat als een spin gewond raakt en bloed verliest, de bloeddruk daalt en de poten niet meer kunnen worden bewogen. Dit mechanisme verklaart ook waarom spinnen na hun dood de poten opvouwen; door het wegvallen van de bloeddruk worden de poten ingeklapt.

Spinnen verteren hun prooi grotendeels buiten het eigen lichaam. Ze doen dit door de prooi vast te pakken met de kaken (1) en het gif via het gifkanaal (2) van de gifklier (3) in een prooi te spuiten, waarbij het gif de prooi verlamt maar daarnaast ook een sterk verterende werking heeft. Het lichaam van een prooi wordt hierdoor van binnenuit verteerd waarna de spin het goedje opzuigt. In de maag (6) wordt een onderdruk gecreëerd zodat de vloeibare bestanddelen worden opgezogen. Aan de bovenzijde van de maag zijn spieren gelegen die aan de rugzijde zijn gehecht. Deze spieren zorgen voor de pompwerking van de maag. Deze spieren kunnen niet alleen voedsel opzuigen maar zijn ook betrokken bij het uitscheiden van de verteringssappen in een prooi.

Achter de maag zijn twee kanalen gelegen die doorlopen in de basis van de poten. Hierdoor worden de ledematen voorzien van voedsel. De darmen van de spin lopen door de nauwe verbinding tussen het kopborststuk en het achterlijf, dit wordt de petiolus genoemd. De werkelijke darmen van de spin zijn in het achterlijf gelegen, ze zijn hier sterk verbreed en eindigen in een endeldarm (11). Deze heeft een blaas-achtige structuur, in de endeldarm worden de afvalstoffen verzameld. Het vocht wordt eruit onttrokken zodat het afval wordt ingedikt.

Spinnen hebben geen nieren of een lever die moeilijk afbreekbare stoffen volledig kunnen desintegreren tot makkelijk uitscheidbare stoffen. Spinnen zetten hun afvalstoffen daarom deels om in niet in water oplosbare verbindingen die worden opgeslagen in het lichaam.

De afvalstoffen van de spin worden omgeven door cellen die zich afsnoeren waarna de afvalstoffen naar de endeldarm worden gebracht. Spinnen produceren net als andere carnivoren vooral ammonium als afvalstof en zetten dit om in guanine. Deze stof kristalliseert makkelijk en wordt opgeslagen in de darmuiteinden die tegen de huid gelegen zijn. Het afbraakproduct guanine wordt via de buisjes van Malphigi naar de einddarm gebracht. Bij veel spinnen wordt een deel van de guanine opgeslagen in de huid. Omdat de guaninekristallen alle licht reflecteren hebben ze een witte kleur. Bij sommige spinnen -zoals de kruisspin- zorgt de stof voor een witte rugtekening.

Net als andere spinachtigen hebben spinnen coxaalklieren, deze zijn gelegen op het kopborststuk bij de aanhechting van het eerste en derde paar looppoten. Bij sommige spinnen is een van de openingen verdwenen. De coxaalklieren scheiden vooral vocht af.

De darmen van spinnen kunnen worden geïnfecteerd door eencellige parasieten. Spinnen hebben verschillende methodes om een infestatie tegen te gaan, wat al begint bij het opnemen van voedsel. Het vloeibare voedsel wordt door een fijn filter van zeer kleine haartjes geleid zodat alleen opgeloste stoffen worden verteerd en veel ziekteverwekkers worden buitengehouden. Eencellige parasieten die toch door deze barrière geraken worden gedood door het spijsverteringssap en als ze in de darm geraken komen ze al snel zonder voedsel te zitten; de voedseldeeltjes worden vrijwel onmiddellijk opgenomen door de darmcellen.

De achterlijfsaanhangsels van spinnen worden wel de spintepels genoemd. Het zijn gepaarde, kegelvormige structuren die bedekt zijn met kleine klieropeningen. Spintepels zijn oorspronkelijk ontstaan uit ledematen op het vierde en vijfde achterlijfssegment. De spintepel zelf produceert geen spinrag, het is een drager voor vele honderden zogenaamde spindoppen die het spinrag uitscheiden.

Spinnen hebben verschillende soorten spintepels, de kleinere dienen om fijn spindraad te produceren en de grotere structuren dienen om steviger draden te maken. Bij spinnen zijn verschillende klieren bekend om spindraad te maken, deze klieren hebben elk hun eigen naam. De klieren Ampulleceae major en A. minor worden gebruikt om loopdraden voor het web te maken, de klier Coronatae wordt gebruikt om kleefdraad te produceren en de klier Aggregata zorgt voor de kleefstof die hierop zit. De klier Aciniformes dient om fijn draad te maken om prooien in te pakken, de klier Tubiliformes is specifiek om cocondraden te maken. De klier Pyriformes ten slotte produceert stevig spinsel om aanhechtingsdraden te maken.

De meeste spinnen hebben drie paar spintepels, dus zes in totaal, sommige spinnen hebben slechts één paar en bij een aantal soorten komen twee tot vier paar spintepels voor. Iedere spintepel bevat kleine klieropeningen waarvan het aantal sterk kan verschillen, van twee tot duizenden. Bij de spinnen die een zeefplaat of cribellum bezitten kan het aantal spindoppen oplopen tot meer dan 50.000.

Het vermogen tot het produceren van spinsel is zeer karakteristiek voor spinnen; ze kunnen het allemaal. Er zijn enige insecten en mijten die ook spinsel produceren maar dan niet zoals de spinnen met aan het achterlijf gelegen spintepels. Rupsen die spinsel produceren doen dit bijvoorbeeld met klieren bij de kop.

De spintepels van spinnen scheiden een vloeistof af die uithardt tot een draad zodra de vloeistof door de poten wordt uitgerekt. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben ontwikkelde spintepels, al zijn de spintepels van een mannetje en een vrouwtje vaak op verschillende manieren gespecialiseerd.

Het spinsel bestaat chemisch gezien vooral uit proteïnen en bevat onder andere glycine, alanine, serine, valine en leucine. Er zijn verschillende diktes die de spin kan maken en het spinsel kan op verschillende manieren worden bewerkt. De kaardertjes bijvoorbeeld zijn een familie van spinnen die beschikt over een cribellum of zeefplaatje waardoor zeer fijne, wollige draden kunnen worden gemaakt. Bij sommige spinnen is het cribellum gedegenereerd en is slechts een kegelvormige structuur aanwezig, deze wordt de colulus genoemd.

Spinnen hebben niet slechts verschillende spinklieren maar verschillende soorten klieren, al naargelang het doel wordt het spinsel uitgescheiden. Bij de wielwebspinnen worden bij het maken van een web twee soorten spinsel gebruikt. Een dikker soort spinsel dient als ankerdraad en is niet kleverig, hier kan de spin over lopen zonder dat het lichaam blijft vastplakken. Daarnaast worden dunnere draden gebruikt die wel kleverig zijn, hiermee blijven de prooien kleven in het web.

Spinnen gebruiken hun spinrag voor de volgende doeleinden:

Alle spinnen kunnen spinsel produceren en de meeste soorten gebruiken dit om hun prooi te vangen, ze doen dit echter niet allemaal.

Sommige spinnen schieten het spinsel, of zelfs het hele web, op de prooi af om deze te vangen. Het spinrag ontstaat als eiwitten coaguleren zodra ze uit de spintepel komen, ze veranderen van structuur doordat de spin aan de draad trekt. De overgang van vloeibaar naar vast komt dus niet door inwerking van lucht zoals vaak wordt gedacht.

Spinrag is sterker dan de beste synthetische materialen die de mens kan maken bij dezelfde dikte. Het is echter niet stijf, zodat bijvoorbeeld gebruik in kogelwerende vesten niet mogelijk is. De kogel komt niet langs het vest maar gaat met vest en al het lichaam in. Het web van een kruisspin weegt slechts ongeveer 0,1 tot 0,5 milligram.

Van alle soorten die hun prooi vangen met behulp van spinsel, maakt het overgrote deel een spinnenweb, maar er zijn ook hier weer uitzonderingen. Voorbeelden van soorten die wel een spindraad produceren om een prooi te vangen maar geen web maken zijn de soorten uit de geslachten Mastophora en de familie lijmspuiters. De Mastophora- soorten maken een enkele dunne draad waarvan het uiteinde wordt voorzien van een kleverige druppel. Deze druppel bevat geurstoffen van vrouwelijke motten die de mannetjes aanlokken. De spin laat deze draad omlaag zakken en als er een mot aankomt, wordt de draad met de druppel als een bola heen en weer bewogen tot deze de mot raakt en de spin zijn draad -met prooi- weer omhoog tilt.

De spinnen die behoren tot de lijmspuiters (familie Scytodidae) gaan nog verder; zij spuiten het spinsel als een kleverige dubbele draad direct op de prooi om deze te fixeren. Tijdens het spuiten worden de cheliceren heen- en weer bewogen om zo een zigzagdraad te verkrijgen wat het effectieve oppervlak vergroot. Een vertegenwoordiger van deze familie, de getijgerde lijmspuiter (Scytodes thoracica), komt vrij algemeen voor in België en Nederland. Lijmspuiters spuiten niet alleen spinsel, maar tevens wordt de prooi beschoten met gif zodat deze verlamd raakt.

Vele maar zeker niet alle spinnen maken bij hun jacht gebruik van een web. Veel spinnen vertonen een sterke specialisatie op een bepaalde prooigroep of manier van jagen. De webben die spinnen gebruiken zijn in te delen in vier typen:

Sommige spinnen kunnen extreme webben maken, de soorten die tot het geslacht Nephila bijvoorbeeld kunnen een web spinnen dat sterk genoeg is om vleermuizen en vogels te vangen. Ook grote insecten die door andere webben heen kunnen vliegen, zoals libellen, zijn geen probleem voor dergelijke soorten. Het web is zo sterk dat het door de lokale bevolking als visnet wordt gebruikt. Er zijn ook spinnen bekend die heel grote webben maken, zoals de soort Caerostris darwini uit Madagaskar. In 2010 werd een web aangetroffen met een oppervlakte van bijna 3 vierkante meter dat boven het water was gespannen. Er zijn spinnen die een klein web maken maar deze niet ophangen maar met de poten vasthouden. Ze houden zich op boven de bodem en als er een prooidier onder de spin doorloopt wordt het web naar beneden geschoten. Spinnen die over een cribellum beschikken, maken spindraden die zo fijn zijn dat iedere mogelijke prooi erin verstrikt raakt. Het cribellum is een kam-achtige structuur op het achterlijf van een spin die draden maakt met een diameter tot een honderdduizendste van een millimeter.

Veel spinnen vangen niet alleen een prooi met een web, maar pakken deze direct in met spinsel zodat de prooi niet meer kan ontsnappen. De draden die hiervoor worden gebruikt, zijn niet kleverig, anders zou de spin eraan vast blijven plakken.

Sommige insecten hebben aanpassingen om uit het web van een spin te ontsnappen. De vleugels van gaasvliegen bijvoorbeeld zijn bedekt met fijne haartjes die aan het web blijven kleven en loslaten zodat het vleugeloppervlak zelf niet vastplakt. De gaasvlieg bevrijdt zich vervolgens uit het web door de draden door te knagen.

De valdeurspinnen en veel vogelspinnen maken een woonweb, dat meestal niet als vangweb wordt gebruikt. De tunnelgravende soorten bekleden de gehele tunnel met spinsel. Als ze moeten vervellen of eitjes dragen waarbij de spin kwetsbaarder is, wordt de tunnel voorzien van een aantal 'wanden' gemaakt van spinsel. Deze soorten gebruiken het dus om zich te beschermen.

Sommige in woontunnels levende spinnen maken een zak aan de onderzijde van de tunnel waaronder ze zich kunnen verbergen mocht er een vijand in de tunnel geraken. De spin kan zich zo afschermen door een laag spinsel.

Een aantal groepen van spinnen maakt helemaal geen gebruik van spinsel om hun prooi te vangen, en ook niet om zich te verbergen. Voorbeelden zijn springspinnen en krabspinnen. De springspinnen hebben een zeer goed zichtvermogen en bespringen hun prooi, krabspinnen zijn vaak goed gecamoufleerd en liggen in een hinderlaag te wachten. Beide groepen gebruiken het spinsel overigens wel om zich aan de ondergrond te ankeren. Het verankeren van het lichaam aan de ondergrond komt veel voor bij de spinnen. Als een spin wordt verstoord laat deze zich vaak aan deze 'veiligheidsdraad' naar beneden zakken.

De meeste spinnen, ook de webmakende soorten, plakken bij het lopen een spindraad op de ondergrond zodat zij steeds verzekerd zijn van een veiligheidsdraad. deze draad is veel dunner dan de draden waarmee een web wordt gemaakt.

Een belangrijke oorzaak voor het voorkomen van spinnen op de meest geïsoleerde plaatsen is het vermogen om te kunnen zweven. Spinnen hebben geen vleugels en kunnen zelf niet vliegen maar kunnen zich wel aan een spindraad laten wegzweven met de wind en zo grote afstanden afleggen. Vooral bij jonge of kleine spinnen is dit gedrag bekend, grotere spinnen zijn hier al snel te zwaar voor. Hierdoor zijn spinnen op een hoogte van enkele kilometers aangetroffen.

Van sommige soorten is beschreven dat ze zich zelfs als volwassen spin kunnen verplaatsen door de lucht. Een voorbeeld zijn een aantal hangmatspinnen die zich over grote afstanden en kilometers hoog door de lucht laten zweven door het spinrag als vlieger te gebruiken.

Vrijwel alle spinnen zetten hun eieren af in een gesponnen cocon of eierzak. Zie de sectie Ei voor een beschrijving van de eieren van spinnen.

De soorten die geen cocon maken wikkelen het spinsel vaak losjes om de eieren om ze bij elkaar te houden. Een voorbeeld is de grote trilspin, waarvan het vrouwtje haar eitjes regelmatig tussen haar cheliceren klemt en er zo mee rondloopt. De meeste spinnen echter besteden veel tijd aan het verbergen van de eieren en spinnen maken de meest uiteenlopende cocons. De variatie is zeer groot, aan de hand van de vorm en grootte van de cocon kan vaak de groep van bijbehorende spinnen worden toegewezen. De cocons van soorten die sterk aan elkaar verwant zijn lijken op elkaar en zijn moeilijker te determineren.

Veel soorten zetten de eieren af op het substraat en spinnen hier een dicht web overheen en andere soorten bewaren de eitjes in de schuilplaats bij het web. Er zijn ook spinnen, zoals wolfspinnen, die de eierzak permanent met zich meedragen, de cocon is hierbij vaak erg stevig en rond van vorm. Sommige spinnen maken opmerkelijke vormen van de cocons, zoals de grote lantaarnspin (Agroeca brunnea). Deze soort produceert een cocon die sprekend op een zijden lantaarntje lijkt en de cocon wordt verstevigd met bodemmateriaal. De waterspin maakt eerst een fijnmazig web en vult deze met lucht zodat een onderwaterluchtbel ontstaat die fungeert als kraamkamer. De eitjes worden in deze 'duikerklok' afgezet en bewaakt door het vrouwtje. De labyrinthspin maakt een cocon die bestaat uit schijfjes en aan een draad wordt opgehangen. Ieder schijfje bevat meerdere eieren en bestaat uit twee delen. Als het legsel groter wordt en in volume toeneemt valt een deel van het schijfje af zodat de uitkomende juveniele spinnen meer ruimte hebben.

Het spinsel dat voor de cocon wordt gebruikt is meestal wit tot geel. Het spinsel van de lijmspuiter echter wordt na enige tijd groen van kleur wat dient ter camouflage.

Mannetjesspinnen maken voornamelijk gebruik van hun spinsel om een spermaweb te maken. Spinnen kennen geen directe bevruchting, de mannetjes brengen het sperma eerst in hun palpen en deze worden vervolgens in de geslachtsopening (epigyne) van het vrouwtje gebracht.

Voordat het mannetje zijn palp vult met sperma, wordt eerst een zogenaamd spermaweb gesponnen. Dit is een soort 'vloerkleed' waarop een druppel sperma wordt afgezet. Veel andere spinachtigen, zoals schorpioenen een zweepspinnen, wikkelen het sperma vervolgens in het webje waardoor een zaadpakketje of spermatofoor ontstaat. Spinnen doen dit echter niet maar zuigen de druppel op in de bulbus. Een mannetje met een 'geladen' bulbus gaat vervolgens op zoek naar een vrouwtje. Het spermaweb wordt door een aantal soorten direct weer opgegeten.

Spinnen worden geboren uit een ei, en veel soorten kennen een zogenaamd post-embryonaal stadium waarbij ze een vrijwel ronde lichaamsvorm hebben. Na de eerste vervelling lijken de kleine spinnetjes al op hun ouders al zijn ze veel kleiner en hebben ze vaak een andere lichaamskleur dan hun ouders. De juveniele spinnen leven van kleinere prooien. De juveniele spinnen hebben vaak eenzelfde levenswijze en voedselvoorkeur als de volwassen dieren. Bij de grotere spinnen ligt dit heel anders, ze kennen hierdoor geen voedselconcurrentie. De dieren die dienen als prooi voor de volwassen spin zijn vaak juist een vijand van de jonge spinnen omdat ze veel groter worden.

Uit de eieren komen kleine larvale spinnetjes die pas na de eerste vervelling op een miniatuuruitgave van hun ouders lijken. De kleine spinnetjes verspreiden zich vaak door bij een opkomend briesje een draadje vrijhangend spinrag in de lucht te spinnen en zich hieraan hangend op de wind te laten meevoeren. In de Nederlandse taal wordt dit spinsel ook wel herfstdraad genoemd. Een jonge spin moet net als alle andere dieren met een exoskelet een aantal vervellingen ondergaan voor hij volwassen is. Kleine spinnen zijn na een vijftal — sommige vogelspinnen pas na 10 vervellingen — volwassen. Het vervellen is voor de spin vaak een intensieve bezigheid; het dier voert de druk in het achterlijf op tot de huid scheurt en werkt zich vervolgens achterwaarts uit de oude huid. Tijdens het vervellen is de spin volkomen weerloos en de eerste tijd is het pantser wat zachter.

Veel spinnen kennen een sterk seksueel dimorfisme wat betekent dat het mannetje en het vrouwtje er anders uitzien. Het mannetje is vaak veel kleiner dan het vrouwtje, al is dit niet bij alle soorten het geval. Bij de waterspin (Argyroneta aquatica) bijvoorbeeld is het mannetje soms juist groter dan het vrouwtje. Bij veel springspinnen zijn de mannetjes vaak even groot als de vrouwtjes. Bij soorten uit het geslacht Nephila echter zijn de mannetjes onooglijk klein in vergelijking met het vrouwtje. Er zijn zelfs spinnen waarvan het mannetje zo klein is dat het een van zijn palpen amputeert om zo lichaamsgewicht te besparen en zich hierdoor makkelijker kan verplaatsen.

Bij de meeste spinnen hebben de mannetjes een kleiner lichaam maar verhoudingsgewijs langere poten. In de spinnenwereld zijn het de mannetjes die op zoek gaan naar vrouwtjes en omdat spinnen elkaar niet op grote afstanden kunnen waarnemen leiden mannetjes vaak een zwervend bestaan op zoek naar een partner. Mannetjes zijn bij veel soorten te herkennen aan de verdikte uiteinden van de palpen.

De geslachtsorganen van spinnen zijn aan de onderzijde van het achterlijf gepositioneerd, zowel bij de mannetjes als de vrouwtjes. Ze zijn aan de voorzijde gelegen, dus dicht bij het kopborststuk.

Bij spinnen zoekt het mannetje een vrouwtje op en het zijn dan ook de mannetjes die in de voortplantingstijd veel worden gezien. De mannetjes leggen vaak grote afstanden af op zoek naar een partner.

De paring is voor het mannetje soms een hachelijke zaak omdat de kans bestaat dat hij wordt opgegeten. Deze vorm van kannibalisme lijkt vaak niet veel voordelen te bieden omdat mannetjes relatief weinig voedzaam zijn. Waarschijnlijk valt het vrouwtje het mannetje slechts aan als ze dreigt om te komen van honger, niet uit gewone honger. Het opeten van het mannetje na de paring is bij meerdere spinnen beschreven en komt ook voor bij andere dieren zoals de bidsprinkhanen. Bij de meeste soorten echter loopt het mannetje geen enkel gevaar of weet meestal te ontsnappen. Als een mannetje sterft na de paring is dit vaak eerder het gevolg van uitputting en ondervoeding gedurende de zoektocht naar een vrouwtje dan de vraatzucht van de vrouwtjes.

Als een mannetje een vrouwtje benadert zal hij eerst proberen om haar jachtinstinct uit te schakelen. De spinnen hebben een breed scala aan methodes ontwikkeld om dit voor elkaar te krijgen. De mannelijke kruisspin brengt het vrouwtje tot rust door in een bepaald ritme tegen haar web te tokkelen zodat ze weet dat hij geen prooi is. Bij andere soorten bespringen de mannetjes simpelweg de vrouwtjes en proberen haar zo snel mogelijk te bevruchten. Spinnen uit het geslacht Pisaura brengen het vrouwtje een presentje in de vorm van een ingesponnen prooi. Het mannetje voert hierbij ritmische bewegingen uit om haar aandacht te lokken. Terwijl het vrouwtje eet wordt ze bevrucht door het mannetje.

Bij de spinnen is een gedrag bekend waarbij het mannetje na de paring het vrouwtje bewaakt. Dit heeft voor het vrouwtje als voordeel dat ze beschermd wordt door het mannetje terwijl haar partner zo probeert te voorkomen dat ze met andere mannetjes paart.

Sommige spinnen lokken het andere geslacht door met het lichaam te vibreren en een aantal soorten is in staat om geluiden te produceren door het langs elkaar wrijven van verharde lichaamsdelen, wat ook wel stridulatie wordt genoemd. De hoogst ontwikkelde vorm van de balts bij spinnen betreft het voorspel van de springspinnen. De mannetjes gebruiken hun poten om ingewikkelde, soortafhankelijke visuele signalen over te brengen naar het vrouwtje. Hierbij worden ook complexe trillingen veroorzaakt. Op het internet circuleren tot de verbeelding sprekende video's van het mannetje dat het vrouwtje verleidt.

Het mannetje paart met het vrouwtje door een met sperma 'geladen' pedipalp in haar geslachtsopening te brengen. Aan het einde van de palp is een ballonachtige structuur aanwezig die de bulbus wordt genoemd. Aan het einde hiervan zit de embolus, een holle structuur waardoor het sperma in de vrouwelijke geslachtsopening wordt afgegeven en de eitjes worden bevrucht.

Het sperma wordt bewaard in een lichaamsholte, de spermatheek, dit betekent zoiets als 'spermakamer'. Hier kan het weken tot maanden verblijven -in uitzonderlijke gevallen tot anderhalf jaar- tot de eitjes van het vrouwtje zijn gerijpt. De twee eierstokken van een vrouwtje bevatten de eitjes die voor de bevruchting nog zacht zijn om het sperma door te kunnen laten. Pas nadat het ei is afgezet en droogt aan de buitenlucht wordt het omhulsel harder.

Het ei van een spin wordt meestal in een groepje in een nest afgezet, dat vaak omgeven wordt door een cocon. De eitjes van een spin zijn zacht en kwetsbaar. De eitjes zijn meestal bleek van kleur en enigszins ovaal van vorm. De eitjes van spinnen hebben geen verharde schaal zoals bij andere ongewervelden voorkomt en zijn hierdoor gevoelig voor uitdroging. Spinneneitjes hebben een relatief grote dooier waardoor de embryo's zich volledig in het ei ontwikkelen. Als de eitjes uitkomen lijken de jonge spinnen al enigszins op de volwassen dieren. Dit in tegenstelling tot andere spinachtigen zoals mijten die soms een worm-achtig larvestadium kennen.

Het aantal eieren van de verschillende spinnen varieert per soort, gemiddeld zetten spinnen enkele honderden eitjes af. De grootte van de eieren kan behoorlijk verschillen, alsmede de relatieve grootte ten opzichte van het vrouwtje. Vrouwtjes van de soort Uroecobius ecribellatus zijn zelf ongeveer 1,8 millimeter lang maar slagen erin een ei met een doorsnede van 0,5 millimeter te ontwikkelen.

Ook het aantal legsels, de legselgrootte en de tussenpozen van de verschillende legsels kan variëren. Soorten uit het geslacht Nephilia kunnen meer dan 1000 eitjes produceren, de spin Idioctis intertidalis daarentegen zet slechts een enkel ei af. De visnetspin (Cyrtophora citricola) produceert ongeveer 1000 eitjes die in acht tot tien legsels worden afgezet. De eerste legsels zijn hierbij groter dan de laatste. De eerder vernoemde soort Uroecobius ecribellatus produceert tot twintig nesten die steeds drie of vier eieren bevatten en ieder legsel heeft een interval van 1 tot 2 weken.

Sommige spinnen ontwikkelen een eitand, een puntige structuur die dient om het ei te openen. Deze is gelegen aan de cheliceren van de spin. Bij andere soorten helpt de moederspin haar jongen uit het ei, wat gezien kan worden als een vorm van broedzorg. Als de jonge spin het ei verlaat vervelt hij vaak onmiddellijk, waarbij de oude huid met de eitanden in het ei wordt achtergelaten.

Broedzorg komt bij spinnen veel voor, er zijn verschillende vormen beschreven. Bij de meeste soorten bewaakt het vrouwtje haar eitjes. De eitjes worden in een beschermende cocon geplaatst, worden verstopt in de directe omgeving of worden op het lichaam meegenomen. Andere soorten kleven de eitjes tegen elkaar en nemen de bol-vormige klont eitjes mee tussen hun cheliceren. Dergelijke soorten laten hun eitjes nooit los, ze kunnen dus niet eten tot het nageslacht is uitgekomen. Voorbeelden van spinnen die hun eitjes in de monddelen nemen zijn de in huizen levende lijmspuiter en de trilspin.

Andere soorten nemen de eicocon mee onder hun achterlijf, zoals bekend is van veel wolfspinnen. Als de eitjes uitkomen dragen de vrouwtjes de jonge spinnetjes nog enige tijd mee op het achterlijf.

Sommige spinnen, zoals de kleine wigwamspin (Phylloneta sisyphia), geven voedsel op aan hun jongen, waarbij deze door met hun poten te zwaaien aangeven gevoerd te willen worden. De juveniele spinnen van deze soort groeien hierdoor veel sneller.

Een verregaande vorm van broedzorg is beschreven van de soort Stegodyphus pacificus, waarbij het vrouwtje haar eitjes afzet in een ondergronds holletje en hierin zelf ook verblijft om ze te bewaken. Als de spinnetjes uit hun ei kruipen voert ze hen door voedsel op te geven. Na een tijdje sterft het vrouwtje en zuigen de jonge spinnen haar lichaamssappen op. Doordat ze al deze tijd in een hol leven hoeven de juveniele spinnen niet op jacht naar prooien en zijn ze beschermd tegen gevaar. Dit verhoogt de kansen voor het nageslacht van het vrouwtje wat de verklaring is van haar zelfopoffering.

De jonge spinnen worden nimfen genoemd en zijn op het eerste gezicht een miniatuurversie van hun ouders. Spinnen kennen geen larvestadium maar vervellen, net als alle andere dieren met een exoskelet. Veel soorten vervellen 5 of 6 keer maar dat geldt niet voor alle spinnen. Sommige spinnen zijn tweejarig en andere soorten hebben vijf jaar nodig om volwassen te worden en leven daarna nog vele jaren als imago.

Verschillen met volwassen exemplaren zijn dat deze laatsten veel groter zijn, zich kunnen voortplanten en meestal andere kleuren en patronen hebben. Ook de verhouding tussen kop en pootlengte is vaak anders.

Bij giftige spinnen zijn jongere dieren vaak wel giftig maar nog niet zo sterk als de ouderdieren.

Ook kunnen de jonge spinnen pas spinsel produceren als ze voor het eerst verveld zijn. Bij een aantal soorten spinnen - zoals vogelspinnen - krijgen de mannetjes pas een ontwikkelde bulbus na de eerste vervelling. De jonge spinnen eten na iedere vervelling hun huid op, zodat deze gerecycled wordt.

De meeste jonge spinnen komen massaal ter wereld. Bij een aantal soorten blijven de jonge spinnetjes dicht bij elkaar in een bolvormige configuratie, bijvoorbeeld de jongen van de kruisspin. Als ze worden verstoord rennen deze jonge spinnetjes alle kanten op maar als de rust is teruggekeerd kruipen ze weer bij elkaar. De kleine spinnetjes verspreiden zich bijvoorbeeld bij een opkomend briesje door een draadje vrijhangend spinrag in de lucht te spinnen en zich hieraan hangend op de wind te laten meevoeren.

Bij verstoring lost de bal op en rennen de kleine spinnetjes alle kanten op, maar ze komen al snel weer bij elkaar. De eerste tijd eten ze elkaar op tot een bepaalde grootte is bereikt, meestal de eerste of tweede vervelling. Dan zijn er vaak maar een aantal exemplaren over; dat zijn echter wel de sterksten van het nest. Bij sommige soorten eten de eerst uitgekomen spinnen de nog niet uitgekomen eitjes op.

Als de juviniele spin voldoende is gegroeid verlaat deze het nest door zich te laten wegzweven aan een spindraad, dit wordt ook wel Herfstdraad genoemd. De jonge spin is dan nog niet veilig voor soortgenoten; veel spinnen zijn kannibalistisch en eten de eigen jongen. Bij vrouwtjes worden de kannibalistische trekken waarschijnlijk even 'uitgeschakeld' na het uitkomen van de eitjes. Bij veel nestverzorgende soorten verdedigen ze het Broedsel met hun leven.

Spinnen behoren tot de geleedpotigen, ze hebben een uitwendig skelet van chitine wat het exoskelet wordt genoemd. Spinnen kunnen daarom niet groeien en moeten regelmatig vervellen. Alleen vlak na een vervelling is het lichaam van de spin zacht zodat het uit kan zetten. De vervelling wordt ook wel ecdysis genoemd.

Spinnen die spoedig vervellen worden minder sterk geprikkeld en gedragen zich lethargisch. De spin verstopt zich als de vervelling nabij is en tijdens de vervelling is de spin zeer kwetsbaar voor vijanden als het oude pantser wordt afgeworpen. Na iedere vervelling is het exoskelet van de spin zacht wat het dier kwetsbaar maakt. Een net vervelde spin is daarnaast bleek van kleur, de pigmenten in het exoskelet moeten nog uitkleuren. Jonge spinnen zijn vaak minder sterk behaard dan de volwassen spinnen en hebben doorgaans andere kleuren.

Veel spinnen zijn overdag actief maar er zijn ook vele nachtactieve soorten. Enkele spinnen leven in permanent donkere grotten en kennen helemaal geen dag- en nachtritme.

Spinnen staan bekend als strikt solitaire dieren, de meeste soorten vertonen agressief gedrag tegen soortgenoten, andere spinnen en grotere dieren. Er zijn echter enkele min of meer sociale spinnen bekend, die geen hechte kolonies vormen zoals wespen maar elkaar wel in grote aantallen dulden.

Spinnen leven van levende prooien maar hebben een wijd uiteenlopend scala aan voedselvoorkeuren en methoden om prooien buit te maken. Het bekendst zijn de wielwebspinnen (Araneidae), die een rond, wiel-achtig web maken van een spiraalsgewijze hoofddraad en vele 'spaken' dat dient om kleine vliegende prooien te vangen zoals vliegen en muggen. Zij maken hun web in struiken en tussen bladeren op enige hoogte. Er zijn echter ook spinnen die zich richten op wat grotere en zwaardere prooien, een voorbeeld is de wespspin die een spinnenweb maakt dat voornamelijk sprinkhanen strikt. De wespspin maakt het web daarom tussen grashalmen vlak boven de bodem. Andere spinnen maken een stelsel van struikeldraden op de bodem en grijpen een prooi zodra deze hierin verstrikt raakt. De valdeurspinnen danken hun naam aan de ondergrondse met spinsel bedekte woongang die wordt afgesloten met een klepje. Zodra een potentiële prooi langs het klepje loopt, schiet de spin uit zijn hol om de prooi buit te maken.

Soorten uit het geslacht Dolomedes worden wel 'vissende spinnen' genoemd vanwege hun opmerkelijke jachtmethodes. Deze spinnen leven langs de oever en houden hun voorste poten op het wateroppervlak. Als een insect in het water valt voelt de spin de rimpelingen en rent over het wateroppervlak naar het in het water gevallen insect. Ook kan de spin onder water jagen door vissen te grijpen die zich onder het wateroppervlak bevinden. Er is zelfs beschreven dat de spin met zijn poten onder water beweegt om visjes te lokken die vervolgens met de cheliceren worden gegrepen. Ook andere spinnen jagen in het water maar ze moeten hun prooi altijd op het droge opeten. Onder water zouden hun verteringssappen namelijk sterk verdunnen in het water en kunnen spinnen niet eten.

Een aantal soorten spinnen kan over het water lopen en de oeverspinnen grijpen soms prooien als kikkervisjes die in het water leven. De waterspin (Argyroneta aquatica) leeft vrijwel permanent onder water maar is een zeldzame uitzondering. De spin Arctosa littoralis leeft op het strand in de branding wat een gevaarlijke plek is voor een spin. De spin kan niet zwemmen en kan in zijn kale leefomgeving geen gebruik maken van schuilplaatsen. De spin is echter zo goed gecamoufleerd op een achtergrond van zandkorrels dat het dier nagenoeg onzichtbaar is.

Van vogelspinnen wordt vaak beweerd dat ze vogels eten en hoewel dit inderdaad weleens is waargenomen jagen vogelspinnen nooit op vogels, ze leven van alles wat ze te pakken kunnen krijgen. Meestal bestaat de prooi uit ongewervelden maar ook muizen, amfibieën en zelfs kleine slangen kunnen worden buitgemaakt en gegeten. Vogelspinnen zijn niet de enige familie van grote spinnen en ook andere spinnen pakken wel kleinere gewervelden. Van de grote gerande oeverspin is bekend dat kleine kikkers worden buitgemaakt en opgegeten.

Spinnen zijn een van de efficiëntste opruimers van insecten. Hoeveel ze er precies eten is moeilijk uit te rekenen maar dat ze een belangrijke rol spelen in ieder terrestrisch ecosysteem wordt algemeen onderkend. De arachnoloog W. S. Bristowe schatte de spinnenpopulatie van een weiland in Sussex op 2,25 miljoen exemplaren en het totale aantal spinnen in geheel Engeland en Wales op 2200 miljard. Aangezien spinnen meer dan 100 prooien in een jaar eten, zouden ze verantwoordelijk zijn voor het opruimen van meer dan 200.000 miljard insecten in alleen al het zuidelijke deel van Groot-Brittannië.

Van een aantal soorten spinnen is bekend dat ze soms ook plantaardig voedsel eten. Vaak betreft het stuifmeel dat rijk is aan proteïnen maar ook nectar, plantensap, bladeren en zaden worden wel genuttigd. Het eten van plantendelen is bij vertegenwoordigers van ten minste tien verschillende families waargenomen. Er is maar één uitzondering bekend van een spin die voornamelijk plantendelen eet, dit is de soort Bagheera kiplingi uit Centraal-Amerika. Deze spin leeft grotendeels van zoete, op mierenbroodjes gelijkende plantenafscheidingen van bepaalde soorten acacia's. Dergelijke acacia's leven in symbiose met mieren en geven de mieren nectar en zoete, zaadachtige afscheidingen in ruil voor bescherming tegen planteneters. Als deze zich aandoen worden ze door de mieren fel bestreden. De spin slaagt er echter in de mieren hun voedsel af te pakken. Ook wordt nectar gedronken uit de bloemen terwijl deze eigenlijk voor de mieren bedoeld is. Een bijkomstige bijzonderheid is dat de spin zijn voedsel 'rauw' eet, alle andere spinnen injecteren enzymen in hun prooi waarna het half verteerde goedje wordt opgezogen. Hoewel het dieet van de spin tot 90% uit plantendelen kan bestaan, is het geen herbivoor, soms worden mieren of hun larven gegeten.

Spinnen hebben een breed scala aan vijanden, variërend van predatoren, parasieten, parasitoïden en eencellige ziekteverwekkers. De belangrijkste vijanden van spinnen zijn allerlei insecteneters. Vrijwel alle dieren die 'insecteneters' worden genoemd zien geen verschil tussen prooien met zes of acht poten en eten net zo makkelijk spinnen. Voorbeelden zijn reptielen zoals hagedissen, amfibieën als kikkers en verschillende vogels.

De meest tot de verbeelding sprekende vijanden van spinnen zijn de spinnendoders. Spinnendoders zijn een familie van wespen die tot de sluipwespen behoren. Spinnendoders eten de spin echter niet op, net als andere wespen leven ze zelf van nectar. De spin wordt in een nest verstopt waarna er eieren in worden afgezet. Het holletje wordt vervolgens weer gedicht waarna enige tijd later een nieuwe wesp tevoorschijn komt. De larve hiervan heeft in het nest de spin opgegeten.

Een aantal soorten spinnen heeft zich gespecialiseerd in het opsporen en doden van andere spinnen en andere prooien worden zelfs genegeerd. Deze soorten worden de spinneneters genoemd (Mimetidae), een voorbeeld zijn de soorten uit het geslacht Ero. Het gif van dergelijke soorten werkt specifiek op andere spinnen, vaak is een beet in de poot van het slachtoffer al genoeg om deze te doden. De spin wordt vervolgens in zijn eigen web opgegeten. Spinneneters kunnen door een spinnenweb van een andere soort lopen zonder opgemerkt te worden. Sommige soorten eten zelfs de eicocon van het slachtoffer op om vervolgens hun eigen eitjes in de cocon te plaatsen. Een groep die een gelijkend gedrag kent zijn de diefspinnen. Deze jagen niet op de webbouwende spinnen maar zijn erin gespecialiseerd om de prooien uit het web te stelen. Een voorbeeld zijn soorten uit het geslacht Argyrodes.

Spinnen die een web maken houden zich vaak op in planten en als ze worden verstoord laten ze zich 'vallen' waarbij de spin zich echter geankerd heeft aan de ondergrond en zich aan een draad laat zakken. Tijdens de daling trekt de spin zijn poten in om minder op te vallen. Als het gevaar geweken is kan de spin via de draad weer naar boven klimmen. Van de in zandduinen levende spin Carparachne aureoflava is bekend dat het dier zich opvouwt als een bal en zich met relatief grote snelheden naar beneden laat rollen. De spin vertoont dit gedrag bij een confrontatie met een spinnendoder.

Spinnen vertonen vaak dreiggedrag bestaande uit het oprichten van de poten en het tonen van de cheliceren. Een aantal soorten heeft een fel gekleurde onderzijde van de poten dito cheliceren zodat ze goed opvallen. Grotere spinnen zijn vaak in staat om te sissen. Een aantal spinnen kent een actieve vorm van verdediging als het dier wordt aangevallen. Grotere vogelspinnen strijken met hun poten de haartjes van hun achterlijf waarna deze in de lucht komen. De haartjes zijn brandharen die de slijmvliezen sterk prikkelen. Ook zijn soorten bekend die hun achterlijf op een vijand richten en een straal lichaamsvloeistof op afschieten.

Spinnen zijn een orde van geleedpotige dieren (Arthropoda) die behoren tot de klasse spinachtigen (Arachnida). Spinnen worden ingedeeld in drie verschillende groepen die onderordes worden genoemd; de Araneomorphae, de Mygalomorphae en de Mesothelae.

De Araneomorphae vormen de grootste groep, deze spinnen worden wel als de hoogst ontwikkelde vertegenwoordigers gezien. Voorheen heette de onderorde Araneomorphae ook wel Labidognatha (tangkakigen), omdat de cheliceren als een tang van en naar de middellijn toe bewegen, in het horizontale vlak. Hierdoor kunnen de cheliceren prooien vermalen in plaats van slechts leegzuigen.

De Mygalomorphae worden beschouwd als de primitievere spinnen, ze hebben een lichaamsbouw die meer overeenkomt met de oudst bekende vormen van spinnen. Voorheen heetten de Mygalomorphae ook wel Orthognatha (rechtkakigen), omdat de cheliceren als een houweel omhoog en omlaag bewegen, in verticale richting. Ze kunnen hun prooi niet vermalen en kunnen alleen gif inspuiten en dit vervolgens weer opzuigen.

De Mesothelae is de meest basale vorm van het spinnenrijk. Er zijn verschillende uitgestorven families bekend maar de moderne vertegenwoordigers behoren allemaal tot een enkele familie, de Liphistidae.

De indeling van de spinnen verandert regelmatig door een constante aanvoer van nieuwe inzichten. Soms wordt een nieuwe soort ontdekt die de inzichten verandert en ook worden wel fossiele spinnen gevonden die meer vertellen over de ontstaansgeschiedenis. Vroeger werd bijvoorbeeld gedacht dat het geslacht Nephila ongeveer 30 miljoen jaar geleden is ontstaan, tot de 165 miljoen jaar oude Nephila jurassica werd ontdekt.

De voorouders van spinnen zagen eruit als schorpioenachtige diertjes die in zee leefden. Uit deze dieren ontwikkelden zich de chelicerata; de spinachtigen en de schorpioenen. Een tweede lijn binnen van de geleedpotigen die het land op kropen waren de mandibulata waartoe alle kreeftachtigen, insecten en duizendpotigen behoren.

De eerste sporen van landbewonende geleedpotigen stammen uit het Late Siluur en bestaan niet uit resten de dieren zelf, maar uit de pootafdrukken die ze hebben achtergelaten. Spinnen waren samen met de mijten en de duizendpotigen de eerste geleedpotige landroofdieren. De oudst bekende vormen van spinnen -en insecten- stammen uit het Devoon. In het Laat-Carboon hadden alle huidige groepen van spinnen zich gevormd, op de wielwebbouwende soorten na.

Een belangrijk aspect van de evolutie van de spinnen is die van het web, en sporen hiervan zijn uitzonderlijk zeldzaam. Er zijn wel delen van spinnenwebben gevonden in barnsteen maar deze zijn zeer fragmentarisch.

De wetenschappelijke naam voor de groep van spinnen is Araneae. Deze naam is afgeleid van een Lydische prinses met de naam Arachne. Deze mythische figuur was zo goed in spinnen dat de godin Athene haar les gaf waardoor ze nog beter werd. Arachne ontkende echter dat ze haar spinkunst aan Athene te danken had, wat de woede van de godin opwekte. Arachne werd hierdoor zo bang dat ze zich het leven benam door zichzelf op te hangen. Athene veranderde haar echter in een spin, die er afschrikwekkend uitziet maar prachtig kan weven.

De wetenschappelijke naamgeving van spinnen is soms verwarrend. Met de Nederlandse naam valdeurspinnen kunnen bijvoorbeeld verschillende families worden bedoeld, zowel soorten uit de familie Idiopidae als Ctenizidae worden zo genoemd. De naam wielwebspinnen staat voor de familie Araneidae maar dit zijn lang niet de enige spinnen die wielachtige webben maken. De grootste wielwebben worden gemaakt door vertegenwoordigers van een geheel andere familie, de zijdespinnen (Nephilidae).

De wetenschappelijke naamgeving van de spinnen werkt als volgt; de drie hoofdgroepen hebben -ae als uitgang omdat het onderorden zijn. De families hebben de uitgang -dae en met name de grotere families worden verdeeld in verschillende onderfamilies die de uitgang -nae hebben. De families zijn verdeeld in verschillende geslachten en soms wordt hier nog een tussenlaag gebruikt die tribus wordt genoemd.

De soortnamen slaan vaak op de spin zelf, zoals het uiterlijk (bv depressa = afgeplat) of het leefgebied (bv germanica = levend in Duitsland). Soms zijn soorten naar biologen vernoemd als eerbetoon. De soort Heteropoda davidbowie werd door de bioloog Peter Jäger naar popster David Bowie vernoemd, dit om aandacht te vragen voor bedreigde spinnen. Jäger had succes want wereldwijd verschenen krantenberichten over de David Bowie-spin, die geel van kleur is, een lange lichaamsbeharing heeft en beschikt over lange poten. Het parapluspinnengeslacht Baalzebub is zelfs vernoemd naar de duivel.

Spinnen kunnen met verschillende dieren worden verward maar met name de andere groepen spinachtigen (Arachnida) zijn gelijkend. De spinnen worden daarom wel met 'echte spinnen' aangeduid. Sommige spinnen lijken bijvoorbeeld op mieren, die behoren tot de insecten en totaal niet verwant zijn aan de spinnen. Dit is echter geen toevallige gelijkenis en is een vorm van mimicry, zie ook onder camouflage.

Een aantal spinachtigen lijkt wat betreft lichaamsbouw enigszins op spinnen maar is vaak toch eenvoudig te onderscheiden. Veel spinachtigen hebben bijvoorbeeld tang-achtige monddelen, die nu juist bij alle echte spinnen ontbreken. Onderstaand zijn enkele vaak met spinnen verwarde groepen beschreven, zie voor een uitgebreide beschrijving van de spinachtigen in ruimere en in engere zin ook het artikel spinachtigen.

Spinnen hebben hun uiterlijk tegen; ze zijn harig, hebben lange behaarde poten en bewegen zich snel. Daarnaast duiken ze vaak onverwacht op uit donkere hoekjes waardoor een mens soms geconfronteerd wordt met een harig, langpotig dier dat zich snel beweegt of zelfs de cheliceren toont.

In feite is het net andersom; een spin zit rustig in het donker maar wordt plots verstoord door licht en een groot 'dier' dat te groot is om op te eten en dus wordt beschouwd als vijand. Niet zelden gedraagt een mens zich ook als vijand door te pogen de spin te doden. Een spin zal meestal wegrennen of dreiggedrag vertonen.

Spinnen die wat groter worden, zoals sommige vogelspinnen, kunnen met hun grote kaken bijten en hierdoor zijn spinnen gevreesde dieren. Ze worden in de cultuur gebruikt als metafoor voor alles wat eng en slecht is. Bij veel mensen roept een confrontatie met een spin een schrikreactie op, wat voortkomt uit een reflex en dus normaal is. Mensen die zeer bang zijn voor spinnen lijden aan een spinnenfobie of arachnofobie. Spinnen worden ook wel als huisdier gehouden in een terrarium om ze te bewonderen. In sommige Aziatische landen worden spinnen gevangen, gefrituurd en vervolgens opgegeten.

Van spinnen wordt wel beweerd dat ze soms ingeslikt worden als men slaapt. Dit is echter een broodjeaapverhaal omdat een spin niet in staat is om zich in de slokdarm te bewegen, laat staan erdoorheen kan lopen. Ook is het menselijk lichaam erg warm voor een spin. Daarnaast zijn de poten van spinnen voorzien van vele stekels waardoor het fysiek ook niet mogelijk is om zich door de slokdarm te bewegen zonder hierbij verstrikt te raken.

De spin staat symbool voor gevaar, giftigheid en boosheid. Maar kleine spinnen zouden geluk brengen; het tijdstip waarop een spin wordt gezien, speelt daarbij een belangrijke rol. In de volksgeneeskunde werd een walnoot met een kruisspin erin als amulet tegen koorts gedragen. Een spin die naar beneden kruipt in haar web is een goed voorteken maar als zij omhoog kruipt is er ongeluk op komst. De 8-potige spin brengt welvaart. In Afrika en in Suriname en andere landen (b.v. Jamaica) waar nazaten van Afrikaanse slaven wonen, vervult de spin Anansi in volksverhalen een soort rol als Reinaert de Vos. Een andere bekende spin is Sebastiaan uit het versje van Annie M.G. Schmidt.

Spinnen die te zien zijn in films zijn vaak onschuldige soorten. Delena cancerides werd gebruikt op de set van de Amerikaanse film Arachnophobia van de regisseur Steven Spielberg. De spin is ook te zien in het begin van de film Spiderman. Delena cancerides ziet er krabachtig en afschrikwekkend uit en kan behoorlijk groot worden maar is niet agressief en ongevaarlijk voor de mens.

Spinnen komen niet zelden in het nieuws, bijvoorbeeld als er een opmerkelijke soort is ontdekt. Enkele voorbeelden van spinnen in het nieuws zijn:

In een aantal Aziatische landen worden spinnengevechten gehouden waarbij men op de uitkomst kan gokken. De precieze methodes en de gebruikte soorten verschillen per land. In Japan worden vrouwtjes uit het geslacht Argiope gebruikt, terwijl in Singapore mannetjes van het geslacht Thiania worden gebruikt. Bij een spinnengevecht kan een van de spinnen door de ander worden gedood maar kan ook vluchten of soms worden weggehaald. De vechtspinnen kunnen worden bewaard in een luciferdoosje met gekrulde grasstengels die kleine kamertjes vormen. De spinnen zitten vlak bij elkaar maar kunnen de andere exemplaren niet aanvallen.

Spinnen hebben een onverdiend slechte naam, veel mensen zijn bang voor spinnen. Dit komt wellicht omdat ze harig zijn en lange poten hebben. Spinnen kunnen vaak snel rennen en jagen hierdoor schrik aan, ze komen bovendien vaak onverwacht tevoorschijn.

Er zijn vele misverstanden over spinnen, mensen die door een spin worden gebeten komen niet zelden in de krant, anders dan honden- of kattenbeten. De spinnen die in België en Nederland leven, zijn niet gevaarlijk voor de mens. Sommige soorten kunnen wel gemeen bijten maar de gevolgen zijn te vergelijken met een wespensteek. Het gif van de meeste spinnen is zeer dodelijk voor insecten maar werkt in het geheel niet op mensen. Voordat een spin bijt, wordt vaak dreiggedrag vertoond.

Een beet van een spin is meestal het gevolg van een ongeluk zoals een spin die in een schoen kruipt. Dit komt ook veel voor bij beten van schorpioenen. Een fatale afloop is bij een beet van een spin uiterst zeldzaam. Er zijn slechts enkele soorten die als erg gevaarlijk kunnen worden beschouwd, dit is niet te danken aan de extreme giftigheid van een beet maar voornamelijk aan het algemene voorkomen van dergelijke soorten. Voorbeelden zijn de Amerikaanse vioolspin (Loxosceles reclusa) en de Australische tunnelspin (Atrax robustus). Van dergelijke soorten zijn in totaal de afgelopen honderd jaar in de wetenschappelijke wereldliteratuur slechts enige tientallen beten met dodelijke afloop beschreven. Telt men alleen beten waarbij de veroorzaker zeker kon worden geïdentificeerd dan wordt het nog minder. In landen waar gevaarlijke spinnen voorkomen zijn tegenwoordig antisera verkrijgbaar die een fatale afloop vrijwel altijd kunnen voorkomen.

Vaak worden pijnlijke prikken of steken van een niet gezien insect of spinachtige aan spinnen toegeschreven door artsen of ander medisch personeel zonder dat hiervoor een duidelijke reden bestaat, of zelfs zonder dat dit aannemelijk is: in Florida zijn bijvoorbeeld 124 gevallen van beten van de Amerikaanse vioolspin (Loxosceles reclusa) in zes jaar gemeld, terwijl de spin zelf in een eeuw tijd door spinnendeskundigen maar 11x in Florida is gevonden en er dus nauwelijks voorkomt. In gebieden waar de spin wel in grote aantallen voorkomt, zijn beten eveneens zeldzaam. In een bewoond huis uit de 19e eeuw in Kansas werden in een onderzoek gedurende zes maanden meer dan 2000 exemplaren van Loxosceles reclusa gevangen, waarvan er minstens 400 groot genoeg waren om te bijten, en was desondanks niemand gebeten

Van de echte grote vogelspinnen is er geen één echt gevaarlijk. Deze hebben namelijk geen gevaarlijk gif nodig vanwege de grote cheliceren. De meeste spinnen blijven echter ver onder de centimeter. Een van de beruchtste spinnen, de zwarte weduwe (Latrodectus mactans) is maar zo groot als een erwt.

Het Afrikamuseum in het Park van Tervuren heeft een internationale reputatie op het vlak van wetenschappelijk onderzoek naar spinnen. Het museum heeft een collectie van 300.000 spinnen, verzameld op expedities in heel Afrika. 1.150 van de 6.500 gekende Afrikaanse spinnensoorten zijn dan ook beschreven op basis van het materiaal van het museum. De spinnen worden in alcohol, in glazen potten bewaard, omdat spinnen bij drogen hun vorm te sterk verliezen om determineerbaar te blijven.




#Article 74: A.F.Th. van der Heijden (986 words)


Adrianus Franciscus Theodorus (Adri) van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951) is een Nederlandse schrijver. Hij begon te publiceren onder de naam Patrizio Canaponi en publiceerde ook onder zijn initialen, als A.F.Th.

Van der Heijden is een schrijver van autobiografische verhalen en romans. In zijn werk is het eigen leven van de schrijver te herkennen. Dit maakt dat het gehele oeuvre met elkaar verbonden is. Dat wil echter niet zeggen dat gebeurtenissen en personen in zijn werk een getrouwe afspiegeling zijn van zijn eigen leven: hij gebruikt deze vrij, om ze te combineren met fictie, filosofische uitweidingen en een treffende sfeertekening van de Nederlandse sociale en culturele geschiedenis vanaf de jaren vijftig.

Van der Heijden wordt weleens gezien als de vertegenwoordiger van een generatie die na de oorlog opgroeide; dit in tegenstelling tot schrijvers als Harry Mulisch, Willem Frederik Hermans en Jan Wolkers die de Tweede Wereldoorlog tot een belangrijk motief in hun werk maakten.

Kern van het oeuvre van Van der Heijden is de cyclus 'De tandeloze tijd'. Oorspronkelijk was dit bedoeld als trilogie, maar werd uiteindelijk veel omvangrijker. Dit is kenmerkend voor het werk van Van der Heijden, dat zich tijdens het schrijfproces vaak gaandeweg anders ontwikkelt dan de oorspronkelijke bedoeling was. Zo zijn er al jaren vooraankondigingen van nieuwe romans die maar niet verschijnen, of groeien hoofdstukken soms uit tot complete romans.

Naast De tandeloze tijd kent het werk van Van der Heijden nog een andere romancyclus, Homo duplex, over een naamloze God die naar de aarde is gekomen om een wereldrevolutie te beginnen. Hoewel er nog geen gerangschikt deel van de cyclus is gepubliceerd, is er wel een omvangrijke proloog uitgekomen, De Movo Tapes, en de sleutelboeken Drijfzand Koloniseren en Mim. In maart 2007 verscheen het nader in de cyclus te plaatsen deel Het schervengericht. Binnen deze cyclus zijn er meer werken gepland.

Daarnaast publiceert hij tussendoor ook 'los' autobiografisch werk, onder andere in de vorm van dagboekaantekeningen en requiems, bijvoorbeeld over zijn vader, Asbestemming, over zijn moeder, Uitdorsten. De bekendste requiemroman van Van der Heijden is Tonio, naar aanleiding van het overlijden van zijn zoon.

Van der Heijden publiceerde aanvankelijk onder het pseudoniem Patrizio Canaponi (waaronder de verhalenbundel Een gondel in de Herengracht en de roman De draaideur). De cyclus Homo Duplex publiceerde hij aanvankelijk onder het pseudoniem A.F.Th. Latere drukken van delen uit deze cyclus verschenen weer onder zijn volledige naam.

In de cyclus De tandeloze tijd staat Albert Egberts (deels alter ego van de schrijver zelf) centraal, maar gaandeweg treden er ook andere personen op de voorgrond. We volgen Albert vanaf zijn kindertijd in Brabant (Vallende ouders), tot zijn studententijd in Nijmegen en Amsterdam (De gevarendriehoek en Het hof van barmhartigheid) tot en met zijn ondergang als junkie in Amsterdam (Onder het plaveisel het moeras), maar maken tussendoor ook kennis met onder anderen de advocaat Ernst Quispel (Advocaat van de hanen) in de jaren tachtig, Alberts tante Tiny (De helleveeg) en de ontsporende reclameman Nico Dorlas (Kwaadschiks).

De tijdsbeleving is allesbehalve chronologisch en consistent in deze cyclus: die tijdsbeleving is juist het centrale thema ervan, zoals de naam al doet vermoeden. In deel I van De tandeloze tijd wordt het begrip 'leven in de breedte' geïntroduceerd: aangezien het leven 'in de lengte' niet te stoppen valt, moet het maar in de breedte worden gezocht. Door elk moment uit te spinnen, te verbreden, wordt gehoopt het leven waardevoller te maken. Dit is een leidmotief in zowel De tandeloze tijd als Homo duplex.

Regelmatig verwerkt Van der Heijden waargebeurde gebeurtenissen in zijn verhalen. In wat door sommige critici gezien wordt als zijn beste werk, Advocaat van de hanen, gebruikt hij de dood van de kraker Hans Kok in een politiecel als achtergrond. In Het schervengericht figureren de regisseur Roman Polanski en de moordenaar van diens vrouw, Charles Manson. Van der Heijden maakte bekend dat als er een nieuw deel van De tandeloze tijd zal verschijnen, dat waarschijnlijk over de moord op kraker en activist Louis Sévèke zal gaan.

Waar Van der Heijden in de cyclus De Tandeloze Tijd veelal putte uit zijn eigen leven, borduurt hij in de Homo duplex reeks verder op de Griekse mythen; Drijfzand koloniseren is een vrije bewerking van Sofokles' Thebaanse trilogie, de Labdaciden en Mim is een eigentijdse variatie op het verhaal van Oedipus. Eerder speelde Van der Heijden al met de Oedipus-mythe, in Advocaat van de hanen, waarin de advocaat uit de titel op zoek gaat naar een getuige van een moord.

A.F.Th. van der Heijden is gehuwd met journaliste/schrijfster Mirjam Rotenstreich. Op 23 mei 2010 werd Van der Heijdens enige zoon Tonio (geb. 15 juni 1988) op de fiets aangereden door een auto. Kort na dit verkeersongeval overleed Tonio op 21-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Amsterdam, in het bijzijn van zijn ouders. Op 26 mei 2011 verscheen van Van der Heijden het boek Tonio. Een requiemroman over dit verlies. Er werden in een jaar zo'n 100.000 exemplaren van verkocht. Het werk werd op 7 mei 2012 bekroond met de Libris Literatuurprijs en op 15 oktober 2012 met de NS Publieksprijs, waarbij het een kleine 40% van de ruim 70.000 uitgebrachte stemmen verwierf. In 2016 werd het verfilmd met Pierre Bokma in de hoofdrol.

Zanger en muzikant Peter Koelewijn spande in 2013 een rechtszaak aan naar aanleiding van de roman De Helleveeg. Hierin werd een viswinkel genoemd waarin de zaak van Koelewijns ouders te herkennen was. In het verhaal is boven de zaak een fictieve, niet met de winkel gelieerde illegale abortuspraktijk gevestigd. De rechter oordeelde over de vrijheid van een auteur om feiten en fictie te mengen. De schrijver werd in het gelijk gesteld.

Voor de Europese Parlementsverkiezingen van mei 2014 stond Van der Heijden op de kandidatenlijst van de Partij voor de Dieren. Ook in 2017 staat Van der Heijden voor die partij op de kandidatenlijst.
Op 14 november 2018 maakte Van der Heijden bij Pauw echter bekend dat hij D66 stemt.




#Article 75: Alfred Nobel (800 words)


Alfred Bernhard Nobel (spreek uit: no-bel) (Stockholm, 21 oktober 1833 – San Remo, 10 december 1896) was een Zweeds chemicus en industrieel. Het bekendst is zijn uitvinding van het dynamiet in 1866, hoewel hij ook een reeks andere explosiemiddelen heeft uitgevonden en gefabriceerd. Het chemische element Nobelium is naar hem genoemd.

Nobel bepaalde in zijn testament dat van de rente van zijn kapitaal van circa 32 miljoen Zweedse kronen elk jaar op zijn sterfdag (10 december) vijf Nobelprijzen moesten worden uitgereikt. Hiertoe moest de Nobelstichting worden opgericht. In zijn testament stelde hij vast dat de prijzen bestemd moesten zijn voor hen die in het afgelopen jaar aan de mensheid het grootste nut hebben verschaft.

Alfred werd geboren als derde zoon van Immanuel Nobel (1801–1872) en Caroline Andrietta Ahlsell (1805–1889) in Stockholm. Verscheidene broers en zussen van Alfred stierven jong en ook hij kampte in zijn kinderjaren met gezondheidsproblemen. Het Duitse Museum voor Epilepsie noemt Nobel bij de beroemde figuren die leden aan deze aandoening.

Het gezin Nobel, met een nog jonge Alfred, trok naar Sint-Petersburg, waar vader Nobel een machinefabriek begon. In 1859 werd deze fabriek vanwege slechte resultaten overgedragen aan de tweede zoon, Ludvig Nobel (1831–1888), die het bedrijf wel tot grote bloei wist te brengen. Hierna keerde Alfred met zijn vader terug naar Zweden en begon met een studie over explosieven en in het bijzonder zoekend naar een methode voor veilige productie van nitroglycerine in vaste vorm, in plaats van vloeibare vorm, voor gebruik in staven. Er vonden verschillende onbedoelde explosies plaats in de fabriek van de familie Nobel, en door een fatale ontploffing werden in 1864 Alfreds jongere broer Emil en een aantal werknemers gedood. Niet lang daarna vond Nobel alsnog een veilige methode om nitroglycerine tot ontploffing te brengen: vermengd met diatomeeënaarde (als absorberend medium) bleef het stabiel tot ongeveer 35 °C. Nobel noemde de stabiele springstof dynamiet en werd al snel schatrijk door de verkoop. Naast mijnbouwbedrijven waren ook wapenfabrikanten grote afnemers.

In 1888 woonde Nobel in Parijs en las op 13 april in een plaatselijke krant dat hij was overleden (men verwarde Alfred met zijn broer Ludvig Nobel, die inderdaad pas gestorven was) en in zijn necrologie werd hij betiteld als de ‘handelaar in de dood’, die dankzij zijn uitvinding van dynamiet rijk werd van het oorlogsleed dat hij de mensheid aandeed. Dat bericht had een grote invloed op hem wat hem aanzette om te proberen zijn naam te zuiveren. Hij veranderde uiteindelijk in 1895 zijn testament zo dat zijn nalatenschap gebruikt moest worden voor wat uiteindelijk de Nobelprijzen werden voor natuurkunde, scheikunde, geneeskunde, letterkunde en de vrede.

Minder bekend is het feit dat Alfred Nobel ook toneelschrijver was, en ondanks het ontbreken van voortgezet onderwijs, op eigen kracht een brede talenkennis ontwikkelde: naast Zweeds kende hij ook Frans, Russisch, Engels, Duits en Italiaans. Hij kon in het Engels zelfs poëzie schrijven. Zijn (overigens enige) toneelstuk (Nemesis), een tragedie in vier bedrijven over Beatrice Cenci, gedeeltelijk geïnspireerd op Percy Bysshe Shelleys tragedie The Cenci, werd gedrukt toen hij stervende was. Op drie exemplaren na werd de hele voorraad onmiddellijk na zijn dood vernietigd, omdat het als schandelijk en blasfemisch beschouwd werd. De eerste werkelijk gepubliceerde editie (tweetalig Zweeds-Esperanto) werd gepubliceerd in Zweden in 2003. Het toneelstuk is sindsdien niet vertaald in andere talen dan het Esperanto.

Nobel was reeds een tijdje ziek en dit werd uiteindelijk niet beter. Hij overleed tenslotte op 10 december 1896 in zijn villa in San Remo.
Alfred Nobel werd begraven op het kerkhof Norra in Stockholm.

In 1891 kocht Alfred Nobel te San Remo in Italië, de in 1870 onder architectuur van architect Filippo Grossi gebouwde villa die hij Mijn nest noemde, later wijzigde hij de naam in Villa Nobel. Hij wilde er na al zijn reizen en ondernemingen tot rust komen. In de tuin van het enorme, aan zee grenzende, park bouwde hij zijn laboratorium. Hij deed regelmatig ontstekingsproeven in zee, hetgeen hem geen vrienden onder zijn buren opleverde. De villa is in 2002 na een grondige restauratie heropend en kan thans door het publiek worden bezocht. Villa Nobel is in handen van de provincie Imperia en er worden regelmatig exposities gehouden. Ook is een deel van het huis heringericht met zijn oorspronkelijke meubels.

Nobels naam is nog te vinden in door hem opgerichte bedrijven zoals Nobel Industries, dat later opging in het AkzoNobelconcern.

In de Noorse hoofdstad Oslo wordt jaarlijks op de sterfdag van Alfred Nobel, 10 december, de Nobelprijs voor de Vrede uitgereikt; de overige Nobelprijzen worden op dezelfde dag in de Zweedse hoofdstad Stockholm uitgereikt. De winnaars van de prijzen worden begin oktober bekendgemaakt. Sinds 1969 wordt een naar Alfred Nobel vernoemde economieprijs door de Sveriges Riksbank uitgereikt.

Alfred Nobel. Het verhaal van een man en zijn tijd, Ingrid Carlberg; uitg. De Bezige Bij; 2020.




#Article 76: Achaemeniden (1134 words)


De Achaemeniden waren het koningshuis van het oud-Perzische Rijk, zo genoemd naar hun voorouder Achaemenes. Het huis werd gesticht rond 559 v.Chr. door Cyrus de Grote en heerste over een wereldrijk tot de verovering door Alexander de Grote in 330 v.Chr.

Achaemenidisch Perzië verenigde mensen en koninkrijken van elke belangrijke beschaving uit die tijd (behalve China). Voor het eerst waren de mensen van zeer verschillende culturen met elkaar in contact gebracht onder één heerser.

De eerste bekende vermelding van de Perzen bestaat uit een Assyrische inscriptie uit 844 voor Christus. Naar het gebied wordt hierin verwezen met de naam Parsu (Parsuash, Parsumash). Gedurende de volgende twee eeuwen waren Perzen en Meden onderworpen aan Assyrië, Babylonië, en een andere Arische stam, de Scythen. Het gebied van Parsuash werd in 719 v.Chr. bij het rijk gevoegd. Uiteindelijk kregen de Meden de zeggenschap over een onafhankelijk rijk, en de Perzen werden aan hen onderworpen.

De dynastie van de Achaemeniden werd door Achaemenes opgericht rond 700 voor Christus. Zijn zoon Teispes bracht nomadische Perzen ertoe om naar zuidelijk Iran te trekken rond 650 v.Chr. De eerste georganiseerde Perzische staat werd gevestigd. De Perzen veroverden geleidelijk aan grondgebied van het inheemse koninkrijk van Elam, waaronder het belangrijke gebied van Anshan. Nakomelingen van Teispes vertakten zich in twee lijnen, de ene lijn regeerde in Anshan, terwijl de andere over de rest van Perzië heerste.

Cyrus II de Grote verenigde de verdeelde koninkrijken rond 559 v.Chr.. Toen waren de Perzen nog onderworpen aan het Medenrijk dat door de grootvader van Cyrus, Astyages werd geregeerd. Cyrus bracht Perzen op de been en kwam in opstand, en stootte Astyages van de troon. Cyrus, nu de shah van een verenigd Perzisch koninkrijk, veroverde de rest van Medië rond 550 v.Chr. Cyrus verenigde ook de Meden en Perzen en nog meer veroveringen volgden spoedig. Hij veroverde Lydië in Klein-Azië en verplaatste zijn manschappen naar Centraal-Azië. Tot slot marcheerde Cyrus triomfantelijk door de oude stad Babylon. Na deze overwinning kreeg hij naam als welwillende veroveraar. Hij stelde een beroemd handvest op. In dit handvest beloofde de koning om Babylon niet te terroriseren of zijn instellingen en cultuur te vernietigen. Cyrus werd gedood tijdens een veldslag tegen de Massagetae (of Saka's).

De zoon van Cyrus, Cambyses II, voegde Egypte toe aan het rijk.

Het imperium bereikte echter zijn grootste omvang onder Darius I. Hij leidde veroverende legers in de vallei van de rivier de Indus en in Europa. Zijn invasie van Griekenland werd gestopt na de Slag bij Marathon. 

Het Perzische Rijk van de Achaemeniden was het grootste en krachtigste imperium tot dan toe. Het had een goed georganiseerd Perzisch leger. Maar nog belangrijker was dat het rijk goed werd geleid en efficiënt georganiseerd. Darius verdeelde zijn koninkrijk in ongeveer twintig provincies onder satrapen, of gouverneurs, van wie velen een persoonlijke band met de sjah hadden. Hij stelde een belastingsysteem op om elke provincie geld en middelen te laten afdragen aan de regering. Hij nam het geavanceerde postsysteem van de Assyriërs over en breidde het uit. Ook overgenomen uit het Assyrische Rijk werd het gebruik van geheime agenten, de Ogen en Oren van de Koning, die hem informeerden over de stand van zaken in het rijk. Hij legde de beroemde Koninklijke Wegen aan door oude handelsroutes te verbeteren. Daardoor werd handel met landen ver van het imperium mogelijk. Hij verplaatste het beleidscentrum van Perzië naar Susa, dicht bij Babylon en dichter bij het centrum van het koninkrijk. De Perzen stonden toe dat lokale culturen intact bleven. Dit kwam uiteindelijk het imperium ten goede, aangezien de veroverde volkeren geen behoefte voelden in opstand te komen.

Zijn zoon Xerxes probeerde ook om Griekenland te veroveren, maar hij werd in 480 voor Christus verslagen bij de Slag bij Salamis.

Artaxerxes I sloot vrede met de Grieken. Perzië was van alle buitenlandse zorgen bevrijd, maar tegelijkertijd begon bijna onmerkbaar het verval. Wanbeleid en corruptie deden zijn intrede. De financiële kracht begon af te nemen en op het militair apparaat werd bespaard.

Onder Darius II (Xerxes II en Sogdianus worden op de talrijke Babylonische tabletten niet genoemd) brokkelde het centrale gezag en de macht van de koning nog sneller af.

Na de dood van Darius II scheidden Egypte en de Levant zich af. Met de koningsvrede kreeg Artaxerxes II, in 386, de Griekse steden van Klein-Azië terug.  Een hele reeks satrapen kwam tegen hem in opstand, maar hij wist sommigen onder hen tegen elkaar uit te spelen en zo de situatie meester te blijven.

Artaxerxes III bracht de luister van weleer terug. Hij heroverde de Levant in 351 v.Chr. en Egypte in 343 v.Chr.

Nadat in september 338 koning Artaxerxes III was overleden, bracht de machtige eunuch Bagoas diens jongste zoon Oarses op de troon; deze regeerde onder de naam Artaxerxes IV, en werd twee jaar later het slachtoffer van de intriges van Bagoas, die daarop de zoon van een broer van Artaxerxes III voor de opvolging voordroeg. Deze besteeg als Darius III in 336 v.Chr. ongeveer 44 jaar oud de Perzische troon.

De nieuwe koning was echter niet de gewillige marionet die Bagoas zich had voorgesteld. Hij begon onmiddellijk een persoonlijke koers te varen en kwam daardoor onvermijdelijk in aanvaring met de eunuch. In deze machtsstrijd trok Bagoas aan het kortste eind: hij moest zelf de gifbeker drinken die voor de koning was bestemd.

Uiteindelijk was het Alexander de Grote die de Achaemeniden versloeg: in 330 v.Chr. vernietigde hij hun hoofdstad Persepolis.

Tijdens de periode van de Achaemeniden, werd het Zoroastrisme de godsdienst van de heersers en de meeste mensen in Perzië. De stichter Zoroaster had vermoedelijk rond 600 voor Christus geleefd. De nieuwe godsdienst was een vervanging van de verering van traditionele Arische goden; het benadrukte een universele strijd tussen goede en kwade goden. Zoroastrisme en zijn mystieke leiders, genaamd Magi, zouden een bepalend element in de Perzische cultuur worden.

  Achaemenes .. – 675
   |
   |
   +----- Teispes 675 – 640
            |
            |
 Ariyamnes -+ 
  |         |
  |         |
  |         +-- Cyrus I 640 – 600
  |             |
  |             + Arukku
  |             |
  |             + Cambyses I 600 – 559
  |                |
  |                + Cyrus II de Grote koning van 559 – 530
  |                  |
  |                  +-- Cambyses II 530 – 522

  +-- Arsanes
       |
       |
       +-- Hystaspes
           |
           |
           +-- Darius I 522 – 486
               |
               |
               +-- Xerxes I 486 – 465
                   |
                   |
                   +-- Artaxerxes I 465 – 424
                       |
                       |
                       +-- Xerxes II 424 – 423
                       |
                       +-- Darius II 423 – 404
                           |
                           |
                           +-- Cyrus de Jongere 
                           |
                           |
                           +-- Artaxerxes II 404 – 358
                           |   |
                           |   |
                           |   +-- Artaxerxes III 358 – 338                       
                           |       |
                           |       |
                           |       +--Arses 338 – 336
                           |
                           +-- Ostanes
                               |
                               |
                               +-- Arsanes
                                   |
                                   |
                                   +-- Darius III 336 -331

Tijdlijn van het Perzische Rijk




#Article 77: Amersfoort (5467 words)


Amersfoort () is een stad en gemeente in het oosten van de Nederlandse provincie Utrecht in het midden van het land. De gemeente Amersfoort telt  inwoners (, bron: CBS) die Amersfoorters worden genoemd. Het is in bevolkingsaantal de tweede stad van de provincie Utrecht en de vijftiende van Nederland. Behalve de gelijknamige hoofdplaats bestaat de gemeente Amersfoort uit de veel kleinere kernen Hoogland en Hooglanderveen.

Amersfoort is een groeistad en vervult economisch een regiofunctie met een sterk gegroeid bedrijfsleven, heeft een van de grootste spoorwegknooppunten van Nederland en is een belangrijke garnizoensstad. De binnenstad bezit een middeleeuws karakter met grachten.

De stad Amersfoort dankt zijn ontstaan en naam aan een doorwaadbare plaats of voorde in de rivier de Eem (vroeger: Amer). De Eem begint waar de Lunterse Beek (Heiligenbergerbeek) en de Barneveldse Beek (Flierbeek), die water afvoerden uit de Gelderse Vallei, bij elkaar kwamen in een laagte tussen de Amersfoortse Berg en het hoger gelegen gebied ten noorden van Amersfoort (Hoogland). Bij die doorwaadbare plaats werd de Eem gekruist door handelsroutes die van Utrecht naar het oosten en noorden liepen.

Bewoning in Amersfoort en omgeving gaat ver terug in de tijd. Al in het mesolithicum trokken jagers en verzamelaars door de regio. Bij archeologisch onderzoek zijn de restanten van jachtkampjes aangetroffen. In het neolithicum moet er ook in de regio gewoond zijn; bewoningssporen zijn tot op heden niet aangetroffen, maar wel grafheuvels met vondsten uit deze periode, zoals klokbekers. Ook uit de bronstijd en ijzertijd zijn grafheuvels bekend, zoals bij de Galgenberg, De Vlasakkers en de Leusderheide. Een deel hiervan is al in de 19e eeuw onderzocht. Bewoning uit de bronstijd en ijzertijd is bij diverse opgravingen aangetroffen, waaronder in het gebied de Schammer (Leusden) en Wieken Vinkenhoef (Amersfoort).

De Romeinen hebben de regio nooit permanent bezet en bewoond, maar dat er contacten en incidentele bezoeken waren staat wel vast. Een Romeinse kom - aangetroffen in een grafveld in Amersfoort-Noord - duidt hierop.

De eerste vermelding van Amersfoort dateert uit 1028. Er moet toen sprake geweest zijn van een boerennederzetting. De strategische ligging was voor de bisschop van Utrecht aanleiding om er een van zijn hoven te bouwen, om van hieruit de Gelderse Vallei te ontginnen. Waarschijnlijk werd dit bisschoppelijk hof in de eerste helft van de 12e eeuw gesticht op de plaats waar thans de Sint-Joriskerk staat. Handel en nijverheid leefden op.

De nederzetting kreeg op 12 juni 1259 stadsrechten van de Utrechtse bisschop Hendrik van Vianden. In de akte, waarin aan Amersfoort stadsrechten werd verleend werd het stadje omschreven als een oppidum, dat wil zeggen dat de stad versterkt was, waarschijnlijk door een aarden wal, wellicht met poorten. Tegen het einde van de 13e eeuw werd de eerste stenen muur gebouwd, met een lengte van 1550 meter, en omgeven door een gracht. Op de plattegrond van het centrum van Amersfoort is deze eerste stadsmuur nog goed terug te vinden.

In 1340 was er een grote stadsbrand, waarbij ongeveer de helft van de gebouwen werd vernietigd of beschadigd. Omstreeks 1380 werd begonnen met de bouw van een nieuwe muur (gereed rond 1450) met de totale lengte van 2850 meter, die het oppervlak van de ommuurde stad verdrievoudigde. In deze muur werd een aantal poorten gebouwd die tot op de dag van vandaag te bewonderen zijn, zoals de Koppelpoort en de Monnikendam. Van de eerste muur is weinig bewaard gebleven, slechts de sterk gerestaureerde Kamperbinnenpoort resteert. Niettemin is het verloop van de eerste muur nog intact; de Muurhuizen volgen het tracé van de muur en maken gebruik van diens fundering. Amersfoort kreeg in de Middeleeuwen na wonderen rond een Mariabeeld, het zogenaamde Mirakel van Amersfoort, grote betekenis als bedevaartsoord, waardoor de economie opbloeide en vanaf 1444 de Onze-Lieve-Vrouwetoren kon worden gebouwd.

De stad had in de 16e eeuw veel te lijden van oorlogshandelingen. Hij werd in 1572 bezet door de staatsen en in 1573 door de Spanjaarden. In 1579 werd Amersfoort heroverd door Jan VI van Nassau-Dillenburg, waarop in 1579 gedwongen aansluiting bij de Unie van Utrecht plaatsvond. In 1629 werd Amersfoort door Ernesto Montecuccoli veroverd tijdens zijn Inval van de Veluwe. Deze inval en de inname van Amersfoort hadden tot doel, paniek te veroorzaken in de Republiek, waardoor Frederik Hendrik van Oranje het Beleg van 's-Hertogenbosch zou moeten opgeven. Dit was tevergeefs doordat het Spaans-keizerlijke leger moest terugtrekken na de onverwachte inname van Wesel.

Sinds de 16e eeuw ging het economisch slechter, onder meer door slechtere bevaarbaarheid van de Eem. De inwonersaanwas stagneerde en in het begin van de 19e eeuw telde Amersfoort nog maar 8.000 mensen. Rond 1850 braken de inwoners grote delen van de wallen en poorten af. Dat bood de armen werk en de stenen waren nuttig voor straten, pleinen en wegen. Ingrijpen van koning Willem II voorkwam sloop van de Koppelpoort, Monnikendam, Kamperbinnenpoort en een restant van de stadsmuur.

In het begin van de 18e eeuw werd de stad een centrum van de Oudkatholieke Kerk, door de vestiging van de refractarische priesters van de zogenaamde Oud-bisschoppelijke Clerezij. De stad behield daarna een overwegend niet-katholieke signatuur, mede door de vestiging van vele beroepsmilitairen na 1870. 

De komst van de spoorwegen, in 1863 de lijn Utrecht - Zwolle en ruim tien jaar later de verbinding Amsterdam - Apeldoorn, deed de stad uit haar 19e-eeuwse slaap ontwaken. Amersfoort werd een belangrijk knooppunt en is dat tot op heden gebleven. 

Rond 1870 werd Amersfoort door de regering als garnizoensstad aangewezen, mede vanwege de centrale ligging aan spoorwegen en nabij heideterreinen die als oefenterrein konden dienen, zoals De Vlasakkers en de Leusderheide. In de Vestingwet van 1874 kreeg de stad een militaire hoofdrol als gevolg van de focus van de landsverdediging op de Nieuwe Hollandse Waterlinie, met de Grebbelinie als voorpost. Er werden grote kazernes gebouwd: in 1883 aan de Heiligenbergerweg de Willem III kazerne voor de artillerie en cavalerie met paardenstallen aan de Beestenmarkt en in 1889 aan de Leusderweg de Juliana van Stolbergkazerne voor de infanterie. Dat leverde blijvend werk en inkomsten voor de stad op. 

Door al deze nieuwe impulsen voor de economie nam het aantal inwoners snel toe en aan het eind van de 19e eeuw telde Amersfoort dan ook ruim 18.000 inwoners, waarvan 1500 militairen. Door het grote spoorwegemplacement en de vestiging van de wagenwerkplaats in 1904 vonden veel gezinnen werk bij het spoor. In het vlakke gebied direct benoorden het spoor in westelijke richting ontstond een langgerekte woonwijk het Soesterkwartier en tegen de hellingen direct bezuiden het spoor verrees een riant villapark voor de beter gesitueerden: het Bergkwartier.   

Zoals ook elders in Nederland leed in Amersfoort de Joodse gemeenschap zwaar onder de Holocaust. Van de ruim 630 Amersfoortse Joden kwamen er 353 tijdens deze oorlog om. De meesten van hen stierven in Auschwitz of Sobibór. Een groot deel van de Joden die niet waren omgekomen had dit te danken aan de hulp van stadgenoten; velen zaten in Amersfoort en omgeving ondergedoken tijdens de oorlog. De materiële schade als gevolg van de oorlog was in deze stad beperkt. Het oude centrum bleef gespaard.

Tijdens de mobilisatie ter voorbereiding op de oorlog werden in Amersfoort en omgeving in 1938 verschillende militaire legerplaatsen ingericht: de Prins Bernhardkazerne en de kampen Bokkeduinen, Waterloo (Lisiduna), Amsvorde, Boskamp (het latere PDA / Kamp Amersfoort) en Zonnebloemstraat (aan het eind van de huidige Noordewierweg). In mei 1940, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog moesten alle 43.000 bewoners worden geëvacueerd vanwege de verwachte gevechten in en om Amersfoort, dat toen de grootste garnizoensstad van Nederland was. Na vier dagen konden zij terugkeren. De Duitsers richtten bij Amersfoort het concentratiekamp Kamp Amersfoort in.

In 1943 werd in Amersfoort de Raad van Verzet (RVV) opgericht bij de familie Van Beek, die op het huidige adres Stationsstraat 28 woonde. Op 20 juli 1943 werden twintig leden van de clandestiene verzetsgroep Inlichtingendienst Nederland geëxecuteerd; zij werden begraven in het Jannetjesdal op de Leusderheide. Op 2 oktober 1944 hielden de bezetters een razzia, waarbij 5.000-6.000 Amersfoortse mannen van 17-40 jaar werden meegenomen om loopgraven aan te leggen langs de IJssel in de omgeving van Dieren.

Op 2 februari 1945 werden achttien jonge gevangenen uit Kamp Amersfoort en twee voorbijgangers doodgeschoten aan de Barchman Wuytierslaan. Een gedenksteen in de voorgevel van de woningen Barchman Wuytierslaan 40 en 42 herinnert aan deze fusillade. De namen van de omgekomenen staan hierop vermeld. Op 20 maart 1945 werden tien willekeurige gevangenen uit het kamp aan de Appelweg gefusilleerd bij wijze van represaille voor de liquidatie van een Nederlands lid van de Sicherheitsdienst.

De nazi-Duitse strijdkrachten bliezen op 16 en 17 april 1945 bruggen in en bij de stad op, waaronder de spoorbrug bij de Koppelpoort. Op 7 en 8 mei 1945 bevrijdden Canadese troepen de stad.

Tot de Tweede Wereldoorlog was de uitbreiding van de stad gericht op de west- en zuidkant van de stad, maar in de jaren 1960 en 1970 werden nieuwe wijken gebouwd aan de oost- en de noordkant. Dat werd mogelijk omdat de waterhuishouding van de lagergelegen gronden aan die kant was verbeterd door de aanleg van het Valleikanaal na 1935. 

Tot ongeveer 1970 was er echter sprake van geringe ontwikkeling. Vervolgens verdween de militaire aanwezigheid, op de Bernhardkazerne na. Daardoor dreigde het aantal inwoners zelfs te dalen. Met de annexatie op 1 januari 1974 van het grootste deel van de toenmalige gemeente Hoogland breidde het grondgebied van Amersfoort flink uit. 

Tegen het einde van de 20e eeuw kreeg de stad een sterke impuls dankzij de Groeistad-status. Dit leidde tot de bouw van nieuwe Vinex- en andere wijken, zoals Kattenbroek, dat door zijn bijzondere architectuur landelijke bekendheid verwierf. In deze periode vestigden zich ook nieuwe bedrijven in Amersfoort. Uiteindelijk kreeg na heftige politieke discussies het treinstation Amersfoort een nieuw stationsgebouw. Gelijktijdig werd de omgeving van het station opnieuw ingericht met onder meer middelgrote kantoorgebouwen. Een gevolg van het verrijzen van nieuwe woonwijken in het noorden van de stad was de bouw van een nieuwe treinstation, te weten Amersfoort Schothorst.

In 2001 werd de nieuwbouwwijk Vathorst gebouwd. Deze uitbreiding van de stad was richting het noorden, waar Amersfoort de rand van snelweg A1 had bereikt. Vathorst is dus aan de andere kant van de snelweg gebouwd en tunnels, bruggen en spoorwegen verbinden de wijk met de overige wijken. Bij de realisering van deze wijk kwam ook de bouw van een derde treinstation, Amersfoort Vathorst. Vathorst is gebouwd tussen bestaand en aangelegd water waarop gevaren kan worden en wat een beeld van grachten moeten vormen. 

Op 15 december 2019 is het eerste en meest grote station van Amersfoort officieel Amersfoort Centraal benoemd.

Qua stedelijke groei en vormgeving (bouw) zijn er na Vathorst geen verdere ambities geweest tot 2020 toe. In 2020 zijn er door de gemeente plannen goedgekeurd om de al bestaande stad aan te pakken. Zo zal een oud industrieterrein, Hoef-West, herbestemd worden tot een werk-woon-recreatie wijk met de nieuwe naam Hoefkwartier. Ook wordt het stationsgebied van Amersfoort Centraal aangepakt door middel van herbestemming en de bouw van een fietsentunnel onder het station. Hiermee wordt het chaotische beeld van fietsen op het stationsplein ontnomen en wordt het gebied rondom station en station zelf aantrekkelijker.

Amersfoort ligt op een vlakke plaats in de vallei van de Eem aan de meest noordoostelijke rand van de Utrechtse Heuvelrug en ten zuiden van het hoger gelegen gebied Hoogland. De stad heeft een middeleeuwse kern met grachten en wallen. De grachten werden behouden, maar de wallen werden voor het grootste deel in de 19e eeuw afgebroken en vervangen door een park en singels. Het huidige park op de oude wallen wordt vaak aangeduid als het Zocherplantsoen, omdat het (mede) werd ontworpen door Jan David Zocher.

Vanaf 1870 breidde de stad zich sterk uit door de komst van de spoorwegen en een aantal kazernes. Maar tot in de jaren vijftig van de 20e eeuw ging al het autoverkeer van West-Nederland naar het noorden en oosten van het land nog door de Langestraat dwars door het centrum. De zuidwestelijke singel werd daarom tussen 1956 en 1958 gedempt om plaats te maken voor een rondweg, sinds 1966 Stadsring genaamd. 

In 1980 kreeg de stad Groeistad-status, mede waardoor enkele omliggende gemeenten geheel of gedeeltelijk werden geannexeerd. Dit waren:

Er kwamen grote nieuwe woonwijken, zoals (zie ook opsomming verderop in dit artikel) Vathorst en Schothorst-Noord, beide met een eigen station en Zielhorst, Kattenbroek en Nieuwland. Deze versterkten in niet geringe mate de centrumfunctie van de oude stad, waar veel winkels en horeca zijn. Er kwamen ook aanzienlijke bedrijfs- en kantoorterreinen (zie opsomming onder Economie). De aanleg van de A28 (Utrecht-Zwolle) oostelijk van Amersfoort betekende een verdere impuls voor de groei. Waar de A28 de A1 snijdt, ontstond het knooppunt Hoevelaken. Amersfoort heeft de grenzen van zijn uitbreidingsmogelijkheden bijna bereikt.

Amersfoort vormt het regiocentrum voor Bunschoten, Spakenburg, Hoevelaken, Leusden, Soest en Baarn.

In 2006 won Amersfoort de titel 'Groenste Stad van Nederland', die wordt toegekend door Entente Florale. De stad dankt haar titel aan het beleid dat Amersfoort voert om haar natuur te behouden. In september 2007 werd de stad door dezelfde organisatie tot 'Groenste Stad van Europa' uitgeroepen. Verder kent Amersfoort vele stadsparken. Het grootste park is Park Schothorst, dat ten noorden van het centrum ligt. Het park is rijk aan vele soorten natuur. Ook het iets kleinere Park Randenbroek ten zuiden van het centrum kent vele soorten natuur.

De gemeente Amersfoort heeft per   inwoners.

In het begin van de 19e eeuw telde Amersfoort slechts 9000 inwoners. De aanleg van de spoorweg in 1863 en de komst van de militairen niet lang daarna zorgden voor groei van de bevolking tot 20.000 inwoners. Maar na de Eerste Wereldoorlog volgde een decennialange periode van stilstand en zelfs jaren van daling in het inwoneraantal. Factoren die deze stagnatie ten dele kunnen verklaren zijn de woningnood in de jaren na de Tweede Wereldoorlog en een gebrek aan geschikte locaties voor vestiging van bedrijven die voor nieuwe werkgelegenheid zouden kunnen zorgen. Gedurende lange tijd waren de Nederlandse Spoorwegen en het leger de grootste werkgevers in Amersfoort. Na 1960 begon de stad weer te groeien, mede dankzij twee gemeentelijke herindelingen, waardoor vrijwel de hele gemeente Hoogland en delen van Leusden, Stoutenburg en Hoevelaken bij Amersfoort werden gevoegd. De bevolkingsgroei kwam in een stroomversnelling toen in 1980 Amersfoort werd aangewezen als groeistad. In 1970 telde de stad 75.000 inwoners. In 2008 woonden er ruim 139.000 mensen in Amersfoort. In 2020 zijn dit er meer dan 157.000. 

Amersfoort telde in 2008 68.017 mannen en 71.048 vrouwen. Van het totaal aantal inwoners van 139.065 waren 29.036 jonger dan 15 jaar, 93.746 tussen 15 en 64 jaar en 16.283 ouder dan 64 jaar. In 2007 was Nieuwland met 14.957 inwoners de grootste wijk van Amersfoort. In de toekomst zal Vathorst met circa 11.000 woningen en 25.000 inwoners de grootste wijk van de stad worden. In die wijk zijn en worden vele voorzieningen gecreëerd, zoals sportvelden, scholen, winkels, een bedrijventerrein en het station Amersfoort Vathorst.

Niet alleen in Amersfoort-Noord is sprake van grootschalige bouwactiviteit. In het gebied ten noordoosten van treinstation Amersfoort, het Eemkwartier en het wijdere gebied Langs Eems en Spoor, worden ongeveer 3000 woningen gebouwd. In het gebied rondom de Hogeweg in het oosten van de stad verrijzen maximaal 870 woningen.

De eerste kerk in de omgeving is die van Villa Lisiduna (tegenwoordig Oud-Leusden) ten zuidwesten van de stad. Op deze plaats heeft vanaf 697 een kerk gestaan, lange tijd de parochiekerk voor de hele regio, ook Amersfoort. In 1826 was de toenmalige kerk in verval geraakt en is deze gesloopt, maar de toren is blijven staan.

De stad kreeg zijn eigen kerken in de 13e eeuw. De eerste zijn de Heilige Geestkapel (thans Lutherse kerk) en de Sint-Joriskerk. In de Middeleeuwen was Amersfoort een bedevaartsoord. De pelgrims kwamen vanwege het zogenaamde Mirakel van Amersfoort, een Mariabeeldje dat in 1444 onder wonderbaarlijke omstandigheden gevonden zou zijn en waaraan wonderen werden toegeschreven. De pelgrims veroorzaakten economische groei en met de opbrengsten uit de bedevaart werd de Onze Lieve Vrouwetoren (Lange Jan) gebouwd. Vanwege dit beeldje wordt nog steeds een ommegang gehouden.

Na de reformatie was Amersfoort een overwegend protestantse stad. Ook de band met het Oud-katholicisme was sterk, doordat in 1724 voormalige pastoor Cornelius Steenoven van de schuilkerk aan 't Zand, St. Georgius, tot aartsbisschop van Utrecht werd gewijd, maar later door de paus werd afgezet en in de ban gedaan, waardoor de Oudkatholieke Kerk ontstond.

Het protestante karakter van de stad werd eind 19e eeuw na de komst van grote kazernes nog versterkt, omdat beroepsmilitairen overwegend protestanten waren. Met de sluiting van de kazernes en de aanwijzing van Amersfoort als groeistad nam het aandeel van onkerkelijken in de stad in de 20e eeuw fors toe. Toch is er nog altijd sprake van een duidelijke protestante signatuur, ook vanwege de omliggende plaatsen die overwegend protestant zijn en de nabijheid van de Veluwse Bijbelgordel. Die signatuur blijkt uit een relatief groot aantal protestantse gemeenten, en door de aanwezigheid van een aantal protestantse instellingen, waaronder de Evangelische Hogeschool, die doelbewust hun band met Amersfoort onderhouden. De voornaamste kerk in het centrum, de St. Joris, is protestant. De kerken in Amersfoort hebben een eigen FM-kanaal. 

In 2010 zijn de zeven Rooms-Katholieke parochies in Amersfoort, Hoogland en Hooglanderveen gefuseerd tot de Onze Lieve Vrouw van Amersfoort. In datzelfde jaar is de Protestantse Gemeente Amersfoort ontstaan, een fusie van de Hervormde, Gereformeerde en Lutherse wijkgemeenten, een gevolg van het ontstaan van de Protestantse Kerk in Nederland. Van 1991 tot 2017 huisvestte het landgoed Stoutenburg een gelijknamige milieuklooster, opgericht door de franciscaan Guy Dilweg.

In 1727 werd de synagoge aan de Drieringensteeg gesticht, die nog steeds bestaat, hoewel het interieur tijdens de oorlog geheel werd verwoest. Er komen zowel Sefardische als Asjkenazische Joden. In 1941 telde de Joodse gemeente ongeveer 700 leden. Van hen kwamen er 333 mensen om. In 1943 werd het interieur op last van de overheid gesloopt. De helft van de Joden viel ten prooi aan de Shoah (onderdeel van de Holocaust waarbij het om de Joden ging).

Anno 2009 is er een actieve orthodox-joodse gemeenschap in Amersfoort. Er zijn er twee rabbijnen woonachtig, namelijk rabbijn Shimon Evers, en rabbijn Binyomin Jacobs. Beiden zijn werkzaam voor het Interprovinciaal Opperrabbinaat. Er worden minstens eens per week synagogediensten gehouden. De religieuze gemeenschap organiseert zelf vervoer voor enkele kinderen die naar de orthodox-joodse school Cheider in Amsterdam-Buitenveldert gaan.

In Amersfoort zijn diverse moskeeën. De grootste zijn moskee El Fath in de wijk Liendert (Marokkaanse gemeenschap), gebouwd in 2007 naar ontwerp van architect Gerard Rijnsdorp, en de Mevlana Moskee in de wijk Kruiskamp (Turkse gemeenschap).

Amersfoort telt ruim 400 rijksmonumenten en twee stadsgezichten: Rijksbeschermd gezicht Amersfoort (binnenstad) en Rijksbeschermd gezicht Amersfoort - Bergkwartier (villawijk). De middeleeuwse binnenstad is opmerkelijk goed geconserveerd en bezit een grachtenstelsel. De Onze Lieve Vrouwetoren (door de Amersfoorters ook Lange Jan genoemd) is de belangrijkste blikvanger. Met zijn 98 meter is het de op twee na hoogste kerktoren van Nederland. De bijbehorende kerk ging bij een explosie in 1787 verloren. 

De Onze Lieve Vrouwetoren is het centrale punt van het coördinatenstelsel van de Rijksdriehoeksmeting en was tot ca. 1970 ook de oorsprong (x = 0 m, y = 0 m) hiervan. Het wordt daarom wel het middelpunt van Nederland genoemd. Dit is in 1996 bij de toren zichtbaar gemaakt door twee metalen strips, waarvan één de x-as aangeeft en de ander de y-as. In het midden van de torenvloer is een markering aangebracht die het nulpunt aangeeft. Rond 1970 is de oorsprong om praktische redenen verschoven naar buiten Nederland zodat het punt nu exact de coördinaten x = 155 000 m, y = 463 000 m heeft.

De binnenstad heeft nog andere bezienswaardige kerken, zoals de Sint-Joriskerk aan de Hof en de rooms-katholieke Sint-Franciscus-Xaveriuskerk, ontworpen door architect F. Wittenberg. Ook de Sint-Aegtenkapel en de Oudkatholieke kerk H. Georgius zijn noemenswaardig. De Elleboogkerk, een neoclassicistische kerk uit 1820, werd tijdens een brand op 22 oktober 2007 verwoest. Er werd besloten tot een complete restauratie, die in 2014 werd voltooid.

Een belangrijke niet-religieuze bezienswaardigheid is de stadsmuur. De eerste stadsmuur werd gebouwd rond 1300. De Plompetoren was een onderdeel van de oudste muur. Hier werden vroeger de gevangenen gehouden. Tussen 1380 en 1451 werd een nieuwe stadsmuur gebouwd, die de stad tot in de 19e eeuw ruimschoots heeft kunnen omsluiten en die deels behouden is. Nadat de oudste stadsmuur haar functie had verloren werd deze gebruikt om huizen tegenaan te bouwen, Muurhuizen. Een voorbeeld van zo'n Muurhuis is het huis Tinnenburg. De binnenstad heeft ook een jongere stadsmuur.

De stad heeft daarnaast een aantal stadspoorten, zowel land- als waterpoorten. De meest bijzondere en bekendste is de Koppelpoort, die zowel land- als waterpoort is. Verder zijn er de Monnikendam (een waterpoort) en de Kamperbinnenpoort (een landpoort).

Bierbrouwerij De Drie Ringen is gevestigd in een voormalige stadsboerderij en brouwt op ambachtelijke wijze bier. Verder zijn het Hofje de Poth, een van de oudste hofjes in het land en het Sint-Pietersgasthuis noemenswaardige bezienswaardigheden.

Er worden stadswandelingen georganiseerd door het Gilde Amersfoort en rondvaarten in de Amersfoortse grachten door Stichting Waterlijn.

Buiten Amersfoort ligt sinds 1948 een dierentuin, het DierenPark Amersfoort, gelegen in het Bos Birkhoven, aan de westkant van de stad. Deze dierentuin trekt jaarlijks ongeveer 750.000 bezoekers (2008) en is daarmee de 16e attractie van Nederland, gerekend naar bezoekersaantallen.

In de gemeente zijn diverse beelden, sculpturen en objecten geplaatst in de openbare ruimte.

Het historische stadsmuseum van Amersfoort is het Museum Flehite, waar een beeld wordt gegeven van de geschiedenis. In het geboortehuis van Piet Mondriaan bevindt zich het Mondriaanhuis, museum voor Constructieve en Concrete Kunst. Het museum toont divers werk van Mondriaan, waaronder exemplaren van zijn geometrisch-abstracte werk, de stijl waar Mondriaan bekend om staat. Er wordt ook werk in die stijl van andere kunstenaars getoond. Een ander kunstmuseum is het Armando Museum, dat, zoals de naam al doet vermoeden, vooral werk van Armando vertoont. In 2007 woedde brand in het pand waarin het museum gevestigd was, de Elleboogkerk. Hierna werd het werk op diverse locaties geëxposeerd. De genoemde drie musea vormen, tezamen met Kunsthal KAdE, de Stichting Amersfoort in C.

Er zijn nog andere musea in de stad te vinden. Zo is er het Cavaleriemuseum, dat gewijd is aan de geschiedenis van Nederlandse cavalerie. De Zonnehof (ook wel het Rietveld Paviljoen genoemd) is een expositieruimte voor uiteenlopende kunstvormen. Het voormalige concentratiekamp Kamp Amersfoort heeft tegenwoordig ook een museale functie. Twee voormalige musea zijn het Vindselmuseum In Natura (t/m 2011) en het Culinair Museum (t/m 2010, de collectie is toegevoegd aan de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam).

Bibliotheek Eemland is sinds 2008 bezig met het in kaart brengen van schrijvers van romans, gedichten, kinderboeken en informatieve boeken in haar werkgebied. Het betreft schrijvers die uitgegeven zijn bij reguliere uitgeverijen, via printing on demand of in eigen beheer. Een lijst van schrijvers in Amersfoort is op hun pagina te vinden.

Amersfoort heeft één groter theater, de Flint, tevens congrescentrum, enkele kleinere plus twee bioscoopcentra met meerdere zalen en een poppodium (Fluor, tot 2015 De Kelder). De horeca is sinds de jaren zeventig flink ontwikkeld met de pleinen de Hof en het Lieve Vrouwekerkhof als zwaartepunt. Er zijn een aantal jaarlijks terugkerende muziek- en theaterfestivals (zie hieronder). Daarnaast vindt Proef Amersfoort (vanaf 1996), een culinair evenement, elk jaar plaats op de Hof. Het Eemplein, met onder meer een Pathébioscoop (8 zalen), muziekschool, bibliotheek en horecagelegenheden is 31 oktober 2012 geopend.

De Amersfoortse Kei heeft de stad en haar inwoners de bijnamen 'Keistad' en 'Keientrekkers' gegeven. Het verhaal over hoe deze kei in Amersfoort terecht is gekomen gaat als volgt: in 1661 sloot de dichter en jonkheer Everard Meyster een weddenschap af dat hij de Amersfoorters zo ver zou kunnen krijgen om een grote granieten zwerfkei vanaf de Utrechtse Heuvelrug naar de stad te slepen. Meyster wist de Amersfoorters in ruil voor bier en krakelingen te overtuigen en met een slee en trekkracht werd de kei de stad in gesleept, naar de Varkensmarkt, waar de kei op een sokkel werd gezet. Toen de Amersfoorters inzagen dat Meyster hen een onzinnig karwei had laten uitvoeren, werd de kei in de grond begraven. Meyster, die bevreesd was dat de ergernis van de bevolking hem persoonlijk zou raken vluchtte naar Utrecht. Hij vestigde zich in een huis dat hij De Krakeling noemde, naar de krakelingen die hij de Amersfoorters in het vooruitzicht had gesteld voor het verslepen van de kei. Het pand aan de straat genaamd Achter Sint Pieter, op de hoek van de straat die nu bekend staat als Keistraat, is vernoemd naar de Amersfoortse kei. In 1903, toen de schaamte van de Amersfoorters voor de blunder van hun voorouders geslonken was werd de kei opgegraven. Sinds 1953 bevindt de kei zich op zijn huidige plek: aan de Stadsring, bij de Arnhemsestraat.

In Amersfoort zijn diverse televisieseries opgenomen. Meest recentelijk zijn de opnames van de serie Oogappels (2019-) op diverse locaties in de stad. De TV-series Fort Alpha (1996-1997) en Rundfunk (2015-2016) werden opgenomen in en om het Constantinianum, dat deel uitmaakte van een kloostercomplex. Verder werden door de hele stad opnamen gemaakt, zoals in het middeleeuwse stadscentrum van Amersfoort, de vooroorlogse wijken Soesterkwartier en Nederbergkwartier en op het station Amersfoort. Al eerder werd van de serie Spijkerhoek (1989-1993) de seizoenen 1, 2, 5 en 6 opgenomen. Hiervoor werden veel buitenopnamen gemaakt in de historische binnenstad: de Appelmarkt, de Groenmarkt en op nabijgelegen historische plekken in de stad zoals het Havik.

Amersfoort is de bakermat van een aantal reizende straattheaterfestivals zoals Boulevard of broken dreams en De Parade, beide bedacht door Terts Brinkhoff. Begonnen met Tractor Tournee in 1973 was Amersfoort een van de eerste steden met een dergelijk rondtrekkend straattheater festival. Later volgden oa La Strada festival, Festival Etcetera, Street Arts festival Spoffin (vanaf 1981) en Theater Terras (vanaf 1974). Ook op het gebied van muziekfestivals heeft Amersfoort een rijke historie. Sinds 1977 vindt jaarlijkse in mei Amersfoort Jazz plaats, gevolgd door Dias Latinos (vanaf 1996 in augustus) en het Smartlappenfestival (vanaf 2000 in april). Het Highlands Bluesfestival in Hoogland bestond vijf jaar (2008-2013) maar moest stoppen vanwege slechte bezoekersaantallen (ze kampten meerdere jaren met slecht weer). Op het gebied van popmuziek noemen we hier o.a. Het Torenfestival (later Torenpop) en Into the woods (elektronische muziek in het bos Birkhoven). Een bijzondere loot aan de festivalboom is het concept 'Gluren bij de buren' waarbij, door de hele stad verspreid, optredens in huiskamers plaatsvinden. In de zomer vindt een dergelijk festival plaats onder de titel 'Struinen in de tuinen'. Naast Amersfoort vindt dit festival ook plaats in Nieuwegein, Woerden, Zoetermeer, Utrecht, Gooise Meren, Haarlem en Zutphen. In 1982 en 2010 werd de Roze Zaterdag in Amersfoort gehouden.

Amersfoort was vanaf ongeveer 1860 tot 1980 een van de belangrijkste garnizoenssteden van Nederland. In 1939 zelfs de grootste. De groei kwam na een regeringsbesluit omstreeks 1870 om Amersfoort wegens zijn centrale ligging, de Hollandse Waterlinie, de nabijheid van oefenterreinen (Vlasakkers, Leusderheide) en de lage grondprijs uit te breiden met kazernes, vooral van het wapen der Cavalerie van de Koninklijke Landmacht. In totaal werden er acht kazernes gebouwd en kreeg de Koninklijke Marechaussee er ook een vestiging. Daarnaast verrezen er nog eens tien militaire of semi-militaire instellingen (daaronder niet begrepen Kamp Amersfoort). De militaire aanwezigheid had een grote invloed op de groei van de stad en haar economische ontwikkeling.

De volgende kazernes bevonden zich op enig moment in Amersfoort (inclusief instellingen die intussen door gemeentelijke grenswijzigingen niet meer in Amersfoort liggen, maar er militair gezien altijd onder geressorteerd hebben):

Onder de andere militaire instellingen die de stad heeft gekend, zijn onder meer een aantal militaire tehuizen, een militair hospitaal, een interneringskamp en een vrouwenkamp.

De afbouw van de militaire instellingen begon bij de afschaffing van de dienstplicht. Daarna volgde vanwege het einde van de Koude Oorlog een verdere inkrimping van het Nederlandse leger. Mede als compensatie voor dit aanzienlijke verlies aan banen kreeg Amersfoort de status van groeikern in 1978. Tegenwoordig is van de kazernes alleen nog de Bernhardkazerne in bedrijf. Op deze kazerne bevindt zich het Cavaleriemuseum.

Amersfoort heeft zijn economische positie vooral te danken aan zijn ligging als knooppunt op de routes oost-west en noord-zuid. De mogelijkheid om redelijk voordelig te bouwen was een ander belangrijk punt.

De stad had in de Middeleeuwen een bijzonder groot aantal brouwerijen en een belangrijke textielnijverheid. De stad beleefde in de 18e eeuw een bloeiperiode dankzij de tabaksteelt. De komst van de spoorlijn naar Utrecht in 1863 was eveneens een grote impuls. De regiofunctie van de stad nam toe en de wagenwerkplaats, die in 1904 werd geopend, zorgde voor veel werkgelegenheid.

De Amersfoortse economie bleef na de oorlog wat achter maar is na 1970 sterk gegroeid door aanwijzing als groeikern. Enkele grote bedrijven en instellingen hebben er hun hoofdkantoren, zoals de verzekeraars de Amersfoortse en voedingsconcern Nutreco. Van de sterke bouwactiviteit profiteerde ook de in Amersfoort gevestigde aannemer Meeús.

In 1990 verplaatste de Kamer van Koophandel Gooi- en Eemland, destijds gevestigd in Hilversum (lange tijd de economische concurrent van Amersfoort), zijn hoofdkantoor naar Amersfoort, wegens onoplosbare verkeersperikelen in Hilversum. In 2008 ging deze KvK op in de KvK Gooi-, Eem- en Flevoland, die Almere als vestigingsplaats kreeg. Een vernieuwing van het stationsgebied met de bouw van een groot nieuw station vanaf 1992 trok vele bedrijven naar het centrum. 

Bekende bedrijven die in Amersfoort hun hoofdkantoor hebben zijn verzekeraar de Amersfoortse (ASR), hotelketen Best Western, veilinghuis BVA Auctions, zuivelcoöperatie FrieslandCampina, casino-onderneming Krijco, het NS Stations Retailbedrijf, voedingsproducent Nutreco, lift- en roltrapbouwer Otis, openbaarvervoerbedrijf Qbuzz, afvalverwerker Reym, advies- en ingenieursbureau Royal HaskoningDHV, telefoonwinkelketen The Phone House, Trans Link Systems (uitgever van de OV-chipkaart), consultancybureau Twynstra Gudde, consultancy bureau, bouwonderneming VolkerWessels, en elektrotechniek- en softwarebedrijf Yokogawa.

Daarnaast heeft Amersfoort vanwege zijn centrale ligging altijd al een flink aantal nationale verenigingen, stichtingen en instellingen, zoals:

Amersfoort is een belangrijk spoorwegknooppunt, door de centrale ligging en door de kruising van de lijnen Amsterdam-Deventer en Zwolle-Utrecht. In 1904 werd de Wagenwerkplaats geopend, waar goederenwagons werden hersteld. De werkplaats is tot 2000 in gebruik geweest. Het spoorwegemplacement ter plaatse is nog altijd een van de grootste in Nederland. Nabij het station ligt het redelijk nieuwe opstelterrein voor reizigerstreinen Bokkeduinen. De oude opstelsporen worden gebruikt voor goederenvervoer, zodat de beide vervoersstromen gescheiden kunnen blijven.

In de jaren 1992-1998 werden het reizigersstation en het stationsplein van Amersfoort geheel verbouwd. In het kader van het Rail 21-plan werden onder andere een nieuw stationsgebouw gebouwd en een derde eilandperron aangelegd bij Station Amersfoort en werd het aantal sporen op twee lijnen vergroot (spoorverdubbeling tussen Amersfoort en Schothorst waardoor het treinverkeer vier sporen ter beschikking kreeg). Ook kwam er een fly-over ('vrije kruising') bij Amersfoort Aansluiting, ten oosten van het station, waar de sporen richting Zwolle en richting Deventer splitsen. Een dive-under aan de westzijde is in 2012 opgeleverd om een aantal knelpunten in de dienstregeling op te kunnen heffen.

Op 15 december 2019 kreeg station Amersfoort de toevoeging Centraal. Naast station Amersfoort Centraal telt de gemeente nog drie stations: Amersfoort Schothorst, Amersfoort Vathorst en Hoevelaken. Station Schothorst werd op 30 mei 1987 geopend voor o.a. de wijk Schothorst. Station Vathorst werd op 27 mei 2006 geopend voor de nieuwe wijk Vathorst. Op 9 december 2012 opende ten zuiden van het tot de gemeente Nijkerk behorende Hoevelaken het gelijknamige station. De drie stations worden door stoptreinen of sprinters bediend; op station Schothorst eindigt bovendien elk uur een intercity uit Schiphol en elk uur een intercity uit Den Haag.

In Amersfoort is ook het opleidingscentrum van de Nederlandse Spoorwegen, direct gelegen naast station Amersfoort Centraal. Men beschikt hier over twee treinsimulators. Eén is van een VIRM- en de andere is van een SLT-trein.

Amersfoort heeft sinds eind jaren zestig een ringweg. Er zijn goede aansluitingen met de nabije A1 (Hilversum, Amsterdam, Hengelo, Duitsland) en A28 (Utrecht, Zwolle). Op het knooppunt Hoevelaken, dat ten noordoosten van de stad ligt, komen deze autowegen bij elkaar.

Er is een binnenhaven die via de Eem toegang geeft tot het Eemmeer.

Lokale busdiensten worden uitgevoerd door Syntus Utrecht evenals de meeste interlokale busdiensten. Enkele interlokale busdiensten worden verzorgd door Qbuzz (onder de naam U-OV).

Amersfoort heeft sinds 1 april 2017 een universiteit. Er zijn vestigingen van enkele hogescholen, plus een categoriaal gymnasium, het Stedelijk Gymnasium Johan van Oldenbarnevelt.

Onder andere de volgende scholen voor algemeen voortgezet onderwijs zijn aanwezig:

Er zijn ook specifieke of beroepsopleidingen:

In de stad is een zittingslocatie van de Rechtbank Midden-Nederland.

De gemeente heeft sinds 1 januari 2009 een gemeentelijke ombudsman voor de behandeling van klachten tegen de gemeente, als deze die klachten niet bevredigend oplost.

De gemeenteraad van Amersfoort bestaat sinds 1994 uit 39 zetels. Hieronder de behaalde zetels per partij bij de gemeenteraadsverkiezingen sinds 1973.

Het college van burgemeester en wethouders bestaat sinds 2018 uit:

De gemeente Amersfoort is verdeeld in wijken en twee dorpen.

De wijken met een woonfunctie zijn:

Daarnaast bestaat er nog een aantal wijken zonder woonfunctie:




#Article 78: Argon (399 words)


Argon is een scheikundig element met symbool Ar en atoomnummer 18. Het is een kleurloos edelgas.

In 1785 veronderstelde de Britse wetenschapper Henry Cavendish dat argon in de lucht voor zou moeten komen maar kon dat niet aantonen. Pas in 1894 konden Lord Rayleigh en William Ramsay aantonen dat argon daadwerkelijk in de lucht voorkwam. Door middel van een experiment (zuivere lucht werd ontdaan van andere stoffen, zoals zuurstof, koolstofdioxide, water en stikstofgas) konden zij het bestaan van deze stof aantonen. De naam komt van het Griekse ἀργος dat te vertalen is als lui of niet actief. Hierbij werd verwezen naar de inerte eigenschappen van dit element.

Tot 1957 werd argon simpelweg aangeduid met het symbool A. Hierna werd besloten door de IUPAC om het symbool te wijzigen naar Ar, om het in overeenstemming te brengen met de andere edelgassen.

De aardatmosfeer bestaat voor 0,94% uit argon. Op de planeet Mars is die concentratie hoger, namelijk 1,6%. Argon wordt verkregen als bijproduct tijdens vloeibaar maken van lucht en is op commerciële schaal verkrijgbaar in hogedrukcilinders of in bulkgoed. In dit laatste geval gaat het om grote tanks op industriële complexen die met tankwagens bij worden gevuld.

Argon wordt geproduceerd als industrieel gas. De bekendste toepassing ervan is als vulmiddel van gloeilampen omdat argon het doorbranden van de gloeidraad voorkomt, zelfs bij hoge temperaturen. Verder wordt argon gebruikt op plaatsen waar het semi-inerte stikstofgas niet toereikend is (argon is duurder dan stikstof). Andere toepassingen van argon zijn:

Argon lost net zo goed op in water als zuurstofgas en bijna 2,5 keer beter dan stikstofgas. Net als de andere edelgassen is argon kleurloos en geurloos in zowel gas- als in vloeibare (bij extreem lage temperaturen) fase. Tot op heden zijn er geen argon-verbindingen bekend. In het verleden is er weleens melding gemaakt van een verbinding met fluor, maar dat is nog nooit bevestigd.

Op aarde komt argon voor als 36Ar, 38Ar en 40Ar, waarvan de laatste het meest voorkomt ( 99%). 40Ar ontstaat uit elektronenvangst van 40K dat een extreem lange halveringstijd heeft.

Argon is niet brandbaar, explosief of giftig. Grote hoeveelheden van het gas kunnen verstikking veroorzaken doordat het de zuurstof verdringt (het heeft een grotere dichtheid). Argon wordt verhandeld in (donkergroene) cilinders die onder hoge druk staan. Bij een te snelle ontsnapping van het gas kunnen brandwonden op de huid of op de ademhalingswegen ontstaan door bevriezing (adiabatische expansie).




#Article 79: Atoomnummer (288 words)


Het atoomnummer of atoomgetal, symbool: , geeft het aantal protonen in een atoomkern aan. Het atoomnummer is een belangrijk begrip uit de chemie en de kwantummechanica. Een element en zijn plaats in het periodiek systeem zijn erdoor vastgelegd. Wanneer het atoom als geheel elektrisch neutraal is, is het atoomnummer gelijk aan het aantal elektronen in de elektronenwolk rond de kern. Juist de elektronen bepalen het chemische gedrag van een atoom. Bij ionen, dat zijn atomen die niet elektrisch neutraal zijn, is het aantal elektronen ofwel groter dan het atoomnummer. anionen zijn negatief geladen, kationen positief.

Het atoomnummer kan indien gewenst links onder het symbool van het element worden aangegeven, doorgaans in combinatie met het massagetal om een bepaalde isotoop aan te duiden, bijvoorbeeld:

Waterstof heeft atoomgetal een, zuurstof atoomgetal acht.

Het aantal neutronen in de kern wordt niet door het atoomnummer bepaald. Alle chemische elementen hebben atoomkernen, die onderling in het aantal neutronen in de atoomkern verschillen. Daarmee kunnen er dus atomen voorkomen met hetzelfde atoomnummer maar verschillende massa. Deze atomen van hetzelfde element maar met verschillend gewicht worden isotopen genoemd. Vooral bij de zwaardere atomen, die met een hoger atoomgetal, is het aantal neutronen groter dan het aantal protonen in de kern.

Het lichtste atoom, met atoomnummer één, is waterstof, aangeduid met H. Waterstof heeft drie isotopen: protium, een kern die alleen uit één proton bestaat, deuterium of zwaar waterstof, een kern met een proton en een neutron, en tritium, een kern met een proton en twee neutronen. Tritium is instabiel en valt na enige tijd uiteen, met een halveringstijd van ongeveer elf jaar. Tritium is dus radioactief. Alle varianten van waterstof hebben wel hetzelfde atoomnummer, namelijk één, omdat ze altijd één proton in hun kern hebben.




#Article 80: Antibioticum (831 words)


Een antibioticum is een geneesmiddel dat bacteriële infecties bestrijdt (meervoud: antibiotica). Ook is het een populair middel in de dierensector om dieren sneller te laten groeien.

Oorspronkelijk betekende antibioticum een medicijn van biologische oorsprong, dat ziekteverwekkers (bacteriën in het menselijk lichaam) bestrijdt. Antibacteriële stoffen die via  synthetische weg werden bereid, werden oorspronkelijk chemotherapeutica genoemd. Tegenwoordig kan een antibioticum zowel van natuurlijke als van synthetische oorsprong zijn. De term chemotherapeutica verwijst tegenwoordig naar anti-kankermiddelen.

Middelen die ziekteverwekkers doden die zich niet in het lichaam maar bijvoorbeeld op de huid of op een bureautafel bevinden, worden desinfectantia of antiseptica genoemd.

Er zijn twee belangrijke groepen antibiotica: de bactericide of bacteriedodende, en de bacteriostatische of bacterieremmende. De laatste soort antibiotica gaat de uitbreiding van de reeds aanwezige bacteriepopulatie tegen. Bij gebruik van bactericide middelen (bijvoorbeeld penicilline) moet men een aanwezige bacteriepopulatie wel laten groeien, alvorens het middel werkzaam wordt. Dergelijke middelen kunnen in principe beter niet met een antibioticum uit de bacteriostatische groep (zoals doxycycline) worden gecombineerd.

Er zijn aanwijzingen dat reeds in de Egyptische tijd een gorgeldrank, op basis van appelschimmel, werd toegepast.

In de middeleeuwen werd ontdekt dat kwik soms werkzaam was tegen syfilis, maar vanwege de bijwerkingen was dit een twijfelachtig waagstuk - aan het Oostenrijkse hof in de 18e eeuw werd het zelfs verboden. Sinds de 16e eeuw werd ook extract van pokhout toegepast, met minder bijwerkingen. Aan het einde van de 19e eeuw kwamen er enkele medicamenten beschikbaar, met voor die tijd een relatief gunstige verhouding tussen werkzaamheid en bijwerkingen, bijvoorbeeld een ontwikkeld serum tegen difterie, en atoxyl tegen syfilis. In 1909 ontwikkelden de Duitse arts Paul Ehrlich, en zijn medewerker Sahachiro Hata, het veel minder giftige arsfenamine. De Duitse patholoog en bacterioloog Gerhard Domagk ontdekte in 1932 dat sulfonamide een bactericide was. Dit werd in 1935 op de markt gebracht.

Het eerste echte antibioticum, penicilline, werd in 1928 door de Britse arts-bacterioloog Alexander Fleming ontdekt. Het werd afgescheiden door een bepaalde penseelschimmel, penicillium chrysogenum. Het geneesmiddel werd destijds door de farmaceutische industrie niet in productie genomen omdat Fleming, uit idealisme, weigerde zijn ontdekking te patenteren. Het werd daarom zakelijk niet verantwoord geacht er in te investeren. In 1941 verschenen de eerste publicaties over de toepassing van penicilline bij mensen, en kwam, geholpen door druk vanuit de oorlogssituatie, de commerciële productie van penicilline op gang. Er werd over gesproken als 'een wondermiddel', dat een grote effectiviteit paarde aan geringe bijwerkingen.

In 1943 volgde de ontdekking van streptomycine, dat ook werkzaam was tegen tuberculose, en daarna allerlei daarvan afgeleide middelen. De ontdekking, en toepassing, van antibiotica als penicilline betekende een doorbraak in de bestrijding van ziekteverwekkende bacteriën.

Het gebruik van antibiotica kan leiden tot resistenties, de bacteriën worden minder gevoelig voor het middel. Resistenties treden vooral op wanneer veel bacteriën van een gegeven soort met het middel in aanraking komen, en met name wanneer het middel niet hoog genoeg gedoseerd is, of wanneer het antibioticum onvoldoende op de plek van de infectie aankomt.

Bij een te korte behandelingsduur ontwikkelen sommige micro-organismen, bijvoorbeeld de soort mycobacterium tuberculosis, een ongevoeligheid voor een antibioticum, ondanks blootstelling aan effectieve concentraties van het gebruikte antibioticum. De meeste infecties zijn met een kortdurende behandeling echter goed te bestrijden; naar de kortst mogelijke behandeling is nog onvoldoende onderzoek gedaan.

De moderne geneeskunde is steeds terughoudender met het voorschrijven van antibiotica, om daarmee de kans op ontstaan van resistenties te verkleinen. 

Vanuit de alternatieve geneeskunde wordt geopperd dat antibioticagebruik de ontwikkeling van het immuunsysteem van kinderen belemmert. Het zou daarom beter zijn, een ziek kind met andere middelen te behandelen. Bij ernstige infecties zoals tuberculose geldt het niet geven van antibiotica in de klassieke geneeskunde als kunstfout (ingaand tegen de regels van de geneeskunst).

Voor het gebruik van antibiotica in de tandheelkunde bestaan weinig indicaties, omdat antibiotica de tanden, of eventuele wortelresten, niet goed kunnen bereiken. Uitzonderingen op die regel:

Bij kinderen die behandeld worden met tetracycline kan het toegediende antibioticum zich hechten aan de tanden die nog in ontwikkeling zijn. Afhankelijk van het type antibioticum en de duur van de kuur, kan dit zich vervolgens in het volwassen gebit uiten door groene tot donkerblauwe verkleuringen van de tanden.

De voornaamste antibiotica in de veterinaire farmacotherapie zijn de tetracyclines, sulfonamiden, aminoglycosiden, β-lactamantibiotica en de macroliden. De marktaandelen van deze stoffen verschillen per land, maar over het algemeen worden de tetracyclines en de sulfonamiden het meest intensief gebruikt.
In Europa was in 1997 het totale gebruik 5093 ton, waarvan 1494 ton therapeutisch werd gebruikt en de rest als groeibevorderende middelen. In 2011 was Nederland het land dat het meest preventieve antibiotica toediende aan het vee in Europa. Gebruik van preventieve antibiotica kan tot resistentie leiden. Voorbeelden van resistente bacteriën zijn: MRSA (Methicilline Resistente Staphylococcus Aureus) en ESBL (Extended Spectrum Bèta-Lactamase).

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gaat in sommige landen 80 procent van alle antibiotica naar de dierensector. Sinds 2006 is het voor lidstaten die binnen de Europese Unie vallen verboden antibiotica als middel voor groeibevordering bij dieren toe te dienen.




#Article 81: Allergeen (189 words)


Een allergeen is een bestanddeel van een natuurlijke of kunstmatige stof die allergische reacties kan veroorzaken. Klachten die hierdoor ontstaan zijn bijvoorbeeld een loopneus, tranende ogen, jeuk of benauwdheid. Allergische reacties zijn vaak gerelateerd aan aandoeningen als eczeem (huidreacties) en astma (reacties van de luchtwegen).

Het aantal stoffen dat als allergeen kan fungeren is nagenoeg onbegrensd al behoren allergenen enkel tot de groep van proteïnes. Hoe kleiner het molecuul is, hoe kleiner in het algemeen de kans op het opwekken van een allergische reactie. Een klein molecuul kan echter ook als een hapteen fungeren (gebonden aan een ander, groter molecuul) en daardoor in staat om een allergische reactie op te wekken.

Deze allergische reacties kunnen via een aantal verschillende mechanismen verlopen, zie hiervoor allergie.

De voornaamste betekenis van allergenen ligt erin dat

Ook worden allergenen gebruikt als middel tot het stellen van een medische diagnose om vast te stellen welke stof(fen) allergische reacties bij de patiënt opwekken. 

Medisch toepasbare allergenen zijn al of niet (meestal wel) gezuiverde extracten uit natuurlijke stoffen of grondstoffen, dan wel kunstmatige chemische stoffen. 

Men kan allergenen in verschillende groepen indelen:

Allergeen naar blootstelling aan:




#Article 82: Atoomkern (1921 words)


Een atoomkern of nucleus bevindt zich in het centrum van een atoom of ion. De kern bestaat uit twee soorten nucleonen, namelijk uit een of meer positief geladen protonen en nul of meer neutrale neutronen. Een nuclide is een atoomkernsoort. De soort wordt bepaald door het aantal protonen en het aantal neutronen.

Rondom de positief geladen kern bevindt zich een negatief geladen elektronenwolk. Doordat de kern alleen positief geladen protonen en ongeladen neutronen bevat, is ze positief geladen. De negatief geladen elektronenwolk rond de kern compenseert de positieve lading van de kern zodat het atoom als geheel elektrisch neutraal is.

Dit elementaire inzicht in de opbouw van de materie werd in 1911 door Ernest Rutherford, die als de vader van de kernfysica gezien wordt, ontdekt. De kern is bijzonder klein ten opzichte van de gemiddelde afstanden tussen de elektronen en in vergelijking met de afmeting van het atoom als geheel, maar ze bevat vrijwel de gehele massa van het atoom. De ruimte rond een atoomkern, die door de elektronen ingenomen wordt, behoort tot de domeinen van de atoomfysica en de chemie. De ruimte buiten de kern kan vanuit het perspectief van de kernfysica als een praktisch lege ruimte worden opgevat.

De inwendige structuur van de kern kan gemodelleerd worden met een schillenmodel voor de protonen en neutronen (niet te verwarren met de elektronenschillenmodel voor het gehele atoom). Dit nucleaire schillenmodel werd ontwikkeld in 1950 door Maria Goeppert Mayer. 

Het goudfolie-experiment, ofwel Geiger-Marsden experiment, bestond uit een reeks waarnemingen gedaan door Ernest Rutherford, Hans Geiger en Ernest Marsden tussen 1908 en 1913 in hun laboratorium aan de universiteit van Manchester en resulteerde in de ontdekking dat atomen bestaan uit een kleine, zware positieve kern, met daarrond een uitgestrekte elektronenwolk. Rutherford, Geiger en Marden hingen een dun blaadje goudfolie op en richtten daar een straal alfadeeltjes (helium-4-kernen die van hun elektronen gestript zijn) op. Volgens het in die tijd heersende model van het atoom, Joseph Thomson's krentenbolmodel, zouden de alfadeeltjes onverstoord door de dunne folie van goud atomen heen moeten vliegen. De goudatomen waren immers simpelweg klompen positieve materie met wat negatieve ladingen erin verspreid. Rutherford en zijn assistenten observeerden echter dat de alfadeeltjes van de goudatomen af botsten en alle kanten op verstrooid werden. Uit het specifieke patroon van de verstrooiing van de alfadeeltjes, vastgelegd met fluorescerend papier, konden zij afleiden dat het atoom in werkelijkheid uit een zeer kleine, zware, positief geladen kern moest bestaan, met de elektronen wijd daarrond verspreid.

Gelijke elektrische ladingen stoten elkaar af. De gravitatiekracht waarmee protonen elkaar aantrekken is een factor 1036 kleiner dan de elektrostatische afstoting tussen de protonen in de kern. Het is dan ook een andere kracht die de atoomkern bij elkaar houdt. Deze wordt de kernkracht genoemd (zwakke kernkracht en sterke kernkracht) en wordt overgebracht door pionen. De kernkracht is een restkracht van de sterke wisselwerking die de quarks binnen de protonen en neutronen bij elkaar houdt. Alleen op afstanden in de grootteorde van enkele kerndeeltjes van de atoomkern is deze kracht werkzaam. Over deze korte afstanden is deze kracht sterker dan de afstotende elektrostatische kracht.

De kernkracht wordt beschreven door de Yukawa-potentiaal en kan vergeleken worden met de vanderwaalskracht. De vanderwaalskracht is een elektrodynamische restkracht tussen neutrale atomen en moleculen die door fotonen wordt overgebracht. De kernkracht houdt de verschillende nucleonen in de kern bij elkaar zoals de vanderwaalskracht de moleculen in elektrisch geladen oliedruppeltjes bij elkaar houdt in de proef van Millikan. Met geladen oliedruppeltjes hebben Millikan en Fletcher in 1909 de elektrische eenheidslading van elektronen bepaald.

De kernfysica verschilt op een aantal punten van vakgebieden als atoomfysica, vastestoffysica en kwantumchemie:

Omdat de wisselwerkingen tussen de nucleonen complexer zijn dan de elektromagnetische wisselwerkingen tussen elektronen in atomen, moleculen en vaste stoffen, is het lastig om voor atoomkernen eenvoudige rekenmodellen te ontwikkelen.

Het atoomnummer Z is het aantal protonen in de kern. Het bepaalt het chemisch element (en daarmee de chemische eigenschappen) en het aantal elektronen in de elektronenwolk rond de kern van het ongeladen atoom, want de grootte van de negatieve lading van een elektron is exact gelijk aan die van de positieve lading van een proton. Het massagetal A is de som van het aantal protonen en neutronen in de kern. Protonen en neutronen hebben bijna dezelfde massa. Het aantal neutronen N is gelijk aan het verschil van het massagetal en het atoomnummer: N = A − Z. De verschillende isotopen van een element hebben hetzelfde atoomnummer maar verschillende massagetallen. Een nuclide wordt bepaald door het chemisch element en de isotoop daarvan. Dit wordt meestal gespecificeerd met de afkorting van het element, met linksboven de waarde van N. In de kernfysica wordt voor het gemak ook wel de waarde van Z linksonder toegevoegd, zodat in een reactievergelijking de aantallen protonen gemakkelijker gevolgd kunnen worden. Zo is  hetzelfde als .

Atoomkernen met een even atoomnummer hebben een hogere abundantie in het zonnestelsel dan elementen met een oneven atoomnummer, zoals aan het zigzagpatroon van de abundanties in de figuur rechts te zien is, omdat de atoomkernen van elementen met een even atoomnummer over het algemeen stabieler zijn dan kernen met een oneven atoomnummer. Verder valt op dat de elementen lithium, beryllium en boor een zeer lage abundantie hebben in vergelijking met waterstof, helium, koolstof-12 en de elementen die volgen. De reden daarvoor is dat beryllium-8 een obstakel vormt tijdens de nucleosynthese en alleen als intermediair aan het triple-alfaproces deelneemt. Naast de nucleosynthese van verschillende isotopen tijdens de oerknal en in sterren is de stabiliteit van de isotopen van zwaardere elementen medebepalend voor de abundantie van de verschillende elementen in het zonnestelsel.

In de figuur rechts zijn de halveringstijden van de nucliden in kleur aangegeven als functie van het atoomnummer en het aantal neutronen in de kern. Aan het zwarte zigzag patroon en de losse zwarte puntjes van de stabiele nucliden is te zien dat atoomkernen met even aantallen protonen en neutronen over het algemeen stabieler zijn dan kernen met een oneven aantal protonen of neutronen. In de tabellen van de isotopen van koolstof t/m de isotopen van zwavel is te zien dat de nucliden met de hoogste relatieve aanwezigheid en een even atoomnummer op of dicht boven de lijn Z = N liggen.

Naarmate de kernlading hoger wordt komen de stabiele nucliden steeds verder boven de lijn Z = N te liggen. Daaruit blijkt dat kernen met een hoge kernlading stabieler zijn bij een groter neutronenoverschot. Voor middelzware elementen met een even atoomnummer neemt het aantal stabiele isotopen toe. Helium en koolstof hebben 2, zuurstof, neon, magnesium, silicium, argon, chroom en ijzer hebben 3, zwavel en calcium hebben 4 en titanium en nikkel hebben 5 stabiele isotopen.

De massagetallen en neutronenoverschotten van de isotopen met de hoogste relatieve aanwezigheid (RA) en bindingsenergie (BE) van zuurstof t/m nikkel zijn:

Deze tabel laat zien dat de massagetallen en de neutronenoverschotten van isotopen met:

Door de belangrijke rol die helium-4 tijdens de nucleosynthese speelt is de relatieve aanwezigheid van isotopen met een massagetal dat deelbaar is door vier meestal hoog.

Het periodiek systeem der elementen is ingedeeld op basis van de atoomnummers en de chemische eigenschappen van de elementen. Voor de indeling van het periodiek systeem spelen de elektronenconfiguraties van edelgassen een belangrijke rol. De atomen van helium, neon, argon, krypton, xenon, radon en oganesson hebben respectievelijk 2, 10, 18, 36, 54, 86 en 118 elektronen en een gesloten buitenste elektronenschil. Voor isotopen bestaan er twee reeksen getallen met atoomnummers van kernen van de meest stabiele elementen. Die getallen worden door kernfysici magische getallen genoemd.

De magische getallen zijn ontdekt tijdens de ontwikkeling van het nucleair schillenmodel in 1950 door Maria Goeppert-Mayer. Zij luiden: 2, 8, 20, 28, 50, 82, en 126. Atoomkernen met een aantal protonen of neutron gelijk aan een magisch getal zijn extreem stabiel omdat zij een volledig gevulde 'kernschil' hebben. Deze schillen zijn niet te verwarren met de elektronenschillen van het gehele atoom. Hier gaat het om orbitalen (schillen) voor de protonen en neutronen binnenin de kern. De bevinding van de magische getallen vormde de basis voor de ontwikkeling van het nucleair schillenmodel.

Elementen met een aantal protonen gelijk aan een magisch nummer zijn respectievelijk helium-4, zuurstof-16, calcium-40, nikkel, tin en lood-208. Een element met 126 protonen is vooralsnog niet ontdekt. Isotopen waarvan zowel het aantal protonen als het aantal neutronen een magisch getal is worden dubbel-magische isotopen genoemd.

Er zijn 80 elementen met minstens één stabiele isotoop: die met de atoomnummers 1 t/m 82 (lood), behalve de elementen technetium en promethium, met de atoomnummers 43 en 61.

Over het algemeen zijn de even-even-isotopen, met een even aantal protonen en een even aantal neutronen, waarvan het neutronenoverschot niet te klein of te groot is, stabiel. De elementen met een oneven atoomnummer hebben over het algemeen minder stabiele isotopen dan elementen met een even atoomnummer.

De isotopen met een van de magische getallen als atoomnummer hebben een singlet grondtoestand met even pariteit. De meest stabiele isotopen uit de reeksen magische getallen zijn:

Over het algemeen zijn isotopen met een oneven atoomnummer en een oneven aantal neutronen instabiel.

Er zijn vier isotopen die een uitzondering vormen op deze regel:

Van de elementen met een atoomnummer hoger dan 82 bestaan geen stabiele isotopen.

De halveringstijden van enkele isotopen van sommige instabiele elementen is zo lang dat ze na 4,5 miljard jaar nog als metastabiel isotoop op Aarde voorkomen.

Nadat Ernest Rutherford aan het begin van de negentiende eeuw ontdekt had dat de positieve lading, en bijna alle massa, van een atoom in een zware en minuscule kern samengepakt zit, en dus bestaat uit protonen en neutronen, duurde het nog bijna een halve eeuw tot de inwendige structuur van de protonen en de neutronen binnenin die kern ontsluierd werd. Het antwoord kwam in de vorm van het nucleair schillenmodel.

Het kernschillenmodel werd ontwikkeld door Maria Goeppert Mayer aan het eind van de jaren '40 en het begin van de jaren '50 van de twintigste eeuw naar analogie met het atomaire schillenmodel. Het is een semi-empirisch model waarin de straal R van de atoomkern, de potentiaal V(r) en spin-baankoppeling de belangrijkste rollen vervullen. Protonen en neutronen zijn fermionen omdat ze een halftallige spin hebben. In het nucleair schillenmodel kan elk nucleon zich binnen de bolsymmetrische potentiaalput van de kern vrij bewegen in het gemiddelde veld van alle andere nucleonen, zoals de deeltjes in een Fermigas.

Het nucleair schillenmodel levert verklaringen voor de kernspin en pariteit van de grondtoestand van kernen met een massagetal tot 150 en voor kernen met een massagetal tussen 190 en 220. De resultaten van berekeningen van het magnetisch moment en het elektrisch quadrupool moment stemmen voor veel kernen goed overeen met gemeten waarden. De kernen met een massagetal tussen 150 en 190 zijn afwijkend, onder meer omdat ze niet bolsymmetrisch zijn. Het nucleair schillenmodel biedt de basis voor de ontwikkeling van meer geavanceerde modellen, zoals modellen waarin bijvoorbeeld correlaties tussen nucleonen meegenomen kunnen worden als in een Fermivloeistof.

De subatomaire deeltjes in de kern zoeken de kwantumtoestand met de laagste energie op. De golffunctie van de nucleonen is, net als de golffunctie van de elektronen in een atoom, opgebouwd uit orbitalen. De oplossingen van de Schrödingervergelijking bestaan uit de producten van sferische harmonischen Yℓm(θ, φ), met de bijbehorende radiale functies, Rℓ(r). De sferische harmonischen zijn de oplossingen van de Laplace-vergelijking in bolcoördinaten.

Een atoomkern is geen harde bol. De straal van de kern geeft de grootte van de bol aan waarbinnen de nucleonen zich vrij kunnen bewegen. De kernstraal wordt berekend aan de hand van het massagetal A en uitgedrukt in femtometers:




#Article 83: Arcadius (192 words)


Flavius Arcadius (Grieks: Ἀρκάδιος, Arkadios) (377 - mei 408) was de Oost-Romeinse keizer van 383 tot mei 408. Hij was de oudste zoon van Theodosius I.

Arcadius was achttien jaar toen zijn vader stierf; zijn broer Honorius, die keizer van het Westen werd, was nog maar twaalf. Beiden werden zwaar beïnvloed door hun regenten, Rufinus en Stilicho.

Ook Eutropius en Gainas trachtten van Arcadius hun werktuig te maken.

Rond 399 liet Eudoxia, de dochter van voormalig magister militum Bauto en echtgenote van Arcadius, de persoon achter de troon, op dat moment Eutropius, van het toneel verdwijnen. Deze eunuch was tot dan toe de kamerheer geweest. Eudoxia, door haar huwelijk met Arcadius in 395 keizerin geworden, heerste over echtgenoot en rijk met ijzeren hand. Zij stierf in 404.

Arcadius droeg daarna de regeringszaken over aan zijn prefect Anthemius. Dit was een bijzonder goede keuze. Anthemius diende zowel hem als zijn zoon Theodosius II trouw en was een goed bestuurder. Arcadius stierf jong in 408 maar liet het rijk met gerust hart over aan zijn 7-jarige zoon Theodosius, die Arcadius al 8 maanden na diens geboorte tot Augustus had benoemd, omdat Anthemius regent bleef.




#Article 84: Alexios I Komnenos (751 words)


Alexios I Komnenos (Grieks: Αλέξιος Κομνηνός; Latijn: Alexius Comnenus; Nederlands, verouderd: Alexis Comneen) (Constantinopel, 1056 – 15 augustus 1118) was Byzantijns keizer van 1081 tot aan zijn dood in 1118.
Alexios, een uitstekend politicus en diplomaat, werd keizer van een bankroet en wanhopig land.

Na de catastrofe van Manzikert (1071) en het verlies van Nicea in 1077-78, gingen de families Doukas en Komnenen ruziën over de macht, in plaats van zich te bekommeren over de situatie van het Byzantijnse Rijk. Een compromis was het huwelijk tussen Alexios I en Irene Doukas in 1081.

Dit gebeuren wekte groot ongenoegen bij Robert Guiscard, de Normandische heerser van Zuid-Italië, wiens dochter verloofd was met de zoon van Michaël VII Doukas en hij viel Byzantium aan (Slag bij Dyrrhachium). Alexios had, behoudens wat huurlingen (meest Angelsaksen), nauwelijks een leger en ook geen geld om het te betalen. Met de vloot was het nog slechter gesteld. Om de Noormannen het hoofd te bieden, deed Alexios een beroep op Venetië en dat werkte probaat, maar de prijs was bijzonder hoog. Voortaan was de handel steeds meer in Venetiaanse handen en in feite werd het rijk langzamerhand gekoloniseerd. Byzantium zou die plaag nooit meer afschudden. Robert Guiscard stierf in 1085.

Nauwelijks was het Noormannenprobleem bezworen of de Turkse Petsjenegen begonnen een oorlog. Zij belegerden de hoofdstad en de emir van Smyrna stuurde zijn vloot om hen te helpen. De winter van 1090-1091 was een zware tijd voor de stad. Alexios deed een beroep op de Koemanen, een Turks sprekend volk dat de Petsjenegen gevolgd was op de steppen van Oekraïne. De Petsjenegen werden volledig vernietigd in de Slag bij Levounion (1091).

In 1084 verloor hij Antiochië aan de Seltsjoeken. Toen Malik Sjah I in 1092 stierf, werd zijn rijk in drie verdeeld. In Anatolië ontstond er een nieuw rijk, het Sultanaat van Rûm, onder de leiding van Kilij Arslan I, met als hoofdstad Nicea, bakermat van het christendom (zie Eerste Concilie van Nicea).

Dit gegeven kwam aan bod in Piacenza, toen vertegenwoordigers van Byzantium de situatie kwamen bepleiten bij paus Urbanus II, onderweg naar de Synode van Clermont (1095). Dit concilie gaf groen licht voor de Eerste Kruistocht.

Het gevolg was dat een zeer ongeregelde, plunderende menigte zich, in naam van God (Deus lo Vult!), een weg baande door het Byzantijnse rijk. Alexios zette hen zo gauw mogelijk de Bosporus over. Daarna kwam een deel van de hoge adel van het westen. Hoewel dit niet bijster Byzantijns was, stond Alexios erop dat zij aan hem een eed van trouw als leenman moesten afleggen. Tenslotte wilden zij zich op gebied vestigen dat Byzantium als zijn eigen territorium beschouwde, al was het 'tijdelijk' in handen van moslims. De edelen waren hier niet blij mee maar gaven uiteindelijk morrend toe en hielpen inderdaad Alexios  
zuidelijk Anatolië en Nicea (Beleg van Nicea) te heroveren. Wat volgde is de Slag bij Dorylaeum, het Beleg van Antiochië, het Beleg van Jeruzalem en de Slag bij Ascalon. Zij stichtten Kruisvaardersstaten, die vazalstaten werden van het Byzantijnse rijk. Alexios gebruikte dit succes om zijn gezag over de westkust van Klein-Azië te herstellen. 

De kruisvaart van 1101 was  duidelijk minder succesvol. Hoewel zij wel de stad Ancyra aan Alexios wisten terug te geven, gingen de Petsjenegen, die hij met de kruisvaarders had meegestuurd, roemloos ten onder. Hun tegenspeler Kilij Arslan I had lering getrokken uit de eerste kruisvaart en had een aantal bondgenootschappen met rivaliserende moslimvorsten weten tot stand te brengen.

Een van de vorsten van de Eerste Kruistocht, Bohemund, de zoon van de Noorman Guiscard, had op 3 juni 1098 Antiochië veroverd. Hij kwam al snel in conflict met Alexios. Hij keerde terug naar Italië om Byzantium in de tang te nemen maar verloor de Slag bij Dyrrhachium (Durrës) en moest in 1108 noodgedwongen erkennen dat Antiochië een Byzantijns leen was. Zijn neef Tancred, die rechtstreeks naar de Levant was gezeild en nooit een eed aan de keizer had afgelegd, wilde dit echter niet erkennen en na 1111 heerste hij in Antochië. Hiermee was de kiem voor de latere oorlogen tegen de kruisvaarders en het westen gelegd.

Voorlopig echter werd Byzantium steeds sterker. Veel vruchtbare en rijke kuststreken werden heroverd. Er was zelfs weer een vloot, hoewel het feodale element wel steeds sterker werd in de staat. De kern van Anatolië bleef in handen van de Sultan van Rum. Bij Alexios' dood ging de troon naar zijn zoon Johannes, hoewel zijn vrouw en dochter Anna probeerden hun gunsteling, Anna's echtgenoot Bryennius, op de troon te zetten.




#Article 85: Alexios II Komnenos (180 words)


Alexios II Komnenos (Grieks: Αλέξιος Β’ Κομνηνός, Alexios II Komnēnos) (14 september 1169 - oktober 1183) was keizer van Byzantium van 1180 tot aan zijn dood. Hij was de enige zoon (en opvolger) van Manuel I Komnenos en diens echtgenote Maria van Antiochië.

Op zeer jonge leeftijd was Alexios in 1180 getrouwd met Agnes, een dochter van de Franse koning Lodewijk VII.

Hij was 12 jaar toen zijn vader, keizer Manuel I overleed. Omdat hij nog te jong was om zelf te regeren, stond hij onder het regentschap van zijn moeder Maria. Zij gaf enorme privileges aan de maritieme republieken, die de Byzantijnse handel in handen had. Een neef van Manuel, Andronikos Komnenos greep de macht, liet de keizerin wurgen, verdreef de Latijnen uit de stad (de slachting van de Latijnen in 1182) en liet hij zich kronen tot medekeizer van de jonge keizer Alexios. Ook Alexios II werd niet lang daarna gewurgd door Stephanos Hagiochristophorites en zijn lijk in zee geworpen. 

De zwakte van het uitgeputte rijk werd steeds duidelijker en de haat tussen Latijnen en Grieken steeds groter.




#Article 86: Alexios III Angelos (293 words)


Alexios III Angelos (Grieks: Ἀλέξιος Γ’ Ἄγγελος) (c. 1153 — 1211) was keizer van Byzantium van 1195 tot 1203.

Alexios noemde zich Komnenos om zich te koesteren in de roem van zijn voorgangers. Hij kwam op de troon door zijn jongere broer Isaäk II af te zetten en hem de ogen uit te steken. Alexios was een machtsbeluste zwakkeling en het rijk zakte steeds verder in elkaar. Servië glipte uit de invloedssfeer van Byzantium. Een oorlog met Bulgarije resulteerde in een nederlaag. Hij besloot dan maar te stoken in de interne aangelegenheden van de Bulgaren en had daar wat meer succes mee.

De zwakte op de Balkan was echter niets vergeleken met de problemen met keizer Hendrik VI, die ook koning van Sicilië werd. Hendrik zag wel wat in de vereniging van beide keizerrijken, onder zijn leiding natuurlijk. Voordat het zo ver kon komen stierf Hendrik (1197).
Dat gaf Alexios tenminste de mogelijkheid de gehate Duitse belasting af te schaffen.

Maar Byzantium was nog niet van paus Innocentius III af. Die beschouwde de Byzantijnen als ketters die gedwongen moesten worden te helpen in de kruistochten, in plaats van dwars te liggen. De Venetiaanse Doge Enrico Dandolo was het daar volledig mee eens. Hij wilde ook Byzantium wel helpen kerstenen als hij het dan maar mocht houden als wingewest. Een intern probleem van Byzantium gaf een nuttige aanzet tot al deze nobele plannen.

De zoon van Isaäk II, Alexios IV wist te ontsnappen uit het gevang en vroeg de deelnemers aan de Vierde Kruistocht om hulp. Zij vielen Constantinopel aan en namen ondanks bittere tegenstand de stad in (17 juli 1203). Zij zetten de blinde Isaäk II en zijn zoon op de troon. Alexios III nam de benen, met de kroonjuwelen en de schatkist.




#Article 87: Alexios IV Angelos (165 words)


Alexios IV Angelos (Grieks: Ἀλέξιος Δ’ Ἄγγελος) (ca. 1182 - 8 februari 1204) was in 1203-1204 keizer van Byzantium.
Hij was de zoon van Isaäk II  en de broer van Irena Angela, koningin van Duitsland, vrouw van Filips van Zwaben.

Na de afzetting van zijn vader (1195) werd hij samen met hem opgesloten. Dankzij de hulp van zijn zuster kan hij in 1201 ontsnappen en naar Duitsland vluchten.
Hij zegde toe alle wensen van keizer, paus en Venetianen in te willigen in ruil voor militaire steun. De Vierde Kruistocht voer daarom in plaats van naar het Beloofde Land en Jeruzalem richting Constantinopel. Wat volgde is het Beleg en val van Constantinopel (1204).

Alexios IV kon zijn beloftes aan de kruisvaarders, die verantwoordelijk waren voor het uitbreken van een grote brand, niet waarmaken. In zijn pogingen om eraan te voldoen, joeg hij de bevolking tegen zich in het harnas. Een hoveling vermoordde Alexios IV en besteeg de troon als Alexios V, de schoonzoon van Alexios III.




#Article 88: Alexios V Doukas Mourtzouphlos (235 words)


Alexios V Doukas Mourtzouphlos (Grieks: Αλέξιος Ε΄ Δούκας Μούρτζουφλος) (? - Constantinopel, 1205) was in 1204 keizer van Byzantium. Hij was getrouwd met Eudokia, dochter van keizer Alexios III

Terwijl het volk van Constantinopel hem op de troon zette na de dood van Alexios IV, overlegden buiten de stadsmuren de kruisvaarders en de Venetianen al over de verdeling van de buit, te weten het Byzantijnse Keizerrijk. Alexios vluchtte en Constantijn XI Laskaris werd tot keizer uitgeroepen, maar nog diezelfde nacht, 13 april 1204, namen de kruisvaarders de stad in die in de negen eeuwen sinds Constantijn I zo veel belegeringen doorstaan had. Drie dagen werd er geplunderd en onnoemelijke schade gedaan aan de rijke erfenis van de Romeinen.

Een belangrijke kroniekschrijver noteerde: Et bien tesmoigne Joffrois de Vilhardoin li mareschaus de Champagne a son escient par verté, que, puis que li siecles fu estorez, ne fu tant gaainie en une ville (..niet sinds de schepping was er ooit zo veel weggesleept uit een stad). 

Alexios V, die al blind was gemaakt door een van de ex-keizers, werd door Diederik, een zoon van de Loonse graaf Gerard van Loon vermoord toen die hem van de oude zuil van Theodosius I duwde. Na de dood van Alexios heersten in Constantinopel de keizers van het Latijnse Keizerrijk, hoewel in Nicea, Trebizonde en in Epirus lokale vorsten zich opwierpen als de wettige opvolgers van het eens zo grootse rijk.




#Article 89: Anna Komnene (585 words)


Anna Komnene (Grieks: Άννα Κομνηνή, Anna Komnēnē, ook wel verlatijnd als Anna Comnena) (2 december 1083 — 1153) was de oudste dochter van de Byzantijnse keizer Alexios I Komnenos (1048-1118). Zij schreef een sterk persoonlijk gekleurde biografie van haar vader, en mag met dit werk beschouwd worden als de eerste vrouwelijke geschiedschrijver.

Anna Comnena werd geboren in het keizerlijk paleis te Constantinopel en kreeg, zoals het een Byzantijnse prinses paste, een verzorgde opleiding in de Griekse klassieke literatuur, geschiedenis, mythologie en wijsbegeerte. Al op jeugdige leeftijd zag men haar als de potentiële opvolger van haar vader, maar na de geboorte van een jongere broer Johannes was haar kans verkeken. Anna weigerde echter zich daarbij neer te leggen. Zij werd uitgehuwelijkt aan Nikephoros Bryennios, de zoon van een vroegere troonpretendent, een bekwaam militair en net als zij zelf een groot intellectueel. Samen maakten zij van hun paleis een muzentempel, en Bryennius genoot de volle waardering van zijn schoonouders.

Na de dood van haar vader Alexios in 1118 sloot Anna zich aan bij een samenzwering die haar regerende broer moest afzetten en haar echtgenoot op de Byzantijnse keizerstroon zou brengen. De staatsgreep mislukte echter, doordat haar echtgenoot er op het laatste moment de brui aan gaf. Keizer Johannes toonde zich vergevingsgezind, en de doodstraf bleef Anna bespaard, maar zij trok zich, samen met haar moeder, keizerin Irene, terug in een klooster dat door deze laatste was gesticht: het (nu verdwenen) Theotokos Kecharitomene (d.i. de Moeder-Gods-vol-van-Genade) te Constantinopel. Anna was zelf ontroostbaar na de dood van haar vader, maar toch probeerde zij steeds voor haar moeder een steun en toeverlaat te blijven. Troost vond zij in de filosofie en de letteren, en haar kloostercel werd een soort studiecentrum waar geleerden zich onder haar inspirerende leiding bezighielden met de werken van Heraclitus, Democritus, Plato, Aristoteles, Euclides, Ptolemaeus en andere grote namen uit het verleden, in zoverre hun gedachtegoed niet in de ban was gedaan door de wetten van de Kerk. Daar begon zij ook te schrijven aan haar boek Alexiade, dat als een van de belangrijkste historische bronnen over de periode van het herstel der Comneni beschouwd wordt. Het boek werd voltooid rond 1148 en beschrijft haar vaders carrière en regering, van 1069 tot zijn dood in 1118.

Anna Comnena overleed in het klooster in 1153. Zij had als keizerin geschiedenis willen maken, maar toen dat niet lukte, is zij geschiedenis gaan schrijven.

Kenners beschouwen de Alexiade (Grieks Αλεξιάς) als een van de best geschreven boeken van de Middeleeuwen. Anna's werk is een waardevol getuigenis, omdat zij niet alleen persoonlijk betrokken was bij de gebeurtenissen die zij beschrijft, maar ook kon beschikken over diplomatieke correspondentie, militaire rapporten en andere documenten uit het keizerlijk archief. Het boek geeft blijk van een scherp inzicht in de politieke en militaire verwikkelingen die de jaren rond 1100 tot een keerpunt in de Byzantijnse geschiedenis hebben gemaakt. Anna streeft naar een klassiek Attisch woordgebruik, maar haar zinsconstructies en haar stijl verraden vaak de afstand tot haar grote modellen Thucydides en Polybios die zij wenst na te volgen.
 Naast een grondige afkeer voor haar broer toont de schrijfster van de Alexiade een duidelijk misprijzen voor de West-Europese kruisvaarders, die zij beschouwt als een zootje ongemanierde barbaren die zij ervan verdenkt meer oog te hebben voor de rijkdommen van Constantinopel dan voor de bevrijding van Jeruzalem. Het verhaal is dan ook een waardevolle aanvulling op de westerse geschiedschrijving uit die periode, waarin de kruisvaarders als idealistische helden, en de Byzantijnen als decadent en onbetrouwbaar worden afgeschilderd.




#Article 90: Astronomische eenheid (262 words)


De astronomische eenheid (AE, internationaal au of ua) is een afstandsmaat die vrijwel gelijk is aan de gemiddelde afstand tussen de Aarde en de Zon, ongeveer 149,6 miljoen kilometer. Sinds september 2012 is de astronomische eenheid gedefinieerd als exact 149 597 870 700 meter.
Deze definitie is gebaseerd op metingen uit 2009. Deze maat wordt in de astronomie gebruikt om afstanden in de ruimte aan te duiden, waardoor deze worden vergeleken met de straal van de baan van de Aarde om de Zon.

Waar de grootste nauwkeurigheid nodig is, zoals in de interplanetaire ruimtevaart, zou een omschrijving gemiddelde afstand aarde-zon te weinig houvast geven. De aardbaan vervormt namelijk geleidelijk, onder invloed van de aantrekkingskracht van de andere planeten. De gemiddelde afstand Aarde-Zon is ongeveer 16 km groter dan een astronomische eenheid en die waarde vermindert met ongeveer 80 meter per jaar – de aardbaan krimpt (dit zijn gemiddelden over enkele eeuwen). Een complicatie is ook dat de aardbaan geen cirkel is, maar een ellips, waardoor de afstand Aarde-Zon varieert.

In de sterrenkunde werd de astronomische eenheid daarom sinds 1976 anders gedefinieerd en wel via de derde wet van Kepler. Als een virtueel object met een infinitesimaal kleine massa in een cirkelbaan om de zon draait, hangt de hoeksnelheid af van de baanstraal. Als de hoeksnelheid exact  radialen per dag bedraagt (, de zogeheten gravitatieconstante van Gauss), heeft de baan per definitie een straal van 1 AE.

In september 2012 is deze definitie dus verlaten, en vervangen door een onveranderlijke afstand.

Andere eenheden voor grote afstanden in de ruimte zijn lichtjaar en parsec.




#Article 91: Biografielijst (135 words)


Deze pagina bevat een overzicht van biografielijsten van personen over wie er een pagina bestaat in de Nederlandstalige Wikipedia. Er zijn twee groepen lijsten, enerzijds de algemene biografielijst en anderzijds de biografielijsten naar onderwerp. Hou er rekening mee dat men in Vlaanderen alfabetisch rangschikt op elke letter van de naam (Van Rompuy staat bij de V) terwijl men in Nederland alfabetisch rangschikt op het hoofdwoord (Van Agt staat bij de A).

 Deze is opgesplitst in 26 subpagina's (één per alfabetletter):

A – B – C – D – E – F – G – H – I – J – K – L – M – N – O – P – Q – R – S – T – U – V – W – X – Y – Z

Daarnaast zijn er:

 - 




#Article 92: België (8869 words)


België, officieel het Koninkrijk België, is een West-Europees land dat aan de Noordzee ligt en aan Nederland, Duitsland, Luxemburg en Frankrijk grenst. Het land is 30.689 km² groot en heeft een bevolking van meer dan 11,5 miljoen inwoners (ruim 6,5 miljoen in het Vlaams Gewest, 3,6 miljoen in het Waals Gewest en 1,2 miljoen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). De belangrijkste stad is Brussel, hoofdstad van België en tevens bestuurlijk centrum van de Europese Unie en de NAVO.

Het land heeft drie officiële talen: ongeveer zestig procent van de bevolking spreekt Nederlands, vooral in Vlaanderen, veertig procent spreekt Frans, vooral in Wallonië en Brussel, en minder dan een procent spreekt Duits, in de Oostkantons. De culturele en linguïstische diversiteit van het land heeft door een opeenvolging van staatshervormingen geleid tot een complex politiek systeem, waarbij in principe de grondgebonden bevoegdheden – zoals economie, werkgelegenheid en openbare werken – liggen bij de Gewesten (het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse), en de persoonsgebonden materies – zoals onderwijs, cultuur en welzijn – bij de Gemeenschappen (de Vlaamse, de Franse en de Duitstalige), met een overkoepelende federale overheid voor het hele grondgebied, bevoegd voor onder meer defensie, justitie en de sociale zekerheid.

België ontstond na de Belgische Revolutie in 1830 toen het zich afscheidde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, waar het sinds 1815 toe behoorde. Na de onafhankelijkheid werd de jonge natie – vooral door de ontwikkeling van een zware industrie in Wallonië – een van de voortrekkers in de Industriële Revolutie. De ontwikkeling van Vlaanderen bleef achter tot het economisch zwaartepunt naar het noorden begon te verschuiven vanaf de jaren 1960. Dat is ook de periode van de vastlegging van de taalgrens, de eerste stappen in de federalisering van het land, en van de onafhankelijkheid van de Belgische kolonie Congo en de mandaatgebieden Ruanda en Burundi. België groeide uit tot 's werelds 26ste economie, werd een van de welvarendste, meest ontwikkelde en meest geglobaliseerde landen ter wereld, en bouwde met zijn vrijemarkteconomie en een beperkte overheidsinmenging aan een uitgebreide verzorgingsstaat.

België werd in de prehistorie bevolkt door verschillende Keltische en Germaanse stammen, waaronder de Menapii, de Morinen, de Nerviërs en de Eburonen onder Ambiorix. In de Romeinse tijd werden de Keltische stammen in het gebied tussen de Noordzee, Rijn, Seine en Marne, het zuiden van Nederland, België, Noord-Frankrijk en delen van West-Duitsland) samen aangeduid als Belgae, waar uiteindelijk de benaming Belgen uit is voortgekomen. Hun woongebied Gallia Belgica maakte deel uit van het Romeinse Rijk en viel uiteen in een aantal feodale staten tijdens de middeleeuwen.

Het grote Frankische Rijk na Karel de Grote werd verdeeld tussen West-Francië en het Oost-Frankische Rijk. De Schelde gold als grens tussen de beide rijken. Een gebied waarin het huidige België lag, kwam uiteindelijk in handen van de Habsburgers in de 15e eeuw (zie Habsburgse Nederlanden) en werd in 1795 overgenomen door de Franse revolutionairen. Doorheen de geschiedenis is het dikwijls de plaats geweest waar de Europese mogendheden hun oorlogen uitvochten. Het gebied werd daarom soms 'het slagveld van Europa' genoemd. Na de nederlaag van Napoleon te Waterloo in 1815 ging het land op in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, een grotere bufferstaat tegen het onrustige en revolutionaire Frankrijk.

Met de Belgische Revolutie van 1830 scheidde België zich af en werd een constitutionele monarchie. De wapenspreuk van België luidt Eendracht maakt macht. Deze eendracht sloeg in 1830 op de vereniging van de negen provinciën. De negen provinciewapens zijn dan ook vertegenwoordigd in het wapenschild van het land. Op 18 oktober 1908 verwierf België Belgisch-Congo als kolonie. Daarvoor was de Onafhankelijke Congostaat het persoonlijk bezit van koning Leopold II geweest.

België werd in de Eerste Wereldoorlog bijna helemaal bezet door Duitse Keizerrijk. Enkel een klein gebied achter de IJzer in West-Vlaanderen, waar koning Albert I zijn troepen aanvoerde, bleef onder geallieerde controle. Tijdens de Tweede Wereldoorlog capituleerde koning Leopold III na de Achttiendaagse Veldtocht en werd heel het land bezet. In september 1944 werd het grootste deel van België door de 
Tweede Wereldoorloggeallieerden bevrijd.
Na deze oorlog leidde de capitulatie en het feit dat Leopold III koppig vasthield aan zijn eigen gelijk en niet wou weten van een verzoening met de regering tot de Koningskwestie, waarbij zijn broer prins Karel als regent fungeerde. De Koningskwestie bracht België op de rand van een burgeroorlog. Er vielen enkele doden.

In 1951 droeg Leopold III de macht over aan zijn zoon Boudewijn, die toen 21 was. Op 9 augustus 1993 werd Albert II koning der Belgen. Op 21 juli 2013 deed Albert II vrijwillig afstand van de troon, hetgeen een unicum was in de geschiedenis van de Belgische monarchie. Zodoende werd Filip de zevende koning der Belgen.

De naam Belgica werd voor het eerst vermeld door Julius Caesar. Hij duidde met Gallia Belgica een gebied aan in Noord-Frankrijk, België, Zuid-Nederland, Luxemburg en Zuidwest-Duitsland tot aan de Rijn. Het latere België kreeg na de val van het Romeinse Rijk een andere bevolkingssamenstelling dan in Caesars tijd. In Belgica woonden de Belgae, die het eerst worden beschreven in Caesars Commentarii de bello Gallico. Er leefden in die tijd ook Belgae en aanverwante stammen (zoals Catuvellauni en Trinovantes) in Zuidoost-Britannia.

De stamnaam Belgae (ook Belges) gaat mogelijk terug op de Indo-Europese wortel *bʰelǵʰ- voor 'zwellen', zoals in de figuurlijke betekenis van belgen '(zich) kwaad maken', oorspronkelijk 'opzwellen', en verbolgen 'boos, toornig', aanvankelijk 'gezwollen'. Belgae zou dan betekenen 'die gezwollen van woede', dus een verwijzing naar de lichtgeraaktheid van de oude Belgen die om de geringste aanleiding met elkaar oorlog voerden. Deze betekenis zou dan passen bij de omschrijving van Caesar. De oorsprong van de stamnaam zou dan Gallisch zijn, net als de geattesteerde Gallische persoonsnamen Belgius en Bolgios (voortgezet in de Welshe naam Beli Mawr) en deze naam is verder verwant met Oudiers bolgaid 'zwellen'.

Een andere voorgestelde etymologie van de naam Belgae: belg- is afkomstig van een Gallische woord *belo-, wat 'schitterend' betekent. In dat geval is Belgae verwant aan Welsh bal 'met een witte voorhoofdsvlek', Oudnoords bál 'vlam, vuur; brandstapel' (ontleend als Engels balefire 'vreugdevuur'), Litouws bãlas 'wit', Russisch bélyj 'wit' (zoals in Belarus) en de stadsnamen Beograd, Biograd, Bjelovar, evenals aan het Nederlandse bles, 'witte plek'. Ook de Gallische godennamen Belenos ('De Heldere') en Belisama (waarschijnlijk van dezelfde godheid) komen mogelijk van dezelfde bron.

Het gebied van België bestaat uit twee delen: laagland, dat behoort tot de kustvlakte van de Noordzee in het noorden; en het plateau van de Ardennen in het zuiden. Deze tweedeling heeft een geologische oorsprong. In de Ardennen liggen harde gesteenten van hoge ouderdom (Paleozoïcum) aan het oppervlak, waarin rivieren zich diep hebben ingesneden. In Vlaanderen bestaat de ondiepe ondergrond net als in Nederland en grote delen van Noord-Duitsland uit ongeconsolideerde sedimentaire gesteenten uit het Tertiair en Kwartair. In Vlaanderen was de bodem op vele plaatsen vroeger moerassig, maar hij is door de mens tot wateringen gedraineerd.

De rivieren Maas, Schelde en IJzer hebben een groot deel van hun stroomgebied in België liggen. In het uiterste oosten van het land ligt in de provincies Luik en Luxemburg ook een gebied dat toebehoort aan het stroomgebied van de Rijn (via de Moezel), in het zuiden van de provincie Henegouwen een klein gebied dat tot het stroomgebied van de Seine behoort (via de Oise).

België heeft een kustlijn van 66,6 km. Als men rekening houdt met de uitstulping van de haven van Zeebrugge bekomt men een lengte van 72,3 km. De Belgische territoriale wateren zijn in de breedte afgebakend als de twaalfmijlszone gemeten vanaf de laagwaterlijn, rekening houdend met bij eb droogvallende bodemverheffingen en permanent uitstekende havenwerken. De zijwaartse begrenzing vloeit voort uit verdragen met Frankrijk (1990) en Nederland (1996). Zo afgebakend beslaat de territoriale zee een oppervlakte van ca. 1.440 km²

België is met 376 inwoners per vierkante kilometer (2020) een van de dichtstbevolkte landen in Europa. Dit geldt nog meer voor Vlaanderen, dat goed is voor ongeveer 60 procent van de bevolking op slechts 40 procent van de oppervlakte. De totale landoppervlakte bedraagt , waarmee België een kwart kleiner is dan Nederland en iets groter dan Lesotho en Armenië. Volgens het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen beslaat het Belgisch territorium 33.990 km², maar daarin tellen de Belgische territoriale wateren tot 12 zeemijlen in de Noordzee mee.

België grenst aan Frankrijk, Luxemburg, Duitsland, Nederland en de Noordzee en bezit zo een staatsgrens van 1445,5 kilometer.

Het hoogste punt is het Signaal van Botrange op 694 meter en het hoogstgelegen dorp is Rocherath (een deelgemeente van Büllingen) op 655 meter.

Het geografisch middelpunt is te vinden in Nil-Saint-Vincent.

Van het Belgische grondoppervlak is 21,4 procent bedekt met bos, hoofdzakelijk in Wallonië. In Vlaanderen bevinden zich buiten de steden en industriegebieden vooral landbouwzones met daarnaast nog bossen vooral in de Kempen (ten oosten van de stad Antwerpen en Noord-Limburg). Belangrijke bossen in Brabant zijn het Hallerbos, het Zoniënwoud bij Brussel en het Heverleebos en het Meerdaalwoud bij Leuven. De totale bosoppervlakte in Vlaanderen bedraagt 146.381 hectare en er ligt 22.135 hectare park beheerd door gemeenten en steden.

In de Ardennen is de natuur uitgestrekt, omdat de bevolkingsdichtheid er lager ligt dan in Vlaanderen. Een derde van de oppervlakte van Wallonië is bebost en dat oppervlak wordt ook alsmaar groter. Een groot deel ervan bestaat uit dennenbossen die geen natuurwaarde bezitten.

Een van de meest ongerepte stukjes natuur zijn de Hoge Venen. Door het strenge klimaat, de vele neerslag en de strenge, lange winters komen daar zeldzame plantensoorten voor, die typisch zijn voor bergstreken of voor Noord-Europa. De fauna en flora in de Hoge Venen zijn bedreigd door de opwarming van de aarde.

België heeft een gematigd zeeklimaat. 

De gemiddelde temperatuur in België is 11,2 °C, maar er zijn verschillen op te tekenen per regio. Die temperatuur komt, doordat de warme Golfstroom in de Atlantische Oceaan ook de Noordzee verwarmt. Daardoor wordt het in de winter gemiddeld niet kouder dan 5 °C. De laagste temperatuur wordt laat in de winter bereikt, omdat dan het water is afgekoeld. Verder heeft het weer een sterk wisselvallig karakter. Zo is de laagste temperatuur ooit gemeten in België −30,1 °C, terwijl de hoogste temperatuur ooit 40,6 °C was.

Volgens de temperatuurstatistieken van het KMI is er de jongste jaren sprake van een duidelijke toename van de gemiddelde temperatuur.

Gemiddelde temperaturen in België (1951-2018)
 
(*) Onvolledig decennium

De gemiddelde neerslag bedraagt 925 mm/jaar, met uitersten van 740 mm/jaar (Haspengouw, Westhoek) tot meer dan 1400 mm/jaar op de Hoge Venen. De meeste neerslag valt in de winter (vooral december), terwijl april gemiddeld de droogste maand is.

Officiële talen in België zijn:

Het Nederlands is in het Vlaams Gewest de bestuurstaal en staat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op gelijke voet met het Frans. De hoofdstad Brussel is dus officieel tweetalig, maar in werkelijkheid meertalig. De grote meerderheid van de Brusselaars kiest in zijn contacten met de overheid voor het Frans. Het Frans is de officiële taal in Wallonië en Duits is de taal van de overheid in de Duitstalige gemeenschap, de oostelijke grensgemeenten met Duitsland in de provincie Luik.

De tussen Nederland en de overwegend Franstalige provincie Luik ingeklemde gemeente Voeren (in het Frans: Fourons) is een Nederlandstalige exclave. Het is een deel van Vlaanderen, met taalfaciliteiten voor de Franstalige minderheid. De stad Komen-Waasten (Frans: Comines-Warneton), gelegen tussen Frankrijk en de Vlaamse provincie West-Vlaanderen, is sinds 1963 officieel een deel van Wallonië en dus Franstalig, met taalfaciliteiten voor de Nederlandstalige minderheid.

De taalgrens in België komt ruwweg overeen met de Via Belgica, de Romeinse heirbaan tussen Keulen en Bavay, die sinds de 4e eeuw als culturele grens fungeerde, en loopt ruwweg ten zuiden van Brussel. De verfransing van Brussel, dat iets ten noorden van deze taalgrens ligt, is vooral het gevolg van grote inwijking na de industrialisering vanaf de 19e eeuw. Daarbij komt de eeuwenlange rol van Brussel als bestuurscentrum, met een Franstalige bovenlaag. Dat resulteerde in de verfransing van de oorspronkelijk grotendeels Nederlandstalige stad.

In de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw was het bestuur van België (onder andere wegens het cijnskiesstelsel) vrijwel volledig Franstalig, de toplaag kende nauwelijks of geen Nederlands. De eerste taalwetten, die bepaalde rechten voor Nederlandstaligen garandeerden, werden aangenomen in 1873. Hiermee waren de landstalen nog niet gelijkwaardig. Zo zorgde de onderwijswet van 1876 ervoor dat het middelbaar onderwijs in Vlaanderen tweetalig werd, maar niet in Wallonië.

Een eerste belangrijk keerpunt was de Eerste Wereldoorlog, waar de Vlaamse frontsoldaten met Franstalige officieren rechten opeisten onder de leuze Hier ons bloed, wanneer ons recht?. Ook de na deze oorlog opgetrokken IJzertoren met het opschrift AVV-VVK (Alles voor Vlaanderen – Vlaanderen voor Kristus) drukt een Vlaamse bewustwording uit. Dit wettelijk gelijkwaardig maken gebeurde pas met de taalwet van 1932, toen het middelbaar onderwijs officieel eentalig werd met Nederlands in Vlaanderen en Frans in Wallonië. Officieus zijn er in grotere steden en in industriële centra in Vlaanderen tot in de jaren 60 elitaire Franstalige scholen blijven functioneren.

De reële toepassing van de gelijke rechten voor taalgroepen in overheid, onderwijs en rechtspraak verliep traag, ging soms gepaard met duidelijke onwil en verandering kwam er vaak slechts na acties en politieke druk. Dit is mee de katalysator geweest voor de toenemendemiddelpuntvliedende kracht in het unitaire België. Die werd manifest na het werk van het Centrum Harmel, studiecentrum genoemd naar de Luikse christendemocratische politicus Pierre Harmel) die hiervoor in 1948 het parlementair initiatief had genomen. Het centrum functioneerde van 1949 tot 1953, en kwam in 1958 met haar rapport met voorstellen om de sociale, politieke en wettelijke problemen in de Waalse en Vlaamse gewesten aan te pakken.

In 1963 werd de taalgrens wettelijk vastgelegd. Dit bepaalde dat het Frans of het Nederlands de bestuurstaal werd van de overheid. Verschillende gemeenten langs de taalgrens veranderden daarom van provincie, sommigen kregen faciliteiten voor de Franstalige, Nederlandstalige of Duitstalige minderheid.

Een snelle wending ontstond door Leuven Vlaams in 1968. Acties van – onder meer – studenten dwongen de katholieke bisschoppen uiteindelijk om de Katholieke Universiteit Leuven te splitsen. In 1970 werd een nieuwe Franstalige Université Catholique de Louvain opgericht, bekend als Louvain-la-Neuve in het Waals-Brabantse Ottignies, even ten zuiden van de taalgrens. De prestigieuze Leuvense universitaire bibliotheek werd opgedeeld.

In de Nederlandstalige lagere scholen in Vlaanderen en het Brussels hoofdstedelijk gewest is het Frans verplicht vanaf het vijfde leerjaar, terwijl leerlingen in het Franstalig lager onderwijs een keuze hebben. Zij kiezen in meerderheid Engels voor het Nederlands. Vlaams minister van onderwijs Pascal Smet pleitte in 2011 om het Engels de tweede taal te maken in Vlaanderen, maar zijn voorstel stuitte op heel wat kritiek, vooral vanuit Franstalige hoek. In de taalnota van deze minister stond dat vanaf het schooljaar 2013–2014 het Frans en het Engels twee gelijkwaardige talen als tweede taal behandeld zouden moeten worden in Vlaanderen.

Vlaamse Gebarentaal (VGT, circa 6000 moedertaalgebruikers), Frans-Belgische Gebarentaal (LSFB, circa 5000 moedertaalgebruikers).

Daarnaast worden er in België sterk van elkaar verschillende dialecten en streektalen gesproken. In Vlaanderen spreekt men verschillende taalvormen die als variëteiten van de Nederlandse taal worden beschouwd, zoals het West-Vlaams, Oost-Vlaams, Brabants, Limburgs en Kempens, inclusief typische stadstalen zoals het Gents, Antwerps, Brugs of Leuvens. Enkele van deze dialecten worden volgens sommige instanties ook als aparte taal gezien, zoals het Limburgs en West-Vlaams. Dialecten hebben in Vlaanderen echter geen officiële status.

Sommige sprekers van Nederlandse dialecten bij de taalgrens, bijvoorbeeld in Brussel en in de Voerstreek, beschouwen zichzelf als Franstalig omdat ze naast hun dialect het Frans als (belangrijkste) cultuurtaal gebruiken. Zie verder: Nederlandse dialecten, Regionale verschillen in het Nederlands.

In Wallonië wordt door een deel van de bevolking ook een taal gesproken die als afzonderlijke streektaal is erkend. Het Waals is de belangrijkste, voor deze taal is geprobeerd een genormaliseerde spelling te vormen. Ook het Waalse volkslied was oorspronkelijk in het Waals. Buiten het Waals bestaan er nog enkele andere lokale en erkende streektalen, namelijk het Picardisch in het westen van Wallonië, Gaumais of Lotharings in het zuiden van Belgisch Luxemburg, het Champenois en het Luxemburgs rond de Luxemburgse provinciehoofdstad Aarlen. Het Waals wordt ook wel Patois (Plat) genoemd.

België is traditioneel een katholiek land en de Belgische Katholieke Kerk is de grootste religie. De vele vaak opvallende kerken, kathedralen en kapelletjes getuigen daarvan. Het christendom verbreidde zich reeds vroeg in het gebied van het huidige België. In de 4e eeuw was de H. Servatius werkzaam te Tongeren. Bloeiende kloosters zoals de Sint-Pietersabdij en de Sint-Baafsabdij in Gent, de abdijen van Lobbes, St-Hubert, Stavelot en vele andere rezen op en droegen bij tot de economische en culturele ontwikkeling van het land. De hervormingsbeweging in de 16e eeuw die aanvankelijk een groot succes kende in de Zuidelijke Nederlanden en gepaard ging met politiek verzet tegen de absolutistische tendens van het huis Habsburg, werd vooral door Filips II gestuit. Onder de aartshertogen Albrecht en Isabella verdween de invloed van het protestantisme vrijwel volledig en werd het katholicisme vernieuwd door de besluiten van het Concilie van Trente (1545–1563), de Katholieke Hervorming en het werk van de jezuïeten. Tijdens de kerkvervolging ten tijde van de Franse Revolutie was het religieus verzet zeer sterk. De grondwet van 1831 waarborgt de vrijheid van godsdienst. Ernstige spanningen tussen Kerk en Staat deden zich voor tijdens de schoolstrijden van 1878–1884 en die van 1954–1958.

Het wekelijkse kerkbezoek in België is sinds de jaren 1960 sterk gedaald en bedroeg anno 2008 minder dan 7%, daar waar in 1950 circa 50 % van de bevolking de zondagsplicht vervulde. In Vlaanderen ligt het kerkbezoek hoger dan in de overige landsgedeelten: volgens cijfers van de Katholieke Kerk zelf bedroeg het kerkbezoek 12,7% in 1998 tegen 11,2% voor België en volgens een studie van de Katholieke Universiteit Leuven ging 8% van de Vlamingen wekelijks naar de kerk in 2006.

Volgende getallen zijn voor Vlaanderen, de kerkpraktijk in Wallonië en Brussel is lager dan in Vlaanderen, dus de getallen voor geheel België zijn dan ook lager. In 1976 ging 36 procent van de Vlamingen tussen 5 en 69 jaar nog wekelijks naar de zondagsmis. In 1998 was dat 13 procent. In 2009 daalde dat aandeel tot 5,4 procent, wat neerkomt op zo'n 247.000 mensen tussen de 5 en 69 jaar.

Begrafenissen (61%, in 2006) en doopplechtigheden (45%, in 2016) gebeuren dikwijls in de kerk. Het aantal kerkelijke huwelijken neemt af, van 49% in 1998 naar 27% in 2006.

België onderhoudt diplomatieke contacten met het Vaticaan. Het is bestuurlijk ingedeeld in acht bisdommen en een militair ordinariaat en vormt één kerkprovincie waarvan de aartsbisschop van Mechelen-Brussel, Jozef De Kesel, de metropoliet is. De Heilige Jozef is de beschermheilige van België.

Het Katholiek Onderwijs Vlaanderen is de koepel-organisatie van de inrichtende machten, die door de Belgische bisschoppen belast is met de coördinatie en de vertegenwoordiging van het katholiek onderwijs in Vlaanderen. Sinds de Schoolpact-wet van 29 mei 1959 worden de katholieke scholen ook grotendeels door de staat gesubsidieerd.

Beroemd zijn Belgische missionarissen, zoals Peter van Gent in Mexico, Pater Damiaan bij de melaatsen in Molokai, Joos De Rijcke in Ecuador, Ferdinand Verbiest in China en nu nog Jeanne De Vos in India. Priester Adolf Daens en kardinaal Jozef Cardijn waren katholieke geestelijken die zich voor de arbeiders-emancipatie hebben ingezet.

De rest van de Belgen is agnost, atheïst, vrijzinnig (ca. 28%), moslim (ca. 7%), protestants (ca. 1,8%) of joods (ca. 2,6%).

)
De gezinsgrootte in België is de laatste decennia sterk gedaald maar de laatste tijd weer licht gestegen. De vruchtbaarheidsgraad ligt op 1,68 kinderen per vrouw, ver onder de vruchtbaarheidsgraad die nodig is om de bevolking op een natuurlijke wijze in stand te houden: 15 procent is ouder dan 65 jaar.

De levensverwachting ligt op 79 jaar voor de mannen en 83 jaar voor de vrouwen. De kwaliteit van de Belgische gezondheidszorg behoort tot de beste ter wereld. Wat de levensstandaard betreft zijn er ongelijkheden tussen de inwoners van de verschillende gewesten; het Vlaams Gewest is financieel gezien rijker dan Wallonië.

De Belgische bevolking bestaat voor bijna een miljoen uit immigranten. Een eerste grote golf inwijkelingen waren Italianen die in Wallonië en Limburg in de mijnen kwamen werken. Na de Mijnramp van Marcinelle in 1956 leverde Italië geen gastarbeiders meer en volgde een nieuwe golf Marokkanen en Turken die vanaf de jaren 1960 de tekorten op de arbeidsmarkt kwamen invullen. Bovendien woont er ook een gemeenschap uit de vroegere kolonie Belgisch-Congo vooral in de Matongewijk te Brussel.

België telde 11.492.641 inwoners op 1 januari 2020., een stijging van 0,54 procent t.o.v. 2019). In Vlaanderen woonden er 6.628.693 personen (stijging van 0,60 procent t.o.v. 2019), in Wallonië 3.645.243 (stijging van 0,32 procent t.o.v. 2019) en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1.218.255 (stijging van 0,80 procent t.o.v. 2019).

In vergelijking met andere Europese landen is de Belgische bevolking traag gegroeid: 4,5 miljoen in 1850, bijna 7 miljoen in 1900, 10,2 miljoen in 2000. Ter vergelijking: de Nederlandse bevolking groeide van een derde minder (3 miljoen in 1850) tot meer dan de helft meer (16 miljoen in 2000).

De groei is sinds 1989 vooral te danken aan de sociale bevolkingsgroei. Het positieve migratiesaldo is goed voor 2/3 van de totale bevolkingsaanwas, tegenover 1/3 als gevolg van natuurlijke bevolkingsgroei.

Deze groei is per gewest en provincie sterk verschillend geweest. Terwijl de bevolking van België in zijn geheel over de periode 1846–2016 toenam met een factor 2,60 was dit voor het Vlaams Gewest 2,76, voor het Waals Gewest 2,03 en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 5,61. In het Waals Gewest is de groei vanaf 1930 tot 2016 beperkt gebleven (20%) en deze is dan nog grotendeels te wijten aan de immigratie vanuit het buitenland. In het Vlaams Gewest heeft de groei ook na 1930 doorgezet (55% voor dezelfde periode). De sterke groei in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest was tot de Tweede Wereldoorlog vooral het gevolg van de binnenlandse migratie, waarna de stadsvlucht die optrad in de 2e helft van de 20e eeuw slechts opgevangen werd door immigratie vanuit het buitenland en het inwoneraantal ongeveer stabiel bleef. Slechts sinds 1996 groeit de bevolking er weer en nu zelfs sneller dan het nationaal gemiddelde. Dit is het gevolg van buitenlandse immigratie en een hoger geboortecijfer bij de allochtone bevolking, want de binnenlandse migratie vertoont nog steeds een negatief saldo.
Behalve in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kennen ook de provincies Waals-Brabant en Luxemburg recent een sterker dan gemiddelde groei die vooral te wijten is aan economische migratie door de aantrekkingskracht van Brussel en Luxemburg.

De naoorlogse politiek in België wordt beheerst door zogenaamde breuklijnen. Die historisch gevormde breuklijnen zijn:

Deze breuklijnen vertalen zich deels naar politieke partijen maar lopen ook dikwijls door partijen heen.
De gewijzigde staatsstructuur volgt uit die breuklijnen.

Sommigen zien in het verschil in taal ook een verschil in cultuur en traditie: Germaanse in het noorden, Romaanse in het zuiden. Dit zou zich ook uiten in politieke verschillen: de christendemocraten zijn naar verhouding sterker in (landelijk) Vlaanderen dan in (het vroeger geïndustrialiseerde) Wallonië, voor de sociaaldemocraten geldt het omgekeerde. Vroeger lag het economisch zwaartepunt van het land in het gewest Wallonië met zijn mijnen en zware industrie, maar sinds de jaren 60 is de Waalse industrie verouderd en in crisis. Het economische belang van het gewest Vlaanderen groeide door zijn havens, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en de constante groei van de dienstensector.

Brussel, de federale hoofdstad, de hoofdstad van het Vlaams en Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Vlaamse Gemeenschap, zetel van de Europese Raad, Europese Parlement en Europese Commissie, en tal van andere internationale organisaties, is zonder enige twijfel de belangrijkste stad van het land, en tevens de meest controversiële stad: ze vormt de inzet van veel twisten. Brussel is historisch een Nederlandstalige Brabantse stad en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ligt volledig ingesloten door het Vlaams Gewest. Brussel is de hoofdstad van Vlaanderen, maar ook van de Franse Gemeenschap. In theorie is Brussel tweetalig, maar in de praktijk meertalig met Frans als voornaamste taal. Zoals elke grote stad deint Brussel verder uit naar de Vlaamse Rand, die bij het Vlaams Gewest hoort. Dat zorgt voor politieke, communautaire spanningen, die hoog op kunnen lopen.

Kenmerkend voor België was de wafelijzerpolitiek als middel om spanningen af te kopen, al dan niet in communautaire kwesties. Wafelijzerpolitiek kwam erop neer, dat voor elke overheidsinvestering op één plaats een overeenkomstige investering bij de concurrent moest staan of omgekeerd. Voorbeeld is het groots ogende Hellend vlak van Ronquières ter compensatie van de uitbreiding van de haven van Brugge-Zeebrugge.

Een heet hangijzer was tussen circa 2002 en 2012 de kwestie Brussel-Halle-Vilvoorde (B-H-V). Volgens het Grondwettelijk Hof was het handhaven van deze kiesomschrijving, terwijl overal elders per provincie werd gestemd, ongrondwettelijk. B-H-V werd opgesplitst in het tweetalig Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Nederlandstalige Halle-Vilvoorde, dat in het kiesdistrict Vlaams-Brabant opging. Dit weliswaar in ruil voor bijkomende financiering voor Brussel en taalfaciliteiten in Halle-Vilvoorde.

Als gevolg van de federalisering aan het einde van vorige eeuw, hebben de politieke partijen een metamorfose ondergaan. De grote unitaire (nationale) partijen werden gesplitst in een Franstalige en Nederlandstalige vleugel (BSP-PSB werd sp.a en PS; CVP-PSC werd CDV en cdH); sindsdien netwerken de politici uit de verschillende gewesten (c.q. gemeenschappen) eigenlijk vooral binnen hun taalgroep en verlopen de contacten over de taalgrens heen minder vlot, politici kennen elkaar niet zo goed meer (op het persoonlijke vlak), er ontstaat zo een soort publieke communicatie over de taalgrens heen waarbij de pers als proxy fungeert.

Met Sophie Wilmès kreeg België op 27 oktober 2019 voor het eerst een vrouwelijke eerste minister.

Na een revolutionaire opstand maakte België zich op 4 oktober 1830 onafhankelijk van Nederland. Een poging om opnieuw aan te sluiten bij Frankrijk mislukte, (zie rattachisme). België koos voor onafhankelijkheid met een koning aan het hoofd. België is de enige erfelijke constitutionele volksmonarchie ter wereld met aan het hoofd de Koning der Belgen. Dit werd, onder Engelse druk, een Duitse vorst die verwant was aan het Britse koningshuis, Leopold van Saksen-Coburg-Gotha. Zijn zoon Leopold II die de kolonie Belgisch-Congo schonk aan België, koning-ridder Albert, de in de koningskwestie omstreden Leopold III, de bij de bevolking geliefde Boudewijn en vervolgens diens broer, koning Albert II. In 2013 werd Filip de zevende koning der Belgen. België is sinds eind 20e eeuw een federaal land en een constitutionele monarchie met aan het hoofd een koning die formeel weinig politieke macht bezit, maar in de praktijk genoeg ervaring kan opbouwen om informeel politieke invloed uit te oefenen.

België bestaat als federale staat uit verschillende gemeenschappen en gewesten die naast de federale regering een eigen regering hebben. De Grondwet beschrijft België op de volgende wijze:

In België hebben de volgende bestuurslagen, territoriale onderdelen waar regels vastgesteld en/of beslissingen worden genomen over bepaalde gebieden en/of hun bewoners, bevoegdheden:

Daarnaast heeft België als lidstaat burgers bindende bevoegdheden overgedragen aan de supranationale Europese Unie.

De Belgische grondwet, In de tweede helft van de 20e eeuw was België verworden tot een in meerdere opzichten verzuild en verdeeld land, waar politieke leiders onderling formele en informele macht konden verdelen en waar een voedingsbodem ontstond voor schandalen en schandaaltjes.

De Belgische politiek werd opgezadeld met diverse schandalen waarop niet onmiddellijk een afdoend antwoord kon worden geformuleerd: de Agustazaak, de Bende van Nijvel, de ontvoering van oud-premier Paul Vanden Boeynants, de moord op André Cools en de zelfmoord van Alain Van der Biest. Het systematisch falen van de orde- en rechtshandhaving werd erg duidelijk na de arrestatie van Marc Dutroux en wekte verontwaardiging in heel het land. Reorganisatie van Gerecht en Politie drongen zich op. (Zie hieronder: Politie.)

Het Belgische federalisme is voor niet-ingewijden ingewikkeld en onoverzichtelijk, omdat het unitaire kenmerken vertoont (gewesten zijn -nog steeds- grotendeels financieel afhankelijk van de federale fiscus) en tegelijk confederalistische trekken heeft (politici moeten zich -steeds meer- tot een uitsluitend Vlaams of Franstalig kiespubliek richten).
Langzamerhand groeide de opinie dat de tweeledige maatschappelijke structuur van België geen unitaire politieke structuur meer verdraagt. België werd daarom steeds verder gedecentraliseerd in een vijftal staatshervormingen (1970, 1980, 1988–1989, 1993 en 2001–2003), om officieel in 1993 een echte bondsstaat te worden, met het zogenaamde bipolair federalisme als staatsvorm.

Dit federalisme, met als architect Wilfried Martens, loodgieter Jean-Luc Dehaene, federalist Hugo Schiltz, regionalist Guy Spitaels en de controversiële politicus Jean Gol kenmerkt zich door verschillende overheidslagen, elk met eigen verkozen volksvertegenwoordiging en regering:

De Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest hebben een gemeenschappelijk parlement en regering, beide met zetel te Brussel. De Brusselse leden van het Vlaamse Parlement mogen echter niet meestemmen over Vlaamse gewestaangelegenheden.

In Franstalig België ligt het ingewikkelder. De Franstaligen beslisten om hun afzonderlijke bestuursorganen, namelijk het Waals Gewest (zetel te Namen) en de Franse Gemeenschap (zetel te Brussel) gescheiden te houden.

De Duitstalige Gemeenschap heeft haar eigen parlement en regering (zetel Eupen).

Het meest gecompliceerd: in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en regering (zetel Brussel) bevoegd voor gewestmateries, en zijn de Vlaamse en Franse gemeenschappen elk bevoegd voor de eigen gemeenschapsmateries, via de Vlaamse, respectievelijk Franse Gemeenschapscommissie en hun uitvoerende organen (colleges). Voor zaken die beide gemeenschappen aangaan, is in Brussel de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (en college) bevoegd.

Gewesten en gemeenschappen kunnen decreten of (in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) ordonnanties uitvaardigen die kracht van wet hebben in het eigen gewest of de eigen gemeenschap. Een bijzonder rechtscollege, het Grondwettelijk Hof, waakt erover dat de wetgeving van de federale regering, de gemeenschappen en gewesten de bevoegdheidsverdeling tussen deze verschillende entiteiten eerbiedigt. Het Grondwettelijk Hof kan wetsbepalingen vernietigen die deze bevoegdheidsverdeling schenden.

Het pijnpunt vormen de financiën. Nu gebeurt er langs het federaal niveau door sociale zekerheid, investeringen, spoorwegen enz. een netto transfer van geld van noord naar zuid. Bij overheveling van meer bevoegdheden naar de gemeenschappen/gewesten en ook de financiering ervan zou de solidariteit tussen noord en zuid in het gedrang komen.

De hoofdstad van Vlaanderen is Brussel, de hoofdstad van Wallonië is Namen. Brussel is ook de hoofdstad van Franstalige Gemeenschap. De hoofdstad van de Duitstalige gemeenschap is Eupen.

De zes parlementen bestaan in totaal uit zeven wetgevende vergaderingen en tellen samen 537 verschillende leden:

De zes regeringen tellen samen 47 ministers en 7 staatssecretarissen:

Twee ministers van de Waalse regering zijn ook minister in de Franse Gemeenschapsregering. Er zijn dus geen 47 verschillende personen minister.

Het Vlaams Gewest (Vlaanderen) is ingedeeld in 5 provincies:

Ook het Waals Gewest (Wallonië) telt 5 provincies:

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoort tot geen enkele provincie.

De provincies bestaan weer uit diverse arrondissementen.
Aan het hoofd van elke provincie staat een gouverneur. De provinciale besturen hebben evenwel weinig gewicht. Hun bestaan wordt soms in vraag gesteld. Een van de taken van de provinciegouverneur is het coördineren van de hulpverlening bij rampen van grote omvang (bijvoorbeeld chemische ongelukken in de havens). Ook het besturen van belangrijke milieuzaken zoals kernenergie behoort tot zijn taken.

Elke Belgische gemeente heeft een gemeenteraad als wetgevende macht en een college van burgemeester en schepenen als uitvoerende macht, met als hoofd de burgemeester.

Als gevolg van de steeds sterker wordende tegenstellingen tussen Vlamingen en Franstaligen zijn de unitaire partijen in de jaren zestig en zeventig, dus nog voor België een federale staat werd, een voor een uit elkaar gevallen in aparte Vlaamse en Franstalige partijen: christendemocraten (CDV; cdH), socialisten (sp.a; PS), liberalen (Open Vld; MR) en groenen (Groen; Ecolo). België is daardoor een federaal land zonder federale politieke partijen, een unicum in de wereld en volgens een groeiend aantal mensen ook een risico voor het voortbestaan van het land.

Door de specifieke manier waarop België werd gefederaliseerd (op basis van taalgroepen), ontstonden er partijen die zich tot slechts één taalgroep richten. Uit het Vlaams-nationalisme zijn, na het Egmontpact in 1977 en het uiteenvallen van de Volksunie in 2001, de partijen Vlaams Blok, N-VA en Spirit voortgekomen.

Toen de vzw's die de organisatie en de financiën van het Vlaams Blok beheerden veroordeeld werden voor racisme, werd de partij omgedoopt tot het Vlaams Belang, dat als uiterst rechts geldt. Vlaams Belang en N-VA streven de onafhankelijkheid van Vlaanderen na en worden daarom als separatistisch beschouwd.

De voornaamste Franse taalpartij is het FDF, dat opkomt voor de belangen van de Franstalige Brusselaars. De partij maakte tot 2011 deel uit van het liberale MR.

Na de invoering van de kiesdrempel in 2003 kwam de trend om versnippering tegen te gaan door vorming van kartels. Zo ontstond sp.a-Spirit (Spirit werd later SLP en verbrak het kartel in 2008), VLD-Vivant (Vivant is intussen opgegaan in de Open Vld), CDV-N-VA (het Vlaams kartel, inmiddels uiteengevallen). Groen! (nu Groen) weigerde in 2004 om met sp.a mee in het kartel te stappen. Lijst Dedecker wilde geen gesprek meer met het Vlaams Belang en anderen over de vorming van een rechts front, een Forza Flandria.

Een bijkomende verwikkeling vormt de asymmetrie tussen Vlaanderen en Wallonië. Wallonië heeft een langere industriële geschiedenis, waardoor de socialistische PS er traditioneel sterker staat dan de Vlaamse socialisten van de sp.a. Vlaanderen kent een traditie van landbouw en katholicisme, waardoor de CDV veel sterker is dan haar Franstalige zusterpartij cdH.

Het Belgisch leger is een beroepsleger: de dienstplicht is afgeschaft. Het leger bestaat uit de Landcomponent, Luchtcomponent, Marinecomponent en de Medische component. De Marine legt zich vooral toe op mijnenvegen. De Luchtmacht bezit F-16 gevechtsvliegtuigen, transportvliegtuigen (C-130, geleasede Airbus) en helikopters (NH90, Agusta A109, Alouette III) en UAV (B-hunter). Het Landleger beschikte over Leopard tanks. De Medische afdeling is gespecialiseerd in behandeling van brandwonden, vooral in het militair hospitaal van Neder-Over-Heembeek. De elite-eenheid zijn de paracommando's, die een aantal keren actief waren in Congo. Het Belgisch leger is ingepast in de NAVO en heeft deelgenomen aan operaties in Bosnië, Kosovo, Libanon en Afghanistan. Belgische paracommando's werden ontwapend en vermoord tijdens hun inzet als blauwhelm in Rwanda.

Sedert de politiehervorming die in België werd doorgevoerd (wet van 7 december 1998) bestaat er nog maar één politiedienst, namelijk een geïntegreerde politie gestructureerd op twee niveaus. Die twee niveaus bestaan uit een federale politie en een lokale politie – die onderling communiceren via welbepaalde kanalen. De vroegere politiediensten (gemeentepolitie, gerechtelijke politie, rijkswacht, ...) werden afgeschaft. Dit was een gevolg van de zaak over Marc Dutroux die (jonge) meisjes ontvoerde en verkrachtte, waarbij de toen nog versnipperde politiediensten weinig efficiënt bleken.

Binnen België groeien de tegenstellingen langs de taalgrens. Eerder hebben Belgische politici nochtans wezenlijk bijgedragen aan de Europese eenwording. In 1921 ging België samenwerken met Luxemburg in de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en vanaf 1944 met Nederland en het Groothertogdom in de Benelux. Vooral Paul Henri Spaak heeft bijgedragen tot de EGKS, wat later de EEG en de EU werd. Brussel huisvest het Europees Parlement en de Europese Commissie in het Berlaymontgebouw. Zo ook herbergt België te Evere het hoofdkwartier van de NAVO en te Casteau de Supreme Headquarters Allied Powers Europe.

Verschillende Belgen vervullen een belangrijke functie binnen de Europese instituten. Herman Van Rompuy is de allereerste Permanente voorzitter van de Europese Raad of President van de Europese Raad (van regeringsleiders en staatshoofden) en Karel de Gucht EU-Commissaris voor Handel (vanaf 2010), Wilfried Martens Voorzitter van de Europese Volkspartij, Annemie Neyts Voorzitter van de Europese Liberalen ELDR, Guy Verhofstadt Fractieleider van de Liberalen in het Europees parlement
en Isabelle Durant ondervoorzitter van het Europees Parlement.

De economie van België is gebaseerd op diensten, vervoer en handel. Het belang van de industrie neemt steeds meer af. De mijnbouw is sinds de laatste mijn sloot in 1991, stopgezet. De productie van staal, chemische producten en cement waren traditioneel geconcentreerd in de valleien van Samber en Maas, in de Borinage rond Bergen, Charleroi, Namen en Luik en in het Kempens Steenkolenbekken. Luik en Charleroi zijn nog steeds staalcentra, maar de nieuwere metaalbedrijven zijn vooral ingeplant rond de havensteden Antwerpen, Gent en Brugge. De chemische producten omvatten meststoffen, kleurstoffen, geneesmiddelen en plastieken; de petrochemische industrie is geconcentreerd dicht bij de olieraffinaderijen van Antwerpen.

De textielproductie, die in de middeleeuwen begon, omvat katoen, linnen, wol en kunstvezels; tapijten en dekens zijn belangrijke vervaardigde producten. Gent, Kortrijk, Doornik en Verviers zijn alle textielcentra; Mechelen, Brugge en Brussel zijn beroemd vanwege hun kant. Andere industrieën omvatten diamantslijperij (Antwerpen is een belangrijk diamantcentrum), cement en glasproductie, en de verwerking van leer en hout. Meer dan 55 procent van de elektriciteit van België wordt opgewekt uit kernenergie.

De Belgische industrie hangt af van de invoer voor zijn grondstoffen. Het meeste ijzer kwam uit het bassin van Lotharingen in Frankrijk, terwijl de non-ferro metaalproducten van uit de koloniën ingevoerde grondstoffen worden gemaakt, waaronder zink, koper, lood en tin.

De uitvoer (handel) omvat ijzer en staal, vervoersapparatuur, tractoren, diamanten en aardolieproducten. De industriële centra zijn verbonden met elkaar en met de belangrijkste havens, Antwerpen, Brugge-Zeebrugge en Gent door de rivieren de Maas en de Schelde en hun zijrivieren, door een netwerk van kanalen (in het bijzonder Albertkanaal, het kanaal Gent-Terneuzen en het Boudewijnkanaal), en door een uitgebreid spoorwegnet.

België heeft veel vruchtbare en goed bewaterde grond, hoewel de landbouw een steeds kleiner percentage arbeidskrachten vertegenwoordigt. De belangrijkste gewassen zijn maïs, tarwe, haver, rogge, gerst, suikerbieten, aardappels en vlas. Rundvee en varkens evenals de zuivelproductie (vooral in Vlaanderen) zijn ook belangrijk. Het verwerkte voedsel omvat suiker vooral te Tienen, kaas en andere zuivelproducten; bier onder meer te Leuven en andere dranken worden ook vervaardigd.

Belangrijker dan landbouw is wellicht intensieve tuinbouw en fruitteelt, ook voor export, zowel in serres, ooit begonnen in het glazen dorp Hoeilaart, als in volle grond: witlof, spruiten, asperges, sla, tomaat, aardbeien en dies meer. Zo spreekt men in het Engels van Brussels sprouts en van Belgian endives en kent men in het Duits Brüsseler. De veilingen van Sint-Katelijne-Waver en van Hoogstraten zijn internationaal bekend. Ook hier speelt het wegennet een belangrijke rol om de geveilde waren snel naar de verbruikers te vervoeren.

De munteenheid is sinds 1 januari 2002 de gemeenschappelijke Europese munt euro (EUR) het enige wettelijke betaalmiddel. Voordien was dit de Belgische frank (BEF). Deze was reeds sinds 1 januari 1999 gekoppeld aan de gemeenschappelijke Europese munt. (1 euro = 40,3399 BEF) Van 1926 tot 1946 is er ook als munt de Belga geweest, die een waarde had van vijf BEF. Deze benaming was niet populair en werd in 1946 afgeschaft.

België produceerde 15 miljoen ton olie-equivalent (Mtoe) in 2016, 74% was kernenergie, 20% waren biobrandstoffen en afval. (1Mtoe = 11,63 TWh, miljard kilowattuur.) Deze productie binnen de landsgrenzen was niet genoeg om de nationale energievoorziening te dekken, het TPES (total primary energy supply): 57 Mtoe. Het land importeerde 49 Mtoe fossiele brandstof meer dan het exporteerde.

Van de energie ging ongeveer 14 Mtoe verloren bij conversie, vooral bij elektriciteitsopwekking met kernenergie. 8 Mtoe werd gebruikt voor niet-energetische producten zoals smeermiddelen, asfalt en petrochemicaliën. Voor eindgebruikers resteerde 34 Mtoe waarvan 7 Mtoe = 80 TWh elektriciteit.

De uitstoot van kooldioxide was 92 megaton, dat is 8,4 ton per persoon. Het wereldgemiddelde was 4,4 ton per persoon.

In de periode 2012–2016 veranderde het eindgebruik weinig. De met zon en wind opgewekte elektriciteit steeg 74% en leverde 10% van alle elektriciteit aan eindgebruikers in 2016.

België is een internationaal knooppunt voor goederen- en personenvervoer, met een uitgebreid wegennet van autosnelwegen en expreswegen. Het spoorwegennet wordt geëxploiteerd door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS). De eerste trein op het Europese vasteland reed in 1835 van Mechelen naar Brussel. De belangrijkste andere maatschappijen voor openbaar vervoer zijn de Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn, de Brusselse MIVB en de Waalse TEC. Die drie netten sluiten nauwelijks op elkaar aan, zodat versnippering ook hier de efficiëntie niet ten goede komt.

De haven van Antwerpen is op Rotterdam na de grootste van Europa. Er bevindt zich onder meer het op een na grootste petrochemisch complex ter wereld, na dat in Houston. Ook de haven van Brugge-Zeebrugge en de haven van Gent zijn belangrijke goederenhavens. Zeebrugge geldt als 's lands grootste passagiershaven, Europa's belangrijkste roro- en aardgashaven en 's werelds belangrijkste autohaven. Daarnaast heeft ook de haven van Oostende een aanzienlijk betekenis als rorohaven. Zeebrugge is de belangrijkste Belgische vissershaven, gevolgd door Oostende en Nieuwpoort. Brussel en Luik hebben belangrijke binnenhavens.

Er zijn civiele luchthavens bij Brussel (Zaventem), Charleroi (Gosselies), Antwerpen (Deurne), Luik (Bierset) en Oostende.

De uitgifte van de Belgische postzegels en het briefverkeer in België wordt verzorgd door bpost. De eerste postzegel werd uitgegeven in 1849.

De Nederlandstalige en Franstalige openbare omroepen zijn gevestigd te Brussel in hetzelfde complex aan de Reyerslaan. Voor de Nederlandstaligen is dat de VRT: Vlaamse Radio en Televisie. Voor de Franstaligen is dat de Radio-Télévision belge de la Communauté française (RTBF). (Bemerk de verwijzing naar België in de Franstalige benaming en de afwezigheid ervan in de Vlaamse benaming.) Daarnaast zijn er commerciële tv-stations als VTM, VIER, Q2 aan Vlaamse kant en RTL aan Franstalige kant. De openbare omroepen zenden elk verschillende radioprogramma's uit en krijgen steeds meer concurrentie van privézenders. Daarnaast zijn er erkende vrije radio's. De regeling daarvan gebeurt per taalgemeenschap, wat rond Brussel voor problemen zorgt omdat sommige FM-programma's van de ene taalgroep die van de andere taalgroep met een groter vermogen verdringen.

Er bestaan tientallen kranten en tijdschriften in de drie talen. Er zijn tien Vlaamse kranten waarvan die met de grootste oplage die van Het Laatste Nieuws is. Er verschijnen 18 Franstalige kranten, waarvan het Brusselse Le Soir de bekendste is. Voor de Duitstalige gemeenschap is er Grenz-Echo.

De kunststeden Brugge, Gent, Antwerpen, Mechelen en Brussel trekken toeristen voor hun historische gebouwen, begijnhoven, architectuur en musea onder meer het Plantin-Moretusmuseum als werelderfgoed. Vooral de art nouveau van onder meer Horta is uniek. Typische trekpleisters voor toeristen te Brussel zijn het atomium dat is overgebleven van Expo 58 en Manneke Pis. Japanse toeristen bezoeken dikwijls Brugge, Antwerpen en Hoboken, vanwege het in Japan populaire boek Een hond van Vlaanderen.

De kust trekt badgasten voor het strand, de zee en fietstochten. In Limburg werd in 2006 het eerste Vlaamse Nationaal Park geopend, door steeds meer toeristen ontdekt als fiets- en wandelgebied. Het fietsroutenetwerk is een concept dat hier is ontstaan na de mijnsluitingen. De Ardennen lokken toeristen voor wandeltochten, rotsbeklimmen en afdalingen van bergstromen met kajaks en in de winter langlaufen. Ook de scheepsliften bij La Louvière zijn werelderfgoed, net als de neolithische vuursteenmijnen van Spiennes. Bekende Belgische folklore, zoals de Gilles van Binche, het Ros Beiaard van Dendermonde, de Heilig Bloedprocessie van Brugge of de Ommegang van reuzen te Antwerpen, trekt ook veel toeristen. Spa is in het Engels synoniem voor kuuroord.

België kent een rijke traditie op gebied van schilderkunst. Deze begon rond de 15e eeuw met de Vlaamse Primitieven waaronder Jan van Eyck en Hans Memling en kwam in de renaissance- en barokperiode verder tot bloei met Quinten Matsijs, Pieter Bruegel de Oude, Peter Paul Rubens, Jacob Jordaens en Anthony van Dyck. Uit de 20e eeuw zijn de bekendste namen Constant Permeke, René Magritte, Paul Delvaux en James Ensor en actueel zijn vooral Luc Tuymans en Michael Borremans internationaal bekend.

Op vlak van literatuur telt België één Nobelprijswinnaar: Maurice Maeterlinck. Langs Franstalige kant zijn auteurs als Georges Simenon van commissaris Maigret en Amélie Nothomb het meest bekend. Hendrik Conscience, Ernest Claes en Felix Timmermans begonnen te schrijven in het Nederlands. Willem Elsschot, Gerard Walschap, Louis Paul Boon brachten dit tot verdere ontwikkeling. Johan Daisne en Hubert Lampo lanceerden het magisch realisme. Hugo Claus en Jef Geeraerts brachten literatuur met meer vaart. Hedendaagse schrijvers zijn Pieter Aspe, Herman Brusselmans, Kristien Hemmerechts en Anne Provoost. Beroemde dichters waren Guido Gezelle, Albrecht Rodenbach, Paul Snoek en Herman de Coninck.

Een mengvorm van het picturale en tekst zijn stripverhalen, met wereldberoemde striptekenaars als Hergé van Kuifje, Edgar P. Jacobs van Blake en Mortimer, Willy Vandersteen van Suske en Wiske, Marc Sleen van Nero, Pom van Piet Pienter en Bert Bibber, Jef Nys van Jommeke, Peyo van de Smurfen en Franquin van Guust.

De Belgische muziekgeschiedenis telt vele componisten. Adolphe Sax vond de saxofoon uit. Bekende muziekartiesten zijn Toots Thielemans, Jacques Brel, Axelle Red, Dani Klein en Arno Hintjens. Sandra Kim won het Eurovisiesongfestival in 1986.

De bekendste opera is De Munt te Brussel, waar de Belgische Revolutie begon na de opvoering van de Stomme van Portici.
Bekende ballet en moderne dans choreografen zijn Anne Teresa De Keersmaeker en Jeanne Brabants. Acteurs Jean-Claude Van Damme, Jan Decleir en Matthias Schoenaerts zijn internationaal bekend, de gebroeders Dardenne wonnen met hun films tot twee maal toe de Gouden Palm te Cannes en de film Rundskop en The Broken Circle Breakdown werden genomineerd voor een Oscar. De Antwerpse modeschool bracht met o.a. Dries Van Noten, Dirk Bikkembergs en Walter Van Beirendonck een aantal ontwerpers voort die ondertussen internationaal gerenommeerd zijn.

Het onderwijs behoort sedert 1980 tot de bevoegdheid van de gemeenschappen. Op enkele uitzonderingen na zijn er dus geen Belgische scholen meer, maar wel Nederlandstalige, Franstalige, of Duitstalige. Het onderwijs is ingedeeld in onderwijsnetten:

De grootste universiteit is de Katholieke Universiteit Leuven. Ze bestaat sinds 1425 en is daarmee de oudste van de Nederlanden. Daarnaast bestaan er Nederlandstalige universiteiten te Gent, Brussel, Antwerpen, Kortrijk en Hasselt, waar met Maastricht aan een transnationale universiteit wordt gewerkt. De Franstalige universiteiten liggen in Louvain-la-Neuve, Luik, Brussel, Bergen en Namen. De universiteiten van Leuven en Louvain-la-Neuve zijn katholiek en ook te Brussel bestond er een Katholieke Universiteit Brussel (inmiddels opgenomen in de KU Leuven) naast twee vrijzinnige universiteiten: de Nederlandstalige Vrije Universiteit Brussel en de Franstalige Université Libre de Bruxelles. Het onderwijslandschap is door opdeling in taal, levensbeschouwing en organisatie dus meer versnipperd dan in andere landen. In Antwerpen werden in 2003 een katholieke, stedelijke en rijksinstelling samengevoegd tot één instelling: Universiteit Antwerpen.

Bekende wetenschappers zijn Nobelprijswinnaar in 1977 Ilya Prigogine met zijn bijdragen tot de thermodynamica, Georges Lemaître die de Big Bang beschreef en Nobelprijswinnaar 2013 François Englert bekend van het Brout-Englert-Higgs-deeltje. Op vlak van geneeskunde leverde België de volgende Nobelprijswinnaars: in 1974 Albert Claude en Christian De Duve, in 1938 Corneille Heymans en in 1919 Jules Bordet. De traditie loopt terug tot Andreas Vesalius, Rembert Dodoens en Jan Palfijn. De farmacoloog Paul Janssen en Peter Piot die aids bestrijdt, sluiten ook bij die traditie aan. Dirk Frimout en Frank De Winne zijn de Belgische astronauten.

Voetbal is bij jongeren de meest beoefende sport. Al in het begin van de 20e eeuw groeiden voetbal en wielrennen uit tot de populairste sporten met uitgebreide verslaggeving door pers. Exponent daarvan is Eddy Merckx, een van de beste wielrenners aller tijden. Voordien waren er kampioenen als Rik Van Steenbergen en Rik Van Looy. Tijdgenoten waren Patrick Sercu, Herman Van Springel, Walter Godefroot, Roger De Vlaeminck, Lucien Van Impe en Freddy Maertens. Nadien kwamen wielerkampioenen Johan Museeuw, Peter Van Petegem, Tom Boonen, Philippe Gilbert en Greg Van Avermaet.

Populair is veldrijden met meervoudige wereldkampioenen als Erik De Vlaeminck, Roland Liboton, Sven Nys, Bart Wellens, Erwin Vervecken, Mario De Clercq en Niels Albert. Zo ook is België traditioneel sterk in motorcross met wereldkampioenen als Joël Robert, Roger De Coster, André Malherbe, Gaston Rahier, Eric Geboers, Harry Everts, Joël Smets en Stefan Everts.

België kent ook een traditie van atletiek, vooral afstandslopers als olympisch kampioen Gaston Roelants, Karel Lismont, Miel Puttemans en Ivo Van Damme. Dit zet zich door in triatlon met onder meer Marc Herremans, die na een zwaar ongeval nu als rolstoelatleet triatlon beoefent, Rutger Beke en Luc Van Lierde, die tweemaal de Iron Man won.

Biljart wordt veel beoefend. België domineerde de sport met driebandpionier René Vingerhoedt, Raymond Ceulemans die 35 keer wereldkampioen werd en Ludo Dielis die 9 maal wereldkampioen werd en meer recent als wereldkampioen de naamgenoot Eddy Merckx van de wielrenner. België kende succes in judo met Robert Van de Walle, Ingrid Berghmans, Ulla Werbrouck die olympisch goud won en Gella Vandecaveye. In vrouwentennis domineerden de Vlaamse Kim Clijsters en de Waalse Justine Henin.

Hoogspringster Tia Hellebaut won goud op de olympische spelen te Beijing. De Belgische sportarts Jacques Rogge is voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité. België heeft de 7e Olympische Zomerspelen 1920 georganiseerd te Antwerpen.

De Belgische eetcultuur ontwikkelde zich in de bourgondische levenshouding. Het schilderij De Boerenbruiloft van Pieter Bruegel de Oude beeldt dit uit. In het buitenland zijn de frieten vooral miskend als een Belgische uitvinding (men noemt het vaak french fries). Streekgerechten die het tot de internationale keuken hebben geschopt zijn wildgerechten zoals everzwijn, hert of terrines, Mechelse koekoek of Mechelse kapoenen, konijn met pruimen, mosselen, maar ook Gentse waterzooi en zijn visvariant Ostendaise dragen bij aan de reputatie van de Belgische keuken. Andere typische Belgische gerechten zijn stoofvlees, paling in 't groen, hutsepot en bloedworst met appelmoes, alsook de enorme variëteit aan charcuterie, koude vleeswaren.

De Belgische keuken is een burgerlijke variant op de Franse keuken. In 2007 waren er twee restaurants met drie Michelinsterren, tien met twee sterren en 89 met één ster.

België heeft meer dan 365 verschillende bieren. Met InBev is de grootste brouwerijgroep ter wereld Belgisch.

België is bekend om zijn chocolade, met name pralines (Belgische bonbons). Jean Neuhaus vervaardigde in 1912 de eerste praline, en zijn merk Neuhaus bestaat nu nog, naast onder meer Leonidas en Godiva. In het begin van de 20e eeuw was er vanuit Belgisch-Congo kwalitatief goede aanvoer van cacao en de verwerkingsnijverheid kon zich technisch verfijnen. Het grootste deel (meer dan 90%) van de in België geproduceerde chocolade bestaat uit kwaliteitschocolade met cacaoboter zonder toevoeging van andere (plantaardige of dierlijke) vetten. Naast de eerder genoemde chocolatiers, zijn er ook een heleboel artisanale chocolatiers die zeer hoogstaande producten afleveren, sommigen vervaardigen enkel chocoladeproducten (poppetjes en pralines), anderen hebben een beperkter productie die zij integreren in de rest van hun aanbod, als bakker-patissier, als restaurateur en dergelijke meer.

Het leefmilieu in België staat onder druk door de hoge bevolkingsdichtheid. Het land is met zijn autosnelwegen een draaischijf (transport langs het water, over de wegen en een druk luchtverkeer). Lintbebouwing is een erfenis van de gewoonte in het verleden om in Vlaanderen huizen langs alle steenwegen te bouwen in plaats van de dorpskernen uit te breiden. Er is suburbanisatie en door de aanleg van expreswegen raakten natuurgebieden meer en meer versnipperd.

Vooral in Antwerpen en Brussel laat de waterkwaliteit in de rivieren te wensen over. Toch is er vooruitgang. De kwaliteit van het Zennewater ten zuiden van Brussel is sinds 2000 aanzienlijk verbeterd (bron: Natuurpunt) sinds twee rioolwaterzuiveringsinstallaties, Brussel-Noord en Brussel-Zuid, werden geactiveerd nadat België door Europa in gebreke werd gesteld. Omdat de waterkwaliteit van de Zenne al in de 19e eeuw zo slecht was dat de rivier een gevaar voor de volksgezondheid betekende, werd besloten om de Zenne tijdens zijn loop door Brussel te overwelven. Tot de ingebruikname van de nieuwe waterzuiveringsstations in de vroege 21e eeuw stroomde het afvalwater van de stad Brussel ongezuiverd in de Zenne en daarna door het Vlaams Gewest via de Rupel en de Schelde. De Zenne is de enige rivier die door drie gewesten stroomt en een deel van de problematiek vindt daar zijn oorzaak. Alhoewel de Leie in de jaren 1990 nog sterk vervuild was en nauwelijks vis bevatte, is er nu een positieve kentering waar te nemen. In 2007 kon op alle plaatsen langs de Leie weer vis gevangen worden. Het water in Limburg is na de aanpak van de waterzuivering vaak van goede kwaliteit, maar in Wallonië is de waterkwaliteit van de Maas nog steeds een heikel punt. Sporadisch komt er industriële vervuiling voor, waardoor de drinkwatervoorziening van Antwerpen langs het Albertkanaal in het gedrang komt.

De lucht rond Kortrijk-Roeselare, Antwerpen, Brussel, Brugge-Zeebrugge, Luik, Charleroi en de Gentse Kanaalzone is even verontreinigd als in het Ruhrgebied in Duitsland. Het massale autoverkeer en de landbouw zorgen voor te hoge concentraties fijn stof en ozon in de lucht, vooral bij warm weer in de zomer en bij inversie in de winter. Rond Antwerpen bevindt zich een van de grootste concentraties van petrochemische industrie ter wereld. Ten noorden van Gent, vooral door de staalindustrie, bevat de lucht een grote hoeveelheid kankerverwekkende stoffen en fijn stof. In de rest van België, vooral in Wallonië (behalve dan de gebieden rond Luik en Charleroi, waar staalindustrie en cementovens ingeplant zijn), is het beter gesteld met de lucht doordat daar grotendeels bossen en landbouwvelden liggen. Het huishoudelijk afval van het Brussels gewest werd jarenlang verbrand in de afvalverbrandingsinstallatie van Neder-Over-Heembeek volgens minder strenge normen dan geldig in Vlaanderen (VLAREM), hoewel de rookgassen bij de overheersende wind naar het Vlaams gewest dreven. Ook dit is pas na tussenkomst van Europa verbeterd.

Op meerdere plaatsen is de bodem verontreinigd door de industrie (blackpoints). Maar ondanks deze vervuiling is dit een van de betere punten in België op gebied van het milieu. Het is minder goed gesteld in andere landen in Europa zoals Nederland (vanwege industrie en bemesting). Vooral in West-Vlaanderen ligt het nitraatgehalte van het grondwater hoog door intensieve varkensteelt voor export. De verschillende mestactieplannen bleven in praktijk deels dode letter. Rond Overpelt is er een historische grondvervuiling met zware metalen als cadmium vanwege de vroegere activiteiten van non-ferro industrie van Union Minière. Zo ook in Hoboken ten zuiden van Antwerpen: vervuiling met lood. Te Kapelle-op-den-Bos bestaat ook historische vervuiling met asbest van Eternit. Rond Genk is er vervuiling met onder meer nikkel van ArcelorMittal.Te Mol bestaat radioactieve vervuiling van luchtgekoelde experimentele kernreactors en bij Dessel bestaat vervuiling van opslag van lekkende vaten radioactief afval. Rond Tessenderlo is er vervuiling door lozingen van Tessenderlo Chemie in de Nete.

Met de drukke menselijke activiteit vormt ook lawaai een pijnpunt. Een typisch voorbeeld vormt Brussels Airport te Zaventem. De Vlaamse, Brusselse en Waalse instanties leggen verschillende geluidsnormen op, om de hinder van vooral nachtvluchten van vooral DHL naar de andere gewesten te verplaatsen.




#Article 93: Barokmuziek (204 words)


Barokmuziek is een vorm van westerse klassieke muziek gecomponeerd in de periode van de barok, die in de muziek loopt van ca. 1600 tot ca. 1750. De barok wordt globaal gemarkeerd door de laat-16e-eeuwse revolte tegen polyfonie, die aanleiding gaf tot de opkomst van de opera, en het sterfjaar van Johann Sebastian Bach.

Als stijl was het de opvolger van de renaissancemuziek. Geleidelijk aan maakte de stile antico, de universele polyfone stijl van de 16e eeuw met meestal gewijde muziek, plaats voor de stile moderno of nuove musiche, bedoeld voor seculier gebruik.

Jacob Burckhardt gebruikte in 1855 als eerste de term barok om een bepaalde stijlperiode in de kunst aan te duiden. Ruim een halve eeuw later werkte Alois Riegl de stijlkenmerken verder uit in zijn boek Die Entstehung der Barockkunst in Rom.

De barokmuziek kon in het bijzonder gedijen door de bloeiende muziekcultuur aan de diverse Europese vorstenhoven. Veel rijke hooggeplaatsten hadden musici/componisten in dienst en/of fungeerden als hun mecenas. Veel hoogtijdagen en festiviteiten werden opgeluisterd door speciaal voor die gelegenheid in opdracht gecomponeerde werken. Ook ten behoeve van kerkelijke erediensten werden in het tijdperk van de barok nieuwe muziekvormen ontwikkeld.

Kenmerken van barokmuziek zijn onder andere:

Vormen van barokmuziek zijn onder andere:




#Article 94: Biologie (830 words)


Biologie is de natuurwetenschap die zich richt op levende organismen, levensprocessen en levensverschijnselen. De biologie omvat een breed scala aan vakgebieden waarin men onderzoek doet naar fysieke structuur, chemische processen, moleculaire interacties, fysiologische mechanismen, ecologische samenhang, ontwikkeling en evolutie. Biologie erkent de cel als de fysieke basiseenheid van het leven, genen als de basiseenheid van erfelijke informatie en evolutie als het mechanisme achter het ontstaan en het uitsterven van soorten. Levende organismen zijn open systemen die in staat zijn te overleven door bruikbare omzettingen van energie en door handhaving van hun vitale toestand.

Moderne biologie is overwegend een exacte natuurwetenschap, waardoor experimentele, kwantitatieve benaderingen en causale verklaringen centraal staan. Per vakgebied worden echter verschillende onderzoeksmethoden gehanteerd: wiskundige of theoretische biologie omvat de filosofie van de biologie en gebruikt wiskundige methoden om kwantitatieve modellen te formuleren. Experimentele biologie omvat omvat beschrijvend onderzoek en empirische benaderingen, waarin de geldigheid van voorgestelde theorieën wordt getest. Veel principes uit de biologie zijn gebaseerd op de toepassing van scheikundige en natuurkundige wetten op levende systemen.

De term biologie is afgeleid van de twee Oudgriekse woorden  (bíos) en  (lógos). Bíos betekent het leven of de bewoonde wereld. Lógos is de rede, de ratio of wetenschap. Het woord biologie zou voor het eerst gebruikt zijn door de Duitser Karl Friedrich Burdach, fysioloog en anatoom in 1800, de Duitser Gottfried Treviranus, arts en wetenschapper in 1802 en, eveneens in 1802, de Fransman Jean-Baptiste de Lamarck in zijn werk Hydrogéologie. Lamarck is van de drie het bekendst gebleven, aangezien hij beschouwd wordt als de eerste evolutiebioloog en naar hem het lamarckisme is genoemd.

Biologie is een natuurwetenschap die zich bezighoudt met de studie van het leven en levende organismen, met inbegrip van hun (moleculaire) structuur, mechanisme, functie, groei, oorsprong, evolutie, ecologie, verspreiding en biosystematiek (inclusief taxonomie).

Biologie omvat veel onderverdelingen, onderwerpen en disciplines. Er zijn vijf fundamentele axioma's in de moderne biologie, die de basale kenmerken van levende systemen behelzen:

Verdere belangrijke eigenschappen van het leven zijn:

Hoewel volgens deze omschrijvingen de virussen niet tot het leven gerekend worden, wordt de virologie toch als onderdeel van de biologie beschouwd omdat virussen in hun erfelijke materiaal overeenkomsten vertonen met dat van levende organismen en omdat zij evolutie vertonen.

De wetenschap van de biologie begint met de geneeskunde en de natuurlijke historie, zoals die werden ontwikkeld in het oude Griekenland en het oude Rome, met Aristoteles en de arts Claudius Galenus als belangrijke namen.

De biologie werd in de middeleeuwen verder ontwikkeld door moslimgeneeskundigen en geleerden als al-Jahiz, Avicenna, Avenzoar en Ibn al-Nafis.

In de periode van de Europese renaissance tot de vroegmoderne tijd raakte men beïnvloed door het empirisme, dat stelt dat kennis uit de ervaring voortkomt. Natuuronderzoekers gingen zich toeleggen op waarnemingen in het veld, experimenten op en ontleding van organismen, met geleerden en geneeskundigen als Andreas Vesalius, William Harvey, Carl Linnaeus en Georges-Louis Leclerc de Buffon, waardoor de biologische kennis snel toenam.

In de vroege 17e eeuw werden de resultaten van de voortschrijdende technische kennis in de microscopie zichtbaar, met onderzoekers als Robert Hooke, Antoni van Leeuwenhoek en Jan Swammerdam.

In de 18e en 19e eeuw specialiseerde het biologisch onderzoek zich in vakgebieden als de botanie en de zoölogie. Bekende wetenschappers uit deze periode zijn Antoine Lavoisier, Alexander von Humboldt, Charles Darwin, Gregor Mendel. Zij legden mede de basis voor biogeografie, evolutiebiologie, ecologie, genetica, celbiologie, bacteriologie, morfologie, anatomie, embryologie en ethologie.

In de 19e eeuw zijn de grondslagen van de biologie geformuleerd:

Tot ver in de 19e eeuw was biologie voornamelijk bekend als natuurlijke historie, botanie en zoölogie, alle overwegend beschrijvende wetenschappen, die zich vooral bezighielden met de (bio)systematiek, dus inclusief de vorm (morfologie, anatomie) en de classificatie en evolutie van taxa (taxonomie). Daarna kwam er steeds meer aandacht voor het functioneren van organismen, de fysiologie, en voor experimentele methoden.

In de vroege 20e eeuw is de herontdekking van het werk van Gregor Mendel, later volgt het baanbrekende werk aan de structuur van het DNA door Francis Crick en James Watson. Het werd duidelijk dat DNA-moleculen de belangrijkste drager van erfelijke informatie zijn in alle bekende organismen en dat de genetische code voor alle organismen vrijwel identiek is.

Biologie is in de twintigste eeuw een zelfstandige wetenschap geworden, met eigen instituten en opleidingen. De grenzen met aanpalende vakgebieden vervagen echter in de loop van de tijd. Veel onderzoeks- en onderwijsprogramma's omvatten biochemie, biofysica, biomathematica, bio-informatica, medische vraagstukken en milieuwetenschappen. Er zijn dus grensgebieden met andere vakken zoals scheikunde, natuurkunde of fysica, geologie, geografie, medicijnen, wiskunde, informatica, sociologie en psychologie.

De biologie kan op verschillende manieren in deelgebieden worden onderverdeeld.

Een veelgebruikte onderverdeling is op organisatieniveau, waarbij sommige specialisaties zich op meerdere niveaus kunnen richten:

Bijzondere biologie is een wat oudere term voor de biologische vakgebieden die betrekking hebben op de systematiek van de soorten van bepaalde taxonomische groepen.

Een indeling naar de studie van bouw en ontwikkeling:

Een indeling op natuurlijke processen:

Een ecologische indeling:

Een indeling naar wetenschappelijke methode:

Een indeling naar toepassingsgebied:

Integratie van grote deelgebieden




#Article 95: Brussel (stad) (1802 words)


De gemeente Brussel (Frans: Bruxelles of Ville de Bruxelles) is de hoofdstad van België, van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De gemeente telt ongeveer 180.000 inwoners, waarvan ongeveer een derde in de historische Vijfhoek woont, ongeveer de helft in de noordelijke uitbreiding, in de deelgemeentes Laken, Neder-over-Heembeek en Haren, en de rest in de buurten rond de Louizalaan, het Ter Kamerenbos (samen de zuidelijke uitbreiding) en in de oostelijke uitbreiding, de Europese wijk, waarvan het grootste gedeelte ook bij de gemeente hoort.

De gemeente Brussel is naar het inwoneraantal de op vier na grootste gemeente in België. Het hele Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vaak ook gewoon Brussel genoemd, omvat in totaal 19 gemeenten met ongeveer 1,2 miljoen inwoners. Het stedelijk gebied, inclusief de voorsteden, telt ruim 1,8 miljoen inwoners en is daarmee het grootste van het land.

De plaatsnaam Brussel komt van 'Bruocsella' (in het Frankisch: bruoc + sella), wat evolueerde tot Broekzele, wat betekent nederzetting (zele) bij het moeras (broek).

Brussel ontstond rond een burcht op een eiland in de Zenne. Toen de stad uitdeinde bouwde men een eerste stadsomwalling, waarvan nog enkele delen bewaard zijn gebleven. Al snel bleek deze te klein en een tweede vijfhoekige stadsomwalling werd gebouwd. Deze omvatte zeven heuvels: de Koudenberg, de St.-Michielsberg, de Warmoesberg, de Kunstberg, de St.-Pietersberg, de Zavel en de Kruidtuin.

De stad werd achtereenvolgens de hoofdstad van het hertogdom Brabant, de Zeventien Provinciën, de Zuidelijke Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (tezamen met Amsterdam), België, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en is het bestuurlijk centrum van de Europese Unie.

In 1853 werd het gebied van de Europese Wijk aangehecht met de oostelijke uitbreiding van Brussel, in 1864 volgden het Ter Kamerenbos en de erheen lopende Louizalaan met de zuidelijke uitbreiding van Brussel en in 1921 kende de gemeente zijn grootste uitbreiding met de aanhechting van Haren, Laken, Neder-Over-Heembeek en de noordelijke uitbreiding.

Alle historische gegevens hebben betrekking op de huidige gemeente, inclusief Laken, Haren en Neder-over-Heembeek.

Door het internationale karakter van Brussel en het grote aantal buitenlanders en bewoners uit Vlaanderen en Wallonië zijn er in Brussel nog maar weinig echte Brusselaars te vinden. Ze kregen zelfs een speciale benaming. Zo is een Ketje een oorspronkelijke inwoner van Brussel die er samen met zijn beide ouders geboren en getogen is. Een Zinneke is er eveneens geboren, doch heeft slechts één ouder die zich Ketje mag noemen. Kenmerkend is hun taalgebruik.
Het oorspronkelijke Brussels is een Brabants dialect. Het kenmerkt zich taalkundig gezien door de vele leenwoorden uit het Frans en door Franse uitspraak van Nederlandse woorden. Het ontwikkelde zich uit de lokale variant van het Middelnederlands dat er in de Middeleeuwen gesproken werd.
Er bestaat ook een Brusselse variant van het Frans. Daarin vindt men vele leenwoorden uit het Nederlands en door het Nederlands beïnvloede uitspraak. In het artikel over het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is meer informatie te vinden over het gebruik van de beide officiële talen in Brussel.

Het bestuur van de stad bestaat uit PS, Groen-Ecolo, Défi en Change.brussels (een lokale lijst rond sp.a).

De volgende personen maken deel uit van het bestuur:

De verkiezingen vinden alle zes jaar op de tweede zondag van oktober plaats.

Op 1 januari 1983 verloren de Brusselse liberalen hun burgemeesterszetel die ze al van voor de Belgische onafhankelijkheid in handen hadden en werd voor het eerst een socialist burgemeester van Brussel. Zie voor een overzicht van alle burgemeesters van Brussel de lijst van burgemeesters van Brussel.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 werd het kartel PS-sp.a de grootste met 18 zetels, gevolgd door het cdH (in feite het kartel cdH-CDV) met 10 zetels. Derde werd het kartel MR-Open Vld met eveneens 10 zetels; Ecolo-Groen werd vierde met 7 zetels. Tot slot behaalde het FDF 3 zetels en de N-VA 1 zetel. Hierop werd een paarse meerderheid gevormd tussen PS-sp.a en MR-Open Vld, goed voor 28 van de 49 zetels. Op 9 juni 2017 stapte de sp.a echter uit de coalitie wegens onregelmatigheden betreffende de toenmalige burgemeester Yvan Mayeur met betrekking tot daklozenorganisatie Samusocial. Sindsdien is Philippe Close burgemeester van Brussel-stad.

(*) 1976: MERGAM / 1982: FNK (1,63%), ECO-BXL (0,52%), Depha (0,31%), RPR-KVV (0,08%) / 1988: PFN (1,4%), EVA (0,85%), PLI (0,2%) / 1994: Demare (1,55%), Merci (0,62%), Plus (0,51%), RDB (0,19%) / 2000: FNB (1,75%), Vivant (1,63%) / 2006: UNIE (0,14%), Verleyen (0,20%), PH-HP (0,16%), Parti Solutions (0,35%), Force Citoyenne (0,3%) / 2012: Pirates-Piraten (1,38%), Egalité (1,13%), Belg-Unie (0,69%) / 2018: Plan B (0,87%), Citoyen d'Europe M3E (0,29%), La Droite (0,69%), Salem (0,55%)

De volgende gemeenteraad wordt op zondag 13 oktober 2024 gekozen.

Voor Brussel, net zoals voor de andere gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, geldt dat het aantal kiezers in verhouding tot het aantal inwoners erg laag ligt, zowel absoluut als in vergelijking met de rest van het land. Dit is het gevolg van het hoge aandeel niet-Belgische inwoners (ook al kunnen deze onder bepaalde voorwaarden over gemeentelijk stemrecht beschikken). Daarnaast ligt ook het aantal kiezers dat niet komt opdagen, ondanks de stemplicht, erg hoog zodat het totaal aantal uitgebrachte stemmen, inclusief ongeldige en blanco, in de 19 gemeenten van het gewest slechts 44,66% van het aantal inwoners bedraagt. Brussel scoort slechter met een verhouding van 40,33% uitgebrachte stemmen/inwoners.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 14 oktober 2012 was de verhouding kiezers/inwoners en absenteïsme als volgt:

Ter vergelijking:

Brussel wordt vaak beschouwd als de de facto hoofdstad van de Europese Unie. Het Europees Parlement vergadert hoofdzakelijk in Brussel en de stad is tevens de vestigingsplaats van de Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie. Ook het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Europees Comité van de Regio's en talrijke Europese agentschappen zijn in Brussel gevestigd.

De meeste Europese instellingen zijn gegroepeerd in de Leopoldswijk, of ook de Europese Wijk genoemd. Om deze instellingen te huisvesten werden tal van nieuwe wolkenkrabbers opgetrokken als het Berlaymontgebouw, het Justus Lipsius-gebouw, de Madoutoren, het Karel de Grote-gebouw, Résidence Palace en talrijke andere.

In de Brusselse deelgemeente Haren is het hoofdkwartier van de NAVO gevestigd, alsmede de hoofdzetel van EUROCONTROL.

Enkele kerken zijn onder andere:

Brussel heeft zoals veel andere Belgische steden een levendig uitgaansleven. Vele uitgaansgelegenheden liggen verspreid over de stad, maar in het centrum is vooral het gebied rond de Beurs en het Sint-Goriksplein bekend als uitgaansbuurt. Enkele bekende cafés zijn Den Coninck van Spaignien, biercafé Délirium, à la Mort Subite, Le Poechenellekelder, en Het Goudblommeke in Papier.

Daarnaast zijn er in de stad vele restaurants, waarvan onder meer Alexandre, Comme Chez Soi, Sea Grill, Villa Lorraine en WY zijn onderscheiden met een of meerdere Michelinsterren.

Belangrijke zalen zijn de Ancienne Belgique, de Munt, de Beursschouwburg en de KVS. In 1993 vestigde zich het Kaaitheater, als een centrum voor dans, theater en performance, aan het Saincteletteplein. Sinds 2005 heeft Brussel ook een casino.

In 1987 werd het voormalige goederenstation Thurn en Taxis geklasseerd en kreeg het een culturele en recreatieve bestemming. Tot 2016 vond hier jaarlijks het festival Couleur Café plaats, dat sinds 2017 naar het Osseghempark verhuisde. Tegenover Thurn en Taxis, langs het Bécodok in de kanaalzone, organiseren sinds de jaren zeventig twee boten, Ric's Artboat en Ric's Riverboat, artistieke activiteiten, festiviteiten en culturele projecten.

Brussel kent bovendien een reeks cafés gericht op holebi's, die met name aan en rond de Kolenmarkt gelegen zijn, zoals Le Belgica, Le Soleil en Le Détour (voorheen L'Homo Erectus). Een feest voor deze doelgroep dat internationale aantrekkingskracht geniet is La Demence, dat sinds 1994 in de bekende technodiscotheek Fuse in de Blaesstraat wordt gehouden.

Binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelden het Frans en het Nederlands als officiële talen. De meeste inwoners, forenzen, en 'vaste' buitenlanders gebruiken nochtans vooral het Frans als aanspreektaal. Deze gewoonte is ontstaan door de combinatie van de numerieke verhoudingen van de verschillende taalgroepen in Brussel, de relatieve meertaligheid van de Vlamingen in Brussel, en de relatief lagere kennis van andere talen onder de Franstaligen. Volgens onderzoek worden in Brussel opmerkelijk veel verschillende talen gesproken in thuisverband, en bestaan er ook veel taalgemengde gezinnen.

De economie van Brussel wordt gedomineerd door activiteiten in de dienstensector en de openbare instellingen. Vaak zijn die activiteiten verbonden met de hoofdstedelijke functie:

Een belangrijk zakendistrict is de Noordruimte (Espace Nord) ten noorden van het centrum, rond het Noordstation. Het gebied wordt gekenmerkt door hoogbouw. Ook direct ten oosten van het centrum wordt het stadsbeeld door kantoren (laagbouw) gedomineerd. Het Central Plaza gebouw dicht bij het Centraal Station heeft op 15 verdiepingen 23.000 m² kantoren.

Dankzij de aanwezigheid van de Europese instellingen hebben vele internationale bedrijven een vestiging in Brussel gekozen. Hierdoor is er in Brussel, ook in economisch mindere tijden, een stabiele grote vraag naar kantoorruimten. De stad is de op twee na belangrijkste zakenstad van Europa, na Londen en Parijs. Ook is Brussel een belangrijke congresstad en is de stad onlangs Washington DC voorbijgestreefd als belangrijkste diplomatenstad ter wereld.

Bekende winkelstraten zijn de Nieuwstraat, de Louizalaan en de Antoine Dansaertstraat. Een van de bekende winkelgalerijen in Brussel zijn de Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen.

Vanwege de centrale ligging binnen België is Brussel via meerdere snelwegen bereikbaar. Zo hebben steden als Gent, Brugge, Antwerpen, Luik, Namen, maar ook Amsterdam, Rotterdam, Keulen, Parijs en Luxemburg goede wegverbindingen met Brussel.

De stad telt twee concentrische verkeersassen, onderling verbonden door grote lanen:

Op 28 juni 2015 werden de centrale lanen gedeeltelijk afgesloten en werd een zone van 50 ha in het centrum autovrij, het op een na grootste autovrije centrum van Europa, na Venetië.

Reizigers kunnen gebruikmaken van verschillende treinstations. De belangrijkste voor het personenvervoer bevinden zich op de noord-zuidverbinding.

Alle nationale reizigerstreinen die Brussel aandoen, stoppen in Brussel-Noord, Brussel-Centraal en Brussel-Zuid. In Brussel-Kapellekerk en -Congres houden enkel een paar stoptreinen halt. Alle treinen richting Namen en Luxemburg stoppen op Station Brussel-Luxemburg en station Brussel-Schuman, nabij de Europese instellingen.

Vanuit Brussel zijn steden als Amsterdam, Rotterdam, Londen, Keulen, Parijs en Rijsel per trein in 1-2 uur te bereiken. Een treinreis naar Frankfurt, Lyon en Straatsburg duurt 3-4 uur. De treinen naar Marseille, Montpellier en Nice leggen meer dan 1000 km af in 5 uur.

De Brusselse metro telt 60 stations, verspreid over twee assen. Sinds april 2009 is er een metrolijn toegevoegd waardoor er meer en snellere verbindingen mogelijk zijn.
Verder is er een uitgebreid tramnetwerk, met als zwaartepunt de noord-zuidverbinding (Zuidstation - Beurs - Noordstation, parallel met de noord-zuidverbinding van de treinen). Enkele tramverbindingen gaan tot de plaatsen in de Vlaamse Rand, zoals Groot-Bijgaarden, Tervuren, Drogenbos en Wezembeek-Oppem.

Een uitgebreid busnetwerk zorgt ervoor dat bijna elke plek in en rond het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met het openbaar vervoer bereikbaar is. Het lokale vervoer binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt hoofdzakelijk uitgevoerd door de MIVB. Het vervoer in relatie met Vlaanderen wordt hoofdzakelijk verzekerd door De Lijn, het vervoer naar Wallonië hoofdzakelijk door de TEC.




#Article 96: Beeldende kunst (1417 words)


Beeldende kunst is de vorm van kunst waarbij de afbeelding, of het visuele, voorop staat. De afbeelding wordt gerealiseerd, of uitgebeeld, in de vorm van een kunstobject. Een kunstobject kan een platte vorm aannemen, bijvoorbeeld een schilderij, of een ruimtelijke vorm, bijvoorbeeld een beeldhouwwerk. In Engelssprekende landen spreekt men van 'the visual arts'. Beeldende kunst wordt, met een gallicisme, ook wel plastische kunst genoemd (Frans: les arts plastiques). Plastisch betekent tastbaar, materieel; deze materialiteit staat in tegenstelling tot de abstractie van de  podiumkunsten: dans, toneel en muziek, die zich in de tijd afspelen. Beide soorten kunst geven de toeschouwer een esthetische beleving, in de vorm van een uitzonderlijke, zintuiglijke ervaring.

Beeldende kunst ontstaat vooral in het atelier maar ook op straat of in tijdelijke ruimtes, en wordt aan het publiek gepresenteerd in tentoonstellingen in musea, galeries, kunstenaarsinitiatieven, en de openbare ruimte. Minder openbaar zijn de kunstverzamelingen van instellingen, overheden en privéverzamelaars.

Doorgaans neemt men de prehistorische kunst vanaf 40.000 jaar geleden, zoals de beschilderde grotten van Lascaux, Chauvet en de in 2019 ontdekte archeologische site op Sumatra als startpunt voor de beeldende kunstgeschiedenis.

Een beeldend kunstwerk als autonoom, opzichzelfstaand object, los van een religieuze of ideologische context, kwam op in de renaissance. Voor die periode werden de meeste kunstobjecten anoniem vervaardigd; nadien signeerden de meeste kunstenaars hun werken. Men maakt onderscheid tussen antieke of oude, moderne en hedendaagse beeldende kunst.

Met antieke kunst wordt meestal kunst uit de oudheid bedoeld. Oude of historische werken behoren tot de kunst van voor de 20e eeuw. Met moderne kunst wordt over het algemeen kunst vanaf het begin van de 20e eeuw tot ongeveer de jaren 60 aangeduid, die valt onder verschillende vernieuwende stromingen zoals het abstract expressionisme en het futurisme. Daarna spreekt men van hedendaagse kunst, en soms ook wel van actuele kunst, die zich kenmerkt door een uitwaaierende hoeveelheid verschijningsvormen en media, en een toenemend conceptualisme.

In de 20e eeuw ging de beeldende kunst in toenemende mate kruisbestuivingen aan met andere kunstdisciplines als muziek en performance. Ook kwamen er nieuwe media op: kunstfotografie, film en installaties.

In de hedendaagse kunst zet die trend door, wat leidt tot een verbreding van genres:

Op kunsthogescholen wordt onderricht gegeven in vrije en toegepaste kunstvormen. Vormen van vrije kunst zijn bijvoorbeeld de studierichting monumentale vormgeving, waartoe beeldhouwen en schilderen behoren. Vormen van toegepaste kunst zijn bijvoorbeeld: architectuur, binnenhuisarchitectuur, industrieel design, typografie voor handelsdrukwerk boeken en tijdschriften, meubeldesign, decorontwerp.

In Nederland en België valt het kunstonderwijs onder de hogescholen en is het volgens de EU normen opgedeeld in een bachelor en mastergraad. In België is inmiddels het doctoraat in de kunsten als extra specialisatie ingeburgerd, aangeboden door kunsthogescholen in een academisch verbond met universiteiten. Voorbeelden zijn LUCA School of Arts, Brussel en de Universiteit Leuven, het KASK en de Universiteit Gent, en de KASKA en de Universiteit Antwerpen. In Nederland bestaat daarvoor het Phdarts programma van KABK (Den Haag) en de Universiteit Leiden.

Nederland heeft een aantal postacademische kunstopleidingen of ateliers, waaronder de Rijksakademie, het Sandberg Instituut en De Ateliers in Amsterdam, en de Jan van Eyck academie in Maastricht. In België bestaat het HISK in Gent.

België heeft een uitgebreid DKO (Deeltijds Kunstonderwijs) netwerk, met daarin een breed aanbod aan opleidingen voor jongeren en volwassenen. Ook bestaan er de Kunsthumaniora, het kunstsecundair onderwijs. In Nederland zijn er voornamelijk lokale cursussen en academies.

De financiële waarde van beeldende kunst is afhankelijk van verschillende factoren, waarbij de esthetische waarde of het kijkplezier vaak ondergeschikt is aan de naam van de kunstenaar, de plaats van een werk in een oeuvre en de verwachtingen van de galerie en de koper.

De geldwaarde van beeldende kunst wordt vooral benadrukt wanneer het gaat om werken die recordprijzen behalen. Hier gaat het vaak om grote namen en oude meesters als Rembrandt, Vincent van Gogh of Picasso. De (internationale) kunstmarkt bestaat uit galeries, veilinghuizen en beurzen.

Kunstbeurzen zijn bedoeld voor de handel in beeldende kunst. Er zijn verschillende kunstbeurzen in Nederland en België. Voor actuele kunst zijn hier de internationaal georiënteerde beurzen Art Rotterdam en Art Brussels het belangrijkste. Op de jaarlijkse kunstbeurs in de Rai, de KunstRAI, komen zo'n honderdvijftig galerieën bijeen om werken van beeldende kunst te verhandelen. Daarnaast zijn er onder meer TEFAF in Maastricht, BRAFA in Brussel en Art  Antiques in 's-Hertogenbosch voor kunsthistorische objecten en moderne kunst. Unseen is een beurs in Amsterdam die zich vooral op fotografie richt, terwijl Art on Paper in Brussel voor tekeningen bedoeld is.

Vaak worden tijdens grotere kunstbeurzen in de nabije omgeving ook kleinere, minder commerciële beurzen opgezet, zoals de Affordable Art Fair in Amsterdam en Brussel.

Er zijn ook kunstbeurzen waaraan kunstenaars kunnen deelnemen zonder vertegenwoordigd te zijn door een galerie. De grootste organisator van deze beurzen is De Kunst Collega's. Zij organiseren beurzen als de Annual Dutch Art Fair, de EuropArtFair, Art Eindhoven, Art Arnhem en de Brabant Art Fair. Daarnaast is een van de oudste kunstbeurzen waaraan kunstenaars zélf kunnen deelnemen georganiseerd door Stichting Kunstweek. Deze kunstbeurs heeft als naam de Nationale Kunstdagen en vindt jaarlijks plaats in de Beursfabriek in Nieuwegein.

Om de hedendaagse beeldende kunst naar een breder publiek te promoten organiseren sommige steden jaarlijks manifestaties, zoals het Amsterdam Art Weekend, het Antwerp Art Weekend en de Brussels Art Days. In veel steden worden in de zomer laagdrempelige kunstmarkten en braderieën gehouden waar regionaal werkende kunstenaars en ambachtslieden zelf hun oeuvre presenteren en verkopen.

Een alternatief voor de grote kunstbeurzen waarin de kunsthandel centraal staat, was de door het Sandberg Instituut in het leven geroepen Kunstvlaai, die tussen 2007 en 2012 elk jaar plaatsvond; dit was een samenwerking en presentatie van kunstenaarsinitiatieven.

De oudste tweejaarlijkse internationale kunstmanifestatie is de Biënnale van Venetië.

Slechts een zeer klein deel van de professionele kunstenaars kan leven van het eigen werk. De meeste carrières zijn alleen leefbaar door verschillende financiële bronnen aan te boren om zich te verzekeren van een inkomen, inclusief voldoende middelen om opnieuw te investeren in hun kunstpraktijk. Kunstenaars geven les, voeren (toegepaste) opdrachten uit, maken collectief werk of combineren tijdelijk werk of zelfstandig ondernemerschap met hun kunstenaarschap.

Vanaf de jaren vijftig tot 1984 was er in Nederland de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR). Deze werd van 2005 tot 2012 opgevolgd door de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK). Professionele kunstenaars zijn in de mogelijkheid om gestimuleerd en ondersteund te worden door middel van stipendia, werkbeurzen en geldprijzen van verschillende fondsen, zoals het Mondriaan Fonds (voorheen het Fonds BKVB) in Nederland, en Kunsten en Erfgoed in Vlaanderen.

Sinds 2017 bestaat in Nederland een reglement kunstenaarshonoraria, waarin een richtlijn is opgenomen voor tentoonstellingsvergoedingen voor kunstenaars.

In verhouding tot België telt Nederland minder privéverzamelaars voor beeldende kunst. Wel zijn er meerdere grote bedrijfscollecties, soms ondergebracht in een stichting. In Vlaanderen wordt relatief meer kunst verzameld door particulieren die hun kunstverzameling uitbouwen. Dit kan gebeuren door een kunstwerk te kopen in een galerie of direct in het atelier van de kunstenaar. In Nederland bestaat een systeem van kunstuitleen en centra voor beeldende kunsten (CBK's), waar schilderijen, beelden en grafiek kunnen worden bekeken, geleend en gekocht.

Wim T. Schippers verwierf bekendheid met performances, en het maken van televisieprogramma's (Hoepla, We zijn weer thuis) en theaterstukken (Going to the Dogs). Schilder Anton Heyboer werd bekend omdat hij op een boerderij met vijf vrouwen woonde; hij kwam daarmee regelmatig in de krant. Schilder Rob Scholte verloor in 1994 zijn benen bij een aanslag. Herman Brood en Bennie Jolink waren oorspronkelijk opgeleid aan een kunstacademie, voordat zij een muziekcarrière begonnen.

Roger Raveel was een van de beroemdste hedendaagse schilders van België: hij had een museum in Machelen-aan-de-Leie. Luc Tuymans en Michaël Borremans behoren tot de bekendste Vlaamse kunstenaars: hun werken halen hoge prijzen op de internationale kunstmarkt. In Nederland is Marlene Dumas een van de topkunstenaars.

In Duitsland werd Joseph Beuys beroemd met performances en installaties. Hij stond kandidaat in de politiek voor de groene partij. Hij is de uitvinder van de 'verruimde kunstopvatting' (erweiterte Kunstbegriff). Friedensreich Hundertwasser liet bomen boven op de door hem bedachte huizen groeien.

In de Verenigde Staten was Andy Warhol in de jaren zestig toonaangevend; hij werkte met de The Velvet Underground, maakte films en was later zelf acteur in reclamespotjes op de televisie. Salvador Dali is nog steeds een zeer geliefd schilder van het surrealisme. Performancekunstenaar Marina Abramović werkte samen met popster Jay-Z.

Het werk van Christo en Jeanne-Claude komt vaak in de media door het inpakken van bruggen, eilanden en gebouwen, zoals het Rijksdaggebouw. Spencer Tunicks werk wordt geassocieerd met zijn installaties van vele duizenden naakte mensen.




#Article 97: Beeldhouwkunst (718 words)


De beeldhouwkunst is een van de beeldende kunsten.

Beeldhouwwerken zijn kunstobjecten die door een beeldhouwer worden vervaardigd uit materialen als brons, smeedijzer, beton, klei, was, gips. Meer specifiek is een steenbeeldhouwer een beeldhouwer die beelden vervaardigt uit natuursteensoorten als marmer, graniet en zandsteen. Bustes, standbeelden en beeldengroepen zijn  bekende voorbeelden van beeldhouwwerken.

Beelden kunnen gemaakt worden van alle denkbare materialen zoals:

Beelden, zoals installaties, kunnen van 'gemengde materialen' (de zogenaamde mixed media) gemaakt worden en van natuurlijke materialen, zoals takken, bladeren, bloemen, stuifmeel, mos, maar ook bloed, sperma, olie, voedingsstoffen, opgezette dieren, ...

In de koninkrijken Ife en Benin werd het gieten van brons ontwikkeld. Tussen de 11e en de 15e eeuw maakten de kunstenaars van de Ife-cultuur vooral hoofden van koningen. In het koninkrijk Benin tussen de 13e en 19e eeuw waren het vooral bronzen beelden. Onder andere de beelden gevonden bij Tada waarbij een bijzonder beeld in kleermakerszit gevonden is. Het beeld is nu in het Nationaal Museum in Lagos.
De oudste Afrikaanse beelden dateren uit het midden van het eerste Millennium voor Christus; de tijd van Nok-beschaving in het midden van Nigeria. Dit waren vooral terracotta hoofden. Afrikaanse kunst is bekend door zijn vele expressieve maskers.

Musea met Afrikaanse beeldhouwkunst

Onder invloed van het hindoeïsme kwamen er veel beelden in de hindoetempels in India. Beelden van goden zoals Shiva, Vishnoe en Brahma worden nog steeds gemaakt volgens de oude tradities.

Ook het boeddhisme beïnvloedde de Indiase beeldhouwkunst. De eerste kunstenaars maakten nog geen Boeddhabeelden. Vanaf de 1e eeuw voor Christus gebeurde dit wel. Na het begin van de christelijke jaartelling werd het gemeengoed om Boeddha-voorstellingen te maken. Hierbij zijn voorbeelden bekend die duidelijk een hellenistische inspiratie lijken te hebben, maar ook voorbeelden waaruit een uniek Indiase beeldentaal spreekt. Hierbij lijkt sprake van een parallelle ontwikkeling.

Zie ook: Indiase architectuur

De Chinese beeldhouwkunst bestaat vooral uit kleine voorwerpen zoals schalen van brons, begrafenisbeeldjes, aardewerk en porselein. Een bekend voorbeeld van monumentale Chinese beeldhouwkunst zijn de grote terracotta beelden de Xi'an-krijgers van het beroemde terracottaleger van Xi'an bij de graftombe van Qin Shi Huangdi, de eerste keizer van China.

Musea met Chinese beeldhouwkunst

Reeds de Assyriërs hadden monumentaal beeldhouwwerk en bas-reliëfs. Bekend zijn hun jachtscènes en voorstellingen van fabeldieren. De Babyloniërs maakten reliëfs in terracotta.

Een bekend voorbeeld van de oud-Griekse beeldhouwkunst is het beeld de Venus van Milo in het Louvre in Parijs.
Ander oud-Griekse beelden zijn:

Alhoewel er gelijkenissen zijn tussen de Romeinse beeldhouwkunst en de Griekse zijn er verschillende kenmerken. In de klassieke Griekse kunst (voor het hellenisme) wordt de mens vaak geïdealiseerd weergegeven, terwijl de Romeinen meer streefden naar realisme. Net als de oude Grieken gebruikten de Romeinen zowel brons als marmer.

In de Romeinse wereld werden concrete burgers of keizers vaak afgebeeld met een hoge graad van realisme. Mannelijke figuren komen vaker voor dan vrouwelijke, alhoewel uit de periode van de Flavische keizers ook vrouwenportretten met een zeer geraffineerde weergave van het kapsel bewaard zijn.

Enkele beroemde sculpturen die historische figuren voorstellen:

In de periode van het keizerrijk wordt architectuur en sculptuur gecombineerd in triomfbogen of zuilen. De bekendste triomfbogen zijn die van Titus, van Constantijn en van Septimus Severus op het Forum Romanum. Keizer Trajanus richtte te Rome een 30 meter hoge zuil op, versierd met reliëfs om zijn veldtochten tegen de Daciërs te vereeuwigen.

Soms is de Romeinse beeldhouwwerk schematisch of dient ze als decoratie. Als er goden worden afgebeeld is er vaak een centrale god die de lengte van een mens heeft en daarbij een klein kind, Eros de god van de liefde, die deze god trouw bijstaat.

In de 14e eeuw ontstonden zuilachtige beelden bij voorgevels van kathedralen.
Bekende voorbeelden zijn;

Bekende gotische beeldhouwers zijn:

We onderscheiden in de renaissance de periode van de vroegrenaissance en de hoogrenaissance.

Bekende beeldhouwers uit de renaissance zijn: Michelangelo en Donatello

Kunstenaars in de 19e eeuw begonnen te werken voor openbare instellingen en kregen opdrachten van rijke middenstanders. Portretten en standbeelden werden populair.

De twintigste eeuw kent tal van nieuwe ontwikkelingen: modernisme, popart, sociale plastiek, arte povera, land-art, plasticisme, postmodernisme, en andere. Bekende beeldende kunstenaars zijn: 

Sommige musea stellen beelden uit hun permanente collectie tentoon in een beeldenpark, bijvoorbeeld:

Een aparte plaats wordt ingenomen door internationale beeldententoonstellingen in de open ruimte, bijvoorbeeld:

Commerciële beeldentuinen stellen wel beelden tentoon, maar altijd als verkoopexpositie.




#Article 98: Bijbel (christendom) (1818 words)


De Bijbel is het heilige boek van het christendom. Het is een van de invloedrijkste boeken ter wereld, het meest verspreide boek ooit en het eerste boek dat werd vervaardigd met de boekdrukkunst.

De Bijbel bestaat uit twee delen: het Oude Testament en het Nieuwe Testament. Deze zijn samengesteld uit theologisch-bedoelde verhalen, hymnen, allegorische erotica, parabelen en didactische brieven. Ze werden geschreven of definitief gemaakt in bijna 1.000 jaar tussen de 8e eeuw v.Chr. tot rond het einde van de 1e eeuw. Sommige tekstdelen van het Oude Testament zijn ouder, maar we weten niet precies hoe oud.

Het Oude Testament begint met de schepping van de aarde en de mens door God. Op het verhaal waarin de mens in het paradijs verviel tot zonde, volgt een lange serie verhalen die vooral gaan over de Israëlieten als Gods volk. In het Nieuwe Testament staat de komst van Jezus centraal. Zijn dood en opstanding leidt tot het herstel van de verstoorde relatie tussen God en de mens. Zijn volgelingen zullen het Koninkrijk van God beërven.

Het woord bijbel komt van het Griekse woord βιβλία, biblia, wat boeken betekent. De eerste die de term biblia gebruikte voor wat wij nu de Bijbel noemen, was waarschijnlijk Johannes Chrysostomus rond 387 n.Chr. De term duidt aan dat de Bijbel een bloemlezing of verzameling is van 66 boeken.

De 66 boeken die de Bijbel vormen, bevatten ongeveer 800.000 woorden en zijn de canon van de Bijbel. In sommige versies van de Bijbel zijn meer dan 66 boeken opgenomen. Deze aanvullende boeken worden de apocriefen van het Oude Testament en apocriefen van het Nieuwe Testament genoemd. Voorbeelden hiervan zijn 1 Makkabeeën en het Evangelie van Thomas.

Het Oude Testament werd grotendeels in het Hebreeuws geschreven en wordt daarom ook wel Hebreeuwse Bijbel genoemd. Binnen het protestantisme bestaat het uit 39 boeken en is daarmee gelijk aan de Tenach. Binnen de Rooms-Katholieke Kerk wordt de samenstelling van de Vulgaat aangehouden en bestaat daarmee uit 46 boeken. De boeken die wel in de katholieke maar niet in de protestantse canon zijn opgenomen, worden door de Katholieke Kerk deuterocanonieke boeken genoemd.

De boeken van het Oude Testament zijn het resultaat van een redactieproces dat vele eeuwen heeft geduurd. De boeken kregen hun definitieve vorm in de periode van de 8e eeuw v.Chr. tot de 2e eeuw v.Chr. Hierdoor vertonen deze boeken invloeden van andere culturen die in een bepaalde periode dominant waren. Dit geldt vooral voor die van het Babylonische rijk en Perzische rijk. De reconstructie van dit redactieproces voor de eerste vijf boeken van het Oude Testament (ook wel Thora of Pentateuch genoemd) heet de documentaire hypothese.

Het Nieuwe Testament bestaat uit 27 boeken. De oudste delen van het Nieuwe Testament zijn de brieven van Paulus, die tussen 50 en 60 n.Chr. werden geschreven. De jongste delen kregen hun definitieve vorm rond het einde van de 1e eeuw.

Over de canon van het Nieuwe Testament bestaat geen discussie of verschil tussen een katholieke en protestantse versie. Reeds aan het einde van de 2e eeuw bestond een canon die niet veel van de huidige verschilde.

Veel boeken van de Bijbel zijn pseudepigrafisch. Sommige zijn geschreven in naam van iemand anders, zoals Daniël in het Oude Testament en waarschijnlijk ook de katholieke brieven of zendbrieven in het Nieuwe Testament. Van zeven van de brieven van Paulus is het auteurschap van Paulus onomstreden, maar bij de andere zeven zijn twijfels of Paulus de brieven heeft geschreven. Andere boeken noemen geen auteur en zijn later toegeschreven aan bekende personen binnen het jodendom of christendom. Zo werd Job uit het Oude Testament traditioneel toegeschreven aan Mozes. In het Nieuwe Testament geldt dit met name voor de vier evangeliën.

Van geen enkel deel van de Bijbel is een originele bron bewaard gebleven. De oudste bronnen van het Oude Testament zijn de in 1947 ontdekte Dode Zee-rollen, waarvan de oudste gedateerd worden op ca. 250 v.Chr. Fragmentarische handschriften van het Nieuwe Testament gaan terug tot het eerste kwart van de 2e eeuw, zoals Papyrus 52 dat een passage uit het evangelie volgens Johannes bevat en dat wordt gedateerd op ± 125. Er bestaan vrij volledige Bijbelse handschriften uit de 4e eeuw, zoals de Codex Sinaiticus en Codex Vaticanus.

Vanwege de overheersende rol van het christendom in het Europa vanaf de late Romeinse tijd tot aan de Verlichting is de Bijbel in Europa van groot belang geweest. Niet alleen voor het godsdienstige leven, maar ook in taal, wetgeving, kunst en filosofie. Het maatschappelijke leven in het algemeen in de westerse beschaving zijn door de Bijbel beïnvloed. Vanwege de overheersende positie van Europa in de wereld gedurende de tweede helft van het tweede millennium strekt deze invloed zich ook buiten de westerse wereld uit.

Met de Verlichting, de scheiding van kerk en staat en de wetenschappelijke revolutie in Europa en de Verenigde Staten, is de invloed van het christendom en daarmee van de Bijbel op het openbare leven afgenomen. De afgelopen eeuwen is er bij veel mensen twijfel aan de goddelijke oorsprong van de Bijbel ontstaan. Vanwege de secularisering in de westerse wereld heeft de Bijbel daar als religieuze en ethische leidraad bij velen aan belang ingeboet. In andere delen van de wereld zoals (Oost-Azië, Latijns-Amerika en Afrika) kan men door grootschalige bekeringen een toenemende belangstelling voor de Bijbel zien.

Hoewel de Bijbel bestaat uit een grote verzameling losse geschriften van diverse auteurs, wordt hij in het christendom als één werk beschouwd, als de door God geopenbaarde waarheid, oftewel het onfeilbare Woord van God, aangezien alle auteurs worden verondersteld direct te zijn geïnspireerd door God.

Daarnaast is er de vraag of de Bijbel letterlijk moet worden genomen. Orthodoxe christenen beschouwen de Bijbel als het product van goddelijke inspiratie en in letterlijke zin het onfeilbare Woord van God. Die overtuiging wordt mede gebaseerd op een tekst uit de Bijbel zelf:

Die overtuiging is voor hen een fundament van het christelijke geloof. Orthodox-protestanten neigen naar een letterlijke tekstgetrouwe lezing, terwijl vrijzinnig-protestanten de Bijbel juist meer allegorisch interpreteren. Binnen het christenfundamentalisme beschouwt men de Bijbel als historisch en natuurwetenschappelijk correct.

Binnen de Rooms-Katholieke Kerk bestaat van oudsher naast de Bijbel ook de traditie, die het Woord van God uitlegt. Binnen het protestantisme werd daarentegen het sola scriptura-principe ontwikkeld, wat betekent dat alleen de Bijbel gezag en autoriteit heeft. Hierdoor kon er geen legitieme interpreterende instantie voor de Bijbel meer bestaan. De legitimiteit werd in de Bijbel zelf gelegd.

Op de goddelijke invloed op de schrijver, de inspiratie, bestaan verschillende visies:

Sinds de verlichting beschouwen vrijzinnige christenen de teksten als mensenwerk, voortkomend uit de tijd waarin ze zijn ontstaan en dienovereenkomstig de taal en beelden uit die periode bevattend. Ook rechtzinnige christenen zijn wat dit laatste betreft meestal deze mening toegedaan. Om die reden maakt onderzoek naar de context waarin een tekst is geschreven doorgaans deel uit van de exegese.

De grens tussen rechtzinnig en vrijzinnig valt niet altijd scherp te trekken, want er zijn christenen met opvattingen die tussen beide groepen in vallen, in allerlei gradaties. Zo zijn er rechtzinnige christenen die het scheppingsverhaal in Genesis niet letterlijk nemen, maar een of andere vorm van de evolutietheorie aanhangen, maar daarin wel Gods handelen menen te zien.

De meeste christenen achten zich niet gebonden aan de Joodse wetten in het Oude Testament. Bij het ontstaan van het christendom was dit een ernstige splijtzwam, zie Concilie van Jeruzalem.

De Bijbel was eeuwenlang de ultieme bron van gezag, omdat de tekst van de Bijbel het resultaat zou zijn van goddelijke openbaring en onfeilbaar was. Met de opkomst van de wetenschap in de 16e eeuw vond de Copernicaanse revolutie plaats, toen Nicolaas Copernicus zei dat niet de aarde maar de zon het middelpunt van het universum was. Hij werd gesteund door Galileo Galilei, die hierdoor in conflict met de Kerk kwam. In de periode van de Verlichting ontstond toenemende twijfel aan de onfeilbaarheid van de Bijbel. Zo zei Jezus dat het zaadje van de mosterdplant het kleinste plantenzaad was en de plant zelf de grootste plant, maar er werden kleinere zaadjes en grotere planten ontdekt. Omdat duidelijk werd dat in de Bijbel aantoonbaar onjuiste uitspraken staan, ontstond ook twijfel over andere zaken, zoals of wonderen van Jezus en andere bovennatuurlijke verschijnselen die in de Bijbel worden beschreven wel echt waren gebeurd.

Tegenwoordig zien de meeste wetenschappers de Bijbel niet als geïnspireerd door God en onfeilbaar, maar als een zeer belangrijk cultureel, literair en bovenal religieus document. Mede door deze opvatting heeft de Bijbel in de geseculariseerde wereld minder of geen gezag meer als leidraad in ethische kwesties.

De historisch-kritische exegese legt de Bijbel uit met behulp van de wetenschappelijke methode en hermeneutiek. Dat betekent dat zij probeert een Bijbelse tekst in zijn eigen historische context te verstaan en uit te leggen. Daarbij speelt de reconstructie van de ontstaansgeschiedenis van de tekst en diens verbondenheid met zijn historische situatie een belangrijke rol. Hieronder valt ook het onderzoek naar de historische Jezus.

De term kritisch betekent niet dat het doel is kritiek te hebben op de Bijbel. Het betekent dat het is gebaseerd op de algemeen inzichtelijke criteria voor het wetenschappelijk onderzoek van teksten. Zo moet iedere stap in het onderzoek voor anderen na te gaan zijn en is het niet toegestaan zich te beroepen op een bovennatuurlijke en dus oncontroleerbare verklaring.

Christenen die de Bijbel wel als ultieme bron van gezag beschouwen, wijzen het historisch-kritische onderzoek naar de Bijbel doorgaans af als Schriftkritiek.

In de loop van de geschiedenis zijn er vele vertalingen van de Bijbel gemaakt.

Een belangrijke vertaling van het Oude Testament naar het Grieks was de Septuagint, vervaardigd vanaf de 3e eeuw v.Chr. in de bibliotheek van Alexandrië. Deze Griekse vertaling was de gezaghebbende Bijbel in het Griekssprekende deel van de vroege kerk en tot vandaag in de oosters-orthodoxe kerken. 

De kerkvader Hiëronymus van Stridon vertaalde rond 400 n.Chr.  de volledige Bijbel naar het Latijn: de Vulgaat. De Vulgaat was gedurende de middeleeuwen toonaangevend in het westen. De Bijbel kon daardoor enkel door geestelijken, die Latijn kenden, worden gelezen. De rest van de (katholieke) bevolking, die geen Latijn kon lezen, was hiervan afhankelijk. 

Het zelf lezen van de Bijbel door gelovigen kwam in opkomst na omstreeks 1500 door de eerste vertalingen in moderne talen, zoals die van William Tyndale naar het Engels en Maarten Luther naar het Duits, die bovendien door de uitvinding van de boekdrukkunst snel werden verspreid. Voor veel vertalingen was de Textus receptus de brontekst, inclusief voor de Nederlandse Statenvertaling.

De oudste  Middelnederlandse vertaling van het Nieuwe Testament is de Zuid-Nederlandse evangelievertaling. Het is ook de oudst bewaarde prozatekst in het Middelnederlands. De oorspronkelijke tekst moet begin dertiende eeuw zijn geschreven. De Hernse Bijbel, een historiebijbel, was de eerste nagenoeg complete Bijbel in een Europese volkstaal. De eerste Nederlandstalige Bijbel die geheel rechtstreeks uit de Hebreeuwse en Griekse bronteksten werd vertaald, verscheen in 1637. Tot deze vertaling was opdracht gegeven door de Staten-Generaal; vandaar de gangbare benaming Statenvertaling.




#Article 99: Bibliotheek (algemeen) (624 words)


Een bibliotheek (Grieks: βιβλιοθηκη bibliothèkè, boekenbewaarplaats) of boekerij is een verzameling boeken en andere documenten, of de plaats waar een dergelijke verzameling beheerd wordt. In de spreektaal wordt vaak bieb (Nederland) of bib (België) gezegd.

Bibliotheken zijn er al sinds de mens het schrift ontwikkelde en er behoefte ontstond om schriftelijke gegevens te bewaren. De eerste bibliotheken waren waarschijnlijk bij religieuze instellingen zoals tempels gevestigd.

Een bibliotheek verzamelt, beheert en ontsluit documenten en stelt ze beschikbaar. Onder documenten wordt het werk (alle neerslag uit intellectuele en creatieve activiteiten van mensen) en de informatiedrager verstaan.

Een openbare bibliotheek heeft over het algemeen boeken, tijdschriften en muziekdragers, die het publiek kan lenen of raadplegen. In bibliotheken worden ook e-boeken (e-books) uitgeleend.

In België (Vlaanderen) wordt onderscheid gemaakt tussen een erfgoedbibliotheek en een openbare bibliotheek. Daar waar de erfgoedbibliotheek vooral een conserverende doelstelling heeft en een steeds groeiende collectie nastreeft, wil een openbare bibliotheek vooral actuele zaken in collectie houden. De openbare bibliotheek met een evenwichtige collectie verkoopt periodiek een deel van haar collectie, om plaats te maken voor nieuwe boeken. Een collectie in evenwicht houdt in dat de aanschaf en de afvoer van materialen in evenwicht is. 

Een strandbibliotheek is een kleine openbare bibliotheekvestiging waar gratis, maar maximaal voor een dag, een boek kan worden geleend.

Een nationale bibliotheek verzamelt zo veel mogelijk informatiedragers die in of over een bepaald land worden uitgegeven. De Koninklijke Bibliotheek (KB) in Den Haag is de nationale bibliotheek van Nederland. Ze beheert het Depot van Nederlandse publicaties, waarin een zeer groot deel van de publicaties die in Nederland verschijnen op basis van vrijwillig depot terechtkomt. Deze erfgoedcollectie mag alleen in de KB ingezien worden, maar van een flink deel van de collectie is een tweede exemplaar voor uitleen beschikbaar. De Koninklijke Bibliotheek van België in Brussel vervult een vergelijkbare functie voor België. De grootste nationale bibliotheek is de Library of Congress in Washington.

Aan elke universiteit of ander hoger opleidingsinstituut is een wetenschappelijke bibliotheek met specialistische vakliteratuur verbonden. De oudste universiteitsbibliotheek van Nederland is de Universiteitsbibliotheek Leiden, de grootste is de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam, met vele bijzondere collecties van kinder- tot kookboeken. Bij de universiteitsbibliotheken mogen bijzondere en/of kostbare werken ook alleen ingezien worden.

De meeste wetenschappelijke organisaties en instituten hebben de beschikking over een eigen specialistische wetenschappelijke bibliotheek. Zo verzamelt een museumbibliotheek werken over onderwerpen die de museumcollectie betreffen.

Een muziekbibliotheek verzamelt vooral bladmuziek, en soms ook boeken over muziek of opnames. Voorbeelden zijn de bibliotheken en bladmuziekcollecties van conservatoria, symfonieorkesten en ensembles, de Nederlandse Muziekbibliotheek van de Omroep, en organisaties van amateurorkesten en -koren. Ook zijn er aparte uitleenfaciliteiten voor muziek, de muziekbibliotheken, ze worden ook wel discotheek of fonotheek genoemd. De Centrale Discotheek van Rotterdam is de grootste fonotheek van Europa, er zijn 250.000 audio-cd's en 300.000 lp's uitleenbaar. Een variant is de kunstuitleen, waar kunstwerken tegen een vergoeding worden uitgeleend.

Een recente ontwikkeling is de digitale bibliotheek, meestal te raadplegen in de plaatselijke bibliotheek of via Internet. Het grote verschil met de gewone bibliotheek is dat er geen fysieke collectie aan verbonden is. Een digitale bibliotheek verwijst meer naar bronnen, welke vaak buiten de eigen collectie vallen. Het wel of niet in bezit hebben in eigen collectie is van minder belang.

Op 20 november 2008 zag de online te raadplegen portaalsite Europeana, een website die je naar andere plekken leidt, het levenslicht. Deze site biedt meer dan twee miljoen cultuuritems aan waaronder beeldopnames, foto's, archiefstukken, schilderijen, boeken en filmfragmenten uit geheel Europa.

Elk informatief boek in een bibliotheek draagt meestal een nummer van een bepaalde onderwerpscodering of plaatsingssysteem, bijvoorbeeld een SISO-nummer. Daarmee wordt het onderverdeeld in onderwerpen. Ook worden de eerste vier letters van de schrijver op het etiket vermeld.
Zie ook:

België




#Article 100: Boeddhisme (3925 words)


Het boeddhisme is een levensbeschouwelijke en religieuze stroming die volgens de overlevering werd gesticht door Gautama Boeddha, de historische Boeddha, die volgens de overlevering in de 6e en 5e eeuw v.Chr. in het noorden van India leefde. Boeddhisme ontstond uit lokale religieuze tradities, en in interactie met ritualistische en ascetische stromingen binnen het Brahmanisme, een van de voorlopers van het huidige hindoeïsme. Boeddhisten geloven dat men bevrijd kan worden uit de cirkel van wedergeboortes door het volgen van de door de Boeddha onderwezen middenweg. De belangrijkste aspecten van deze middenweg zijn het uitbannen van alle materiële verlangens, het zich ethisch gedragen, en het ontwikkelen van de geest. Hoewel het in India zelf geleidelijk verdwenen is, heeft het boeddhisme zich over andere delen van Azië verspreid. Het heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Zuidoost- en Oost-Azië en op de ontwikkeling van de cultuur en samenleving in die gebieden. Recenter heeft het in het Westen (Europa, Noord-Amerika) aanhang gevonden. Het boeddhisme telt wereldwijd ongeveer 415 miljoen aanhangers.

Het boeddhisme is ontstaan in India in de vijfde eeuw v.Chr. In die tijd was het brahmanisme dominant in India. Het strikt naleven van rituelen staat hierin centraal. In reactie hierop ontstonden de Sramanabewegingen die naar individuele verlossing streefden. Het boeddhisme was een van de stromingen die uit de Sramana ontstonden, naast onder andere het jainisme en de leer van de Upanishaden.

Afgaande op de boeddhistische overlevering leefde Gautama Boeddha van circa 450 tot circa 370 v. Chr. in gebied dat tegenwoordig in het noorden van India en Nepal valt. Door moderne geleerden wordt ook ca. 480-400 v.Chr. gesuggereerd. Gautama Boeddha zou tachtig jaar oud zijn geworden.

In de Tripitaka staat geen complete biografie van Gautama Boeddha. Wel staan er her en der korte teksten in de Tripitaka die iets vertellen over het leven van de Boeddha. Pas in de 1e of 2e eeuw werd de Buddhacarita (Handelingen van de Boeddha) geschreven door Ashvagosa.

Koningin Maya, van het volk der Sakhya's, was zwanger. Wijze mannen bezochten haar en vertelden haar dat ze zwanger was van een goddelijke zoon, die of een groot heerser, of een grote geestelijke leraar, een asceet, zou worden. Maya stierf een week na de geboorte van die zoon, Siddhartha Gautama, in het kraambed. Haar echtgenoot, koning Suddhodhana, was vastbesloten dat zijn zoon hem ooit zou opvolgen, en geen asceet zou worden. Daarom voedde hij de jonge prins op in de beschermde omgeving van het koninklijk paleis, en zag hij erop toe dat hij niet met de buitenwereld in contact kwam. Siddhartha leidde zodoende weliswaar een leven van luxe en plezier, maar hij was niet gelukkig.

Hij trouwde met zijn nicht, en werd vader van een zoon. Op een dag verliet Siddhartha het paleis om een tochtje te gaan maken. Tijdens dat uitstapje zag hij vier mannen: een oude man, een zieke man, een dode man en een asceet, die zelf niets bezat, maar leefde van voedsel en geld dat hem geschonken werd. Niettemin zag hij er gelukkig uit. Siddhartha zag plotseling dat niets in het leven bestendig is, en besloot het voorbeeld van de asceet te volgen. Hij vertrok diezelfde avond nog uit het paleis, om de verlossing uit het lijden en de kringloop van het bestaan te vinden.

Hij sloot zich aan bij vijf asceten die zich in de wildernis hadden afgezonderd. Ze volgden een strenge ascese, in de hoop zo de verlossing uit het lijden te bereiken. Siddharta volgde hun voorbeeld, en gaf zich over aan de extreemste vormen van ascese. Zes jaar later, toen hij bijna doodging van de honger, zag hij in dat dit niet de juiste manier was om de verlossing te bereiken. Hij trok daarom verder, en nam voedsel aan om weer op krachten te komen. Hij herinnerde zich hoe hij als kind in een staat van samadhi was geraakt toen hij een keer naar het ploegen van zijn vader had zitten kijken. Toen hij weer op krachten was besloot hij onder een boom te mediteren, en er niet onder vandaan te komen voordat hij de verlossing had bereikt. Op de negenenveertigste dag kreeg hij inzicht in zijn vorige levens, en zekerheid over de oorzaken van het lijden van de mens en hoe dat lijden kan worden weggenomen. Hierdoor was hij een ontwaakt persoon, de Boeddha.

De rest van zijn leven trok hij door India, onderwijzend wat hij had geleerd. Zijn eerste volgelingen waren de vijf asceten. Ook zijn familie nam zijn leer aan, en zijn tante werd de eerste boeddhistische non.

Op tachtigjarige leeftijd wist hij dat hij zou sterven. Ook zou hij niet opnieuw worden geboren, zelfs niet in de hemel, omdat hij nu verlicht was en nu voor altijd in het pari-nibbana opging. Toen men hem vroeg wie hem op moest volgen, vertelde hij dat er geen opvolger moest komen, maar dat zijn lessen bewaard moeten blijven.

De oorspronkelijke naam van het boeddhisme is Boeddha-sasana, wat 'de leer van de Boeddha' betekent. De kern van deze leer is het inzicht in het menselijk lijden, en de weg om dit lijden op te heffen.

De boeddhistische leer is in de loop der eeuwen steeds verder uitgebreid. De basis wordt beschreven in de Tripitaka, de uitspraken van de Boeddha. Deze uitspraken bevatten veel rijtjes met kernwoorden, waardoor de essentie van de boeddhistische leer makkelijk te onthouden en over te dragen is. Maar in tegenstelling tot de westerse manier van kennis-representatie vormen deze rijtjes geen opeenvolgend geheel. Een term uit het ene rijtje kan verwijzen naar een ander rijtje, waarin een term staat dat het eerste rijtje weer samenvat. Dit kan verwarrend zijn voor westerse lezers. Waar het om gaat is dat boeddhistische leerstellingen worden toegepast in het eigen leven, en zo betekenis krijgen.

De basis van het boeddhisme, die is terug te vinden in het Theravada-boeddhisme, handelt over het lijden (dukkha in het Sanskriet), en hoe we er definitief van bevrijd kunnen worden. De Vier Nobele Waarheden beschrijven het inzicht in het lijden en de mogelijkheid van verlossing. Het edele achtvoudige pad beschrijft de middenweg waardoor verlossing van het lijden mogelijk is. Betreding van dit pad gebeurt door de toevlucht tot het drievoudig juweel.

In principe worden al onze schadelijke gedachten en emoties (hechting, woede, trots) veroorzaakt door een onjuist begrip van de werkelijkheid. Door het vasthouden aan deze gedachten en emoties verlangen we naar het voortbestaan van onszelf, waardoor wedergeboorte plaatsvindt. In wat voor vorm we worden wedergeboren wordt bepaald door ons karma, de effecten van ons handelen.

Het Mahayana-boeddhisme voegde een aantal essentiële leerstellingen toe aan de boeddhistische leer. Een juist begrip van hoe de werkelijkheid bestaat (wijsheid van de leegte) is essentieel in het boeddhisme om een einde te kunnen maken aan de cyclus van wedergeboorte en het lijden dat daarbij hoort. De zes (of tien) perfecties beschrijven een aantal perfecties waar de arahat naar moet streven om volmaakt te worden.

De vier nobele waarheden beschrijven het lijden, de oorzaak hiervan, de mogelijkheid om er van verlost te worden, en de weg om deze verlossing te bereiken. Deze waarheden worden soms ook geformuleerd in termen van de aanwezigheid van geluk, haar oorzaak, de afwezigheid ervan en de oorzaak van deze afwezigheid.

De vier nobele waarheden in de klassieke definitie zijn:

De begrippen 'lijden' en 'verlangen' hebben in het westen een concrete betekenis. Bij lijden denken we aan zaken als ziekte, verlies, wanhoop. Met verlangen bedoelen we over het algemeen het verlangen naar concrete zaken, zoals een groter huis, veel geld of macht en aanzien.
In het boeddhisme hebben deze begrippen een bredere en subtielere betekenis. Lijden, dukkha, betekent dat het leven onvolmaakt is. Het is alsof je de hele tijd met een steentje in je schoen loopt, en dat steentje wil maar niet verdwijnen. Dit leidt tot tanha, dorst, het verlangen dat de zaken anders zijn dan ze zijn: Als ik nou een groter huis / een betere baan / een leukere partner / rustigere kinderen / liefdevollere ouders had, dan zou het leven volmaakt zijn.

Een tekstkritische interpretatie wordt gegeven door David Brazier:

Het edele achtvoudige pad bestaat uit:

Het achtvoudige pad wordt vaak ook kort omschreven als prajna (inzicht, wijsheid), sila (moraliteit, ethisch goed gedrag), en samadhi (meditatie). Het achtvoudige pad wordt gezien als een pad naar de verlichting, maar veroorzaakt niet de verlichting, net zoals een pad naar de berg kan leiden, maar deze berg niet veroorzaakt.

De leer van de middenweg benadrukt het vermijden van de twee extremen van 'het nastreven van sensueel geluk in sensueel plezier' en 'het nastreven van zelfkwelling of zelfkastijding'. Deze twee extremen zijn volgens de leer van de middenweg onvoordelig en leiden niet tot inzicht, nirvana en de verlossing uit de kringloop van wedergeboorte. De middenweg bestaat uit het achtvoudige pad, en heeft betrekking op de vier nobele waarheden. Wie de middenweg tot het einde volgt, bereikt het nirwana.

Verlossing uit de kringloop van wedergeboorte ontstaat door inzicht in de werking van oorzaak en gevolg, in het ontstaan van gehechtheden, en in de beheersing van de geest waardoor er geen gehechtheden en karma kunnen ontstaan. Door beheersing van de geest gaat men nirvana binnen, de staat van uitdoving. Of nirvana eeuwig en dus de fundamentele werkelijkheid vormt, of dat hier geen uitspraken over kunnen worden gedaan, is een nog steeds voortdurend punt van debat tussen de Yogacara en de Madhyamaka.

Gautama de Boeddha nodigde iedere leerling uit om zelf de acht paden vorm te geven, en dit niet als acht regels te zien: neem niets aan voor het zelf onderzocht te hebben. Hiermee is het Boeddhisme een van de weinige niet dogmatische filosofieën. Het zelf onderzoeken van de individuele acht paden is het sterkst aanwezig in de Zen. Het zelf ontdekken van het achtvoudige pad wordt in deze stromingen compromisloosheid genoemd.

Het boeddhisme analyseert het bestaan en haar onvolmaaktheid in causale factoren (Pali: idapaccayata): dit veroorzaakt dat. Als dit verdwijnt, verdwijnt dat ook. Het is een belangrijke realisatie, die essentieel is voor het begrijpen van de Dhamma en het bereiken van het nirwana. In het latere boeddhisme is de boeddhistische leer systematisch doordacht en logisch onderbouwd. Groot discussiepunt hierbij was en is het al dan niet bestaan van onveranderlijke essenties achter de flux der verschijnselen.

Deze causaliteit wordt beschreven in het principe van afhankelijk ontstaan (Pali: paticca-samuppada). Alles wat bestaat is ontstaan door bepaalde oorzaken en omstandigheden. Indien de condities veranderen, of nieuwe condities ontstaan, leidt dit tot de verandering of het verdwijnen van een (fysiek of mentaal) object of ding.

De keten van wederzijds afhankelijk ontstaan beschrijft in twaalf stappen de cyclus van geboorte, leven, sterven en wedergeboorte. De grondoorzaak van dukkha is onwetendheid. Als er onwetendheid is, worden de percepties en gevoelens verkeerd begrepen, en ontstaat er verlangen. Als er verlangen is, ontstaat er gehechtheid. Als er gehechtheid is, ontstaat er wedergeboorte. Op deze manier leidt de aanwezigheid van onwetendheid tot de kringloop van het bestaan.

Alle dingen die bestaan (zowel materieel als geestelijk) hebben de volgende drie karakteristieken:

Karma (Pali: kamma) betekent dat alle handelingen een gevolg hebben: 'goede' acties hebben positieve gevolgen zoals geluk, en 'slechte' acties hebben slechte gevolgen. De gevolgen kunnen zich ook in een volgend leven manifesteren. Karma wordt vooral bepaald door de intentie die de actie motiveert. Door de motivatie te controleren kan men dus de eigen toekomst bepalen, en de verlossing uit de kringloop van wedergeboorte bewerkstelligen.

Het boeddhisme gaat uit van wedergeboorte. Het is een fundamenteel boeddhistisch concept, direct verbonden met karma, omdat de wereld waarin men herboren wordt, alles te maken heeft met de acties (karma) uit het verleden.

Het boeddhisme kent verschillende filosofische scholen. In de tripitaka staat de boeddhistische leer beschreven in een grote hoeveelheid uitspraken, met veel herhaling en overlap. De oudste systematisering van de boeddhistische filosofie staat in de abhidhamma. In het Mahayana ontwikkelden zich de Madhyamaka, de Yogacara, en de tathagatagarba.

De Madhyamaka geeft een logische analyse van uitspraken over 'de' werkelijkheid, en laat zien dat er geen metafysische uitspraken mogelijk zijn. Avijja, onwetendheid, bestaat uit het niet correct zien van deze grens van het weten, waardoor er gehechtheid ontstaat. Het juiste inzicht laat de leegte van alle verschijnselen zien.

De Yogacara geeft een beschrijving van de werking van de geest, en laat zien hoe we onze eigen werkelijkheid construeren. Deze geconstrueerde werkelijkheid is gekleurd door verlangen, en belet ons de dingen waar te nemen zoals ze zijn. Verlossing is mogelijk door te zien dat dit proces plaatsvindt, en ons hier niet meer door te laten leiden.

De tathagatagarbaleer stelt dat iedereen de mogelijkheid van verlichting in zich heeft. Dit idee is uitgegroeid tot het idee van de Boeddha-natuur een essentieel, onveranderlijk bewustzijn dat iedereen in zich heeft. Bij niet-verlichte mensen is dit bewustzijn verduisterd door 'wolken van onwetendheid'. Toch kan deze zuivere zon-achtige natuur nooit 'besmet' of vervuild worden door de wolken. Deze zon geeft warmte (liefde) en licht (wijsheid) en zal altijd aanwezig blijven achter de wolken. Zolang de wolken van negatieve emoties de zon verduisteren blijft de mens lijden en reïncarneren. Zodra ze voorgoed oplossen ontstaat verlichting en kan de mens kiezen om niet meer geboren te worden na het overlijden.

De boeddhistische psychologie beschrijft de werking van de menselijke geest en het ontstaan van verlangen en gehechtheid.

De mens wordt nama-rupa genoemd, geest-stof. Door het samengaan van geest en stof ontstaat de bewuste mens, die kan waarnemen en nadenken. De eerste vijf zintuigen hebben stoffelijkheid rupa als object. De geest nāma heeft geen fysieke objecten, maar kan een zintuigbewustzijn als object hebben. Ook herinneringen, concepten, fantasieën en ideeën zijn mogelijke objecten van de geest.

Nama-rupa wordt verder uitgesplitst in de vijf khandhas. Dit zijn de vijf groepen van ervaring: vorm (materie en energie), perceptie, gevoel, mentale formaties (gedachten en intenties) en het bewustzijn. Alles wat een mens ervaart behoort in een van deze groepen. Alleen het nirwana ligt erbuiten. Deze vijf vormen zijn niet iemands 'zelf', ze zijn leeg van een blijvende essentie. Het boeddhisme heeft dan ook de opvatting dat mensen geen ziel hebben.

Perceptie en mentale formaties worden verder uitgesplitst in de zes zintuigen, met bijbehorende objecten en bewustzijn. Gezichtsvermogen, gehoor, reukzin, smaakzin en tastzin zijn de vijf bekende zintuigen. De tripitaka noemt daarnaast de gewaarwording van ideeën als een zesde zintuig.

In de tripitaka wordt beschreven hoe de menselijke geest werkt. In de Abbidhamma zijn de verspreide leerstellingen hierover gesystematiseerd.

Door het contact van een van de zintuigen met een object ontstaat er bewustzijn, respectievelijk vorm, geluid, geur, smaak en aanraking (het voelt hard/zacht, warm/koud of bewegen/druk). Deze percepties zijn positief, negatief of neutraal. Afhankelijk van de waardering die aan de percepties wordt gegeven ontstaan er gedachten en beelden, 'mentale formaties'. Hieruit ontstaan vervolgens de gehechtheden en de karmische consequenties, waardoor wedergeboorte mogelijk is.

In de boeddhistische kosmos bestaan meerdere bestaansniveaus van voelende/bewuste wezens: van goden (een bestaan met bijna uitsluitend geluk) tot hellewezens (een bestaan met bijna uitsluitend lijden). Mensen bevinden zich in de middenmoot met levens waarin geluk en lijden elkaar afwisselen. Als een mens verlicht wil raken zal men die twee moeten ervaren.
Goede acties leiden tot een wedergeboorte als een deva, een halfgod, of als een mens, in een relatief comfortabele situatie. Slechte acties veroorzaken een wedergeboorte in een oncomfortabele situatie: als een mens in een slechte situatie, als dier, als zogenaamde hongerige geest, of zelfs in een hel.

Het huidige leven wordt volgens het boeddhisme voorafgegaan door een beginloze reeks vorige levens. Alleen inzicht in de keten van oorzaak en gevolg, en de beheersing en uitdoving van de verlangens, brengt verlossing uit samsara, het almaar doorgaande rad van doodgaan en geboren worden.

Het Mahayana-boeddhisme voegde een aantal essentiële leerstellingen toe aan het boeddhisme

In plaats van het bereiken van de eigen verlossing en het Boeddhaschap, ziet het Mahayana het bodhisattva-ideaal als belangrijkste doelstelling. De bodhisattva belooft de eigen volledige verlichting uit te stellen en telkens opnieuw op aarde terug te keren om iedereen te helpen, tot alle levende wezens verlost zijn. De nadruk ligt hiermee op medemenselijkheid. De dalai lama, leider van het Tibetaanse volk, als veertiende lama levend in ballingschap in Dharamsala, wordt gezien als de Bodhisattva van Mededogen. Hij keert telkens terug op aarde om mensen te helpen op hun pad naar verlichting.

De beoefening van de tien paramita's behoort tot het bodhisattva-ideaal. De tien paramita's van het Theravada zijn: vrijgevigheid, moreel gedrag, verzaking (afstand doen), wijsheid, volharding (in het toepassen van het heilzame), verdraagzaamheid, waarheidlievendheid, vastberadenheid, onvoorwaardelijke vriendelijkheid en gelijkmoedigheid.
In het Mahayana-boeddhisme worden zes (of soms tien) paramita's beschreven. Deze perfecties zijn karaktereigenschappen, die door oefening kunnen groeien in het karakter van het individu. De zes perfecties van het Mahayana zijn: vrijgevigheid, moreel gedrag, geduld, vreugdevolle inspanning, concentratie en wijsheid (de vier extra zijn: methode, wensen, kracht en hoogste wijsheid).

Daarnaast legt het Mahayana-boeddhisme nadruk op Sunyata, leegte, het inzicht dat niets een eigen essentiële aard heeft. Alles is veranderlijk. De essentie van het bestaan is niet te beschrijven in woorden, maar kan wel intuïtief begrepen worden.

Het Chinese Mahayana-boeddhisme onderkent een essentiële werkelijkheid achter de wereld van de verschijnselen, die ook de basis vormt voor de mogelijkheid tot ontwaken, de zogeheten boeddha-natuur. Dit lijkt te botsen met het idee van sunyata. Het in overeenstemming brengen van deze twee ideeën is een rode draad in de eerste eeuwen van het Chinese boeddhisme

Maar ook al is alles leeg, toch leeft ook de bodhisattva in een concrete wereld. De erkenning hiervan leidt tot een onderscheid tussen:

Maar uiteindelijk zijn absoluut en relatief, nirvana en samsara, gelijk aan elkaar. In de prajna-paramita literatuur, zoals de Hart-soetra en de Diamant-soetra wordt dit verwoord met de formule Vorm is leegte, leegte is vorm.

Het boeddhisme is vanaf het begin af aan gecentreerd rond de monastieke Sangha. Boeddha was zelf een monnik en de grote meerderheid van zijn verlichte discipelen waren ook monnik (Pali: bhikkhu) of non (bhikkhuni). Er waren daarnaast echter ook genoeg verlichte leken.

De Boeddha legde een code van discipline neer, genaamd de patimokkha (Pali). De patimokkha voor bhikkhu's (of monniken) bestaat uit ongeveer 227 regels. Naast de patimokkha zijn er nog meer dan duizend andere regels en richtlijnen waar de monniken en nonnen zich aan moeten houden. Het totaal aan gedragsregels en discipline wordt de Vinaya genoemd.

De vier meest fundamentele regels (de vier parajikas, uitsluitingsgronden) voor de bhikkhu's zijn:

Indien een monnik een van deze acties toch doet, is hij geen bhikkhu meer en kan in zijn huidige leven geen bhikkhu meer worden.

Een andere belangrijke regel is dat bhikkhu's en bhikkhuni's geen geld mogen gebruiken en ontvangen, en zich niet mogen inlaten met directe ruil van goederen met leken. Monniken en nonnen leven in kloosters of tempels.

Boeddhistische monniken richten zich volledig op het bereiken van het nirwana. Groot belang wordt gehecht aan ascese.

Naast de monastieke traditie zijn er ook lekenaanhangers. De verplichtingen voor leken zijn relatief beperkt, wat het boeddhisme tot de meest succesvolle missionaire religie maakte in India, tot deze rol rond 1000 door de islam werd overgenomen.

De oudste verzameling geschriften in het boeddhisme is de tripitaka. Deze is bewaard gebleven in de Pali-canon zoals die door de Theravada-traditie op schrift is gesteld.

De tripitaka bestaat uit drie 'korven' (pitaka's):

In 250 v.Chr. is de Pali-canon 'gesloten'. Sindsdien zijn er geen toespraken toegevoegd, veranderd of weggehaald.

Naast de Pali-canon bestaat er een uitgebreide hoeveelheid commentaren en samenvattingen. De bekendste samenvatting is de Visuddhimagga. van Buddhaghosa.

Het Mahayana-boeddhisme ontwikkelde nieuwe geschriften met nieuwe leringen. Volgens de Mahayana-traditie zijn sommige van deze toespraken door de Boeddha in de hemel gegeven aan de goden daar, zijn daar behouden en ongeveer 600 tot 1200 jaar later weer opgetekend door monniken in de Mahayana-traditie.
Latere lokale tradities, zoals in Tibet, China en Korea, hebben ook eigen geschriften toegevoegd.

In India splitste het boeddhisme zich al snel in achttien scholen. Van deze oudste scholen is alleen het Theravada-boeddhisme overgebleven, dat zich verspreid heeft in Sri Lanka, Thailand en Birma (het huidige Myanmar). Het Theravada-boeddhisme heeft zich hier in de 19e eeuw vernieuwd, onder invloed van het westerse kolonialisme.

Tussen 150 BCE en 100 CE ontstond het Mahayana-boeddhisme, dat de boeddhistische leerstellingen verder ontwikkelde in nieuwe geschriften. Het Mahayana, dat grote voertuig betekent, noemde de oudste stromingen denigrerend Hinayana, het kleine voertuig. Het Mahayana heeft zich onder andere in Tibet, China en Japan verspreid. Door vermenging en vernieuwingen ontstonden hier nieuwe scholen.

In het westen heeft het boeddhisme sinds de 19e eeuw langzaam maar zeker ingang gevonden. Naast de traditionele scholen ontwikkelt zich een eigen vorm van boeddhisme waarin de traditionele leerstellingen en meditatie-methodes vermengd worden met westerse psychologie.

De belangrijkste stromingen zijn:

Het boeddhisme breidde zich uit van Noord-India tot geheel India, waaronder het huidige Pakistan en Bangladesh.

Via het zuiden verspreidde het Theravada zich naar Sri Lanka, Thailand, Laos, Myanmar, Cambodja en Vietnam.

Via het noorden verspreidde het Mahayana zich naar Nepal, Bhutan, China, Mongolië, Taiwan, Maleisië, Indonesië, Noord-Korea en Zuid-Korea, en Japan.

Nog verder noordelijk en westelijk verspreidde het zich in Afghanistan, Tadzjikistan, Oezbekistan, Turkmenistan, Kirgizië, Kazachstan, en Rusland.

Via de zijderoute en het rijk van Alexander de Grote was het boeddhisme in de periode van 300 v.Chr. tot ongeveer 600 n.Chr. ook in beperkte mate bekend in het Middellandse zeegebied, waaronder Egypte (Alexandrië). De invloed van de Grieken is ook terug te vinden in het boeddhisme: zij maakten de eerste Boeddhabeelden in de toenmalige Griekse staat Bactrië in het huidige Afghanistan.

In de 12e eeuw is het boeddhisme verdwenen uit India als gevolg van de vervolging door de moslims en de invallen van de Mogols die India veroverden. Het was vooral in het noorden gebleven, in tegenstelling tot het hindoeïsme dat vroeg tot in het zuiden is doorgedrongen.
Ook in Afghanistan, Pakistan en het Midden-Oosten verdween het boeddhisme mede door de opkomst van de islam. Vanaf 1950 is het boeddhisme onderdrukt in de landen China, Vietnam, Noord-Korea, Laos en Cambodja. In elk van deze landen is dit gebeurd gedurende een communistisch dictatoriaal bewind.

In het Westers boeddhisme is de belangstelling voor het boeddhisme sinds de 19e eeuw groeiende. Theravada, Tibetaans Boeddhisme en Zen zijn hier de bekendste stromingen geworden.

De boeddhistische kalender is (met uitzondering van Japan) een maankalender, gebaseerd op de hindoe maankalender. Het jaar is in deze kalender 11 dagen korter dan in de zonnekalender en de feestdagen verschuiven derhalve ten opzichte van onze op de zon gebaseerde kalender. Elke drie of vier jaar verschuift de maankalender een maand naar voren, zodat de feestdagen vaak grofweg in dezelfde zonnemaand vallen.

In het boeddhisme zijn er verschillende belangrijke gedenkdagen. Deze dagen zijn ook nationale feestdagen in veel boeddhistische landen. De drie belangrijkste gedenkdagen gedenken de Boeddha, Dhamma en Sangha en zijn:

Overige belangrijke gedenkdagen in de diverse tradities zijn:

De precieze dag waarop deze dagen vallen is afhankelijk van de hindoe maankalender. De vermelde maand is daarom niet altijd geldig. Soms zal de genoemde dag op de volle maan in de vorige of volgende maand vallen. Vesakha Puja bijvoorbeeld valt soms op de volle maan in april, in plaats van in mei.

In Nederland zijn er ongeveer 170.000 boeddhisten volgens de Boeddhistische Omroep Stichting. Daarvan zijn ongeveer 70.000 allochtoon of buitenlander. De meerderheid van deze boeddhistische allochtonen is Chinees. Er wonen ongeveer 40.000 boeddhistische Chinezen in Nederland. Dit aantal wordt betwist, verschillende journalisten en onderzoekers komen niet verder dan een aantal tussen de 36.000 en de 50.000.

In België is het boeddhisme een kleine minderheidsreligie, maar heeft in de afgelopen jaren een snelle groei getoond. Een schatting uit 2009 geeft aan dat van de Belgische bevolking 29.497 mensen zich hebben geïdentificeerd als boeddhistisch (ongeveer 0,29% van de totale bevolking).




#Article 101: Boris Becker (242 words)


Boris Franz Becker (Leimen, 22 november 1967) is een Duits voormalig professioneel tennisspeler. In de jaren tachtig won hij drie keer Wimbledon. 

Boris Becker werd geboren in Leimen, een kleine stad dicht bij Heidelberg.

Hij won Wimbledon voor het eerst op zijn zeventiende in 1985. Hij was tot dan toe de jongste winnaar. Dat eerste Wimbledontoernooi bezorgde hem ook de bijnaam Boem, Boem, Becker, vanwege zijn voor die tijd ongekend harde opslag. Hij was daarmee in feite de voorloper van het zogenaamde powertennis, dat aan het eind van de 20e eeuw het traditionele serve-volley spel vrijwel verdrong. In 2003 trad Becker toe tot de International Tennis Hall of Fame. Tegenwoordig is Becker veelvuldig actief als commentator bij tennistoernooien voor de BBC. Becker was van 2013 tot december 2016 hoofdcoach van Novak Djokovic.

Op 17 december 1993 trouwde Becker met fotomodel Barbara Feltus. Becker kreeg samen met haar twee zonen in 1994 en 1999. Het huwelijk werd op 15 januari 2001 ontbonden nadat Becker in het nieuws kwam vanwege de zogenoemde bezemkast-affaire, waardoor Angela Ermakowa zwanger raakte en een dochter kreeg in 2000. Becker was in 2008 kortstondig verloofd met Alessandra Meyer-Wölden, een dochter van zijn vroegere manager Axel Meyer-Wölden. Op 12 juni 2009 trouwde Becker met het Nederlandse model Sharlely „Lilly“ Kerssenberg. Met haar kreeg hij in 2010 nog een zoon. In mei 2018 werd de echtscheiding aangekondigd.

In juni 2017 heeft een rechtbank in Londen het bankroet uitgesproken over Boris Becker.




#Article 102: Bas van der Vlies (647 words)


Bastiaan Johannis (Bas) van der Vlies (Sliedrecht, 29 juni 1942) is een Nederlandse voormalige politicus voor de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP).

Van der Vlies was van 10 juni 1981 tot en met 17 juni 2010 (10.599 dagen) lid van de Tweede Kamerfractie, sinds 1986 als fractievoorzitter. Daarmee behoort hij tot degenen die het langst zitting hebben (gehad) in een van de kamers van de Staten-Generaal.

In de Kamer hield hij zich onder meer bezig met landbouw, financiën, volksgezondheid, welzijn, sport en onderwijs.

Van der Vlies studeerde weg- en waterbouwkunde aan de Hogere Technische School te Dordrecht en voltooide deze opleiding aan de Technische Hogeschool Delft. Tijdens zijn studententijd was Van der Vlies lid van Johannes Calvijn, het Delftse dispuut der Civitas Studiosorum in Fundamento Reformato.

Voordat hij de politiek in ging, was Van der Vlies leraar wiskunde en plaatsvervangend rector van de protestants-christelijke middelbare scholengemeenschap College Blaucapel (ten gevolge van een fusie tegenwoordig Gerrit Rietveld College geheten) in Utrecht.

In 1974 zette Van der Vlies zijn eerste schreden in de politiek. Vanaf dat jaar tot 1982 was hij lid van de Provinciale Staten van de provincie Utrecht. In 1981 trad hij ook tot de Tweede Kamer toe.

In 1986 werd hij voor het eerst lijsttrekker van de SGP voor de Tweede Kamerverkiezingen. Sindsdien heeft hij deze taak in totaal zeven keer vervuld. In 1994 haalde de partij voor het eerst twee zetels, na jarenlang drie zetels bezet te hebben gehouden. Tijdens de kabinetsformatie in 2003 was er even sprake van kabinetsdeelname (bekend onder de Staphorster variant) toen de informateurs Rein Jan Hoekstra en Frits Korthals Altes spraken met D66 en tegelijkertijd met ChristenUnie en SGP. Op 29 april kozen CDA en VVD voor een coalitie met D66. De kleine christelijke partijen stonden daarmee langs de kant. Met name de ideologische afstand tussen de liberale VVD en de streng-christelijke SGP was hieraan debet.

Ofschoon de SGP het beleid had dat zij om religieus-ethische redenen een actief optreden op de televisie vermijdt (men liet zich wel door de parlementaire pers in de wandelgangen van het parlementsgebouw interviewen), verscheen Van der Vlies op 30 september 2005 voor het eerst in een tv-actualiteitenrubriek (NOVA). Daarna trad hij vaker op in televisieprogramma's.

In 2006 overwoog Van der Vlies om het fractievoorzitterschap over te dragen aan fractiegenoot Kees van der Staaij, maar naar eigen zeggen gaf hij gehoor aan een beroep dat partijgenoten op hem deden om in elk geval nog eens vier jaar bij te tekenen.

Op 25 oktober 2008 werd er bij stilgestaan dat Van der Vlies tienduizend dagen Kamerlid was. Hij was het langstzittende Kamerlid van dat moment.

In december 2009 kondigde Van der Vlies aan na de eerstvolgende Kamerverkiezingen de Kamer te verlaten. Na de val van het kabinet-Balkenende IV droeg hij op de SGP-partijdag op 27 maart 2010 het partijleiderschap en het lijsttrekkerschap voor de Tweede Kamerverkiezingen van 9 juni 2010 over aan Van der Staaij.

In een interview in mei 2010 gaf hij aan na zijn terugtreden meer tijd aan zijn gezin te willen besteden; ook had hij toegezegd weer scriba van zijn kerkelijke gemeente te worden, dit naast zijn bestaande werk voor classis, synode en huisbezoeken in de gemeente.

Op zijn laatste dag als Kamerlid reikte Kamervoorzitter Gerdi Verbeet hem de versierselen uit die behoren bij het ridderschap in de Orde van Oranje-Nassau waarin de koningin hem benoemd had. Van der Vlies ontving een lang applaus van de overige leden van de Kamer; zijn laatste woorden als Kamerlid waren: Soli Deo gloria (Alleen aan God de eer).

Van der Vlies woont met zijn gezin in Maartensdijk (provincie Utrecht). In deze plaats is hij lid van de Hersteld Hervormde Kerk, het deel van de Nederlandse Hervormde Kerk dat niet mee is gegaan in de fusie tot de Protestantse Kerk in Nederland (PKN).
Op 17 november 2016 maakte de SGP bekend dat Van der Vlies ernstig ziek is.




#Article 103: Wit-Rusland (2091 words)


Wit-Rusland of Belarus (Wit-Russisch: Беларусь, getranslitereerd als Belarus of Belaroes; Łacinka: Biełaruś; Russisch: Беларусь), officieel de Republiek Belarus, is een binnenstaat in Oost-Europa. Het land grenst aan Rusland in het noordoosten, aan Oekraïne in het zuiden, aan Polen in het westen en aan Litouwen en Letland in het noordwesten. De hoofdstad is Minsk.

Wit-Rusland was samen met onder andere Rusland en Oekraïne een van de oorspronkelijke Sovjetrepublieken. Het land verklaarde zich op 25 augustus 1991 onafhankelijk, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.

De benaming Belarus, met de klemtoon op de laatste lettergreep, is afkomstig van de Russische woorden Белая (Belaja, dat wit betekent) en Русь (Roes', Roethenië), een oude historische benaming voor het gebied waar Oost-Slaven woonden (waar ook Rusland van afgeleid is). Dit gebied werd traditioneel onderverdeeld in Wit-Roethenië (grotendeels het huidige Wit-Rusland), Zwart-Roethenië (een gebied in het zuidwesten van Wit-Rusland), en Rood-Roethenië (een gebied in Polen en Oekraïne). Later werd de naam Roethenië beperkt tot het huidige gebied Oblast Transkarpatië in Oekraïne. De Nederlandse benaming Wit-Rusland is derhalve een letterlijke vertaling van Belarus. In officiële teksten wordt in het Nederlands de naam Belarus gebruikt.

Het land zelf gebruikt sinds 1991 de naam Belarus. De naam Wit-Rusland wordt door een kleine groep als ongewenst beschouwd omdat deze te veel refereert aan buurland Rusland, hetgeen de suggestie kan wekken dat het land onderdeel zou zijn van Rusland, hoewel taalkundig beide namen dezelfde etymologische achtergrond hebben.

De Wit-Russische gebieden maakten sinds de veertiende eeuw deel uit van het Groothertogdom Litouwen. Toen dat land in 1569 samen met Polen een nieuwe staat vormde, werd Wit-Rusland onderdeel van dit Pools-Litouwse Gemenebest. Met de Poolse Delingen (1773/1793/1795) kwam het gebied aan het Keizerrijk Rusland en in 1922 werd het onder de naam Wit-Russische SSR een deelstaat van de Sovjet-Unie. In 1990/1991 maakte Wit-Rusland zich los van de Sovjet-Unie en richtte samen met andere voormalige Sovjetrepublieken het Gemenebest van Onafhankelijke Staten op. In 1994 kwam de huidige president Aleksandr Loekasjenko via democratische verkiezingen aan de macht. Hij was tegen het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en maakt zich onder andere sterk voor een Euraziatische Unie.

Bestuurlijk is Wit-Rusland opgedeeld in zes oblasten (provincies) en de hoofdstad Minsk. De oblasten zijn onderverdeeld in rayons (districten).

De huidige indeling is opgezet in 1957 als oblasten. Na de onafhankelijkheid werd deze indeling uit het Sovjet-tijdperk overgenomen, met als enig verschil dat het Russische oblast werd veranderd in het Wit-Russische voblast.

Hoewel er formeel een volksvertegenwoordiging en een gekozen president is, wordt Wit-Rusland toch over het algemeen gezien als een autocratie of dictatuur onder president Loekasjenko. Kritiek op het staatshoofd is ten strengste verboden en wordt bestraft. De verkiezingen worden openlijk georkestreerd en burgerlijke vrijheden zijn beperkt. Na enige versoepeling van de regels teneinde betere betrekkingen met de Europese Unie en de Verenigde Staten te bewerkstelligen, heeft de regering deze in 2018 teruggedraaid, door beperkingen aan journalisten, online media en demonstraties op te leggen om zo de controle te vergroten. De persvrijheid is zeer beperkt. Bij Verslaggevers Zonder Grenzen stond Wit-Rusland ver onderaan op plaats 153 van de in totaal 180 beoordeelde landen.

De presidentsverkiezingen van 2001 werden gewonnen door Loekasjenko met 75,65% van de stemmen en 15,65% voor de tegenkandidaat Oeladzimir Hontsjaryk en 2,48% voor Sjarhej Hajdoekevitsj. De oppositie stelde echter dat een derde van de stemmen vervalst was.

Op 19 maart 2006 werden presidentsverkiezingen gehouden. President Loekasjenko won de verkiezingen geheel naar verwachting met meer dan 80% van de stemmen. Ook deze uitslag is volgens sommige onafhankelijke waarnemers vervalst. De dagen na de verkiezingen verzamelden duizenden demonstranten zich op het Oktoberrevolutieplein in de hoofdstad Minsk. De ordebewakers van gemeentelijke politie en federale KGB verjoegen de demonstranten na enkele dagen met veel geweld van het plein. In 2010 en 2015 werd Loekasjenko opnieuw herkozen. De presidentsverkiezingen van 2010 gingen gepaard met grove tegenwerking van de campagne van de oppositie, het niet toelaten van waarnemers en mogelijke stemfraude.

De Wit-Russische KGB is nog een belangrijke steunpilaar van de huidige regering. Een van de voorlopers van die geheime dienst is de Tsjeka en de Wit-Russische regering stimuleert de verering van de eerste leider van deze organisatie. Deze Feliks Edmoendovitsj Dzerzjinski geldt in Wit-Rusland als nationale held.

Het staatshoofd van Wit-Rusland is de president. Hij wordt op directe wijze voor een periode van vijf jaar gekozen. Loekasjenko werd in 1994 tot president gekozen en liet zijn ambtstermijn in 1996 via een referendum verlengen tot 2001. In 2001 werd hij herkozen. Omdat een president volgens de Wit-Russische grondwet niet meer dan twee termijnen aan de macht mag zijn, hield Loekasjenko op 21 oktober 2004 (dezelfde dag als de parlementsverkiezingen) een referendum waarin hij het volk vroeg een grondwetswijziging door te voeren om de termijnenlimiet af te schaffen. Een ruime meerderheid van de bevolking (79,42%) was vóór de grondwetswijziging die daarna werd doorgevoerd. Internationale waarnemers oordeelden dat er gefraudeerd was.

De premier is voorzitter van de Raad van Ministers. De leden moeten lid zijn van het parlement en worden door de president benoemd.

De volksvertegenwoordiging (Nationale Assemblée) bestaat uit een lagerhuis en een hogerhuis. Het lagerhuis heet Huis van Afgevaardigden en bestaat uit 110 leden. Daarnaast is er een uit 64 leden bestaand hogerhuis, de Raad van de Republiek. De leden van het Huis van Afgevaardigden worden voor een periode van vier jaar gekozen. 56 leden van de Raad van de Republiek worden indirect gekozen, terwijl 8 door de president worden benoemd.

De rechterlijke macht bestaat uit het Hooggerechtshof, (speciale) rechtbanken en het Constitutioneel Hof.

Wit-Rusland is eveneens het enige Europese land dat de doodstraf kent. Alhoewel er stappen worden ondernomen om de doodstraf af te schaffen, voert Wit-Rusland nog steeds executies uit. De doodstraf wordt vaak opgelegd na een oneerlijke rechtszaak en marteling komt voor om bekentenissen te verkrijgen. Daarnaast weten zowel de gevangenen zelf als hun familie niet wanneer de voltrekking van de doodstraf zal plaatsvinden, waardoor beide in voortdurende angst voor het moment van executie verkeren. Alle informatie over de doodstraf in Wit-Rusland wordt geheimgehouden. Er zijn geen statistieken te verkrijgen over het aantal executies. Volgens Amnesty International krijgen familieleden enkele dagen na de executie een brief thuisgestuurd met het bericht dat de gevangene is geëxecuteerd. Terdoodveroordeelden in Wit-Rusland worden ter dood gebracht door een kogel in het achterhoofd.

De macht en invloed van politieke partijen in Wit-Rusland is zeer gering. Het parlement bestaat grotendeels uit partijlozen die achter het beleid van Loekasjenko staan. Daarnaast zijn er drie partijen in het parlement die het regeringsbeleid steunen:

Partijen die niet in het parlement vertegenwoordigd zijn, maar wel achter het beleid van Loekasjenko staan:

De oppositie is niet in het parlement vertegenwoordigd. De belangrijke alliantie van oppositiepartijen is de Verenigde Democratische Krachten, bestaande uit vijf partijen, zoals het Wit-Russisch Volksfront en de Verenigde Burgerspartij van Wit-Rusland.

Volgens de meest recente statistieken telde Wit-Rusland op 1 januari 2020 zo'n 9,408 miljoen inwoners. Het aantal inwoners bereikte een hoogtepunt in het jaar 1994: het land telde toen 10.243.500 inwoners. Het inwonersaantal is tussen 1994 en 2020 met ruim 800.000 personen afgenomen. Vooral de bevolking op het Wit-Russische platteland loopt in een rap tempo terug. In 1940, kort voor de bezetting van Wit-Rusland door nazi-Duitsland, woonden er ruim 7 miljoen mensen op het platteland, terwijl dat aantal in 2018 slechts 2 miljoen personen bedroeg. Een gemiddeld Wit-Russisch dorpje telde in de 21ste eeuw slechts 89 inwoners, voornamelijk gepensioneerden.

Wit-Rusland is het zwaarst getroffen land in de Tweede Wereldoorlog. Gedurende deze oorlog werden 209 steden en 9200 dorpen vernield en kwamen ruim 2,2 miljoen personen te overlijden. Het inwonersaantal daalde van 10,2 miljoen in 1939 tot een dieptepunt van een 7,7 miljoen in 1945 (bijna eenvierde deel van de bevolking).

Wit-Rusland kampt sinds 1993 met een negatieve natuurlijke bevolkingsgroei. Het geboortecijfer is jarenlang lager dan het sterftecijfer. In 2019 bedroeg het geboortecijfer 9,3‰, het sterftecijfer ongeveer 12,8‰ en de natuurlijke bevolkingsgroei -3,5‰. 

Wit-Russen vormen de grootste bevolkingsgroep, gevolgd door Russen en Polen. In het westen leeft een kleine minderheid van Lipka-Tataren, terwijl de Roma verspreid over Wit-Rusland wonen.

Lange tijd had Wit-Rusland een van de grootste Joodse gemeenschappen in Europa. In 1897 werden er ongeveer 720.000 Joden in Wit-Rusland (en Oost-Polen) geteld, oftewel 13,6% van de totale bevolking van de regio. Joden waren tot de eerste helft van de twintigste eeuw de op twee na grootste etnische groep in Wit-Rusland, en in sommige steden en dorpen vormden ze meer dan 40% van de bevolking. De bevolking van steden zoals Minsk, Pinsk, Mogilev, Bobruisk, Vitebsk en Gomel was merendeels Joods. Gedurende de Holocaust kwam 90% van de Wit-Russische Joden om het leven. Na de val van het communisme hebben de meeste Joden Wit-Rusland verlaten voor Israël, de Verenigde Staten of Duitsland. De overgebleven Joden zijn grotendeels geassimileerd in de Wit-Russische samenleving en weinig praktiserend. In de laatste volkstelling van 2009 werden er 12.926 etnische Joden geregistreerd.

De officiële talen in Wit-Rusland zijn het Wit-Russisch en het Russisch. Ongeveer 70% spreekt in het dagelijks leven Russisch, terwijl slechts 23% Wit-Russisch spreekt.

Wit-Russisch-orthodox en Russisch-orthodox 80 %, katholieken 7 % (westerse en oosterse ritus), protestanten ca. 2,7 %, joden en moslims.

Wit-Rusland is met een oppervlakte van 207.600 km², waarvan 4700 km² water, ongeveer vijf maal zo groot als Nederland. 
In totaal is de Wit-Russische grens 3098 km lang. Dat bestaat uit 141 km met Letland, 502 km met Litouwen, 605 km met Polen, 891 km met Oekraïne, maar het grootste deel - 959 km - met Rusland. Het is geheel door land omsloten en heeft dus geen kust of zeehavens.

Het is een vlak land, het ligt gemiddeld op zo'n 160 meter boven zeeniveau en van de hoogste berg, de Dzjarzjynskaja hara, ligt de piek op 345 meter boven de zeespiegel. Van het landoppervlak is ruim 40% geschikt voor agrarische doeleinden en ook ruim 40% van het land is met bos bedekt. Van de beroepsbevolking is zo'n 10% werkzaam in de primaire sector. Het land ligt op de grens van een land- en zeeklimaat, met koude winters en koele en natte zomers.

Wit-Rusland kreeg zijn huidige vorm in 1946 (toen nog Wit-Russische SSR geheten).

Enkele steden in Wit-Rusland zijn:

Rivieren in Wit-Rusland zijn:

Wit-Rusland is economisch sterk afhankelijk van handel met Rusland. Rusland levert voordelig aardolie; daarvoor in ruil kunnen de Russen gratis gebruikmaken van pijpleidingen onder de Wit-Russische bodem (zie ook Wit-Russisch-Russisch gasconflict). De Wit-Russische economie is nog sterk op de communistische leest geschoeid met een groot aantal staatsbedrijven en strenge regelingen. De werkloosheid is laag en schommelt rond tussen de 2% en 3%.

Wit-Rusland deed als enig ex-Sovjetland niet aan schoktherapie, maar de economie had desondanks zwaar te lijden na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. De economische activiteit kelderde met zo'n 30% in de periode 1993 tot en met 1995 en de inflatie liep heel sterk op. Het duurde tot 2005 voordat de inflatie weer onder de 25% op jaarbasis was uitgekomen. In de vijf jaren van 2004 tot en met 2008 lag de jaarlijkse economische groei rond de 10% op jaarbasis al kampte de overheid wel met grote begrotingstekorten. Na 2011 stagneerde de economie en het bruto binnenlands product, ook per hoofd van de bevolking, is per saldo licht gedaald tot en met 2018.

Op economisch vlak wordt Wit-Rusland gekenmerkt door het voortbestaan van grote staatslandbouwbedrijven, hoewel een vrijgave van de marktsector voorzichtig aangevat werd met ondersteuning uit Moskou. Wit-Rusland is minder sterk getroffen door de crisis van 2008-2009 dan de buren Rusland, Oekraïne en Letland en is momenteel welvarender dan de eerste twee landen. Het verschil met Oekraïne bestaat al jaren, maar de hogere levensstandaard ten opzichte van Rusland is een recent verschijnsel.

Wit-Rusland is een corrupt land. In 2019 stond het land op de 66e plaats van de in totaal 180 landen die Transparency International in kaart heeft gebracht.

Wit-Rusland is voor zijn energie sterk afhankelijk van Rusland. Na het gasconflict in 2004 besloot de Wit-Russische regering de afhankelijkheid van Russische aardgas terug te dringen door de bouw van een steenkoolgestookte elektriciteitscentrale en een kernenergiecentrale. Verder werden kleinere projecten opgestart op basis van windenergie en waterkrachtcentrales. Als deze plannen volledig ten uitvoer zijn gebracht, neemt de afhankelijkheid van het Russische aardgas af van 80% in 2009 naar 55% in 2020. Het grootste project is de bouw van de kernenergiecentrale Wit-Rusland op 23 kilometer van de grens met Litouwen bij de plaats Ostrovets. Het Russische Atomstrojeksport is in 2013 gestart met de bouw van de centrale met een totaal vermogen van 2400 megawatt, verdeeld over twee VVER-reactoren. In november 2018 komt de eerste reactor in bedrijf en medio 2020 de tweede als alles volgens plan verloopt.




#Article 104: Belegging (674 words)


Een belegging is een vorm van investering waarbij geld wordt vastgelegd voor langere of kortere tijd met als doel om in de toekomst financieel voordeel te behalen. Bij beleggen biedt men kapitaal in ruil voor onzekere inkomsten in de toekomst. Juridisch wordt het beleggen geregeld door het effectenrecht en in mindere mate door het vennootschapsrecht.

Iedereen is in de praktijk direct of indirect belegger. Al maakt men veelal een onderscheid tussen sparen en beleggen, in feite heeft men het over vrijwel hetzelfde: we zetten geld uit tegen een vergoeding en lopen daarbij risico. Het wordt ook vaak omschreven als investering, al is een belegging vooral gericht op rendement zonder verdere inzet.

Zelfs bij een spaartegoed waarvan men zeker weet dat men altijd minimaal het ingelegde geld zal terugkrijgen, loopt men risico. In de eerste plaats heeft men het debiteurenrisico, de spaarbank kan immers failliet gaan. Een veel groter risico op de lange termijn is het inflatierisico. Indien over de waarde van het spaartegoed een lager rentepercentage wordt uitgekeerd dan de geldontwaarding wordt men in de praktijk alsnog armer.
Iedereen die bijdraagt aan een pensioenfonds of een pensioenverzekeraar zet daarmee gelden uit in obligaties en aandelen, soms in combinatie met afgeleide producten als opties en beleggingen in hedgefondsen.

Er bevindt zich een relatie tussen het rendement van een investering en het hiermee gepaard gaande risico. Hoe groter het risico dat een belegger neemt, des te hoger is het verlangde rendement. Aandelen hebben bijvoorbeeld een hoger risico dan obligaties en hier hoort ook een hoger rendement bij. Beleggers proberen zoveel mogelijk rendement te maken bij zo min mogelijk risico. Als een belegger bijvoorbeeld kan kiezen tussen twee beleggingen met hetzelfde risico, maar de ene belegging heeft een rendement van 4% per jaar en de andere 2%, dan zal een belegger kiezen voor het hoogste rendement. Hoe een belegger tot deze keuze komt wordt geanalyseerd in de moderne portefeuilletheorie van professor Harry Markowitz.

In de beleggingstheorie wordt risico vaak gezien als de beweeglijkheid van de historische beurskoersen. Een maat voor deze historische beweeglijkheid is de standaard deviatie. Uiteraard zegt deze waarde uitsluitend iets over het verleden en is het hooguit een indicatie voor de toekomst. De uitkomst van een investering blijft altijd onzeker. Een belangrijke conclusie van de moderne portefeuilletheorie is dat deze onzekerheid alleen kan worden verkleind door de portefeuille te spreiden over meerdere soorten beleggingen. De gedachte hierachter is dat een tegenvaller in het ene fonds wordt opgevangen door een meevaller in een ander fonds. Ditzelfde geldt ook voor spreiding tussen verschillende soorten beleggingen zoals: aandelen, obligaties,  
onroerend goed en cash.

Behalve het passieve beleggingsbeleid van het gespreide beleggen, bestaat er ook een stroming binnen de beleggingswereld die een meer actieve vorm van beleggingsbeleid voorstaat. Een actieve belegger probeert door te handelen volgens een eigen visie het gemiddelde van de markt of beursindex te verslaan. In de praktijk blijkt het voor actieve beleggers lastig te zijn om betere resultaten te boeken dan passieve beleggers. Dit wordt mede veroorzaakt door de hogere kosten van het actief handelen op de beurs.

Men kan een onderscheid maken tussen een aantal soorten beleggers.

Beleggers kunnen verder natuurlijk ook onderverdeeld worden aan de hand van hun beleggingsfilosofie. Men onderscheidt grofweg vijf verschillende soorten beleggers:

In tijden waarin de beurzen een lager of zelfs negatief rendement laten zien, zijn mensen geneigd om naar alternatieve beleggingen te kijken, zoals het beleggen in zeeschepen, hout, wijn en kunst. In 2001 is in Nederland het fiscale begrip vermogensrendementsheffing ingevoerd. Over bezittingen in box III dient normaal gesproken belasting betaald te worden. Er bestaat een vrijstelling van de vermogensrendementsheffing voor voorwerpen van kunst. Het lijkt daarom voordelig om fiscaal belaste vermogensbestanddelen om te zetten in fiscaal vrijgestelde voorwerpen van kunst. Echter, wanneer kunstwerken hoofdzakelijk als belegging dienen (de bewijslast hiervan ligt bij de fiscus), bestaat de mogelijkheid dat het kunstbezit alsnog fiscaal wordt belast.

Met de toenemende aandacht voor het behoud van het milieu en sociaal-ethische thema's is de aandacht voor duurzaam beleggen de laatste jaren enorm toegenomen. Ook groen beleggen valt daaronder te scharen.




#Article 105: Burgemeester (2967 words)


Een burgemeester is een bestuursfunctionaris op gemeentelijk niveau. Internationaal is er een verscheidenheid aan functies en macht die een burgemeester heeft.

Vroeger sprak men van borghmeester, burchmeester of borgermeyster, dat wil zeggen hoofd van borg of burg (stad, wijk).

De burgemeester is in België het hoofd van het gemeentebestuur en wordt door de gewestregering benoemd uit de leden van de gemeenteraad voor een periode van zes jaar. De gemeenteraadsleden kunnen daarvoor kandidaten voordragen bij de provinciegouverneur. Een kandidaat-burgemeester heeft de steun nodig van de meerderheid van zijn eigen fractie. De steun van de meerderheid in de hele gemeenteraad is formeel niet nodig, maar is bijna altijd het geval. In uitzonderlijke gevallen kan de burgemeester ook worden benoemd buiten de verkozenen voor de gemeenteraad.

De burgemeester staat aan het hoofd van de gemeentelijke administratie en is meestal voorzitter van de gemeenteraad (sinds 2007 kan in Vlaanderen een gemeenteraad zijn eigen voorzitter kiezen) en het college van burgemeester en schepenen. Daarnaast staat hij ook aan het hoofd van de lokale politie op bestuurlijk vlak of zetelt hij in de politieraad indien het lokale politiekorps verschillende gemeenten bedient. Hij moet ervoor zorgen dat de wetten en de besluiten van hogere overheden uitgevoerd worden.

Belgische burgemeesters dragen een sjerp in de kleuren van de Belgische vlag. Franstalige burgemeesters heten in België bourgmestre; opmerkelijk want in Frankrijk heet de functie le maire.

Bij de staatshervorming van 2001 (Lambermontakkoord) werd de bevoegdheid inzake de organisatie van de lokale besturen overgedragen aan de drie Gewesten, zodat er geleidelijk aan verschillende regelingen ontstaan voor het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het Vlaams Parlement keurde op 6 juli 2005 een nieuw gemeentedecreet goed waarin de rol en bevoegdheden van alle actoren in de lokale besturen grondig werden geherdefinieerd.

In Wallonië wordt sinds 2006 de burgemeester zo goed als rechtstreeks verkozen: de verkozene met de meeste voorkeurstemmen op de lijst met de meeste stemmen binnen de gevormde meerderheidscoalitie, wordt automatisch voorgedragen als burgemeester.

In Brussel en Wallonië luidt de eed die burgemeesters moeten afleggen nog steeds Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge. terwijl dit in Vlaanderen slechts Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen. is.

Een burgemeester wordt in de praktijk voorgedragen door de meerderheid van de gemeenteraad, maar formeel is dat niet noodzakelijk. Meestal is hij ook gemeenteraadslid maar in uitzonderlijke omstandigheden kan dit ook iemand van buiten de raad zijn.

Enkele burgemeesters benoemd buiten de raad zijn 'erfopvolgingen' tijdens een legislatuur waarbij de nieuwe burgemeester een familielid opvolgt en nog geen raadslid kon zijn omdat twee zulke dichte familieleden niet samen in de gemeenteraad mogen zetelen:

Andere voorbeelden van burgemeesters benoemd buiten de raad :

De benoeming van Jos Leye tot burgemeester van Koksijde in 1991 is een zeldzaam voorbeeld waarbij men op zoek ging naar een neutraal persoon buiten de lokale politiek om burgemeester te worden. De reden voor deze demarche van de gouverneur was dat er door verschillende overlopingen geen stabiele meerderheid was, er waren al drie verschillende kandidaat-burgemeesters door verschillende meerderheden na elkaar voorgedragen.

Een burgemeester die niet gesteund wordt door een meerderheid in de gemeenteraad is zo mogelijk nog zeldzamer.

In België wordt het burgemeesterschap soms (in het verleden dikwijls) gekenmerkt door lange bestuursperiodes door een en dezelfde persoon of familie.

De burgemeesters kwamen meestal uit de families van regenten, adel, grootgrondbezitters, herenboeren of industriëlen. Die namen dan zelf de taak op of lieten het over aan anderen. In België waren de burgemeesters vroeger vaak bierbrouwers, zoals in de gemeenten Drongen, Merchtem, Laarne, Opwijk, Steenhuffel, Wieze, Landegem en Ulbeek.

Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam er een democratisering van het ambt.

België kent het fenomeen van de verhinderd burgemeester: ambtsdragers die de uitvoering van hun bevoegdheden overlaten aan een waarnemer omdat zij een conflicterende dubbelfunctie hebben aanvaard, bijvoorbeeld die van minister of eurocommissaris. Zo bleef voormalig federaal premier Elio Di Rupo burgemeester van Bergen tijdens zijn periode aan het hoofd van de regering en bleef ex-eurocommissaris Karel De Gucht burgemeester van Berlare. Er wordt ook wel gesproken van titelvoerend burgemeester.

Sinds de decentralisatie in 2001 hebben de Antwerpse districten ook een uitvoerend districtscollege met districtsschepenen en een districtsvoorzitter of ook wel districtsburgemeester genoemd.

Een burgemeester wordt in Nederland door de Kroon benoemd, nadat het kabinet met de benoeming heeft ingestemd op grond van een voordracht door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gebaseerd op een aanbeveling van de gemeenteraad van de bewuste gemeente. Het is echter niet nodig dat de gemeenteraad iemand voordraagt. 
In een aantal gemeenten (Delfzijl, Best, Vlaardingen, Boxmeer, Leiden, Zoetermeer, Utrecht en Eindhoven) is een burgemeestersreferendum gehouden, waarin de bevolking kon kiezen tussen twee kandidaten. Dit referendum had een raadplegend karakter en was niet bindend. Aangezien de ervaringen niet positief waren (lage opkomst bij referenda en beperkte keuze voor de kiezer) wordt het burgemeestersreferendum niet meer toegepast.

Nederlandse burgemeesters dragen (in bepaalde omstandigheden) een ambtsketen en worden benoemd voor een ambtsperiode van zes jaar. Na afloop van die termijn van zes jaar zijn zij telkens weer voor zes jaar herbenoembaar.

In 2009 kondigde PvdA-minister Guusje ter Horst aan dat zij voornemens was om het burgemeesters niet toe te staan langer dan 3 termijnen (18 jaar) in het ambt te zijn van 1 gemeente. Na kritiek van haar coalitiegenoot CDA en oppositiepartij VVD trok zij dit voorstel weer in.

Artikel 43 van het Rechtspositiebesluit burgemeesters bepaalt: Aan de burgemeester wordt met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin hij de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt, eervol ontslag verleend. Dit was eerder 65 jaar.

In het verleden zijn er burgemeesters geweest die ook nog na hun 70e burgemeester waren. De burgemeesters met de langste ambtstermijn in de Nederlandse geschiedenis bij 1 gemeente zijn Nicolaas Stephanus van Meurs, die tussen 1802 en 1863 61 jaar burgemeester van Heerde was en Jan Dirk Preuijt die tussen 1823 en 1886 zelfs ongeveer 62 jaar burgemeester van Geervliet was. Willem Götte werd in 1811 schout van Goor, dat enkele jaren later gesplitst werd in de gemeente Goor en de gemeente Markelo. Tot 1872 bleef hij de burgemeester van Markelo. Voor de jongste burgemeester zie de lijst van jongste burgemeesters van Nederland.

De Grondwet bepaalt dat de burgemeester bij koninklijk besluit wordt benoemd.

De burgemeester vormt samen met de wethouders het dagelijks bestuur van de gemeente, het college van burgemeester en wethouders geheten (of vaak ook wel kortweg het college van B en W genoemd). De burgemeester is voorzitter van het college van burgemeester en wethouders en heeft stemrecht. Als de stemmen staken is die van de burgemeester doorslaggevend.

De burgemeester is voorzitter van de gemeenteraad maar kan niet tevens raadslid zijn. In de gemeenteraad heeft hij geen stemrecht. In 2008 is een eerste stap gezet om het voorzitterschap van de gemeenteraad niet meer verplicht bij de burgemeester te leggen door deze bepaling uit de Grondwet te schrappen, maar de Gemeentewet blijft deze verplichting vooralsnog voorschrijven.

Iemand kan gelijktijdig burgemeester zijn van meer dan één gemeente. Op het moment van de benoeming van de burgemeester mogen die gemeenten samen niet meer dan 10.000 inwoners hebben. Vanwege de samenvoeging van gemeenten (gemeentelijke herindeling), zijn er steeds minder kleine gemeenten die een burgemeester delen met een andere.

In 2002 is een wetsvoorstel om de bepaling in de Grondwet dat de burgemeester bij koninklijk besluit wordt benoemd te schrappen, door beide Kamers der Staten-Generaal aanvaard in eerste lezing (de Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel toen zonder debat bij acclamatie aangenomen). Op 22 maart 2005 heeft de Eerste Kamer dit wetsvoorstel in tweede lezing (waarbij een tweederdemeerderheid vereist is) in de Nacht van Van Thijn met 42 stemmen voor en 31 stemmen tegen verworpen, waardoor de Grondwet ongewijzigd bleef.

Zeven jaar later, in 2012, diende het Tweede Kamerlid Schouw een iniatiefvoorstel in van een vergelijkbare strekking. Dit voorstel werd wederom in eerste lezing door beide kamers aangenomen: de Tweede Kamer in 2013 en de Eerste Kamer in 2015. De Tweede Kamer heeft het na de verkiezingen van 2017 op 23 januari 2018 in tweede lezing aangenomen. De Eerste Kamer stemde ook in op 20 november 2018. De benoemingsprocedure van de burgemeester wordt hierdoor niet meer voorgeschreven door de grondwet, waardoor het mogelijk is om met een gewone wetswijziging een andere procedure vast te stellen. Daar zijn echter nog geen plannen voor ingediend, waardoor voor voorlopig burgemeesters benoemd zullen blijven worden bij koninklijk besluit.

De burgemeester is in Nederland niet het hoofd van de gemeente. Hoofd van de gemeente is de gemeenteraad.

Als voorzitter van het college en de raad heeft de burgemeester mede tot taak om de kwaliteit van het bestuur in de gemeente te bewaken en de interne afstemming binnen de gemeente te bevorderen.

De burgemeester is niet alleen voorzitter van de raad en voorzitter van het college. Hij is ook zelf een bestuursorgaan en heeft zijn eigen bevoegdheden. Deze hebben vooral betrekking op openbare orde en veiligheid. De burgemeester heeft het toezicht op openbare bijeenkomsten en op voor het publiek openstaande gebouwen, zoals horecagelegenheden. In geval van nood is hij bevoegd noodbevelen te geven en noodverordeningen vast te stellen. De burgemeester heeft het opperbevel bij brand en ongevallen, waarbij de brandweer is ingeroepen. Ook heeft de burgemeester representatieve taken. Hij vertegenwoordigt de gemeente in en buiten rechte, dus als de gemeente partij is in een rechtszaak maar ook als namens de gemeente stukken moeten worden ondertekend.

Elk jaar brengt de burgemeester het burgerjaarverslag uit. Daarin wordt verslag uitgebracht onder andere over de kwaliteit van de gemeentelijke dienstverlening richting de burger, inspraak en burgerparticipatie.

Als de burgemeester verhinderd is zijn ambt uit te oefenen of als er geen burgemeester is, dan wordt het ambt waargenomen door een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen wethouder. De wethouder die het burgemeestersambt waarneemt wordt locoburgemeester genoemd. Wanneer alle leden van het college van burgemeester en wethouders afwezig zijn wordt de nestor van de gemeenteraad, en daarna de in anciënniteit tweede enzovoort, locoburgemeester. De gemeentesecretaris komt als ambtenaar niet in aanmerking voor de tijdelijke vervulling van dit ambt.

Een waarnemend burgemeester is een door de commissaris van de Koning tijdelijk aangestelde vervanger als er langere tijd geen gewone burgemeester in functie is in een gemeente.

Het ambt van burgemeester komt reeds voor in de Nederlandse steden in de middeleeuwen. Zo komen de eerste burgemeesters van Groningen en van Dordrecht voor in de 13e eeuw en de eerste burgemeesters van Amsterdam in de 14e eeuw. Eeuwenlang was het mogelijk dat steden tot vier burgemeesters gelijktijdig hadden. Vanaf 1824 was in Nederland het “Reglement voor het Bestuur in de Steden” van kracht, dat bepaalde dat er voortaan sprake zou zijn van niet meer dan één burgemeester. De Gemeentewet van 1851 heeft die beleidslijn voortgezet, welke opnieuw werd bevestigd door de herziene Gemeentewet van 1994.

Aan het begin van de 15e eeuw verleende graaf Albrecht van Beieren aan Amsterdam een privilege waarbij de hoofdmacht van de stad in handen werd gelegd van burgemeesteren, gekozen door de oud-raad. Dit college, bestaande uit schepenen, oud-schepenen, 'burgemeesteren' en 'oud-burgemeesteren', koos op Vrouwendag (2 februari) drie burgemeesters, die uit de aftredende functionarissen een vierde benoemden. Bijna vier eeuwen lang, tot de omwenteling van 1795 bleef die unieke macht van burgemeesters van de stad op deze wijze geregeld.

De schepenen van Antwerpen stelden in 1409 twee borchmaistres aan, zonder toestemming van de hertog, een binnenburgemeester en een buitenburgemeester. Ook deze bijzondere macht bleef er tot 1794 zo geregeld.

In onder meer Noord-Brabant was de functie van de burgemeester vóór 1795 een heel andere; de burgemeesters of borgemeesters beheerden de dorpskas. In Venlo (toentertijd onderdeel van het Hertogdom Gelre) kwamen vanaf 1348 twee burgemeesters voor (tot 1679, toen het één functie werd), namelijk de regerend burgemeester en de paijburgemeester (beide functies bestonden overigens ook in Roermond), waarbij paij betekent betaal, dus wat we nu een wethouder van financiën zouden noemen.

In Wijk aan Zee werd eenmaal per jaar (op vastenavond) twee burgemeesters of 'kiezers' uit de gelederen der oud-schepenen aangesteld. Hun enige rol was om een deel van het college van schepenen te vervangen door nieuw gekozen kandidaten. De aanstelling was voor twee achtereenvolgende jaren en hun termijne overlapte, zodat er elk jaar een aftrad en een nieuwe burgemeester erbij verkozen werd.

Ook op Schokland (een voormalig eiland in de voormalige Zuiderzee) kent men voor 1795 'burgemeesters'. Hun functie is min of meer te vergelijken met die van de tegenwoordige wethouder. In 1767 bestaat het gerecht van Emmeloord (het noordelijke deel van Schokland) - op dat moment eigendom van Amsterdam - uit een schout, die tegelijk secretaris is, en vijf burgemeesters, die ook schepen zijn. Zij leggen een schepeneed af en blijven twee jaar in functie. Rond Pasen worden het ene jaar drie burgemeesters vervangen, het andere jaar twee.

Na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij het Franse Keizerrijk in 1810 en de invoering van de Franse wetgeving in 1810 en 1811 kwam de functie van burgemeester aan de maire, geassisteerd door een adjunct-maire. Bij de invoering van de grondwet van 1814 werd als vanouds onderscheid gemaakt tussen stedelijke gemeenten en plattelandsgemeenten. In de steden werden de maires weer aangeduid als burgemeester, terwijl in de plattelandsgemeenten de maires tot 1825 schouten werden genoemd.

Tot ruim in de twintigste eeuw was het burgemeestersambt in Nederland in de praktijk voorbehouden aan mannen. In 1946 kwam met de benoeming van Truus Smulders-Beliën hierin echter verandering. Maar na haar benoeming bleef zij nog lang de enige vrouwelijke burgemeester van Nederland. Pas op 16 oktober 1964 werden twee andere vrouwen tot burgemeester benoemd: M. van der Wall-Duyvendak (Geldermalsen) en mr. C.M. s'Jacob-des Bouvrie (Leersum). Daarna kwamen er langzamerhand meer zoals: H.L.M. van Hangest barones d'Yvoy (Rozendaal, 1968), J.M. Corver-van Haaften (Heiloo, 1968), G.J. van den Bosch-Brethouwer (Puttershoek, 1972), A.J. le Coultre-Foest (Blaricum, 1973), M.H.G. van Soest-Jansbeken (Arcen en Velden, 1974), W.W. Veenhof (Barradeel, 1975), M. de Jong-Meijer (Graft-De Rijp, 1976) en N.A. den Haan-Groen (Voorburg, 1976).

Evenals de wethouders van een gemeente zijn burgemeesters steeds meer afhankelijk geworden van het vertrouwen van de gemeenteraad. Uit een onderzoek naar bestuurlijke probleemsituaties rond burgemeesters, dat in 2006 in opdracht van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Remkes en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters werd verricht door de Open Universiteit en een particulier adviesbureau, bleek het belang van persoonlijke eigenschappen om crisissituaties het hoofd te kunnen bieden, om het vertrouwen van de gemeenteraad te kunnen blijven genieten.

Het onderzoek werd uitgevoerd door een team onder leiding van prof. dr. A.F.A. Korsten en prof. dr. H. Aardema en richtte zich op het gedwongen vertrek van burgemeesters in Nederlandse gemeenten in de periode 2000 tot en met 2005. In deze periode werden 36 ‘gevallen’ burgemeesters getraceerd (op een totaal aantal van ca. 460 gemeenten).

Het moeilijkst bleek het voor burgemeesters te overleven in bestuurlijk risicovolle gemeenten, dat wil zeggen gemeenten die worden gekenmerkt door een optelsom van factoren zoals een instabiel college, een in kleine fracties opgedeelde gemeenteraad en wat genoemd werd een negatieve bestuurscultuur.

De positie van een (niet fascistische) burgemeester in oorlogstijd was moeilijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op grond van het landoorlogreglement, een internationaal verdrag, moesten zij de Duitse bezetter bijstaan, maar deze moest op zijn beurt de Nederlandse en Belgische wet en rechtsorde respecteren. Van dat laatste kwam niets terecht. De burgemeesters stonden zo voor een dilemma. Zij zouden kunnen aftreden en zouden dan worden vervangen door een fascist die nog meer schade aan zou richten. Ze konden ook aanblijven om hun burgers zoveel mogelijk te beschermen en liepen dan het risico gecompromitteerd te raken door in te gaan op de eisen van de bezettende macht.

Afgezien van de door Rijkscommissaris Seyss-Inquart benoemde burgemeesters die lid van de N.S.B. waren en onmiddellijk na de bevrijding buiten functie werden gesteld, zijn als resultaat van de zuivering 700 Nederlandse burgemeesters na de oorlog ontslagen. Hun gedrag was volgens het Centraal Orgaan voor de Zuivering van Overheidspersoneel niet in overeenstemming met de door de Nederlandse regering in 1937 gegeven richtlijn. Vriendschappelijke contacten met Duitsers telden zwaar, maar vooral het meewerken aan verdedigingsmaatregelen dan wel het (gedwongen) rekruteren van arbeiders die die stellingen aanlegden, werd de burgemeesters zwaar aangerekend.

Op 6 december 2018 maakte de redactie van Elsevier bekend dat ze de (bedreigde) burgemeester had uitgeroepen tot Nederlander van het Jaar 2018. Volgens het blad konden de burgemeesters wel een steuntje in de rug gebruiken, aangezien tientallen met de dood worden bedreigd of te maken hebben met ander fysiek of verbaal geweld. Dat heeft niet alleen te maken met de bestrijding van drugscriminaliteit, waarvan de burgemeester vaak het gezicht is (en niet de politie of de officier van justitie). Maar ook de gewone burger weet de burgemeester te vinden als het gaat om locaties voor asielzoekerscentra, Zwarte Piet of vuurwerkverboden.

In Duitsland heet een burgemeester Bürgermeister. Grote steden, om precies te zijn kreisfreie Städte, hebben een Oberbürgermeister en meerdere Bürgermeister. De wetgeving rond de gemeentes en daarmee de burgemeesters hangt van de deelstaten af. In vrijwel alle deelstaten wordt de burgemeester direct door het volk gekozen. Zijn ambtstermijn duurt vier, vijf of zes jaar. Hij is niet alleen hoofd van de administratie maar ook van de gemeenteraad.

De drie steden Berlijn, Hamburg en Bremen zijn deelstaten. De burgemeesters worden er door het deelstaatparlement en niet door het volk gekozen. Ze zijn dus eerder vergelijkbaar met de ministers-presidenten van deelstaten dan met de burgemeesters van normale steden. De burgemeester van Berlijn heeft de titel Regierender Bürgermeister, die van Hamburg Erster Bürgermeister en de burgemeester van de deelstaat Bremen Senatspräsident.

Het woord burgemeester wordt in het Nederlands niet altijd voor de functionaris zelf gebruikt. Zo kent men de uitdrukking: iemand burgemeester maken. Het betekent dat een jongen in z'n blote gat wordt gezet, z'n broek naar beneden wordt getrokken en daar water in wordt gegoten.




#Article 106: Brussels Hoofdstedelijk Gewest (6242 words)


Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (Frans: Région de Bruxelles-Capitale) is sinds 1995 een van de drie gewesten van België en bestaat uit 19 gemeenten, waaronder de stad Brussel, die de hoofdstad van België is. Het Gewest vormt een enclave in Vlaanderen die een totale oppervlakte van 161 km² heeft en 1.221.881 inwoners (1 januari 2020) telt. Het hele stedelijk gebied van Brussel, inclusief de voorsteden buiten het eigenlijke gewest, telt ongeveer 1,8 miljoen inwoners en is daarmee de grootste agglomeratie van het land. Zowel de Vlaamse als Franse Gemeenschap oefenen hun bevoegdheden uit op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Het gebied waarbinnen de stadsrechten van toepassing waren werd de Kuip van Brussel genoemd. Het kende toen een grote bloei onder het hertogdom Brabant en rivaliseerde toen sterk met Leuven. Beide steden waren afwisselend de hoofdstad van het hertogdom. Brussel werd min of meer de hoofdstad van de Habsburgse Nederlanden en later de Zuidelijke Nederlanden. Tegen het einde van de Oostenrijkse Nederlanden kreeg het de overhand boven Leuven. Ettelijke adellijke families vestigden er zich, evenals (delen van) de regering.

Brussel consolideerde zijn hoofdstedelijke functie voor de eerste keer onder het Franse regime. Tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was het samen met Den Haag zetel van het parlement. In de Belgische Revolutie van 1830 was Brussel het centrum van de rebellen, waar het Voorlopig Bewind zich vestigde.

De nieuwe Belgische staat zorgde voor een aanzienlijke versnelling in de uitbouw van Brussel. Vóór 1830 was Brussel een Brabantse, Nederlandstalige stad. Na de onafhankelijkheid kende het een sterke inwijking van Fransen (gevluchte revolutionairen en anderen), en van Waalse ambtenaren, die het jonge Belgische bewind aantrok uit de Waalse provincies om er zijn nationale administratie mee te bemannen. Dat bewind werd namelijk beheerst door de hogere burgerij en de adel. Alleen deze groepen genoten toen stemrecht. Zij wensten de nationale instellingen enkel in hun eigen taal, het Frans, uit te bouwen. Hierdoor werd het Nederlands radicaal verbannen uit alle instellingen en uit het bestuur.

Deze taalkundige discriminatie viel samen met zware sociale en politieke discriminatie van de arbeiders en de Vlaamse Nederlandstalige burgerij.
In de negentiende eeuw kende Brussel ook een sterke industriële ontwikkeling.
Door deze druk van overheidswege en door de inwijking van Walen en Fransen nam de verfransing van de bevolking, de verbeulemansing toe. Toch vormden de Franstaligen pas rond het midden van de twintigste eeuw in Brussel de meerderheid.

Samen met deze evolutie groeide ook het hoofdstedelijke gebied. Begin 19e eeuw telde dat slechts een zestal gemeenten rond de hoofdstad. Naarmate de verstedelijking en de verfransing oprukten werden omringende gemeenten geannexeerd. Dat gebeurde bij tienjaarlijkse talentellingen. Zodra daarbij het aantal Franstaligen en tweetaligen boven bepaalde grenzen raakte, werd de betrokken gemeente bij het hoofdstedelijke gebied gevoegd.

Sinds de jaren 1960 werd Brussel de facto de hoofdstad van de Europese Gemeenschap, later van de Europese Unie. Stedenbouwkundige ingrepen, zoals het slopen van bestaande gebouwen, soms hele wijken, werden toegestaan zonder voldoende rekening te houden met esthetische aspecten. Waardevolle art-decohuizen verdwenen, tenzij ze reeds beschermd waren. Deze architecturale kakafonie van oud en nieuw gaf aanleiding tot het ontstaan van de term verbrusseling.

Eigen politieke instellingen verkreeg Brussel pas vrij laat, eerst met een Brusselse Agglomeratieraad, en vervolgens, tien jaar na het Vlaamse en het Waalse gewest (in 1989), met zijn eigen hoofdstedelijke gewestinstellingen: het Brussels Hoofdstedelijke Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Daarbij werd er een wettelijke regeling uitgewerkt ter bescherming van de Vlaamse minderheid in Brussel (volgens de meest optimistische schattingen ongeveer 20% van de Brusselse bevolking, maar minder als men het verkiezingsresultaat van de Nederlandstalige partijen als maatstaf neemt). Zo is de Brusselse gewestregering (evenals de federale) paritair samengesteld, dat wil zeggen dat er evenveel Nederlandstalige als Franstalige ministers zijn (met uitzondering van de minister-president). Later kregen de Vlamingen ook een gewaarborgd aantal zetels in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, omdat hun aantal zetels anders onder een kritische drempel dreigde te raken.

Daarnaast oefenen de Vlaamse en de Franse Gemeenschap ook bevoegdheden uit in het Brussels Gewest; dit zijn de typische gemeenschapsbevoegdheden, ook wel de 'persoonsgebonden materies' genoemd (bijvoorbeeld cultuur). Voor de Vlaamse Gemeenschap berusten deze bevoegdheden bij de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), voor de Franse Gemeenschap bij de COCOF. Voor een beperkt aantal materies is er de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

De huidige institutionele regeling voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het resultaat van ettelijke rondes staatshervormingen, waarbij de Franstaligen Brussel proberen uit te bouwen tot een volwaardig gewest ('une région-à-part entière'), terwijl de Vlamingen Brussel meer willen zien als een lagere, intermediaire bestuursvorm – een sterk opgewaardeerde agglomeratie annex provincie of zelfs stad (met een fusie van de 19 gemeenten). Het Brussels Gewest heeft een iets andere juridische status dan het Vlaamse en Waalse gewest.

Het huidige Brussels Hoofdstedelijk Gewest valt naar grondgebied samen met het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het arrondissement Brussel-Hoofdstad, dat naast Brussel nog 18 andere gemeenten omvat die in de loop van de 19e en 20e eeuw urbanistisch met de kernstad vergroeid raakten. In tegenstelling immers tot de meeste andere grote agglomeraties in België (als Antwerpen, Gent, Charleroi en Luik) werd de Brusselse agglomeratie niet betrokken bij de fusieoperatie van gemeenten in 1977, zodat het aantal gemeenten onveranderd bleef. In het verleden (1922) werden alleen de gemeenten Laken, Haren en Neder-over-Heembeek door de gemeente Brussel ingelijfd.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ligt in de Brabantse Leemstreek aan de noordoostkant van Midden-België op een hoogte die varieert van 9,40 meter in de vallei van de vrijwel geheel overdekte Zenne, die het gewest van zuid tot noord doorsnijdt, tot 148 meter in het Zoniënwoud aan de zuidoostkant. Behalve de Zenne zorgen ook haar bijrivieren de Maalbeek en de Woluwe in het oosten van het gewest voor aanzienlijke hoogteverschillen.
Bossen en parken zijn samen goed voor ongeveer 20% van de totale oppervlakte van het gewest, deze zijn vooral geconcentreerd in het zuidoosten van het gewest (Zoniënwoud, Ter Kamerenbos). In het westen (o.a. Anderlecht) is er een beperkt gedeelte weide en akkerland. Onbebouwde gronden (inclusief bossen, parken en landbouwgrond) zijn samen goed voor een derde van het grondgebied.

De 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (met hun postcodes):

Toen België in 1830 onafhankelijk werd telden de gemeenten die nu deel uitmaken van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ongeveer 135.000 inwoners waarvan Brussel zelf met ongeveer 95.000 inwoners zowat 70% van het totaal. De andere gemeenten waren toen nog dorpen, waarvan slechts enkele meer dan 3.000 inwoners telden, die nog niet vergroeid waren met de stad. In 1900 telde de agglomeratie al 626.075 inwoners en rond 1960 werd de mijlpaal van 1.000.000 inwoners bereikt. Het aandeel van Brussel in het totaal bedraagt dan nog slechts 17%, in de 19e eeuw zijn het vooral de direct aan Brussel grenzende gemeenten die spectaculair groeien (Anderlecht, Molenbeek, Schaarbeek, Sint-Gillis, Elsene, Sint-Joost), in de 20e eeuw ligt de groei vooral bij de gemeenten van de buitenrand.

In 1990, net na de oprichting van het gewest in 1989, telde de agglomeratie 991.355 inwoners, terwijl er in 1970 nog 1.075.136 waren. Tot 2000 zou dit aantal blijven teruglopen tot 959.318, ongeveer gelijk aan het niveau van 1947 (955.929). In het eerste decennium van de 21e eeuw keerde de tendens, om in 2019 de kaap van 1.200.000 te ronden. Deze sterke groei concentreert zich vooral in de gemeenten Anderlecht, Sint-Jans-Molenbeek, Schaarbeek, Elsene, Sint-Joost-ten-Node, Koekelberg, Laken (Brussel II) en Sint-Gillis, en is zowel het gevolg van een hoog natuurlijk saldo (hoog geboortecijfer en laag sterftecijfer, voornamelijk door het grote aandeel van de jonge uit het buitenland ingeweken bevolking), als van een sterke migratie uit het buitenland. Ondanks deze groei hebben enkele van deze gemeenten (Brussel, Elsene, Sint-Gillis, Etterbeek en Sint-Joost) nog steeds minder inwoners dan het geval was op hun hoogtepunt. De andere gemeenten kennen een lagere groei, die dichter aansluit bij het nationale gemiddelde. Het fenomeen van stadsontvluchting, ontstaan in de tweede helft van de 20e eeuw doet zich echter nog steeds voor, want het intern migratiesaldo blijft jaar na jaar negatief (meer inwoners verlaten het gewest richting Vlaanderen of Wallonië dan omgekeerd).

Eind 2008 was zo'n 68% van de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van vreemde origine. Zo'n 35% van de Brusselaars is van niet-Europese afkomst. Het percentage Brusselaars van Europese afkomst en van niet vreemde afkomst bedraagt beide 32%. Vluchtelingen maken het overige 1% uit. Hierbij dient opgemerkt te worden, dat de inwoners van gemengde afkomst (zowel Belgische als buitenlandse) gerekend worden als van vreemde origine .

Volgens een rapport van het Brussels Observatorium voor Gezondheid en Welzijn uit 2006 zijn 46,3% van de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van buitenlandse oorsprong (dat wil zeggen niet in België geboren). 26,8% van de inwoners van Brussel hebben niet de Belgische nationaliteit (zijn immigrant). In sommige zones van het gewest gaat het vooral om arbeidsmigranten. In andere wijken zijn de niet-Belgen vooral werknemers van internationale organisaties of buitenlandse studenten.

Alle cijfers voor Brussel zijn inclusief Brussel II (Laken, Haren en Neder-Over-Heembeek); Oudergem maakte in 1846 nog deel uit van Watermaal-Bosvoorde.
Geboorten/overlijden per 1000 inw. zijn voor het jaar 2014, inwoners per km² voor het jaar 2018. Ter vergelijking voor België bedragen deze cijfers respectievelijk:

De welvaartsindex is indicatief voor de gemiddelde rijkdom van de inwoners van een gemeente. Hij wordt berekend als het gemiddeld netto belastbaar inkomen per inwoner in een bepaalde gemeente in vergelijking met dezelfde gemiddelde waarde voor België (= index 100). Een index lager dan 100 betekent dat dit inkomen lager ligt dan het nationaal gemiddelde, een index hoger dan 100 het omgekeerde. Deze gegevens hebben betrekking op het inkomensjaar 2017. Met een index van 78,4 loopt het Brussels Gewest ver achterop bij de
andere gewesten van het land. Voor Vlaanderen bedraagt de index 107,1 en voor Wallonië 94,3. Sint-Joost-ten-Node kent met index 50,7 de laagste welvaartsindex van alle 581 Belgische gemeenten. Opvallend is dat, over de periode 2006-2017, in 15 van de 19 gemeenten de welvaartsindex gedaald is, slechts in 2 gemeenten (Elsene en Sint-Gillis, resp. met 5% en 7%) gestegen is en in 2 gemeenten (Ukkel en Etterbeek) vrijwel gelijk is gebleven. Het gewest dat in 2006 (index 84,6) al 15% armer was dan het Belgische gemiddelde kent nog een terugval van bijna 8%. Ganshoren, Sint-Agatha-Berchem, Koekelberg, Anderlecht en Evere kennen zelfs een terugval van 15% of meer en zijn daarmee over deze periode de grootste verliezers van alle 581 gemeenten die België telt.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft een gemiddelde bevolkingsdichtheid van meer dan 7.400 inwoners per km² zowat 20 keer hoger dan het nationaal gemiddelde. Er bestaan echter grote verschillen in bevolkingsdichtheid tussen een aantal gemeenten van het gewest. De centraal gelegen gemeenten en ook de historische stadskern van Brussel, de zogenaamde vijfhoek, kennen een veel hogere dichtheid dan de gemeenten van de tweede kroon, die later verstedelijkten. Voor de gemeenten van de zuidoostrand (vooral Watermaal-Bosvoorde maar ook Ukkel, Oudergem en Sint-Pieters-Woluwe) is dit ook deels te verklaren doordat een groot gedeelte van hun oppervlakte ingenomen wordt door het onbewoonde Zoniënwoud, en anderzijds omdat ze ook een vrij grote residentiële zone hebben met vrijstaande bebouwing. Voor Brussel-stad inclusief de opgeslorpte gemeenten Laken, Haren en Neder-Over-Heembeek ligt de verklaring voornamelijk bij de aanwezigheid van het grote koninklijk domein en de havenzone waar haast geen bewoning is. Hoewel Sint-Joost-ten-Node met bijna 24.000 inwoners per vierkante kilometer de dichtstbevolkte gemeente is, is de hoogste concentratie op wijkniveau terug te vinden in de Bosniëwijk van Sint-Gillis waar de dichtheid bij 38.000 inwoners per km² ligt. Zowel Sint-Joost als Sint-Gillis kenden in het midden van de 20e eeuw (voor het inzetten van de stadsvlucht) een nog hogere dichtheid van ongeveer 25.000 inwoners per km².

De Lokale Inburgerings- en Integratiemonitor 2018 gepubliceerd door de Vlaamse Gemeenschap geeft voor de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest onderstaande cijfers met betrekking tot de diversiteit van de bevolking.

Van de bijna 1,2 miljoen inwoners heeft 65% de Belgische nationaliteit, 35% heeft een andere nationaliteit. Naar nationaliteit zijn in 10 van de 19 gemeenten de Fransen het sterkst vertegenwoordigd in 6 gemeenten de Roemenen. Bulgaren, Marokkanen en Indiërs komen elk in 1 gemeente (resp. Schaarbeek, Molenbeek en Evere) op de eerste plaats. In Elsene, Sint-Gillis en Etterbeek heeft telkens bijna 50% van de inwoners een andere dan de Belgische nationaliteit, Watermaal-Bosvoorde en Sint-Agatha-Berchem zijn de enige gemeenten waar net iets meer dan 80% van de inwoners de Belgische nationaliteit bezit.

Eind 2017 was 71,8% van de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van buitenlandse herkomst (zelf in het buitenland geboren of ten minste een van de ouders in het buitenland geboren). 28,3% van alle inwoners heeft wortels in een van de landen van de Europese Unie, 43,5 % heeft een band met landen buiten de EU, 24,6% komt uit de Maghreb of Turkije, die daarmee, tot nu toe, de belangrijkste immigratieregio's zijn. Sint-Joost-Ten-Node telt als enige gemeente meer dan 90% inwoners van buitenlandse origine, Watermaal-Bosvoorde als enige gemeente minder dan 50%. Molenbeek telt het grootste aandeel (65%) van inwoners afkomstig uit niet EU landen, Sint-Pieters-Woluwe het minst met 17%.

Het gewest heeft het Nederlands en het Frans als officiële talen. Vrijwel alle officiële (bestuur, politie, gerecht, straatnaambordjes, ...), semi-officiële zaken en instellingen (MIVB, Bpost) en diverse private entiteiten (zoals grote winkelketens) zijn tweetalig. Ook de meeste andere aanduidingen zijn in de twee talen te vinden. Toch is de voertaal op straat veelal het Frans, in overeenstemming met de indeling van de bevolking: 80 tot 90 procent hanteert het Frans als voertaal, 20 tot 10 procent Nederlands, afhankelijk van de bron en de gebruikte maatstaven.

Zulke percentages geven echter niet altijd een duidelijk beeld. Veel inwoners die Frans als eerste taal opgeven spreken ook Nederlands, al dan niet op moedertaalniveau. Dit kunnen (veelal oudere) inwoners zijn die zowel Nederlands, Frans als het Brusselse dialect spreken, maar ook mensen die in het Frans opgevoed zijn en naar een Nederlandstalige school gegaan zijn. Rond 2010 valt een trend te bespeuren dat Franstalige ouders hun kinderen naar een Nederlandstalige school sturen, omdat ze op die manier meer kansen zouden hebben, en omdat het Franstalige onderwijs in Brussel de reputatie heeft van minderwaardige kwaliteit te zijn. Veel Franstalige Brusselaars spreken Nederlands uit commerciële overwegingen: in de stad werken immers 200.000 tot 300.000 Vlaamse of andere Nederlandstalige forenzen.
Tot slot moet opgemerkt worden dat een groot deel van de inwoners een andere thuistaal heeft (onder meer Arabisch, Turks, Engels, Portugees, Italiaans, Pools, Roemeens, Bulgaars en diverse Afrikaanse talen), waarbij het Frans en/of Nederlands in wezen dus tweede of derde talen zijn voor deze inwoners.

In het gemeentebestuur van elk van de 19 gemeenten van het gewest zit gewoonlijk een (of uitzonderlijk soms meerdere) Nederlandstalige schepen(en), die soms bevoegd is voor alle Nederlandstalige aangelegenheden. Gemeentelijke ambtenaren die in contact staan met het publiek (zoals loketbedienden) zouden tweetalig moeten zijn. In praktijk bevestigen officiële rapporten dat er grote aantallen eentalige (in praktijk vooral Franstalige) ambtenaren in dienst zijn. De meeste burgemeesters hebben een goede kennis van beide talen.

Af en toe zijn er incidenten tussen Franstaligen en Nederlandstaligen. Zo was er in de jaren 60 en 70 de Schaarbeekse burgemeester Roger Nols, die verschillende maatregelen nam om Nederlandstaligen quasi weg te pesten. Het beste voorbeeld hiervan is de lokettenkwestie: Roger Nols zorgde ervoor dat er nog slechts één loket voor Nederlandstaligen was in het gemeentehuis, hoewel een Nederlandstalige aan elk loket in het Nederlands terecht zou moeten kunnen. Door het aantal inwoners van Schaarbeek, het hoogste na dat van Brussel-Stad, was er behoefte aan meer loketten voor Nederlandstaligen.

Binnen Brussel lijken deze spanningen af te nemen. De taalproblemen verplaatsten zich veeleer naar de Vlaamse Rand rond Brussel, waar zich veel Franstalige Brusselaars hebben gevestigd. In sommige gemeenten zijn ze zelfs een grote meerderheid, wat een tegenstelling vormt met het feit dat die gemeenten tot Vlaanderen behoren en dus formeel Nederlandstalig zijn.

Van alle handelsvennootschappen met zetel in Brussel gebruikt 35 procent het Nederlands als interne voertaal en als communicatietaal met de overheden. Een derde van alle jobaanbiedingen vraagt om tweetaligheid, een vijfde vraagt daarnaast ook nog kennis van het Engels. Meertalige banen worden meestal ingevuld door Vlamingen. Van alle reclamecampagnes in Brussel is zo'n 41,4 procent tweetalig Frans-Nederlands, een derde eentalig Frans, een tiende tweetalig Frans-Engels en 7,2 procent drietalig. In 2006 kwamen er overdag 229.500 pendelaars uit het Vlaams Gewest (65% van het totaal), aanzienlijk meer dan de 126.500 pendelaars uit Wallonië (35%).

De oorspronkelijke taal van Brussel, een lokale variant van het Brabants, behoort tot de voorlopers van het hedendaagse Nederlands. Het huidige Standaardnederlands is in de loop der eeuwen ontstaan uit diverse dialecten, waarbij het Brabants en het Hollands een hoofdrol hebben gespeeld. Binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn het Frans en het Nederlands officiële talen, maar de meesten (zowel inwoners, forenzen, buitenlanders, als de toevallige bezoeker) gebruiken het Frans als aanspreektaal.

Het Brussels is een van de Brabantse dialecten van het Nederlands. Voor de Franse bezettingen en de Belgische onafhankelijkheid werd Frans enkel gebruikt door de hogere adel en hun huispersoneel, en in de betrekkingen met de naburige Franstalige regio's zoals de streek rond Nijvel, Henegouwen en Namen. Tijdens de Franse bezettingen werd het Frans hardhandig opgelegd als bestuurstaal. Bij de Belgische onafhankelijkheid was de lokale Brusselse bevolking nog voor meer dan 90% Nederlandstalig. Het aantal Franstaligen nam tijdens de 19de eeuw toe door de inwijking van Franse vluchtelingen en het aantrekken van Waalse ambtenaren voor de centrale administratie van de nieuwe staat. De nieuwe staat koos immers voor de taal van een zeer beperkte groep stemgerechtigden, de uitsluitend Franstalige adel, hogere burgerij en hogere clerus.

De laatste decennia van de twintigste eeuw heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zich ontwikkeld van een tweetalig tot een veeltalig gebied, dankzij de vestiging van Europese ambtenaren en hun families, buitenlandse arbeiders uit het Middellandse Zeegebied, immigranten uit de voormalige Belgische kolonie Congo, vluchtelingen uit alle delen van de wereld en recentelijk veel Midden- en Oost-Europeanen. In toenemende mate wordt Engels gebruikt als aanspreektaal en ook andere talen winnen aan belang, met name als huistaal en communicatiemiddel binnen bevolkingsgroepen, zoals Spaans, Turks, Arabisch, Berber, Italiaans, enz.

Na de laatste talentelling in 1947, waarbij 74,2% Frans en 25,5% Nederlands als meest gesproken taal opgaf, zijn geen officiële statistieken over het taalgebruik in Brussel meer bijgehouden. Sinds 2000 wordt er wel periodiek enquêteonderzoek gedaan naar de taalverhoudingen, uitgevoerd door het Brussels Informatie-, Documentatie- en Onderzoekscentrum (BRIO), een wetenschappelijk onderzoeksinstituut. Uit de ontwikkeling van de huistaal in Brussel blijkt dat de laatste jaren het aandeel eentalige (Franse) gezinnen sterk daalt en het aandeel tweetalige gezinnen toeneemt. Opmerkelijk is dat tussen 2000 en 2012 het aandeel gezinnen waar alleen of mede Frans gesproken wordt licht gedaald is (van 82% naar 78%), terwijl het aandeel gezinnen waar alleen of mede Nederlands gesproken wordt sterk is gestegen (van 14% naar 22%). Dit is waarschijnlijk mede te danken aan de populariteit van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel.

Uit de antwoorden op de vraag welke taal of talen worden gebruikt in communicatie met buren, kortom de aanspreektaal in de eigen buurt, blijkt een afnemend belang van het Frans ten gunste van het Engels. In 2000 sprak nog 83% van de Brusselaars uitsluitend Frans met de buren, 12% gebruikte Frans en Nederlands, 2% uitsluitend Nederlands, 2% Frans en Engels, en 1% afwisselend Frans, Nederlands en Engels. In 2012 had zich dit ontwikkeld tot 62% uitsluitend Frans, 12% Frans en Nederlands, 1% uitsluitend Nederlands, 6% Frans en Engels, en 18% Frans, Nederlands en Engels.

De 19 gemeenten van het Brussels gewest hebben een erkende Nederlandstalige openbare bibliotheekvoorziening. Samen met de Hoofdstedelijke Openbare Bibliotheek Muntpunt zijn er in het Brussels gewest in totaal dus 20 Nederlandstalige openbare bibliotheken.
De subsidiëring van openbare bibliotheken in België is gemeenschapsmaterie, omdat de inhoud persoonsgebonden is. De bovenstaande gemeentelijke bibliotheken vallen dus onder de VGC-subsidiëring net als het Brusselse bibliotheken-netwerk. Daarnaast heeft de Franstalige COCOF ook haar eigen bibliothekennetwerk

Sinds 1989 kunnen de Brusselaars hun eigen gewestelijke vertegenwoordigers kiezen: het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. Deze raad stelt de Brusselse hoofdstedelijke regering aan. Deze regering dient over een parlementaire meerderheid te beschikken in beide taalgroepen en moet, naar analogie met de federale regering, ook evenveel ministers tellen uit elke taalgroep (in de praktijk elk twee), geleid door een minister-president waarvoor deze taalpariteit niet geldt. Daarnaast kunnen ook nog enkele staatssecretarissen, ondergeschikt aan een van de ministers, toegevoegd worden aan de regering, ook voor hen geldt de taalpariteit niet. Uit de raad worden ook de respectieve raden voor de Vlaamse en Franstalige gemeenschap samengesteld (VGC en COCOF).

Belangrijke bestuurlijke taken zijn toevertrouwd aan instellingen van de twee gemeenschappen in Brussel, zijnde de Vlaamse gemeenschapscommissie (VGC) en de Commission Communautaire Française (COCOF), evenals ook een kleine Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC). VGC en COCOF beschikken elk over een eigen verkozen raad en een eigen bestuur. De gemeenschapsraden bestaan daarbij uit de verkozenen van de eigen gemeenschap in het Brusselse parlement.

Zoals voor alle verkiezingen in België geldt ook voor de verkiezingen voor het Brussels Hoofdstedelijk Parlement de stemplicht. In 1989 bedroeg het aantal kiezers 582.947 goed voor 60,45% van de bevolking. In 2014 was het aantal kiezers haast onveranderd gebleven (584.310) terwijl de bevolking ondertussen met twintig procent is toegenomen. Omdat deze nieuwe inwoners vrijwel uitsluitend niet-Belgen zijn die niet over stemrecht beschikken is de verhouding kiezers/inwoners hierdoor teruggevallen tot 50,22%, beduidend lager dan het geval is op nationaal niveau en in de andere gewesten. Daarnaast is ook het hoog absenteïsme (16,5% in 2014) kenmerkend voor het Brussels gewest.

Oorspronkelijk telde het parlement 75 leden en waren er geen vastgelegd aantal zetels bepaald per taalgroep. Met het Lambermontakkoord van 2001 werd het aantal zetels opgetrokken naar 89 en werd voor elke taalgroep een vast aantal zetels voorzien, 72 voor de Franstalige lijsten en 17 voor de Nederlandstalige lijsten. Deze 80%-20% verhouding weerspiegelt niet de reële stemverhoudingen tussen beide taalgroepen. Sinds 1989 viel het aandeel stemmen voor de NL-talige lijsten immers terug van 15,01% naar 11,54% in 2014, terwijl het aan FR-talige kant steeg van 84,99% naar 88,46%. Hierbij dient opgemerkt dat stemmen voor NL-talige lijsten niet noodzakelijk enkel en alleen afkomstig kunnen zijn van NL-talige kiezers, omgekeerd geldt dit ook voor stemmen op FR-talige lijsten. Hoe groot dit fenomeen van taaloverschrijdend stemmen is, valt niet te achterhalen, wel is het zo dat het Vlaams Belang (voorheen Vlaams Blok) een aantal keren bewust ook een tweetalige campagne gevoerd heeft met de bedoeling ook FR-talige stemmen te veroveren, wat voor 1999 en 2004 het hogere aantal stemmen voor NL-talige lijsten zou verklaren.

Omwille van het voorbehouden aantal zetels per taalgroep zijn tweetalige lijsten voor deze verkiezingen niet mogelijk. Nederlandstaligen die op een Franstalige lijst kandideren worden als Franstalig beschouwd en omgekeerd. Ook voor deze verkiezingen is er voor het behalen van zetels een kiesdrempel van 5%, zij het dat deze in dit geval per taalgroep geldt en niet berekend wordt op het geheel van de uitgebrachte stemmen.

Een bijzonderheid is dat partijen binnen dezelfde taalgroep een lijstverbinding (apparentering) met elkaar kunnen aangaan. De techniek van de apparentering, die in België alleen bestaat bij provincieraadsverkiezingen en voorheen bij federale verkiezingen, maar daarbij tussen lijsten van dezelfde partij in verschillende kieskringen, wordt hier dus gebruikt voor lijsten van verschillende partijen in dezelfde kieskring. Doel hiervan was te vermijden dat het Vlaams Blok een meerderheid van de zetels zou kunnen halen doordat kleinere partijen, zoals destijds N-VA, spirit, Agalev of Vivant, de kiesdrempel niet zouden halen. Op die wijze kon in 2014 de lijst PTB*PVDA-GO! vier zetels behalen hoewel hij met 3,86% onder de kiesdrempel bleef. De partij ging immers een lijstverbinding aan met de partijen Pro Brussel, Belgische Unie-Union Belge en de Piratenpartij. Opgeteld behaalden de vier partijen samen meer dan 5%, en werden hun dus zetels toebedeeld; deze kwamen uiteindelijk allemaal toe aan de PVDA. De partijen CDV, sp.a, N-VA, Open Vld, Groen en Vlaams Belang gingen bij deze verkiezingen geen lijstverbinding aan.

De VGC vervult een belangrijke rol voor de Nederlandstalige Brusselaars. Ze krijgt haar middelen vooral via de trekkingsrechten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de dotaties van de Vlaamse Gemeenschap, aangevuld met een klein deel federale middelen. Ook uit het budget van de Vlaams Minister voor Brusselse Aangelegenheden gaan middelen naar de Nederlandstalige instellingen en initiatieven in Brussel.
De Vlaamse Gemeenschapscommissie financiert zo b.v. de gemeenschapscentra in Brussel, ze ondersteunt de werking van de Nederlandstalige scholen en van de Nederlandstalig Brusselse organisaties, kinderopvang, welzijnsinstellingen en initiatieven.
Ze neemt daarbij de facto een deel van de taken op zich die de gemeentelijke overheden – alle geleid door Franstalige burgemeesters – niet verplicht zijn om uit te oefenen, en dat om evidente redenen ook niet doen. Vele gemeenten hadden decennialang geen gemeentelijke Nederlandstalige bibliotheek, al is dat euvel intussen verholpen.

De Franse Gemeenschapscommissie oefent vergelijkbare bevoegdheden uit als de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC). Ze heeft echter ook decretale bevoegdheden. Ze beschikt ook over meer middelen dan de VGC.

(N = Nederlandstalig, F = Franstalig)

Binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn de Vlaamse en Franse Gemeenschap bevoegd voor onderwijs, de zogenaamde culturele aangelegenheden en de zogenaamde persoonsgebonden aangelegenheden. Die bevoegdheden zijn echter beperkt tot de instellingen die uitsluitend behoren tot de Vlaamse of Franse Gemeenschap wegens hun activiteiten (inzake onderwijs en culturele aangelegenheden), of wegens hun organisatie (inzake persoonsgebonden aangelegenheden).

Zo is de Vlaamse en Franse Gemeenschap in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bevoegd voor scholen die onderwijs aanbieden in, respectievelijk, het Nederlands en het Frans. De gemeenschappen zijn in het tweetalige gebied ook bevoegd voor theaters die zich uitsluiten richten tot een eentalig publiek.

Het beleid inzake maatschappelijk welzijn, tot uitvoering gebracht door de OCMW's, is een gemeenschapsmaterie. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kunnen de OCMW's echter niet worden geacht uitsluitend tot de Vlaamse of Franse Gemeenschap te behoren. Sedert de Vierde Staatshervorming van 1988–1989 is die bevoegdheid, die wordt aangeduid met de term bicommunautaire persoonsgebonden aangelegenheden, de bevoegdheid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest draagt als stadsgewest zelf heel wat uitgaven die verbonden zijn aan het uitoefenen van centrumfuncties (bv. ziekenhuizen en scholen) en van de hoofdstedelijke functie (bv. infrastructuur). De meeropbrengsten uit haar internationale rol (bv. Brussel is na Singapore de grootste congresstad) zijn geen gewestelijke financieringsbron. Bovendien ontvangt het gewest geen belastingen op de inkomens van ongeveer 350.000 forenzen uit de andere gewesten. Wel krijgt het gewest extra investeringsmiddelen van de federale overheid in het kader van de Belirisakkoorden. De Belirismiddelen worden gezamenlijk beheerd door de federale overheid en de Brusselse overheid.

Een bijkomend probleem voor het gewest is de aanhoudende verarming van de bevolking waardoor de fiscale inkomsten uit de personenbelasting teruglopen. Waar in 1993 het gemiddeld belastbaar inkomen per inwoner nog bijna gelijk was aan het nationaal gemiddelde ligt dit in 2010 bijna 20% lager.

De financiering van de hoofdstedelijke overheden is onderwerp van discussie in de Belgische politiek. Franstalige politici en sommige Brussels-Vlaamse mandatarissen beweren dat Brussel te weinig middelen krijgt omwille van haar centrumfuncties. Anderen beweren dat Brussel meer middelen krijgt dan de bevolking verantwoordt, en dat er veel middelen verspild worden door het ontbreken van homogene bevoegdheden en van een kerntakendebat tussen de plaatselijke overheden en het gewest. Een aandeel van de gewestmiddelen gaat naar taken van de gemeenschappen, en dan in hoofdzaak de Franse gemeenschap.

Achter deze discussie gaat een strijd schuil om macht en invloed in de hoofdstad. In de gewestregering weten de Vlamingen zich met twee wettelijk gewaarborgde ministerfuncties (op vijf ministers) verzekerd van deelname aan de macht. Die deelname staat niet in verhouding tot de numerieke sterkte van Nederlandstalige partijen bij verkiezingen in het Brussels Gewest (ong. 15%). Er bestaat een vergelijkbare beschermingsmaatregel voor de Franstalige minderheid in de federale regering. Op gemeentelijk niveau ontbreekt een dergelijke bescherming van de Vlaamse minderheid, en staat deelname aan de macht dus rechtstreeks in functie van het verkiezingsresultaat, ook al is het zo dat sedert het afsluiten van de Lambermontakkoorden in 2001 het opnemen van een Nederlandstalige schepen of OCMW voorzitter in het bestuur de gemeente extra federaal overheidsgeld oplevert. Uit deze situatie volgt dat elke overdracht van bevoegdheden van de gemeenten naar het Gewest de positie van de Vlamingen versterkt. Dit communautair standpunt verklaart deels ook de Vlaamse ijver voor de afschaffing van het gemeentelijke niveau, en het Franstalige verzet ertegen.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt omsloten door de R0, beter bekend als de Grote Ring rond Brussel. Deze ligt slechts voor ongeveer 5 kilometer binnen de grenzen van het eigenlijke gewest. De belangrijkste invalswegen die aansluiten op deze ringweg en soms nog verder doorlopen richting centrum zijn de E19, E40, E411 en de A12. De autosnelwegen binnen de gewestgrenzen worden samen met een aantal andere gewestwegen beheerd door Mobiel Brussel.
Daarnaast is er rond het centrum de kleine ring R20: serie van tunnels en doorgaande wegen die het centrum van Brussel bedienen en die de stadsomwalling uit de 14e en 15e eeuw volgt. Daarbij duiken namen op die herinneren aan de oude stadspoorten zoals de poort van Namen, Halle, Ninove, Anderlecht, Leuven, Schaarbeek, enzovoort.

Brussel wordt bediend door Brussels Airport, gelegen in de nabijgelegen Vlaamse gemeente Zaventem, en door het kleinere Brussels South Charleroi Airport gelegen in de buurt van Charleroi in Wallonië, zo'n 50 km ten zuiden van Brussel.

De Noord-Zuidverbinding is het drukste en centrale verkeersknooppunt van heel het treinverkeer in België en het Gewest. Vandaar rijden treinen naar alle uithoeken van het land. Voor het regionaal verkeer is er het Gewestelijk ExpresNet (ook wel de S-trein genoemd). Dit is te vergelijken met de RER in Parijs. Op Brussels grondgebied bevinden zich 34 stations. Het hele Brussels S-net telt meer dan 140 stations.
Reizigers kunnen gebruikmaken van verschillende treinstations. De belangrijkste voor het personenvervoer bevinden zich op de noord-zuidverbinding:

Alle nationale reizigerstreinen die Brussel aandoen, stoppen in Brussel-Noord, Brussel-Centraal en Brussel-Zuid. Alle treinen richting Namen en Luxemburg stoppen op Station Brussel-Luxemburg en station Brussel-Schuman, nabij de Europese instellingen.

Brussel wordt ook bediend door directe hogesnelheidsverbindingen: naar Londen met de Eurostar via de Kanaaltunnel, naar Amsterdam, Parijs en Keulen met de Thalys en naar Keulen en Frankfurt door de Duitse ICE. Vanuit Brussel zijn de steden Amsterdam, Rotterdam, Londen, Keulen, Parijs en Rijsel per trein in 1-2 uur te bereiken. Een treinreis naar Frankfurt, Lyon en Straatsburg duurt 3-4 uur. De treinen naar Marseille, Montpellier en Nice leggen meer dan 1000 km af in 5 uur

Brussel heeft een eigen haven aan het zeekanaal Brussel-Schelde gelegen in het noordwesten van de stad. Het kanaal Charleroi-Brussel verbindt Brussel met de industriegebieden van Wallonië.

De Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel (MIVB) verzorgt binnen het Gewest het vervoer per bus, tram en metro. Enkele van haar tram- en buslijnen lopen tot buiten de gewestgrenzen (Tervuren, Vilvoorde, Groot-Bijgaarden, Drogenbos), omgekeerd hebben ook de Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn en zijn Waalse tegenhanger TEC een aantal buslijnen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest eindigen.

De Brusselse metro dateert uit 1976, maar ondergrondse trajecten bekend als premetro, die worden bereden door trams, zijn er al sinds 1968.

De Brusselse metro is een metrosysteem dat voornamelijk het westen (Anderlecht, Molenbeek, Jette, Laken) en het oosten (Woluwe, Etterbeek, Oudergem) van het gewest met het centrum verbindt, het noorden (Schaarbeek, Evere) wordt voorlopig niet en het zuiden (Sint-Gillis, Ukkel, Vorst) slechts zeer beperkt bediend met enkele premetro haltes. Het bestaat uit een netwerk met vier lijndiensten met een aantal gemeenschappelijke trajectdelen. De metro heeft een netwerklengte van 49,9 km en telt 59 stations. Het premetro netwerk in Brussel bestaat uit twee ondergrondse delen die door trams worden gebruikt die ook bovengronds rijden. Het traject is dusdanig ontworpen dat het eventueel kan worden omgevormd tot een conventionele metrolijn. Stations in het premetro-netwerk maken gebruik van hetzelfde design als de metrostations. Verder bestaan er nog een paar ondergrondse tramlijnendelen, wat het totaal netwerk op 51,9 km brengt met 69 metro-en premetrostations.

Het grootste deel van de gemeenschappelijke as van de eerste twee metrolijnen (tussen de stations De Brouckère en Schuman) werd ingehuldigd op 17 december 1969 als premetro (dus met trams) en werd in 1976 omgevormd tot het eerste deel van de werkelijke metro (die vervolgens werd beschouwd als een lijn met twee takken) tussen De Brouckère en Tomberg en De Brouckère en Beaulieu. De Brusselse metro wordt beheerd door de MIVB (Nederlands : Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer te Brussel, Frans STIB : Société de Transport Intercommunal de Bruxelles ). In 2011 vervoerde de Brusselse metro 48% van het totaal aantal reizigers van de MIVB goed voor ongeveer 150 miljoen ritten, daarmee is ze het belangrijkste openbaar vervoermiddel in Brussel. Het netwerk staat ook in verbinding met 6 treinstations van de NMBS, maar ook met vele Brusselse tram- en bushaltes die uitgebaat worden door de MIVB zelf en het Vlaamse De Lijn en Waalse TEC.

Trams zijn in Brussel in gebruik sedert 1869, sinds 1954 wordt het stedelijk net uitgebaat door de MIVB, behalve op het stedelijk netwerk reden er tot 1978 ook trams van de NMVB en dit op eigen rails gezien de verschillende spoorbreedte. Het stedelijk tramnetwerk is in de loop der tijd wel verminderd in lengte. Van een stijging in de eerste helft van de 20e eeuw tot 246 km in 1955 tot een daling in de tweede helft van de 20e eeuw, als gevolg van de popularisering van vervoer per bus en per auto, naar slechts 134 km in 1988. In de late jaren 2000 stopte de verminderding van het tramnet dat in 2007 nog slechts 131 km lang was. Sindsdien is het tramnet weer gegroeid tot 133 km in 2008. Verdere uitbreidingen van het MIVB netwerk zijn gepland of in aanleg en ook De Lijn (opvolger van de NMVB) plant nieuwe tramverbindingen vanuit Vlaams-Brabant naar het Brussels Gewest. Een beslissing omtrent de aanleg van deze laatste is er anno 2012 echter nog niet.

Sinds 2009 is in het Gewest een openbaar fietsverhuur systeem beschikbaar onder de merknaam Villo! uitgebaat door de firma JCDecaux. Waren oorspronkelijk in slechts enkele gemeenten verhuurstations beschikbaar, dan is dit anno 2012 reeds het geval in 16 van de 19 gemeenten. Voor de uitbater is het belangrijkste logistieke probleem een gevolg van het Brusselse reliëf. Vele huurders maken de trip van de bovenstad naar de benedenstad maar niet omgekeerd zodat er tekorten ontstaan in de hoger gelegen stations en een surplus in de lager gelegen stations. Voorlopig vangt men dit op door overtollige fietsen uit de benedenstad per bestelwagen naar de bovenstad te transporteren. In 2019 heeft Villo naast de bestaande fietsen ook elektrische fietsen geïntroduceerd. Villo heeft ondertussen een aantal concurrenten gekregen waarvan de bekendste wellicht JUMP is (filiaal van Uber). Vanaf 2018 zijn er ook verschillende aanbieders van elektrische deelsteps (o.a. Lime) en scooters (Felix) aanwezig.

Het Koning Boudewijnstadion, het vroegere Heizelstadion, is een van de belangrijkste sportstadions van het land. Hier speelt onder meer de nationale voetbalploeg en wordt jaarlijks de Memorial Van Damme gehouden, een belangrijke internationale atletiekmeeting. In de straten van Brussel worden jaarlijks de marathon van Brussel en 20 km van Brussel gelopen.

In het wielrennen is de stad de aankomst van de klassieker Parijs-Brussel. In de laatste decennia van de 20ste eeuw werd in Brussel ook de Grote Prijs Eddy Merckx gereden. Van voor de Eerste Wereldoorlog tot begin jaren 70 werd hier ook regelmatig de Zesdaagse van Brussel georganiseerd.

Brussel was kandidaat voor de organisatie van de Olympische Zomerspelen van 1960 en 1964, maar andere steden kregen de voorkeur.

Brussel was een van de belangrijkste voetbalsteden in de beginjaren van het Belgische voetbal. Nadat de eerste landstitel in 1896 nog naar Luik was gegaan, werd in 1897 Racing Club Brussel de tweede Belgische landskampioen. De club zou tijdens die beginjaren in totaal zes landstitels veroveren. De Brusselse clubs waren in de eerste jaren ruim vertegenwoordigd in de hoogste klasse. Na Racing Club behaalde Union Saint-Gilloise uit Sint-Gillis meerdere landstitels, en daarna ook Daring Club Brussel. Andere Brusselse clubs die voor de Tweede Wereldoorlog in de nationale reeksen speelden, waren Léopold Club, Uccle Sport uit Ukkel, CS La Forestoise uit Vorst en CS Saint-Josse uit Sint-Joost. Deze clubs zouden later alle vier wegzakken en aan het einde van de eeuw samensmelten in Royal Léopold Uccle FC.

Na de Eerste Wereldoorlog maakte de Anderlechtse club SC Anderlecht langzaam opmars. In de jaren 30 behaalden Racing Club, Daring Club en Union hun laatste titels. Union werd in totaal elf keer landskampioen. De oude clubs waren niet langer nationale toppers, hun rol werd overgenomen door SC Anderlecht, dat in 1947 zijn eerste landstitel behaalde. De club groeide de volgende jaren uit tot de absolute topclub in Brussel en België. De oude clubs Racing Club en Daring Club versmolten met White Star AC tot RWDM, dat in 1975 nog eenmaal de titel wist te pakken, maar in 2002 verdween.

Andere Brusselse clubs die in de loop der jaren in de nationale reeksen speelden waren Ixelles SC, Crossing Club de Schaerbeek (ontstaan uit een fusie van RCS de Schaerbeek en Crossing Club Molenbeek), Scup Jette, RUS de Laeken, Racing Jet de Bruxelles, AS Auderghem, KV Wosjot Woluwe en FC Ganshoren.

In de Eerste klasse A van het Belgische voetbal is vandaag RSC Anderlecht de enige Brusselse club. RSCA speelt zijn thuiswedstrijden in het Constant Vanden Stockstadion (ongeveer 21.500 plaatsen). In de Eerste Klasse B speelt Royale Union Saint-Gilloise uit Sint-Gillis.

Brussel was met het Koning Boudewijnstadion speelstad bij het EK voetbal van 1972 en 2000. In 1972 werd zelfs de finale in Brussel gespeeld. Het Koning Boudewijnstadion, vroeger Heizelstadion geheten, werd meermaals gebruikt voor het spelen van finales van Europese clubtoernooien. In 1985 vond voorafgaand aan de Europacup 1 finale het zogeheten Heizeldrama plaats, waarbij 39 bezoekers om het leven kwamen.




#Article 107: Brugge (6987 words)


Brugge (Frans en Engels: Bruges; Duits: Brügge) is de hoofdstad en naar inwonertal grootste stad van de Belgische provincie West-Vlaanderen en van het arrondissement Brugge. De stad, gelegen in het noordwesten van het land, is tevens de hoofdplaats van het kieskanton Brugge, telt zelf vier gerechtelijke kantons en is de zetel van het bisdom Brugge en van een hof van assisen.

Het historisch centrum is als middeleeuwse stad opgenomen op de werelderfgoedlijst van UNESCO. Het is eivormig en ongeveer 430 hectare groot. De volledige gemeente heeft een oppervlakte van ruim 14.099 hectare, waaronder zo'n 1.075 hectare gewonnen op de zee, bij Zeebrugge. De stad telt ruim 118.000 inwoners; ongeveer 20.000 daarvan wonen in de binnenstad. De inwoners van Brugge worden Bruggelingen genoemd.

De economische betekenis van Brugge vloeit voornamelijk voort uit de zeehaven, Zeebrugge, maar ook uit de industrie, dienstensector en scholen op alle niveaus. Tevens is de stad een wereldberoemde toeristische trekpleister.

De oudste geschreven bron waarin de naam van de stad wordt gebruikt, is het Breviarium de thesauro sancti Bavonis, quod invenerunt fratres remansisse post Nordmannicam infestationem. Deze inventaris van een kerkschat van de Gentse Sint-Baafsabdij werd opgesteld na plundering van de abdij door Noormannen, vermoedelijk tussen 851 en 864. Daarin heeft men het over een gouden kruis, dat ter bescherming naar Brugge was gestuurd, maar niet was teruggekomen: crux illa aurea, que Bruggis fuit ad servandum missa nec postea reversa. Het vroegste afschrift van deze inventaris dateert pas uit de 12e eeuw.

De oudste tastbare bron waarop voor het eerst de naam van de stad wordt gebruikt, zijn enkele munten die volgens de recentste inzichten gedateerd worden tussen 864 en 898. Ze bevatten de vermeldingen Bruggas, Bruccas, Briuggas en Briuccas.

Waar de naam Brugge vandaan komt, is niet exact bekend. Mogelijk is het een verbastering van de Keltische naam voor de ondertussen gekanaliseerde rivier de Reie, die door Brugge stroomde en in de Noordzee uitmondde. Reie zelf komt van het Keltische woord Rogia, wat Heilig Water betekent. De Kelten beschouwden rivieren en bronnen als goddelijke wezens, en het is waarschijnlijk dat de Keltische naam aan de Brugse waterloop is blijven kleven. Door evolutie zou de naam van het water, Rogia of Ryggia, ook de naam van de stad geworden zijn, Bryggia.

Het is mogelijk dat er in latere eeuwen ook een contaminatie plaats heeft gevonden met het Oudnoordse woord bryggja, wat landingsbrug of aanlegkaai betekent. Zo waren er vanaf 800 veel contacten met Scandinavië via handel over de Noordzee en door de invallen van de Noormannen. De naam Brugge vertoont dan ook gelijkenissen met Bryggen, de historische haven van Bergen, dat net als Brugge vanaf de 14e eeuw een belangrijke stad was van de Hanze.

Regelmatig wordt naar Brugge verwezen als het Venetië van het Noorden, refererend aan de vele waterlopen en bruggen. De meeste van deze kanaaltjes worden reien genoemd, naar de rivier de Reie. Een andere theorie luidt dat de bijnaam te maken heeft met het feit dat de middeleeuwse handelssteden Brugge en Venetië economisch enigszins vergelijkbare functies vervulden als belangrijkste distributiecentra, elk in eigen regio.

Ook wordt Brugge vaak de Breydelstad genoemd, naar de Brugse volksheld uit de 14e eeuw, Jan Breydel.

De bijnaam van de Bruggelingen is (Brugse) zotten. Deze bijnaam danken ze aan een weinig waarschijnlijke legende: nadat ze Maximiliaan I van Oostenrijk, in hun strijd om autonomie, voor een tijd gevangen hadden gehouden, verbood deze het houden van een jaarmarkt en andere festiviteiten. In een poging om hem te sussen, hield Brugge voor hem een groot feest en vroeg daarna de toestemming opnieuw een jaarmarkt te houden, belastingen te innen én ... een nieuw zothuis te bouwen. Hij antwoordde: Sluit alle poorten van Brugge en je hebt een zothuis!.

De eerste tekenen van leven op het huidig Brugse grondgebied stammen uit de 2e eeuw n.C., toen er zich een Gallo-Romeinse nederzetting bevond. De naam van Brugge werd voor de eerste keer vermeld tussen 850 en 875. Tussen de 9e en 12e eeuw groeide de stad dankzij de belangrijke haven uit tot een internationaal handelscentrum. Even dreigde de haven in het gedrang te komen door de verzanding van het gebied tussen Brugge en de huidige kuststrook. Het ontstaan van het Zwin, de vaargeul tussen Brugge en de zee, in 1134 zorgde er echter voor dat de verbinding standhield.

In 1089 werd Brugge uitgeroepen tot 'hoofdstad' van het graafschap Vlaanderen en van de 13e tot de 15e eeuw kon Brugge gerust beschouwd worden als de economische hoofdstad van Noordwest-Europa. Door zijn belang als handelscentrum zag in Brugge het eerste beursgebouw ter wereld het levenslicht. Daarnaast werd ook de Waterhalle op de Grote Markt als ontmoetingsplaats voor handelaars gebouwd.

De 14e eeuw mag de Gouden Eeuw van Brugge genoemd worden. In die tijd telde de stad 46.000 inwoners. De binnenstad kreeg een tweede stadswal waarvan tot op vandaag enkele poorten de tand des tijds hebben doorstaan. Het Bourgondische vorstenhuis had van Brugge haar residentiestad gemaakt en trok heel wat uitmuntende kunstenaars aan, waaronder schilders en architecten. Dit resulteerde in een enorme verrijking van de stad op bouwkundig, artistiek en cultureel vlak. Het monumentale stadhuis is hier een mooi voorbeeld van, maar ook heel wat indrukwekkende kerken en huizen stammen uit die periode.

De dood van Maria van Bourgondië in 1482 zorgde echter voor een keerpunt en al gauw trok het vorstenhuis zich uit de stad terug. Het einde van Brugge als internationale handelsmetropool was in zicht. Antwerpen nam gedurende een eeuw deze rol over en Brugge raakte volledig in verval. De Spaanse koning was ook graaf van Vlaanderen van 1592 tot 1713; deze Spaanse heerschappij, gepaard met enkele godsdienstoorlogen, sleurde de stad steeds verder de dieperik in.

Daarna volgden een Oostenrijks bewind, een Franse annexatie, een herenigd Nederland en de Belgische onafhankelijkheid. Volgens sommigen behoorde Brugge van 1600 tot 1885 tot de armste steden in de Nederlanden. Hiervoor wordt meestal de cijfers vernoemd van de behoeftige bevolking. Anderen halen hieruit argument dat de stad integendeel rijk bleef, aangezien ze zo veel armen kon onderhouden. Het bouwen van grote stadswoningen doorheen de zeventiende tot achttiende eeuw toont aan dat er minstens een rijke bovenlaag aanwezig was. De industriële revolutie in de negentiende eeuw beroerde Brugge niet in aanzienlijke mate. De strijd voor een nieuwe zeehaven was het grote actiepunt in Brugge.

Vanaf het begin van de negentiende eeuw werd Brugge vooral geprezen als verblijfplaats en historisch oord door Engelse auteurs. Tegen het einde van de eeuw was de roman Bruges-la-Morte van Georges Rodenbach een van de elementen die de stad bijkomend onder de aandacht bracht. In het boek werd Brugge als verarmd maar mysterieus voorgesteld en dit zorgde voor een bijkomende internationale belangstelling. Het historisch patrimonium werd herontdekt en de bouw van de zeehaven in Zeebrugge in 1896 beloofde ook op economisch vlak voor een heropleving te zorgen. De tentoonstelling van de Vlaamse Primitieven in 1902 was het startschot voor de sterke culturele en toeristische ontwikkeling die de stad sindsdien heeft gekenmerkt.

Tijdens de twee wereldoorlogen bleef Brugge zo goed als volledig gespaard van vernielingen. In 1971 werd het grondgebied van de stad aanzienlijk uitgebreid door een fusie met de omliggende randgemeenten en in 2000 kwam de binnenstad op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO te staan. Tijdens het jaar 2002 was Brugge culturele hoofdstad van Europa.

Het gebied waarin Brugge is gegroeid, ligt op de grens van een zandleemgebied en de zeepolders, op circa 15 km van de Noordzee. Het grootste deel van de stad kan tot de Zandstreek gerekend worden.

Brugge heeft acht deelgemeenten, waarvan er zes – Brugge, Sint-Andries, Sint-Michiels, Assebroek, Sint-Kruis en Koolkerke – een stedelijk karakter hebben en twee – Dudzele en Lissewege – gekenmerkt zijn door een enerzijds landelijk en anderzijds havengerelateerd landschap.
De binnenstad – het historisch stadsgedeelte binnen de vesten – heeft gemiddeld de grootste bevolkingsdichtheid. Ook wijken grenzend aan het stadscentrum kennen vaak een hoge bevolkingsdichtheid, soms hoger dan van enkele wijken in de binnenstad. Over het algemeen, op uitzondering van bepaalde wijken, neemt de bevolkingsdichtheid licht af naarmate men verder verwijderd is van de binnenstad.

In de loop der jaren is de oppervlakte van de gemeente/stad Brugge aanzienlijk vergroot. Hieronder een overzichtje van de geannexeerde gemeenten en woonkernen (weergegeven is het jaartal waarin de fusie geschiedde plus de opgegeven gemeenten).

Enkel de gemeenten die zich in 1971 bij de stad gevoegd hebben, mogen zichzelf deelgemeente noemen.

In Brugge heerst voornamelijk een gematigd zeeklimaat. Door zijn ligging nabij de zee wordt het klimaat in Brugge hier sterk door bepaald. De winters zijn relatief zacht en de zomers vrij koel. De warme golfstroom van de Atlantische Oceaan warmt de Noordzee op, wat een temperende invloed op het klimaat heeft. Ook de westelijke en zuidwestelijke winden zijn hierdoor zachter. In de winter schommelt de temperatuur rond 2 °C, in de zomer wordt een gemiddelde temperatuur van 20 °C bereikt.

De natste maanden van het jaar zijn normaal augustus, oktober, november en december, maar het hele jaar door kan er vrij veel neerslag vallen. De zonnigste maanden zijn van mei tot en met augustus, hoewel deze maanden ook vaak gekenmerkt worden door periodes van hevige neerslag. September kan dan weer een aangename nazomermaand zijn. De luchtvochtigheid is het hoogst tijdens de wintermaanden en is gemiddeld het laagst tijdens de maand mei.

Van de 118.187 inwoners op 1 januari 2017 waren er 57.406 mannen en 60.781 vrouwen. Er bevonden zich toen 22.359 Bruggelingen in de leeftijdsgroep van 0 tot en met 19 jaar, 68.412 in de leeftijdsgroep van 20 tot en met 64 jaar, en 27.416 in de leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder. De stad telde op dat moment ook 53.903 huishoudens en 6.316 personen – of 5,3% van de bevolking – met een vreemde nationaliteit.
In 2016 werden in Brugge 1.024 geboortes en 1.287 overlijdens geteld.

Alle historische gegevens hebben betrekking op de huidige gemeente, inclusief deelgemeenten, zoals ontstaan na de fusie van 1 januari 1971.

Brugge is vooral bekend als een historische stad met veel cultureel erfgoed. Het historisch centrum is goed geconserveerd, in het bijzonder het middeleeuws stratenpatroon en patrimonium. Het huidige uitzicht van de binnenstad is ook beïnvloed door de belangstelling voor de neogotiek in de 19e eeuw, die resulteerde in de 'neo-Brugse stijl', gaande van neogotiek tot eclecticisme. Veel gebouwen werden toen verfraaid, gerestaureerd, herbouwd of nieuw gebouwd in deze stijl. De reien, de geschiedenis, de archeologische vondsten, maar ook de winkelstraten lokken dagelijks heel wat mensen naar deze stad. In ruime mate te voet, maar onder andere ook per fiets(koets), paardenkoets of -tram, met City-Tourbusjes of met bootjes op de reien kan de Brugse binnenstad verkend worden.

Voor het verblijfstoerisme telt de stad ruim 90 hotels, goed voor meer dan 7.800 bedden. De jeugdlogies en gastenkamers zijn goed voor elk nog eens ruim 1.000 bedden. In 2015 telde men in Brugge zo'n 1,13 miljoen aankomsten, waaronder circa 27.100 in Zeebrugge, en ruim 2,03 miljoen overnachtingen, waaronder circa 52.300 in Zeebrugge. In vergelijking met andere grote Vlaamse steden vertoont een kleiner aandeel hiervan een zakelijk karakter, al blijkt dit aandeel de laatste jaren wel toe te nemen.

Het autoverkeer wordt zo veel mogelijk uit het centrum van de stad geweerd. De snelheidsbeperkingen (30 km per uur), een lussenplan met veel eenrichtingsverkeer (twee richtingen voor fietsers) en randparkings moeten van Brugge een aangename wandel- en winkelstad maken.

De aanwezigheid van horecazaken en winkels verdringt evenwel gedeeltelijk de woonfunctie in de kern van de binnenstad.

Elk jaar gaat op Hemelvaartsdag de Heilig Bloedprocessie rond in Brugge. Hierbij wordt de relikwie van het Heilig Bloed, die Diederik van de Elzas vanuit Jeruzalem naar Brugge zou hebben gebracht, vereerd door de stad. De processie bestaat uit drie gedeelten: de Bijbel, de geschiedenis van het Kostbaar Bloed en de prelatuurstoet met de relieken. Een andere grote stoet die in Brugge wordt gehouden, is de Gouden Boomstoet. Deze vijfjaarlijkse praalstoet werd in 1958 gecreëerd met als centraal gegeven de Wapenpas van de Gouden Boom, die in 1468 op de Brugse Markt werd gehouden ter gelegenheid van het huwelijk van Karel de Stoute en Margaretha van York.

In 2002 was Brugge culturele hoofdstad van Europa. Naar aanleiding hiervan werd onder andere een nieuw multifunctioneel concertgebouw gebouwd, met de ambitie er een internationale uitstraling aan te geven.

Brugge is tevens het centrum van een van de Vlaamse toeristische regio's: het Brugse Ommeland.

Sinds 2019 is de koepel van de stedelijke musea onder de naam Musea Brugge erkend als Culturele Erfgoedinstelling.De vroegere onderverdeling in drie museale groepen (Groeningemuseum, Hospitaalmuseum en Bruggemuseum) is daardoor vervallen. 
Musea Brugge is de overkoepelende organisatie van de veertien musea van de Stad Brugge. De collecties bevatten beeldende en toegepaste kunst van de 15de tot en met de 21ste eeuw en zijn ondergebracht in beschermde monumenten in de historische binnenstad van Brugge. 

Brugge biedt tal van uiteenlopende drank- en eetgelegenheden. De binnenstad telt meer dan 500 horecazaken. De Grote Markt en 't Zand tellen een groot aantal tearooms. Onder de vele restaurants in de stad bevinden zich ook diverse sterrenrestaurants. De Karmeliet, een restaurant dat in 1985 een eerste Michelinster kreeg en 20 jaar aan een stuk 3 sterren had, maar eind 2016 werd stopgezet, was jarenlang een van de toonaangevende namen in België.'t Zand en de omgeving van de Eiermarkt, het Kraanplein en de Kuipersstraat genieten bekendheid als uitgaansbuurten met diverse (dans)cafés en clubs.

Een groot aantal bieren wordt gebrouwen in of is gerelateerd aan Brugge, waaronder: Basilius, Bourgogne des Flandres (Blond en Bruin), Brugge Tripel, Brugs Tarwebier, Brugse Babbelaar, Brugse Bok, Brugse Zot (Blond en Dubbel), De Garre Tripel, Den IJzeren Arm, De Witte Zwaan, Fort Lapin (diverse varianten), Galbert Van Brugge, Steenbrugge (Blond, Dubbel Bruin, Tripel, Wit en Abdij Bock) en Straffe Hendrik (Tripel, Quadrupel, Heritage en Wild). Er zijn in Brugge verschillende biercafés en -winkels. Echter, van de vele brouwerijen die ooit in Brugge gevestigd waren, blijft vandaag alleen nog De Halve Maan over en zijn er verder nog de in 2012 opgerichte brouwerij Fort Lapin en de in 2015 opgerichte brouwerij Bourgogne des Flandres.

Brugge staat daarnaast bekend als chocoladestad: de stad telt heel wat chocolatiers en een chocolademuseum (Choco-Story). Een specialiteit is het Brugsch Swaentje, de officiële stadspraline. Het precieze recept blijft geheim, maar amandelpraliné, gruut en Brugse kletskoppen spelen een duidelijke hoofdrol.

Ook op gebied van gebak heeft Brugge enkele plaatselijke specialiteiten: Brugs Beertje, Brugse achten, Brugs beschuit, Brugse cigaretjes, Brugse kletskoppen en Brugse mokken.

Tot slot zijn diverse kazen, hoewel niet in Brugge gemaakt, wel naar de stad genoemd: Brugge Abt, Brugge Belegen, Brugge Blomme, Brugge Broodje Apero, Brugge Broodje Classic, Brugge Dentelle, Brugge Goud, Brugge Jong, Brugge Oud, Brugge Pater, Brugge Prestige, Brugge Prior en Brugge Rodenbach. Deze kazen worden geproduceerd in Moorslede met melk uit het Brugse ommeland. Ze worden echter wel in de Brugse Sint-Godelieveabdij te rijpen gelegd.

De twee belangrijkste theater- en concertzalen in Brugge zijn het Concertgebouw en de Stadsschouwburg.
In het Concertgebouw, een modern cultureel complex gebouwd naar aanleiding van Brugge 2002 - Culturele Hoofdstad van Europa, bevinden zich onder andere een grote concertzaal, die beschikt over zo'n 1.300 zitplaatsen, en een kamermuziekzaal, die plaats biedt aan 320 toeschouwers. Dankzij een bijzondere architecturale ingreep – de hele constructie rust a.h.w. op immense veren – biedt het gebouw een uitstekende akoestiek.
Ook de Stadsschouwburg, die geldt als een van de best bewaarde stadstheaters in Europa, doet vooral dienst als platform voor nationale en internationale topproducties. De zaal beschikt over zo'n 700 zitplaatsen.

Daarnaast zijn er nog verschillende middelgrote en kleinere concert- en/of theaterzalen. In de theaterzaal van de Biekorf, die beschikt over een in- en uitklapbare tribune met 232 zitplaatsen, vinden concerten en vaak kleinschalige en eerder experimentele producties van zowel theater, muziektheater als dans plaats. De zaal bevindt zich in het Biekorfcomplex, waarin onder andere ook de hoofdstadsbibliotheek gelegen is.
Theaterzaal De Dijk is een gepaste locatie voor eerder toegankelijke producties die een groot publiek aanspreken, maar door de aard van de voorstelling toch een kleinere zaal vereisen. De Dijk beschikt over een 250-tal zitplaatsen.
De kleine theater- en concertzaal De Werf neemt in de Belgische jazzwereld een vooraanstaande plaats in; jaarlijks passeren er vele topnamen de revue. Daarnaast brengt De Werf ieder jaar zowel een tiental eigen theaterproducties als gastvoorstellingen, en is er ruime aandacht voor kindertheater.
Het jongerencentrum Het Entrepot beschikt over een grote en een kleine zaal, die beide regelmatig worden gebruikt voor (rock)concerten. Daarnaast vindt er vaak ook (jong) theater- en danswerk plaats.
De Joseph Ryelandtzaal is een concertzaal die zich in de kerk van het voormalige kloostercomplex van de Theresianen bevindt. Er kunnen zowel klassieke als andere concerten gehouden worden.
In de Magdalenazaal (Ma/Z) worden vaak op jongeren gerichte evenementen, zoals rock- en popconcerten, georganiseerd, met grote optredens naast kleinere clubevenementen, en regelmatig ook theater- en danswerk. De zaal heeft een uitrolbare tribune en voorziet in een 400-tal zitplaatsen en circa 1.000 staanplaatsen. Voor clubconcerten kan de zaal verkleind worden. Het is onder meer een van de vaste locaties van muziekcentrum Cactus.
De Oberbayernzaal is een grote polyvalente hal in het Boudewijn Seapark die af en toe voor concerten of muziekevenementen wordt gebruikt.
Ook in de polyvalente zalen van Studio Hall worden regelmatig concerten of stand-upcomedyvoorstellingen georganiseerd. Het sport- en cultuurcomplex Daverlo beschikt over een toneel- en concertzaal voorzien van een uitschuifbare tribune met 232 plaatsen.
Het Auditorium, een polyvalente theater- en concertzaal in het Sint-Lodewijkscollege, biedt zitplaatsen voor 400 personen. Het Sirkeltheater (180 zitplaatsen) en het Aquariustheater (240 zitplaatsen) zijn theaterzaaltjes in respectievelijk het Sint-Franciscus-Xaveriusinstituut en het Sint-Leocollege.

Verder zijn er nog tal van andere zalen en zaaltjes verspreid over de stad, maar ook kerken worden gebruikt voor bijvoorbeeld klassieke concerten.

Vroeger lagen er in de binnenstad en daarbuiten tal van bioscopen.
De eerste openbare cinemavoorstelling had plaats op 5 september 1896 in De Gouden Arend, in de Vlamingstraat 46, tegenover de Stadsschouwburg.
Men sprak toen van Beweegende Photografieën en ze werden gebracht door Le Cinématographe Parisien. Het waren beelden uit Parijs met mensen, koetsen en treinen. De toegangsprijs was 50 centiem. Het waren eenmalige voorstellingen en men kon nog niet spreken van een cinemazaal.
De eerste echte cinema in Brugge, cinema Pathé, opende in 1909 zijn deuren op de Grote Markt. Hierna volgden er nog vele andere, zoals de Gilde-Filmuniversiteit (1910), de cinema van de hogere klasse Vieux Bruges/Oud Brugghe (1911), de toenmalige cinema van de liberalen Zwart Huis (1919; vanaf 1984 Gulden Vlies, en vanaf 1995 Liberty), de cinema Coliseum (1919; vanaf 1935 Rio) in de Saaihalle, de cinema Den Yzer (±1920; vanaf 1954 Nova, en vanaf 1965 Forum), de erotische cinema Edison (1921; vanaf 1956 Ritz), de toenmalige cinema van de socialisten Scala (1926; vanaf 1968 Chaplin), de luxueuze cinema Hollywood (1928; vanaf 1929 Crosly Palace, vanaf 1945 Palace, en vanaf 1953 Memling), de Familie Cinema (1932), de toenmalige cinema van de katholieken City (1947; vanaf 1969 Kennedy en Richelieu), de cinema Royal (1954), de cinema Capitole (1957; vanaf 1975 Rembrandt, en vanaf 1989 Van Eyck), de cinema Forum (1955) in Assebroek, de cinema Orly (1959) in Sint-Andries, de cinema Metro (1958) in Sint-Kruis en de buurtcinema Wevo (1952; vanaf 1957 Canada) in Sint-Jozef.

Door de komst van de televisie en later de grote bioscoopcomplexen moesten ook in Brugge veel cinema's noodgedwongen de deuren sluiten.

Nu bevinden zich in de binnenstad nog Cinema Lumière en Cinema Liberty. Lumière is een bioscoop die vooral bekendstaat om zijn eerder alternatieve programmering, met aandacht voor niet-commerciële (lowbudget)films en cultfilms. Voor de commerciële film bevindt zich in Sint-Michiels ook een vestiging van bioscoopketen Kinepolis.
Zowel Lumière, Liberty als Kinepolis zijn vaak gebruikte locaties voor het jaarlijkse filmfestival MOOOV (voorheen Cinema Novo).

Jaarlijks vinden in Brugge tal van festivals plaats die ieder jaar of om de zoveel jaar terugkeren. Deze zijn van heel uiteenlopende aard, gaande van muziekfestivals tot culturele of culinaire feesten.

Enkele belangrijke en/of frequente muziekfestivals die in Brugge plaatsvinden zijn:

Voorts zijn er nog tal van kleine rockfestivals, met als bekendste BurgRock (op de Burg), Comma Rocks (Jeugdhuis Comma), Red Rock Rally (in het Koningin Astridpark) en Wacko (op de Burg). Tot 2007 had in Dudzele jaarlijks het festival Dudstock plaats.

Enkele festivals van culturele of culinaire aard zijn:

Enkele muzikaal-culturele festivals zijn: de Coupurefeesten, gedurende één dag langs de Coupure; het dansfestival December Dance, gedurende twaalf dagen in verschillende zalen in de stad; het mondiaal eendagsfestival Feest in 't Park in het Minnewaterpark; het ongeveer twee weken durende stadsfestival Moods! (voorheen Klinkers), met als afsluiter Benenwerk - Ballroom Brugeoise; de Sint-Michielse Feeste, elke eerste zondag van september in Sint-Michiels; het tweedaagse Summer End Festival in Sint-Kruis; het zomerfestival Vama Veche, gedurende acht dagen in het Koningin Astridpark.

Jaarlijks staan in Brugge verschillende kermissen, zo'n 23 in totaal. Enkele voorbeelden zijn de Krokuskermis op het Simon Stevinplein, de Halfvastenkermis, de Paaskermis, de Winterfoor en de Verloren Hoekkermis, allemaal in de binnenstad, de Lentekermis in Sint-Kruis en de Oktoberkermis in Sint-Andries. Verder zijn er nog verscheidene andere kermissen in de stadsrand, alsook diverse (dorps)kermissen in Dudzele, Lissewege, Zwankendamme en Zeebrugge.

De grootste kermis in Brugge is de Meifoor. Ze palmt elk jaar rond mei gedurende ongeveer een maand heel 't Zand, een deel van het Koning Albertpark, de Hauwerstraat, het Beursplein en een deel van het Simon Stevinplein in, en telt een negentigtal attracties. De Meifoor ontstond in het jaar 1200, toen de eerste jaarmarkt werd gehouden. Een recentere traditie is dat de Meifoor start met een verklede kinderstoet.

In de binnenstad en Kristus-Koning bevinden zich volgende stadsparken:

In en aan de rand van de deelgemeenten rond de binnenstad liggen nog volgende parken en parkbossen:

Het Boudewijn Seapark is een attractiepark even buiten het stadscentrum. Het herbergt een van Europa's grootste dolfinaria voor dolfijnen en zeeleeuwen.

In Brugge wordt een typische variant van het West-Vlaams algemeen als omgangstaal gebruikt. Het echte Brugse stadsdialect onderscheidt zich duidelijk van andere West-Vlaamse dialectvarianten.

In de negentiende eeuw werden in Brugge meer dan een half dozijn week- en dagbladen gepubliceerd, zowel in het Frans als in het Nederlands (zie ook Kranten in Brugge en Franstalige kranten in Brugge). De ene na de andere verdween, tot alleen nog het Brugsch Handelsblad overbleef. Het werd een lokale editie van de Krant van West-Vlaanderen. Daarnaast zijn er Vlaamse dagbladen, zoals Het Nieuwsblad of Het Laatste Nieuws, met een regionaal katern voor Brugge (en de Oostkust).

Vanuit Brugge opereert de nationale radio-omroep BNL (voorheen VBRO), met de focus op Belgische en Nederlandstalige muziek.
Daarnaast kent Brugge ook nog enkele lokale radio-omroepen: Radio Brugs Ommeland (102.7 MHz), Elisa FM (105.3 MHz), Villa Bota (106.4 MHz) en Star FM (107.7 MHz).

De regionale televisiezender voor de ruime Brugse regio is Focus.

Brugge is economisch een belangrijk centrum. De stad telt na Antwerpen, Gent en Leuven het hoogste aantal arbeidsplaatsen in Vlaanderen: meer dan 75.000 in 2016.
De werkgelegenheidsgraad (het aantal arbeidsplaatsen per 100 inwoners op arbeidsleeftijd) in Brugge bedroeg dat jaar 109,9%. Het aantal uitgaande pendelaars uit Brugge is dan ook relatief laag: 35-40% van de werkende bevolking verlaat de stad voor het werk (37,3% in 2011). Dit aandeel ligt bij de laagste in België. De overige 60-65% woont én werkt dus in de stad (62,7% in 2011). Van het totaal aantal werknemers met een job in Brugge, komt circa 60% uit een andere gemeente (58% in 2007).
Van de Brugse bevolking op beroepsactieve leeftijd (20-64 jaar) werkte 74,1% in 2016.

Op 1 januari 2015 had Brugge een werkloosheidsgraad van 6,7%, of 4.596 personen op beroepsactieve leeftijd. Dit is een status quo tegenover 2002. Hiermee scoort Brugge iets beter dan het Vlaamse gemiddelde.

Het gemiddelde jaarinkomen per inwoner van Brugge bedroeg 19.912 euro in 2016.

De tertiaire en quartaire sector zijn de belangrijkste in Brugge, met elk meer dan 30.000 arbeidsplaatsen (resp. 32.053 en 32.375 in 2010), gevolgd door de secundaire sector (8.577 jobs in 2010). De primaire sector biedt slechts circa 450 arbeidsplaatsen (2010).
Concreet zijn de belangrijkste tewerkstellingssectoren in Brugge metaal  mechatronica, zorg, transport, distributie  logistiek, voeding, en de print-, multimedia- en creatieve sector.
In tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen, is de tewerkstelling in de binnenstad slechts in beperkte mate rechtstreeks gelinkt aan toerisme, maar hoofdzakelijk aan de klassieke sectoren zoals onderwijs, gezondheidszorg, dienstverlening en groot- en kleinhandel.

In 2016 telde Brugge op 1 januari 10.720 btw-plichtige ondernemingen.

Zeebrugge, de zeehaven van Brugge, is een moderne haven en een belangrijke speler in Europa, vooral op vlak van nieuwe wagens, waarvoor het de belangrijkste haven ter wereld is, roroverkeer en aardgas.

De haven in zijn geheel is de grootste werkverlener van Brugge. Hoewel vaak wordt aangenomen dat het toerisme een van de belangrijkste werkverschaffers van de stad is, zorgt de toeristisch-recreatieve sector voor slechts ongeveer 6.000 van de in totaal circa 75.000 jobs in Brugge. Daartegenover brengt de haven ruim 20.000 directe en indirecte jobs met zich mee (vte).

De haven, die anno 2020 een oppervlakte van ca. 3400 ha beslaat en zo'n 320 bedrijven telt, bestaat uit drie delen: de voorhaven en achterhaven bij Zeebrugge, en de kanaalzone met binnenhaven die helemaal tot aan de noordrand van de Brugse binnenstad loopt. De kanaalzone omhelst tevens de bedrijvenzone Herdersbrug (met onder meer de STEG-centrale Electrabel).

Naast de haven zijn er nog verschillende andere handels- en industriezones; zo zijn er (met tussen haakjes de eventuele aanwezigheid van een groot bedrijf uit de Brugse regio): Blauwe Toren (met onder meer Marine Harvest Pieters), De Spie, Ter Panne, Steenkaai (met Structo Beton), Ten Briele (met onder meer Bombardier Transportation (La Brugeoise et Nivelles) en Dana - Spicer Off-Highway), Vogelzang en Waggelwater.

Op de Chartreusesite en nabij de Kinepolis-site, in het zuiden van de stad, is een Headquarterszone gepland. Deze zone zou zich richten op het samenbrengen van diensten van grotere, dikwijls internationaal gerichte ondernemingen, organisaties en instellingen. De diensten zouden betrekking hebben op centrale leiding zoals strategische planning en coördinatie, ondersteunende diensten, opleiding, research en development, innovatie en kenniscentra, financiële operaties, marketing en verkoop, telecommunicatie en dergelijke meer.

De belangrijkste winkelstraten in de binnenstad zijn deze twee die 't Zand met de Grote Markt verbinden; ze lopen parallel. Komende van 't Zand heet de noordelijke over ca. twee derde van de lengte Noordzandstraat, en verder Geldmuntstraat. De zuidelijke heet over ca. één derde van de lengte - tot aan de Sint-Salvatorskathedraal - Zuidzandstraat, en verder Steenstraat. Tussen deze twee assen in ligt ter hoogte van de kathedraal het winkelcentrum Zilverpand. Beide assen worden voornamelijk gedomineerd door filialen van winkelketens.
Andere winkelstraten in het centrum zijn de Academiestraat, de Braambergstraat/Predikherenstraat, de Ezelstraat/Sint-Jakobsstraat, de Gentpoortstraat, de Grote Markt, de Katelijnestraat/Mariastraat, het Genthof, de Langestraat/Hoogstraat, de Philipstockstraat, het Simon Stevinplein, de Sint-Amandsstraat, de Smedenstraat, 't Zand, de Vlamingstraat en de Wollestraat/Eekhoutstraat. Aan de Burg is er nog de winkelgalerij Ter Steeghere.

Buiten de binnenstad vormen de Maalse Steenweg in Sint-Kruis, de as Sint-Pieterskaai–Fort Lapin in Sint-Pieters, de winkelcentra Hoge Express in Sint-Andries, Expresspark in Sint-Michiels en V-Market in Sint-Pieters, het Winkelcentrum Sint-Kruis, en het bedrijventerrein Blauwe Toren, inclusief het winkelcentrum B-Park, belangrijke winkelzones, dan wel met een beperkter funshopping-karakter.

Langs de zuidrand van Brugge loopt de A10/E40, die de kust met Gent, de hoofdstad Brussel en het binnenland verbindt. Net ten westen van Brugge, in Jabbeke, is er aansluiting met de A18/E40, vanaf waar de E40 de A18 volgt, parallel met de kust naar Frankrijk, en niet meer de A10, die doorloopt naar Oostende. Vanuit Brugge loopt zuidwaarts de A17/E403 door de provincie naar Kortrijk en Doornik. Aansluitend op de A17 in Brugge loopt noordwaarts de expresweg N31 verder naar Zeebrugge en de zeehaven; deze weg fungeert tevens als westelijke grote ring van de stad. Naast de N31 geldt ook de N49/E34, ten noordoosten van de stad, als belangrijke ontsluitingsweg voor de haven. De A11, die langsheen de achterhaven loopt, verbindt de N31 in het noorden van de stad met de N49 bij Westkapelle.

Verschillende gewestwegen doen ook de stad aan. De belangrijkste zijn de N9, die Brussel via Gent en Brugge met Oostende verbindt, en de twee wegen die ongeveer parallel aan de snelweg A17 naar het zuiden van de provincie lopen, namelijk de N50 naar Kortrijk, en de steenweg Brugge-Torhout-Roeselare-Menen (N32).

Rond het centrum van Brugge loopt de stadsring R30.

Brugge heeft een hoofdstation, Station Brugge, gelegen aan de zuidwestelijke rand van de binnenstad, en vier (onbemande) haltestations: Brugge-Sint-Pieters, Lissewege, Zeebrugge-Dorp en Zeebrugge-Strand. Twee nieuwe haltestations zijn nog gepland: in het noorden van de stad, bij Blauwe Toren, en het zuiden, op de Chartreusesite.

Vanuit Brugge is er een spoorlijn westwaarts naar Oostende (lijn 50A), noordwestwaarts naar Blankenberge (lijn 51), noordwaarts naar Zeebrugge (lijn 51A), noordoostwaarts naar Knokke-Heist (lijn 51B), zuidoostwaarts naar Gent en Brussel (lijn 50A), en zuidwaarts naar Kortrijk (lijn 66).

Minstens één  IC-trein per uur verbindt Brugge (hoofdstation) rechtstreeks met andere belangrijke steden in België, zoals Brussel, Gent, Antwerpen, Luik, Kortrijk of Hasselt. Daarnaast zijn er verschillende lokale treinen en piekuurtreinen.

In het kader van het Neptunusplan van De Lijn zijn er ontwerpen voor een lightrailverbinding tussen Zeebrugge en Brugge (met een eventuele doortrekking tot in Torhout) en tussen Brugge en Oostende.

De historische verbinding van het stadscentrum met de Noordzee via het Zwin is verdwenen; in de plaats ligt een moderne zeehaven bij Zeebrugge. Brugge zelf ligt nog steeds op een knooppunt van verscheidene kanalen en vaarten. Het Boudewijnkanaal loopt door het hele havengebied en verbindt de Brugse binnenhaven met de Zeebrugse voorhaven en de Noordzee. De Damse Vaart loopt van de Dampoortsluis, aan de Dampoort, noordoostwaarts naar het Nederlandse grensstadje Sluis, en dient tegenwoordig vooral voor pleziervaart en recreatieve doeleinden. De kanalen Gent-Brugge en Brugge-Oostende zijn belangrijker voor de industriële binnenvaart. Ze zijn met elkaar verbonden via de Ringvaart, die langs de oost- en noordzijde rond het stadscentrum loopt. De Ringvaart is via de Boudewijnsluis met de binnenhaven verbonden.

Vanwege het toenemende gebruik van de binnenvaart door Brugge, met veel openstaande bruggen over de Ringvaart als gevolg, ontstaan er geregeld verkeersopstoppingen op het stuk stadsring parallel met de Ringvaart. Om de Ringvaart te ontlasten en de ontsluiting van de haven via de binnenwateren te verbeteren, zijn er ontwerpen voor de verbreding van het Schipdonkkanaal, zodat dit volledig toegankelijk wordt voor binnenschepen. Dit zou het aldus mogelijk moeten maken voor binnenschepen om vanuit de haven het binnenland in te kunnen zonder daarvoor nog door Brugge heen te moeten, met alle verkeersproblemen van dien. Deze mogelijke verbreding stuit echter op ernstige tegenstand, omdat een uniek landschap, dat zich culmineert in de kanalenkruising bij De Siphon, dreigt te worden aangetast.

Door de binnenstad lopen verschillende reien (grachten). Sommige daarvan worden in de zomer en tijdens het voor- en najaar bevaren door toeristenbootjes.

Jachthavens en aanmeerplaatsen voor kortverblijf zijn er aan de Coupure, aan de Houtkaai, aan het Kanaaleiland en in Zeebrugge. Voor woonboten zijn er plaatsen op de Ringvaart aan de Kruisvest, en op het kanaal Brugge-Oostende aan de Kolenkaai.

Op het grondgebied van Brugge zelf ligt er geen luchthaven, maar de dichtstbijzijnde luchthaven ligt op ongeveer 25 kilometer van het centrum van de stad. Deze luchthaven ligt in Oostende en heet officieel Internationale Luchthaven Oostende-Brugge.

Tussen 1913 en 1951 bestond het openbaar vervoer in Brugge grotendeels uit elektrische trams, uitgebaat door de NMVB. In 1950 begon Brugge als eerste stad in België haar trams te vervangen door 'modern stadsvervoer', de stadsbus.

Op vandaag wordt het openbaar vervoer in Brugge, net zoals in de rest van Vlaanderen, geëxploiteerd door De Lijn.
Het bestaat uit een uitgebreid busnetwerk, onderverdeeld in stads- en streeklijnen. Er zijn achttien stadslijnen, die naar alle hoeken van de stad leiden, en 24 streek- en voorstadslijnen, die Brugge verbinden met voorsteden, dorpen of steden in de grote regio rond de stad. De busverbinding met het Nederlandse Breskens wordt medegeëxploiteerd door Connexxion. Door Zeebrugge passeert ook nog de Kusttram.

Zoals aangehaald onder Spoorwegen, zijn er ook plannen voor een noord-zuidlightrailverbinding door Brugge.

Brugge is in het noorden van de provincie een scholencentrum. In de binnenstad liggen een vijftiental middelbare scholen, een aantal basisscholen en enkele hogescholen, zoals een afdeling van de Hogeschool West-Vlaanderen (HOWEST), de verschillende campussen van het postuniversitaire Europacollege, en het Grootseminarie. In de gebouwen van het Grootseminarie is tevens een afdeling van de Universiteit van de Verenigde Naties (UNU-CRIS) gehuisvest, een onderzoeksinstituut dat nauw samenwerkt met het Europacollege en ingebed is in de academische werking van de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel.

In Sint-Michiels bevinden zich ook nog enkele hogescholen, zoals een campus van HOWEST en een campus van de Katholieke Hogeschool Vives. Nabij het hoofdstation ligt een universiteitscampus van de Katholieke Universiteit Leuven: KU Leuven Campus Brugge. Voorts zijn er in Sint-Michiels een topsportschool in het Koninklijk Technisch Atheneum (KTA) en twee hbo-scholen voor verpleegkunde. Andere scholen liggen verspreid over de deelgemeenten van de stad.

Als grote stad in de provincie was Brugge een van de belangrijke plaatsen voor de ontwikkeling van het voetbal in het westen van Vlaanderen op het eind van de 19e eeuw.
Club Brugge en Cercle Brugge zijn twee van de oudste clubs van het land, haalden beide landstitels en spelen nog steeds in de hoogste afdelingen, met Club Brugge als een van de topclubs van het land. Vroeger hadden de twee teams hun eigen stadion: Club het Albert Dyserynckstadion (in de volksmond De Klokke), Cercle het Edgard De Smedtstadion. Tegenwoordig spelen beide clubs in het Jan Breydelstadion (29.062 zitplaatsen) in Sint-Andries, hetgeen eigendom is van de stad Brugge. Er zijn echter plannen voor twee nieuwe stadions ter vervanging van het Jan Breydelstadion. Voor Club Brugge ontwikkelen de stad en de club een nieuw stadion op de Olympia-site, pal naast het Jan Breydelstadion, dat nadien wordt afgebroken. Het is hierbij de bedoeling dat ook Cercle Brugge een nieuw, eigen stadionproject ontwikkelt, elders in de stad.

Andere Brugse clubs die zijn aangesloten bij de KBVB zijn Daring Brugge, Eendracht Brugge, KSK Steenbrugge, Dosko Sint-Kruis, Jong Male VV, Zeehaven Zeebrugge, RFC Lissewege en VK Dudzele, alle uitkomend in de provinciale reeksen, de damesvoetbalclubs Club Brugge Dames en Cerkelladies Brugge, uitkomend in respectievelijk de eerste en derde klasse van het damesvoetbal, en de jeugdvoetbalclub JVV Sint-Andries.

In 2000 was Brugge een van de gaststeden voor het Europees voetbalkampioenschap Euro 2000. Naar aanleiding hiervan werd het voormalige Olympiastadion uitgebreid en kreeg het de naam Jan Breydelstadion.

Brugge speelde lang een belangrijke rol in de Ronde van Vlaanderen: van 1998 tot en met 2016 werd op de Grote Markt het officieuze startschot van de Ronde gegeven. De officiële start vond telkens op een locatie buiten de binnenstad plaats.
Tot en met 1989 en terug opnieuw sinds 2017 is Brugge de start- en aankomstplaats van de Elfstedenronde.
Voorts start jaarlijks de Driedaagse Brugge-De Panne op de Brugse Grote Markt.

In het Bloso-centrum Julien Saelens in Assebroek ligt een openluchtwielerbaan, genoemd naar voormalig Belgisch wielrenner Patrick Sercu.

In het basketbal, het volleybal, het veldhockey, het rugby noch het handbal heeft Brugge een echt grote club. Het best geklasseerde basketbalteam in de nationale afdelingen is Racing Brugge, dat in Eerste Landelijke speelt. Het hoogst geklasseerde volleybalteam, Olva Brugge, komt uit in de Eerste divisie landelijk. De Koninklijke Hockey Club Brugge speelt in Derde nationale, de Brugsche Rugby Club komt uit in de Derde afdeling van de nationale reeksen, en de hoogst geklasseerde handbalclub, HC Olva Brugge, speelt in de regionale reeksen van West-Vlaanderen.

Jaarlijks afgewerkte loopwedstrijden in het Brugse zijn onder andere Dwars door Brugge (15 km), de Great Bruges Marathon (42,2 km) Oostende-Brugge Ten Miles (16,1 km), Damme-Brugge-Damme (10 km), Urban Trail Brugge (10 km), de Kerstloop Brugge (10 km) en de Midzomerrun Brugge (13 km). Jaarlijkse zwemwedstrijden zijn onder meer de Brugse Zwemdoortocht, door de reien, en de Internationale zwemwedstrijd Damme-Brugge, via de Damse Vaart. Daarnaast zijn er elk jaar onder andere ook de Triatlon door Brugge, de Haventriatlon Zeebrugge, de Brugse Kajakdoortocht en de roeiwedstrijd Brugge Boat Race.

De sport krachtbal is door de Brugse sportleraar Etienne Schotte uitgevonden. In de regio Brugge zijn er dan ook tal van krachtbalclubs, waarvan zes uit Brugge zelf: Sporting Brugge, KBC Sint-Michiels, KSVV Inter Assebroek, KBC Male, Avanti Lissewege en Noordster Dudzele.

In Sint-Andries ligt naast het Jan Breydelstadion het polyvalent zwembadcomplex SR Olympia, met onder andere een olympisch topsportbad, warmwaterbaden, buitenbaden en sauna's. Het complex werd in 2015 geopend en verving het voormalige Olympiabad, dat ernaast lag. Andere belangrijke openbare zwembaden zijn het Interbad in Sint-Kruis en het Jan Guilinibad in Kristus-Koning. In het Bloso-centrum Julien Saelens bevindt zich voorts nog een atletiekstadion (de thuishaven van atletiekclub Olympic Brugge) en is sinds 2012 het grootste overdekte Bloso-topsportcomplex gevestigd. Verder is er in het Boudewijn Seapark een indoor schaatsbaan, en in Vogelzang, in Sint-Michiels, een indoor skipiste.

De twee grootste ziekenhuizen in Brugge zijn het AZ Sint-Jan en het AZ Sint-Lucas, gelegen in respectievelijk het noordwesten (Sint-Pieters) en het zuidoosten (Steenbrugge) van de stad. Het zijn grote algemene ziekenhuizen waar men terechtkan voor basiszorg tot zeer gespecialiseerde zorg. Het AZ Sint-Jan is samen met het Sint-Franciscus Xaveriusziekenhuis, dat zich in het stadscentrum bevindt, onderdeel van het AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV.

Net buiten het stadscentrum, in Sint-Michiels, ligt het PZ Onze-Lieve-Vrouw, een algemeen psychiatrisch ziekenhuis dat beschikt over vier gespecialiseerde klinieken en een afdeling voor psychiatrische intensieve zorg. Voorts bevindt zich in Sint-Pieters nog het Psychotherapeutisch Centrum Rustenburg, een centrum voor psychotherapie.

In Brugge zetelt de bisschop van het rooms-katholiek bisdom Brugge. In de kathedraal is het Sint-Salvatorskapittel gevestigd. Het stadscentrum telt 10 parochies. In de stad liggen enkele kloosters van diverse orden. Aan de rand liggen enkele abdijen, zoals de Sint-Andriesabdij Zevenkerken in Sint-Andries, de voormalige Sint-Trudoabdij in Male en de voormalige Sint-Pietersabdij in Steenbrugge. Het religieuze volksleven wordt gekenmerkt door de Heilig Bloedcultus en de Brugse Belofte, die worden georganiseerd door broederschappen die in de stad zetelen. Ook de talrijke oude godshuizen, het Oud Sint-Janshospitaal en het begijnhof zijn belangrijke religieuze plaatsen in de stad.

Daarnaast zijn er ook andere kerken en religies vertegenwoordigd, zoals de Verenigde Protestantse Kerk, de Adventkerk, de Anglicaanse Kerk, de Vrije Evangelische Kerk, de Orthodoxe Kerk, Jehovagetuigen en de Islam.
In de stad bevinden zich ook meerdere loges van de vrijmetselarij en de para-vrijmetselarij.

Brugge is de provinciehoofdstad van de provincie West-Vlaanderen; het Provinciehuis Boeverbos staat in de deelgemeente Sint-Andries van de stad Brugge. Aan de westkant van het station van Brugge staat het Jacob van Maerlantgebouw met daarin het Vlaams Administratief Centrum (VAC) van de Vlaamse overheid en van de federale overheid.

Resultaten van de gemeenteraadsverkiezingen in Brugge na de gemeentefusie van 1971.

(*) 1976: ONAFH (2,94%), BP (0,92%) / 1982: NORMAL (2,0%), BP (0,74%), RAD (0,27%) / 1988: ALLEEN (0,58%), ZWP (0,39%), PAIX (0,11%), GPR (0,11%) / 1994: WOW (2,12%), ROSSEM (0,94%), ROBINH (0,92%), LIEFDE (0,54%), PAIX (0,24%), NWP (0,19%) / 2000: ZOOZ (0,41%), NWP (0,25%) / 2006: BRON  Decoorne (1,45%), BEU (0,51%), Belg.Unie-BUB (0,4%) / 2012: Lijst Burgemeester (0,79%), LDD (0,50%), VCD (0,35%) / 2018: Doe Geweune (1,6%), Vlaamse Christen Partij (0,3%)De zetels van de gevormde coalitie staan vetjes afgedrukt. De grootste partij staat in kleur..

Om principiële redenen was de stad Brugge tot 2020 nooit jumelages (stedenband) aangegaan met andere steden. Zonder het nut te willen ontkennen van deze jumelages voor gemeenten met minder internationale contacten, was de voornaamste reden dat men steeds van oordeel is geweest dat het moeilijk is een keuze te maken en een internationaal gerichte stad als Brugge zich in feite mag beschouwen als 'gejumeleerd met de wereld'. Verder vreesde men dat, zoals men vaak elders kon vaststellen, deze jumelages vooral aanleiding zouden zijn voor reisjes van mandatarissen en bestuursleden van verenigingen, op kosten van de stadskas.

Als gevolg hiervan heeft de stad Brugge in de jaren 1950 een jumelage geweigerd met Nice en andere steden, die door een Belgisch ambassadeur was ondertekend buiten het medeweten van het stadsbestuur. Een Belgisch consul in Oldenburg liet het stadsbestuur van Brugge een vriendschapsoorkonde ondertekenen in de jaren 1970, die hij dan vergeefs als een 'jumelage' heeft willen doen doorgaan.

De jumelages die bestonden op vroegere randgemeenten werden na de samenvoeging tot Groot-Brugge in 1971 niet meer voortgezet.

Dit alles belette niet dat concrete vormen van samenwerking van kortere of langere duur tot stand kwamen:

In 2019 stond in de beleidsnota van de stad Brugge opgenomen dat een nieuw partnerschap met een stad in het zuiden onderzocht zou worden. Na grondig onderzoek van mogelijke kandidaat-steden werd beslist om de kandidatuur van de stad Ebolowa, gelegen in het zuiden van Kameroen, verder te onderzoeken. Deze stad, midden in het tropisch regenwoud, kwam naar voor om verschillende redenen. Zowel Brugge als Ebolowa zijn Fair Trade-steden. Verder vormt chocolade een verbindende factor: Brugge, met zijn verschillende chocolatiers en chocolademuseum, profileert zich als chocoladestad, en in Ebolowa is cacaoproductie een belangrijke bron van inkomsten. Naast de ontwikkeling van een keten in eerlijke chocoladehandel willen beide steden ook bestuurlijk samenwerken. De jumelage werd begin 2020 bekrachtigd.

Films, series of boeken waarin Brugge een hoofdrol speelt of (als decor) voorkomt:

Op de reien in Brugge zijn vaak zwanen te vinden. De naam Pieter Lanchals wordt voor altijd met deze zwanen verbonden. Hij was schout, baljuw en raadsheer van Maximiliaan van Oostenrijk.

Vooral na de dood van Maria van Bourgondië (1482) beleefde Brugge woelige tijden. Maximiliaan wilde de macht van de gemeenten breken en hen een maximum aan belastingen opleggen. Brugge was zijn eerste doelwit. Daarom sloten de Bruggelingen Maximiliaan een tijdlang op in het huis Craenenburg op de Markt. Vanuit een getralied raam was hij dagenlang getuige van de folteringen die men een aantal hem trouw gebleven edellieden en burgers oplegde alvorens ze onthoofd werden. Ook Pieter Lanchals verloor er letterlijk het hoofd: dit werd op een piek op de Gentpoort geplaatst.

Aan deze echt gebeurde feiten voegt de legende toe dat Maximiliaan, eenmaal weer vrijgelaten en opnieuw aan de macht, de Bruggelingen verplichtte ten eeuwigen dage langhalzen of zwanen op de reien te onderhouden. Echter, dankzij oude rekeningen van de stad, die de kosten voor het onderhoud van de zwanen vermelden, is geweten dat ze al lang voor de geboorte van Pieter Lanchals op de Brugse wateren te zien waren. Zo worden ze al in 1403 vermeld.




#Article 109: Provincies van België (1556 words)


De Belgische provincies vormen het bestuurlijke niveau tussen de gemeenten enerzijds en de regionale en federale overheid anderzijds. België is verdeeld in tien provincies die elk hun eigen volksvertegenwoordiging en bestuur hebben. Sinds de laatste staatshervormingen behoren de provincies tot de bevoegdheden van de gewesten. Het Vlaams Gewest en het Waals Gewest tellen elk vijf provincies. Het derde Belgische gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, maakt van geen enkele provincie deel uit en is zelf evenmin onderverdeeld in provincies.

(Tussen haakjes staat de Franse naam. Bij de provincie Luik ook de Duitse naam omdat in het oostelijk deel van deze provincie die taal wordt gesproken.)

De eerste voorlopers van de Belgische provincies kwamen grofweg tot stand in de Bourgondische tijd en maakten deel uit van het gebied dat bekendstaat als de Zeventien Provinciën en het Prinsbisdom Luik. Met uitzondering van het prinsbisdom maakten daar sinds de 15e eeuw op het grondgebied van het huidige België de graafschappen Vlaanderen, Namen en Henegouwen en de hertogdommen Brabant, Limburg en Luxemburg deel van uit. Bepaalde instellingen zoals de Statenvergadering bestonden al eerder, in Vlaanderen sinds de 12e eeuw.

De huidige indeling van de Belgische provincies volgt in grote lijnen de grenzen van de kreitsen of cercles uitgetekend door keizer Jozef II in 1787. Dit waren negen bestuurlijke eenheden bestuurd door een intendant die benoemd werd door de centrale regering. Elke kreits groepeerde de vorstendommen, heerlijkheden en religieuze entiteiten in negen min of meer even grote territoriale omschrijvingen, allen op dezelfde manier gestructureerd. Het centraal gezag werd uitgeoefend vanuit de hoofdstad Brussel. De oude namen van de gewesten verdwenen en werden vervangen door die van de hoofdplaatsen (Antwerpen, Bergen, Brugge, Brussel, Doornik, Gent, Luxemburg, Namen en Limburg). Onmiddellijk rees er verzet. De Brabantse Omwenteling fnuikte de hervorming definitief.

Ze werd opnieuw opgepikt door de Franse revolutionairen, die na de verovering van de Oostenrijkse Nederlanden en het Prinsbisdom Luik in 1794 op het grondgebied van het huidige België de Verenigde Departementen inrichtten. Ze werden bestuurd door een regeringscommissaris of een prefect, de benaming die vanaf 1800 werd gebruikt. Het bestuur bestond verder uit een conseil de préfecture die bestond uit een vijftal personen die voor 5 jaar werden verkozen. Daarnaast vergaderde de conseil de département eenmaal per jaar.

Bij de hereniging met Nederland in 1815 werd de indeling grotendeels overgenomen. Er werden zeventien provincies ingericht met aan het hoofd de gouverneur. De gouverneur zat de Gedeputeerde Staten voor, die instond voor het dagelijkse bestuur van de provincie, en ook de Provinciale Staten, bevoegd voor materies als belastingen, toezicht op ondergeschikte besturen, enz. De Belgische Grondwet bevestigde in 1831 de provincies en in 1836 richtte men met de Provinciewet de Provincieraden in. België claimde aanvankelijk de gehele provincies Limburg en Luxemburg, maar na het akkoord met Nederland in 1839 werden beide provincies verdeeld: Limburg in een Belgisch en een Nederlands deel, Luxemburg in een Belgisch en een onafhankelijk deel.

Met de vierde staatshervorming werd de provincie Brabant vanaf 1 januari 1995 opgesplitst in drie delen: Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en het hoofdstedelijk gebied van 19 gemeenten, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Hierdoor werd het aantal provincies van negen naar tien gebracht. De vijfde staatshervorming droeg vrijwel de hele bevoegdheid over de organisatie en inrichting van de provincies over naar de Gewesten, behalve de afspraken die in de zogenaamde Pacificatiewet van 1988 werden vastgelegd om de taalminderheden te beschermen. In Vlaanderen volgde daarop het Provinciedecreet dat op 29 december 2005 in het Belgisch Staatsblad verscheen.

De provincie is de overheid tussen het federale en regionale niveau enerzijds en de gemeenten anderzijds. De opdrachten zijn in de Grondwet slechts vaag omschreven als het regelen van de provinciale belangen en ook de provinciewet van 1836 omschreef de bevoegdheid in die termen. In het Vlaamse provinciedecreet blijft de omschrijving zeer ruim: de provincies beogen bij te dragen tot het welzijn van de burgers en de duurzame ontwikkeling van het provinciaal gebied.

Dit betekent dat de provincies ook op een zeer breed terrein taken uitvoeren. In het algemeen kunnen ze samengevat worden, zoals in het Vlaamse provinciedecreet wordt gedaan:

Vanaf 2018 zullen de provincies echter niet langer persoonsgebonden bevoegdheden zoals sport, jeugd, welzijn, of cultuur mogen uitoefenen, en geen opcentiemen op de onroerende voorheffing meer kunnen innen. Als gevolg hiervan wordt het aantal provincieraadsleden en gedeputeerden verminderd vanaf de provinciale verkiezingen 2018.

De provincies bestaan uit diverse arrondissementen.

Op grond van art. 5, derde lid, van de Grondwet kunnen bij bijzondere meerderheidswet bepaalde gebieden, waarvan die wet de grenzen vaststelt, aan de indeling in provincies onttrokken worden. De bijzondere wet kan ze onder het rechtstreekse gezag plaatsen van de federale uitvoerende macht en een eigen statuut toekennen. Van deze mogelijkheid, die ingevoerd werd om eventueel een oplossing te bieden voor de Voerencarrousel, wordt tot op vandaag geen gebruik gemaakt. Al zou Brussel als voorbeeld kunnen dienen aangezien dat sinds 1995 aan de indeling in provincies is onttrokken. Ook de Duitstalige Gemeenschap oppert deze mogelijkheid vaak, aangezien deze graag los zou komen van de provincie Luik.

Zoals eerder gezegd, volgen de huidige provinciegrenzen de grenzen van de departementen van de Nederlanden uit de Franse periode, met de belangrijke uitzondering van de provincie Brabant die ten tijde van de vierde staatshervorming met ingang van 1 januari 1995 werd opgesplitst in Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

Het Vlaamse en het Waalse Gewest zijn bevoegd voor het wijzigen of corrigeren van de grenzen van de provincies en van de gemeenten, met uitzondering van de grenzen van de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren (art. 6, § 1, VI, 8°, BWHI). Deze grenswijzigingen kunnen enkel binnen hetzelfde gewest plaatsvinden, en dus niet de verandering van de gewestgrens tot gevolg hebben. Sedert de overdracht van de organieke wetgeving over de lokale besturen hebben de gewesten van deze mogelijkheid nog geen gebruik gemaakt. Art. 260 van het Provinciedecreet voorziet dat de provincieraad over deze grenswijzigingen zijn advies dient te geven.

Abstractie gemaakt van de wijzigingen aan het grondgebied van de provincies die het gevolg waren van de wijziging van de Rijksgrens van België en van de splitsing van de provincie Brabant, vonden de volgende wijzigingen van de provinciegrenzen plaats, voor een groot deel ten gevolge van de vastlegging van de taalgrens (die ook een aantal gemeenten uit de toenmalige administratieve arrondissementen Brussel en Leuven deed overgaan naar het arrondissement Nijvel en op die manier een invloed had op de latere provinciegrens tussen Vlaams-Brabant en Waals-Brabant) of van de fusieoperatie van 1977:

In maart 2006 lanceerde het Diestse stadsbestuur het idee om de gemeentegrens met Halen, en dus ook de provinciegrens met Limburg, te wijzigen zodat ze gelijk zou lopen met de E314, maar dit leidde nog niet tot een officiële procedure tot grenswijziging.

Om de zes jaar worden de leden van de provincieraad (Frans: Conseil provincial) verkozen. Deze verkiezingen vinden gelijktijdig plaats met de gemeenteraadsverkiezingen. De eerste verkiezing voor de provincieraden die werd georganiseerd door de gewesten, was de verkiezing van oktober 2006. Enkel personen van de Belgische nationaliteit kunnen kiezen of verkozen worden. De provincieraad is in zekere zin de wetgevende macht. Ze neemt de beslissingen over alle materies van provinciaal belang en keurt de budgetten en de rekeningen goed.

Het dagelijks bestuur van de provincie wordt waargenomen door de deputatie (Frans: Collège provincial) die bestaat uit gedeputeerden (députés), elk met hun eigen bevoegdheid zoals milieu, onderwijs, economie enz.. Ze worden voorgedragen door de verkozen leden van de provincieraad.

Aan het hoofd van een provincie staat een door de gewestregering benoemde gouverneur. In Vlaanderen is de gouverneur tevens voorzitter van de deputatie. In Wallonië neemt hij wel deel aan de vergaderingen, maar vervult er enkel de functie van vertegenwoordiger van de regering.

De basiswetgeving voor de organisatie, werking en bevoegdheden van de provincies is vastgelegd in:

Vooral na 2010 is in België veel gediscussieerd over het voortbestaan van de provincies. Veel politici vinden dat deze bestuurslaag door de invoering van de gewesten overbodig is geworden. De relatief weinige taken die de provincie nog heeft, kunnen vrij eenvoudig worden verdeeld over de gemeenten en de gewesten. Bovendien zou de afschaffing van de provincies de ingewikkelde staatkundige structuur van het land iets vereenvoudigen. Een argument tegen afschaffing is de rol die provincies hebben bij regionale zaken rond onder meer ruimtelijke ordening. Zonder provinciebestuur moeten dergelijke zaken door intercommunales worden opgelost, die minstens zo bureaucratisch (en niet democratisch gekozen) zijn. Verder bestaat de angst dat de grotere steden nog meer begunstigd worden en dat perifere provincies als West-Vlaanderen en Limburg daaronder zullen lijden.

In Vlaanderen is de N-VA de meest uitgesproken voorstander van afschaffing. Diverse kopstukken van die partij spraken zich hiervoor uit, en in de aanloop naar de gewestverkiezingen van 2019 maakte ze een belangrijk punt van de provincies. Ook politici van Open Vld en Groen hebben voor afschaffing gepleit. Sp.a en CDV willen de provincies juist behouden. Onder invloed van die laatste partij, die in 2019 met N-VA en Open Vld de Vlaamse regering vormde, blijven de Vlaamse provincies voorlopig bestaan.

Ook in Wallonië wordt de discussie op brede schaal gevoerd. Het afschaffen van de provincies is daar onder meer een programmapunt van Ecolo. In 2017 nam de nieuwe Waalse regering van cdH en MR de afschaffing van de provincies op in het regeerakkoord.




#Article 110: Jan Peter Balkenende (3496 words)


Jan Pieter (Jan Peter) Balkenende (; Biezelinge, 7 mei 1956) is een Nederlands hoogleraar en politicus van het Christen-Democratisch Appèl (CDA). Hij was van 22 juli 2002 tot 14 oktober 2010 minister-president van Nederland.

Balkenende groeide op in het dorp Biezelinge in de provincie Zeeland. Hij voltooide het atheneum aan het Christelijk Lyceum voor Zeeland in Goes en haalde aan de Vrije Universiteit Amsterdam het doctoraalexamen voor Geschiedenis en Nederlands recht. Zijn politieke carrière begon in Amstelveen, waar hij van 1982 tot en met 1998 gemeenteraadslid was. In deze periode promoveerde hij ook tot doctor in de rechtsgeleerdheid en werd hij (parttime) bijzonder hoogleraar christelijk sociaal denken aan de VU, een functie die hij tot zijn beëdiging als minister-president in 2002 vervulde.

Balkenendes politieke opmars verliep snel en verrassend: hij trad in 1998 toe tot de CDA-fractie in de Tweede Kamer en werd in 2001, na een machtsstrijd binnen de partij, fractievoorzitter. Als lijsttrekker leidde Balkenende het CDA naar een grote zege bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2002, na een campagne die in het teken stond van de kiezersonvrede over de paarse kabinetten en de opkomst, en dood, van Pim Fortuyn. Het kabinet dat CDA, VVD en Fortuyns LPF vervolgens vormden, met Balkenende als premier, was echter geen lang leven beschoren en viel binnen drie maanden.

Na nieuwe verkiezingen volgde het tweede kabinet-Balkenende (2003-2006), maar ook CDA, VVD en D66 haalden de eindstreep niet. Het vertrek van D66 leidde tot het kortstondige rompkabinet Balkenende III dat wegens nieuwe verkiezingen al na enkele maanden demissionair werd. Het vierde kabinet-Balkenende (2007-2010) gold vanaf het begin als een 'vechtkabinet' waarin CDA, PvdA en ChristenUnie uiterst moeizaam samenwerkten en kwam in 2010 ook ten val.Toen het CDA bij de Tweede Kamerverkiezingen onder zijn lijsttrekkerschap vervolgens fors verloor, trad Balkenende af als partijleider. Met het aantreden van het kabinet-Rutte kwam in oktober 2010 ook aan Balkenendes (demissionaire) premierschap een einde.

Een groot deel van Balkenendes premierschap vond plaats onder gunstig economisch gesternte. Identiteit domineerde het Nederlandse publieke debat: sociale vraagstukken over multiculturalisme en immigratie drongen de politiek binnen. Balkenende zelf profileerde zich als een voorvechter van normen en waarden en ging voorop in de zoektocht naar een nationale identiteit (zie de discussie over de VOC-mentaliteit). Pas tegen het einde van Balkenende premierschap keerde het economische tij, als gevolg van de kredietcrisis. De overheid greep onder meer in door een aantal wankele banken met staatssteun te hulp te schieten. Beleidsmatig was ook de hervorming van het zorgstelsel in 2006 ingrijpend. 

Sinds eind 2010 is Balkenende hoogleraar Governance, Institutions and Internationalisation aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Sinds 2011 is hij, eerst als partner en later als extern adviseur, werkzaam voor accountancy- en adviesbureau Ernst  Young (EY).

Balkenende is geboren in een gereformeerd gezin als oudste van drie zonen. Zijn vader Jan Pieter Balkenende was graanhandelaar en zijn moeder Thona Johanna Sandee was - voor haar huwelijk - onderwijzeres. Balkenende volgde de lagere school in Kapelle en het atheneum aan het Christelijk Lyceum voor Zeeland (tegenwoordig Ostrea Lyceum) in Goes. In 1974 begon hij met een studie Geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar hij in 1980 zijn doctoraalexamen in behaalde. Tevens studeerde hij vanaf 1979 Nederlands recht aan dezelfde universiteit waarin hij in 1982 zijn doctoraalexamen behaalde (meester in de rechten). Tijdens zijn studententijd was hij lid van de studentenvereniging L.A.N.X. en daarbinnen lid van het mannendispuut de o.v. P.A.S.C.A.L. In 1976 werd Balkenende voorzitter van dit dispuut.

In 1982 werd Balkenende in zijn woonplaats Amstelveen lid van de gemeenteraad, wat hij zestien jaar zou blijven. Tussen 1982 en 1984 werkte Balkenende als beleidsmedewerker juridische zaken bij het bureau van de Academische Raad. In 1984 stapte hij over naar het Wetenschappelijk Instituut van het CDA waar hij stafmedewerker werd. In 1992 promoveerde hij tot doctor in de rechtsgeleerdheid op een proefschrift getiteld Overheidsregelgeving en maatschappelijke organisaties. In 1993 werd hij parttime bijzonder hoogleraar Christelijk sociaal denken over maatschappij en economie aan de Vrije Universiteit, maar hij bleef ook bij het Wetenschappelijk Instituut van het CDA werken. In deze periode vormde Balkenende veel van zijn ideeën over overheid en maatschappij, die hij later als minister-president zou uitdragen. Zo pleitte hij in zijn proefschrift al voor de eigen verantwoordelijkheid van maatschappelijke organisaties in plaats van hun (financiële) afhankelijkheid van de overheid (waar het CDA volgens Balkenende overigens ook aan had meegewerkt: een van de stellingen in het proefschrift van Balkenende luidde dan ook: De christendemocraten hebben helaas meegewerkt aan de afbraak van het maatschappelijk middenveld door allerlei organisaties afhankelijk te maken van overheidsgeld).

Van 1982 tot en met 1998 was Balkenende gemeenteraadslid in Amstelveen.

In 1998 werd hij gekozen tot lid van de Tweede Kamer. Het CDA had toen net de tweede verkiezingsnederlaag op rij geleden en kwam in de oppositie tegen het tweede paarse kabinet terecht. Balkenende werd financieel woordvoerder van het CDA. Daarnaast hield hij zich bezig met sociale zaken, justitie en binnenlandse zaken.

Nadat CDA-fractievoorzitter Jaap de Hoop Scheffer na een machtsstrijd met partijvoorzitter Marnix van Rij het veld had moeten ruimen, werd Balkenende op 1 oktober 2001 fractievoorzitter. Korte tijd later werd hij gekozen tot nieuwe lijsttrekker van het CDA voor de komende Tweede Kamerverkiezingen. Op dat moment was Balkenende bij het grote publiek nog onbekend.

Onder andere door Pim Fortuyn niet te hard aan te vallen (in de media werd wel gesproken van een niet-aanvalsverdrag tussen Fortuyn en het CDA), kon Balkenende meeprofiteren van de anti-paarse stemming die kort voor de verkiezingen in Nederland heerste. Zo was er op 29 april 2002 een uitzending van NOVA/Den Haag Vandaag waarin Fortuyn te gast was en via een live-verbinding met Balkenende in Drachten (waar een regionale manifestatie had plaatsgevonden) werd gesproken over kabinetsdeelname waarin CDA over links (PvdA/D66/GroenLinks) of over rechts (VVD/LPF) zou gaan. Bij de Tweede Kamerverkiezingen 2002 was het CDA naast de LPF de grote winnaar. Het CDA steeg van 29 naar 43 zetels en werd veruit de grootste partij.

Jan Peter Balkenende werd op 22 juli 2002 minister-president van het Kabinet-Balkenende I, een samenwerking van het CDA, de VVD en de LPF. Vanaf het begin had dit kabinet het moeilijk. Staatssecretaris Philomena Bijlhout trad al na enkele uren af nadat oude foto's van haar waren opgedoken waaruit bleek dat zij onjuiste informatie had verstrekt over haar verleden. Nederland bevond zich ten tijde van het aantreden van Balkenende in een diepe economische recessie en het vorige kabinet had enkele moeilijke besluiten (onder meer over herziening van het zorgstelsel en de WAO) voor zich uitgeschoven.

Maar het moeilijkst had Balkenende het met zijn ministers. In tegenstelling tot zijn voorgangers Ruud Lubbers en Wim Kok, die als premier overal bovenop zaten, gaf Balkenende zijn ministers veel meer de ruimte en hield hij zich op de achtergrond. Deze vrijheid bij ministers leidde tot een groot aantal proefballonnetjes: ministers die in interviews ferme verklaringen aflegden en daarop later moesten terugkomen. Al snel werd duidelijk dat met name de LPF-ministers Eduard Bomhoff en Herman Heinsbroek veel publiekelijk ruzie maakten. Toen hierover in de Tweede Kamer vragen werden gesteld, stuurde Balkenende de Tweede Kamer een door alle ministers 'in gezamenlijkheid en eenheid' ondertekende ansichtkaart met groeten uit de Trêveszaal, de vergaderzaal van de ministerraad. Dit schoot bij onder meer de PvdA in het verkeerde keelgat.

Balkenendes leiderschap werd mede hierdoor al snel in twijfel getrokken. Sommigen zagen in de minister van Justitie, Piet Hein Donner, de ware strateeg van het kabinet-Balkenende I. Tijdens het kamerdebat over de prinses Margarita-affaire moest Balkenende zich meerdere malen laten souffleren door Donner.

In oktober 2002, 87 dagen na het aantreden, diende Balkenende het ontslag van het kabinet in bij de Koningin, nadat de ministers Heinsbroek en Bomhoff eerder die dag waren afgetreden. Dit ontslag van het kabinet vond plaats op de dag van de begrafenis van prins Claus en velen verweten het Balkenende dat zijn ministers zelfs tijdens de rouwdienst hun conflict niet opzij konden zetten.

Omdat een nieuwe coalitie niet mogelijk was, werden er in 2003 opnieuw Tweede Kamerverkiezingen gehouden. Bij deze verkiezing won het CDA onder leiding van Balkenende een zetel en werd de partij met 44 zetels wederom de grootste partij van Nederland. Omdat de PvdA een groot deel van haar verlies van een jaar eerder goedmaakte en naar 42 zetels steeg, werden aanvankelijk coalitiebesprekingen gevoerd tussen het CDA en de PvdA. Deze mislukten echter, waarna het CDA in zee ging met de VVD en D66. Op 27 mei 2003 werd het kabinet-Balkenende II geïnstalleerd.

Het thema van dit kabinet werd Meedoen, meer werk, minder regels. In de plannen werden harde maatregelen voorgesteld, die de economie er weer bovenop moesten helpen. Ook werd een akkoord over bestuurlijke vernieuwing opgenomen, waaronder een gekozen burgemeester en commissaris van de Koningin, alsook voorstelontwikkeling voor een nieuw kiesstelsel.

Direct na de beëdiging van het kabinet kondigde Balkenende aan dat eerst enkele moeilijke jaren zouden volgen, maar dat aan het einde van de regeerperiode zou kunnen worden geoogst. Het lukte Balkenende en zijn ministers echter niet deze boodschap goed over te brengen op de Nederlandse bevolking en de aanhang van de coalitiepartijen en ook het vertrouwen in het kabinet en in Balkenende persoonlijk, zakte vrijwel direct na installatie van het kabinet dramatisch.

Het tweede kabinet-Balkenende slaagde er wel in enkele moeilijke dossiers die vorige kabinetten hadden laten liggen, waaronder de eerder genoemde herziening van het zorgstelsel en de WAO en een verlaging van de belastingen voor bedrijven, relatief snel en eenvoudig door de Tweede en Eerste Kamer te loodsen. Aanhangers van het kabinet roemden het kabinet-Balkenende om zijn daadkracht, maar vanuit een groot deel van de maatschappij ontstond een steeds sterkere weerstand tegen het economische en sociale beleid van Balkenende. Critici – vooral de linkse oppositiepartijen – lieten felle tegengeluiden horen vanwege de zware maatregelen die het kabinet nam om de economie weer in het gareel te krijgen. Veel mensen gingen er in koopkracht op achteruit.

Toen in maart 2003 de Irakoorlog begon, met de inval van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië in Irak, steunde het Nederlandse kabinet de oorlog politiek, maar niet militair. Dit betekende dat Nederland achter de aanval stond, maar zelf geen troepen leverde. Nederland trad hiermee volgens de Amerikanen toe tot de door hen als zodanig aangeduide Coalition of the Willing. Deze steun kwam de regering op veel kritiek te staan: veel mensen vonden dat Balkenende zich te veel naar de Amerikaanse president voegde.

Later in 2003 kreeg Balkenende te maken met het voorgenomen huwelijk van prins Johan Friso met Mabel Wisse Smit, de Mabelgate. Nadat gebleken was dat het stel onjuiste informatie had verschaft aan de koningin en de premier over de eerdere relatie van Mabel Wisse Smit met de crimineel Klaas Bruinsma, weigerde Balkenende een toestemmingswet voor het huwelijk bij de Tweede Kamer in te dienen. Het stel trok daarop de aanvraag voor toestemming in. Balkenende zei tijdens de persconferentie onder meer dat tegen onwaarheden geen kruid gewassen is. Aanvankelijk werd Balkenende gecomplimenteerd om zijn daadkracht, maar later werd hem gebrek aan tact verweten. Balkenende werd erop gewezen dat zijn voorganger Wim Kok het dossier rondom de vader van Máxima Zorreguieta tactvoller had aangepakt.

Tijdens het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie van 1 juli tot 31 december 2004 werd het Europese beleid inzake asiel, immigratie, misdaadbestrijding en terrorisme ingrijpend herzien: het Haagse Programma van 26 oktober, tekenden op 29 oktober de EU-leiders tijdens een ceremonie in Rome het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en werd 17 december het groene licht gegeven voor de start van toetredingsonderhandelingen met Turkije per 3 oktober 2005.

Op 22 maart 2005 stemde de Eerste Kamer niet in met de Grondwetswijziging waarmee de benoeming van de burgemeester en de commissaris van de Koningin uit de Grondwet werd gehaald. Voor een wijziging van de Grondwet is een tweederdemeerderheid in beide kamers nodig, maar GroenLinks, SP, ChristenUnie, SGP en (na lang aarzelen) de PvdA stemden tegen. Toen op 23 maart de VVD ook afstand nam van het door minister en vicepremier Thom de Graaf voorgestelde nieuwe kiesstelsel (waarbij kiezers op een persoon en op een partij konden stemmen), stapte Thom de Graaf uit de regering. D66 brak hierop het regeerakkoord open en eiste (en kreeg) nieuwe onderhandelingen met de coalitiepartners. Twee dagen later, op de zaterdag voor Pasen, werd een nieuw coalitieakkoord gesloten, dat het Paasakkoord werd genoemd. De leden van D66 stemden op een bijzonder congres, dat live op televisie werd uitgezonden, in met het Paasakkoord, waarmee de coalitie gered was. Alexander Pechtold verving Thom de Graaf als nieuwe minister van Binnenlandse Zaken en Laurens Jan Brinkhorst verving De Graaf als vicepremier.

Op 1 juni 2005 werd in Nederland het referendum over de Europese Grondwet met een grote meerderheid verworpen. Hoewel ook linkse partijleiders als Wouter Bos en Femke Halsema campagne hadden gevoerd voor invoering van de grondwet, werd de verwerping toch vooral als een nederlaag voor Balkenende beschouwd.

In oktober 2005 werd bekend dat de economische groei voor 2006 op 2,3% begroot werd. Rond dezelfde tijd werden ook de eerste miljardenmeevallers sinds jaren behaald. Aanhangers van het kabinet-Balkenende claimden dit als een succes van de harde maatregelen die het kabinet tijdens de economisch mindere jaren had moeten nemen; tegenstanders wezen erop dat de Nederlandse economische groei vooral te danken was aan de aantrekkende wereldeconomie.

In december 2005 scoorde Balkenende een succes door -tegen de verwachting in- de Nederlandse bijdrage aan de Europese Unie met 1 miljard euro per jaar te verlagen door vast te houden aan het Nederlandse eisenpakket.

Eind 2005, begin 2006 dreigde opnieuw een kabinetscrisis. De Nederlandse regering was gevraagd om troepen te leveren voor een vredesmissie in Afghanistan. Coalitiegenoot D66 was hier zwaar op tegen. Ook de D66-ministers wilden niet instemmen met een kabinetsbesluit. Het kabinet-Balkenende besloot daarom eind december 2005 niet formeel tot het leveren van troepen, maar sprak het voornemen uit positief te beslissen en droeg de zaak over aan de Tweede Kamer. Na felle protesten van met name de VVD en de PvdA, die pas in de Tweede Kamer over uitzending van de troepen wilden praten als het kabinet daartoe besloten had, kwam het kabinet alsnog met een positief besluit. Inmiddels had D66-leider Boris Dittrich gedreigd uit het kabinet te stappen als de Tweede Kamer zou instemmen met uitzending van Nederlandse troepen naar Afghanistan. Tijdens het kamerdebat waarin besloten werd tot uitzending van Nederlandse troepen, moest Dittrich deze dreiging intrekken en bleef D66 in de coalitie.

Op 29 juni 2006 viel het kabinet, nadat D66 zich terugtrok uit het kabinet vanwege een door die partij maar niet door een Kamermeerderheid gesteunde motie van wantrouwen tegen minister van Vreemdelingenzaken Rita Verdonk.

Na de val van het tweede Kabinet-Balkenende werd oud-premier Ruud Lubbers als informateur met de taak belast om de mogelijkheden voor een derde Kabinet-Balkenende te onderzoeken. Dit kabinet, het derde kabinet-Balkenende, bestond uit CDA en VVD, met zogenaamde gedoogsteun van de LPF, D66, ChristenUnie en de SGP. Het derde kabinet-Balkenende trad op vrijdag 7 juli 2006 in functie.

In november 2006 kwam het demissionaire kabinet zwaar onder vuur te liggen door een stemming in de net nieuw gekozen kamer over het vreemdelingenbeleid. Nadat een motie van afkeuring tegen minister Verdonk was aangenomen, boden de VVD-ministers collectief hun ontslag aan. Balkenende weigerde dit ontslag goed te keuren en deed een klemmend beroep op de VVD-bewindslieden om aan te blijven voor de regeerbaarheid van het land. Besloten werd tot een gedeeltelijke portefeuillewissel tussen de ministers Verdonk en Hirsch Ballin. Over deze constructie werd verschillend gedacht: sommigen (onder wie hoogleraar staatsrecht Paul Bovend’Eert) vonden dat premier Balkenende de demissionaire status van het kabinet had misbruikt door de gebruikelijke vertrouwensregel in de wind te slaan, anderen vonden juist dat er een oplossing was gevonden voor een staatsrechtelijk novum (een demissionair (minderheids-)kabinet dat dreigde te vallen).

Bij de Tweede Kamerverkiezingen 2006 verloor het CDA onder leiding van Balkenende drie zetels, maar werd het voor de derde achtereenvolgende keer de grootste partij van Nederland. Omdat het CDA een half jaar eerder in de peilingen nog op 25 zetels had gestaan en omdat de PvdA veel meer zetels verloor, werd de verkiezingsuitslag door veel CDA'ers als een overwinning gezien. Na informatierondes door mede-CDA'ers Rein Jan Hoekstra en Herman Wijffels werd Balkenende op 9 februari 2007 benoemd tot formateur van het kabinet-Balkenende IV, een coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie.

Op 22 februari 2007 werd het vierde Kabinet-Balkenende beëdigd. Aanvankelijk werd de nieuwe samenstelling van het kabinet door een meerderheid van de Nederlanders gesteund, maar al snel sloeg het sentiment om. Het kabinet gebruikte de eerste honderd dagen om 'te luisteren naar de bevolking' door een dialoog met de samenleving aan te gaan, maar critici vonden dat het land de eerste honderd dagen niet bestuurd werd. Het kabinet nam daarnaast enkele maatregelen die op veel kritiek kwamen te staan, zoals een aangekondigde verhoging van de btw (per 1 januari 2009) en verhoging van de accijns op diesel. Daarnaast kwam de economie onder druk te staan door de (wereldwijde) kredietcrisis en de naar recordhoogte stijgende olieprijzen, waardoor veel mensen er in koopkracht op achteruit gingen. In de peilingen zakte vooral coalitiepartner PvdA weg en in iets mindere mate het CDA zelf. Het kabinet voerde een rookverbod voor de horeca in en trof voorbereidingen voor de invoering van kilometerheffing.

In oktober 2009 gingen er geruchten dat Balkenende mogelijk de eerste vaste voorzitter van de Europese Raad zou worden na ratificatie van het Verdrag van Lissabon. Op 29 oktober noemde de voorzitter van de christendemocraten in het Europarlement, de Fransman Joseph Daul, Balkenende een heel goede kandidaat. Balkenende zelf wilde niet speculeren over wie er EU-president zou worden en noemde de geruchten over hem eerder een gezelschapsspel van de media. Uiteindelijk ging deze post naar Herman Van Rompuy.

Op 20 februari 2010 viel het kabinet na onenigheid over de missie in Uruzgan. De PvdA stapte uit het kabinet, waarna CDA en ChristenUnie verder gingen als demissionair kabinet.

Balkenende werd door het partijbestuur, ondanks openlijke twijfel van prominenten in het CDA, voorgesteld als lijsttrekker voor de Tweede Kamerverkiezingen 2010. Op het partijcongres in april gingen de leden met zijn lijsttrekkerschap akkoord en werd hij opnieuw lijsttrekker van het CDA. Na de teleurstellende nederlaag van het CDA bij deze verkiezingen (een verlies van 20 zetels) maakte Balkenende op televisie bekend dat hij per direct stopte als partijleider en geen zitting zou nemen in de Tweede Kamer in de nieuwe samenstelling. Ook liet hij weten niet terug te keren in een eventueel kabinet van de VVD en het CDA als minister van Buitenlandse Zaken. Op 14 oktober kwam met het aantreden van het kabinet-Rutte een eind aan het kabinet-Balkenende IV en daarmee aan het premierschap van Balkenende. Na zijn aftreden ontving Balkenende het Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau.

Na enkele maanden 'sabbatical' nam Balkenende een hoogleraarschap op aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij doceert er 'Governance, Institutions  Internationalisation'.

Op 1 april 2011 trad Jan Peter Balkenende als partner toe tot Ernst  Young Nederland, waarbij op zijn rijke internationale ervaring werd gerekend voor het verlenen van advies aan de cliënten van de onderneming, vooral op het snijvlak van de publieke en de private sector, en aan het internationale topmanagement van de groep. Balkenende is trekker van de 'Dutch Sustainable Growth Coalition', een samenwerkingsverband van acht multinationals die zich gaan inzetten voor duurzame groei.

In 2017 werd Balkenende lid van de Raad van Commissarissen van ING (bank), een bank die tijdens de kredietcrisis in 2008 onder zijn premierschap staatssteun ontving.

Balkenende bleef nauw betrokken bij de activiteiten van het CDA en sprak onder meer het congres toe dat op 2 april 2011 Ruth Peetoom tot nieuwe voorzitter verkoos. Als eerbetoon voor zijn bijdrage tot de christendemocratie werd door het CDA een Jan Peter Balkenende-Award in het leven geroepen, jaarlijks toe te kennen aan een jongere die een bijzondere bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van het christendemocratisch gedachtegoed. In 2012 ging de award naar Paul Schenderling, in 2013 naar Gerard Adelaar en in 2014-2015 naar Hans van den Heuvel en Dave Ensberg.

In 1996 trouwde Balkenende met de juriste Bianca Hoogendijk, die hij in 1988 had leren kennen toen ze fractieassistent van de Tweede Kamerfractie van het CDA was. Ze werkt als universitair docent arbeidsrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In 1999 werd dochter Amelie geboren.

Balkenende is belijdend lid van de Protestantse Kerk in Nederland (tot de fusie in 2004 van de Gereformeerde Kerken in Nederland). Tijdens de 35e EO-Jongerendag op 13 juni 2009 zei hij: Er is er Een die je altijd kracht geeft, ook als het moeilijk is. Dat geldt ook voor mij als premier en ik heb dat ook regelmatig ervaren. Met onder anderen de Amerikaanse oud-president Bill Clinton en de voormalige Britse premier Tony Blair heeft Jan Peter Balkenende zich meermaals als een groot bewonderaar en aanhanger van het communitarisme van Amitai Etzioni geprofileerd. Hij schreef het voorwoord voor Etzioni's boek De nieuwe gulden regel (Kampen, 2005; Nederlandse vertaling van The New Golden Rule: Community and Morality in a Democratic Society. New York, 1997).

Hij was lid van de Studentenvereniging Liber 




#Article 111: Babylon (stad) (4363 words)


Babylon of Babel (Arabisch: بابل, Bābil) is een stad uit de oudheid, die zich in het huidige Irak bevindt, 80 km ten zuiden van Bagdad.

De naam Babylon is een Griekse verbastering van het Akkadische Bāb-Ilim, hetgeen betekent de Poort van God.

Babylon was aan de Eufraat gebouwd en in de bloeiperiode van de stad lagen er zowel delen of wijken op de linker- als op de rechteroever. Er waren steile dijken om de jaarlijkse vloed te keren. De oppervlakte bedroeg 890 ha (enkel Rome en Carthago zijn in de oudheid ooit groter geweest). Binnen de ommuring was veel open ruimte met groen, ook grasland voor vee en begraafplaatsen. Men schat dat Babylon tussen 1770 en 1670 v.Chr. de grootste stad van de wereld was en nogmaals tussen 612 en 320 v.Chr. Mogelijk was het ook de allereerste stad die een bevolkingsaantal van boven de 200.000 telde. Archeologen en historici schatten een mogelijk bevolkingsaantal doorgaans in een verhouding van tussen de honderd en de vierhonderd personen per hectare.

Er zijn acht tempels opgegraven. Er was in de 6e eeuw v.Chr. ook een ziggoerat, al weet men niet of die ook reeds in de vorige, oudere stad aanwezig was. Op een reliëf van een Babylonisch vorst staat een afbeelding ervan. Een schrijver uit 230 v.Chr. uit Uruk geeft de afmetingen op van 91 m hoog en breed, met bovenaan een tempel voor Isjtar. Het geheel bevond zich in een temenos van 400 op 400 meter.

In de 3e eeuw v.Chr. schreef de Alexandrijnse dichter Callimachus een werk met de titel (vertaald) Een verzameling wonderen in landen van de hele wereld. Hij benoemt hierin de zeven wereldwonderen. Opmerkelijk wordt hierin de Pharos van Alexandrië niet beschreven, dit kan betekenen dat toen hij het werk maakte de vuurtoren nog niet bestond of nog gebouwd werd. Callimachus beschreef dat de muren van Babylon tot de wereldwonderen behoorden.
In werken van Griekse en Romeinse filosofen waren de afmetingen enorm afwijkend: Volgens Lucius Flavius Arrianus was de omwalling 200 stadiën (ongeveer 37 kilometer) lang, terwijl er ook een bron is gevonden die 480 stadiën (ongeveer 88,8 kilometer) aangeeft als lengte.
Voor de breedte gaf Gaius Iulius Hyginus 25 voet (ongeveer 7,75 meter)aan, maar geeft een ander gevonden bron 200 voet (ongeveer 62 meter).
De hoogte werd ten slotte door Lucius Flavius Arrianus op 25 voet (ongeveer 7,75 meter) geschat en bij Oros. 2.6.8 wordt er 200 el (ongeveer 92 meter) aangegeven.

De Hangende tuinen van Babylon gelden als een van de zeven wereldwonderen uit de Oudheid. Nebukadnezar II zou degene geweest zijn die deze tuinen liet aanleggen.

Volgens sommigen zouden de tuinen zich in werkelijkheid in Ninive hebben bevonden, al is het niet uitgesloten dat in Babylon gelijkaardige terrastuinen voorkwamen op eerste en tweede verdiepingen van gebouwen.

Bij opgravingen van de Duitse archeoloog Robert Koldewey lijken er fundamenten van te zijn gevonden (een grote bronput, extra zware verstevigde muren, gebruik van bewerkte stenen, uniek op die plaats), maar veel historici betwijfelen de juiste locatie. Assyrische vorsten zoals Assurbanipal hadden inderdaad hangende tuinen, dat wil zeggen terrastuinen op eerste verdiepingen, laten aanleggen en verzamelden er planten en bomen. Volgens de legende zorgde Semiramis, de dochter van de godin Derketo en de echtgenote van een Assyrische vorst, voor de hangende tuinen in Assur. Hun faam zou mogelijk op Babylon zijn geprojecteerd.

Desalniettemin wordt van dit wereldwonder gewag gemaakt door een vijftal belangrijke schrijvers uit de Oudheid.

Nebukadnezar II was degene die de stad herbouwde en ze volgens een raster liet indelen in wijken van gelijke grootte, vier op de westelijke en negen op de oostelijke oever van de Eufraat. Langs de noordelijk gelegen Ishtarpoort volgde men een geasfalteerde processieweg tot aan de ziggoerat. Hij had eveneens een noordelijk en een zuidelijk paleis laten bouwen waarvan de beide delen aan deze poort lagen. Rondom werd 8 km aan buitenmuren gebouwd, die in een grote driehoek de stad tussen zich en de Eufraat insloten.

Sommige onderzoekers, zoals linguïst Ignace Gelb, menen dat de naam Babil de weerklank zou zijn van een vroegere vestiging of stadsnaam. Deze bevond zich volgens dr. Ranajit Pal in het oosten. Herzfeld had het over Bawer in Iran, dat nadien door Jamshid werd ontdekt. Babil zou dan een weerklank van Bawer kunnen zijn. Volgens David Rohl zou het oorspronkelijke Babylon in feite Eridu zijn.

In een Akkadische tekst uit de late Vroeg Dynastische periode III (ca. 2500 v.Chr.) is sprake van een gouverneur van 'BAR-BAR' die een tempel bouwt ter ere van de god Marduk. Fonetisch kan dit gelezen worden als 'ba(b)bar' of 'ba(b)bal', mogelijk identificeerbaar met 'Babylon', een naam afgeleid van het Akkadische Bāb-ilim of Bāb-ilī' (Poort van God, van de Goden). De Bijbelse vermelding 'Babel' van het Hebreeuwse werkwoord 'balal' (= verwarren) sluit hierbij aan. Rond 2200 v.Chr. is de identificatie zekerder wanneer op een Sumerisch tablet staat dat ten tijde van de Akkadische vorst Shar-kalli-shari (2217–2193 v.Chr.) twee tempels gebouwd worden voor de oorlogsgoden Anunîtum en Il-aba in de stad 'KA.DINGIR.RA', de Sumerische transcriptie voor het Akkadische 'Bāb-ilim', 'Babylon'.

De mythische oorsprong van Babylon ligt bij een opdracht van de godin Nanna aan de koning van Ur om deze stad te bouwen. Volgens een latere mythe was het de god Marduk die haar bouwde.

De stad was gevestigd op beide oevers van de rivier de Eufraat, ongeveer 300 kilometer stroomopwaarts van haar samenloop met de Tigris. In het 4e millennium v.Chr. was het een aanzienlijk dorp op de oostelijke oever, waar in het 2e millennium v.Chr. de Amurru hun hoofdstad van maakten nadat zij zich in Mesopotamië kwamen vestigen.

De vroegste bron die Babylon vermeldt wordt gedateerd aan de hand van een kleitablet uit het rijk van Sargon van Akkad (circa 24e eeuw v.Chr.) Volgens de zogenoemde Weidner Kroniek was het Sargon zelf die de stad bouwde tegenover Akkad. Een andere kroniek vermeldt in dezelfde termen dat het Sargon was die het slijk van de put van Babylon heeft opgedolven, en een tegendeel van Babylon maakte vlak bij Agade.

Tijdens de Derde dynastie van Ur (Ur III) (2119–2004 v.Chr.) vermelden verschillende administratieve teksten Babylon als zetel van een gouverneur ondergeschikt aan de politieke macht van Ur. De namen van de ambtenaren zijn overwegend Akkadisch, wat overeenkomt met de vrij noordelijke ligging van Babylon ten opzichte van de echt Sumerische steden van het Zuiden, een ligging wellicht dichter in de buurt van (het nog niet teruggevonden) Akkad.

De indrukwekkende koningslijst gaat terug tot circa 2300 v.Chr. en bevat onder andere de legendarische koning Hammurabi.

Na de politieke val van Ur III ten gevolge van de verovering van Sumer door de Elamieten, houden alle vermeldingen van Babylon voor een periode van meer dan honderd jaar op.

Van de 20e eeuw v.Chr. af nam de macht van Babylon af en werd het bezet door de Amorieten, nomadenstammen uit het westen die Semitisch spraken zoals de Akkadiërs, maar nog niet aan landbouw toe waren. Ze verkozen het hoeden van schapen. De Eerste Dynastie van Babylon werd gevestigd door Sumu-abum, al was er maar weinig land in de omgeving dat tot de stadstaat behoorde. Dit zou veranderen onder Hammurabi.

Vanaf 1850 v.Chr., 500 jaar na Zababa, werd Marduk de god van Babylon. Hij is geen militaire spion, met zekere trots noemt hij zich 'Ontdekkingsreiziger'.

Ten slotte wist Hammurabi de stad uit de greep van zijn veroveraars te halen en startte het nieuwe koninkrijk Chaldea, waarvan Babylon de hoofdstad werd. Hammurabi (omstreeks de 18e eeuw v.Chr.) maakte van Babylon de hoofdstad van zijn rijk, dat Babylonië heette.
Uit 1750 v.Chr. dateert de Zuil van Hammurabi, waarop hij de wettafels vasthoudt. Ze bevatten een nieuwe formulering van de wet- en rechtspraaktraditie, (die teruggaat tot ver in het 3e millennium v.Chr.), met 250 wetten, gelijksoortig aan die van Ur-Nammu (3e dynastie van Ur). De profeet Mozes werd later op gelijkaardige wijze afgebeeld. Babylonië brengt nu geheel Mesopotamië onder zijn heerschappij, waarmee het begin van het Oud Babylonische Rijk wordt gemaakt. In feite namen de Babyloniërs de beschaving van de Sumeriërs over. Tot dan hadden Semitische leiders elkaar voortdurend bekampt, iets wat reeds ca. 20e eeuw v.Chr. was begonnen. Met de dood van Hammurabi kwam er een einde aan het Oud Babylonische Rijk.

De Babylonische schrijver Sin-liqi-unninni legde het Gilgamesj-epos rond 1600 v.Chr. vast. Een groot aantal veel oudere verhalen komt erin samen.

De door Hattusilis (met voorbijgaan aan zijn eigen kinderen) aangewezen Hettitische opvolger Mursilis maakte Aleppo met de grond gelijk en deed ook Babylon vallen. In 1595 v.Chr. plunderde het Hettitische leger onder Mursilis Babylon. Mursilis keerde met kisten goud terug naar Hattusas en liet Babylon verder ongemoeid. Maar dit betekende het einde van de Hammurabi-dynastie en had een hergroepering van de politieke krachten in Klein-Azië tot gevolg. Opdringerige Hurrieten leverden toen nog geen moeilijkheden op.

Onder de 440 jaar durende heerschappij van de Kassieten, werd de naam van de hoofdstad omgedoopt tot Karanduniash.

Babylon groeide snel in omvang en aanzien, maar werd vanaf 1530 v.Chr. onderhorig aan Assyrië, wat de instorting van het Babylonische rijk betekende.

De Elamieten vielen het koninkrijk Chaldea binnen (te weten: Lager Mesopotamië, ook Shinar of Sumer geheten, en Hoger Mesopotamië, ook Akkad geheten) en heersten over de stad. In 1158 v.Chr. veroverden zij onder Shutruk-Nahunte (1185–1155 v.Chr.) Babylon en sleepten het cultusbeeld van Marduk mee naar Susa. Hiermee eindigde officieel de Kassietische periode.

Vanaf 1080 v.Chr. doken in Syrië en Mesopotamië zonder zichtbaar verleden nieuwe nomadengroepen op. Aramese en Chaldese stammen infiltreerden het Babylonische gebied. Beide waren West-Semitische volkeren waarvan de onderlinge relatie niet zo duidelijk is. Blijkbaar waren ze voortdurend met elkaar in conflict. De eerste golf streek neer over Assyrië en ongeveer tegelijk over Babylon. Complexe Bijbelse tradities wijzen op een nauwe relatie tussen Arameeërs en Israëlitische voorouders: Mijn vader was een ronddolende Aramees. Mogelijk waren het eerst in een overeenkomstig gebied wonende afstammelingen van Amorieten of een nauw verwante groep.

Vooral de Chaldeeërs gingen een belangrijke rol spelen in de latere geschiedenis van Babylon. Zij vestigden zich in het Zuiden, rondom Ur (Akkadisch: mât Khaldu) waar ze kleine rijkjes vormden.

Toen rond 900 Assyrië begon aan zijn glansperiode, kwam Babylon zo goed als volledig onder Assyrische overheersing en begon er een verwarrende periode waarin niet minder dan 26 koningen, behorende tot verschillende dynastieën (Assyrische, Chaldese, en lokaal Babylonische) elkaar opvolgden tot 681 v.Chr. Vooral de Chaldese vorsten voerden een sterke verzetspolitiek tegen Assyrië. De Assyriërs hadden de stad altijd min of meer ontzien uit eerbied voor haar tradities; dikwijls wierpen zij zich op als beschermers van de Babyloniërs tegenover de Chaldeeën. Toen echter een Chaldese koning de Babylonische troon usurpeerde, greep Tiglath-Pileser in: hij lijfde Babylonië in en liet zichzelf tot koning van Babylon kronen (729 v.Chr.).

Onder het bewind van Sennacherib (Sanherib) van Assyrië verkeerde Babyonië voortdurend in staat van oproer, geleid door Mušezib-Marduk. Hieraan kwam pas een einde toen de hele stad werd verwoest.
In 710 v.Chr. steunde Hizkia, de koning van Juda een Babylonisch plan van Merodah-baladan tegen Sanherib en sloot zich aan bij een door Egypte gesteunde coalitie.

In 689 v.Chr. verwoestte de Assyrische koning Sanerib de Verschrikkelijke ten slotte Babylon en werden de wallen gesloopt en de tempels en paleizen met de grond gelijk gemaakt. Het puin werd in de Arakhtu gesmeten, de zee waaraan Babylon vroeger in het zuiden grensde. Dit drama was een shock voor het religieus bewustzijn in heel Mesopotamië. De daarop volgende moord op Sennacherib werd ermee in verband gebracht, en diens opvolger Esarhaddon haastte zich in 668 v.Chr. om de hele stad weer op te bouwen. Babylon en de grote Marduktempel werden hersteld door deze energieke vorst en ook door zijn latere opvolger Assurbanipal. Dit leidde tot de opkomst van het nieuwe Babylon.
Esarhaddon werd er gekroond en maakte het gedurende een deel van het jaar tot zijn residentie. Zijn oudste zoon Shamash-shum-ukin regeerde verder na zijn dood en liet het hoofd bij een revolte onder leiding van zijn broer in Niniveh, Assurbanipal.

Opnieuw werd Babylon belegerd en uitgehongerd door de Assyriërs en moest het zich overgeven. Assurbanipal 'zuiverde' de stad en vierde dan een dienst van verzoening. Maar hij waagde het niet de handen te nemen van Bel. In de daarop volgende overheersing door het Assyrische Rijk zagen de Babyloniërs een nieuwe wraak van de goden.

Met de val van Ninivé (612 v.Chr.) wierp de stad het Assyrische juk af en werd het de hoofdstad van het groeiende Babylonische Rijk. Onder koning Nebukadnezar werd het een van de mooiste steden van de Oudheid. De stad werd beroemd om haar Hangende tuinen van Babylon, een van de zeven wereldwonderen.

Onder Nabopolassar wierp Babylonië in 626 v.Chr. het Assyrische bewind omver en werd Babylon de hoofdstad van het Nieuw-Babylonische Rijk. Na de onafhankelijkheid brak een tijd van vernieuwde bouwkunst aan. Nebukadnezar II (605–562 v.Chr.), telg van een Semitische dynastie, de Chaldeeën, maakte van Babylon een wonder uit de antieke wereld. Hij zorgde voor de volledige heropbouw van het keizerlijk domein, waarbij hij ook de Etemenanki ziggurat en de Ishtarpoort liet herstellen, de meest opvallende van de acht poorten die de ringwallen telde. Vandaag is deze nog te bezichtigen in het Pergamonmuseum in Berlijn. Hij bouwde brede geplaveide en geasfalteerde lanen, zoals de processiestraat door de Ishtarpoort met 2 paar torens met naar elkaar toegewende rijen stieren en draken in baksteen reliëf op blauwe email achtergrond.

De Duitse archeologe Koldewey groef in Babylon ook een administratief archief op met 200 tabletten.

In 600 v.Chr. verdreef Nebukadnezar de Egyptenaren uit Syrië.

In 597 v.Chr. kwam plaatsvervangend koning Zedekia van de provincie Juda in opstand tegen Babylon in een poging tot autonomie. Nebukadnezar reageerde toen met een beleg van Jeruzalem.
Een Babylonisch verslag in spijkerschrift maakt melding van reeds een vroegere strafexpeditie tegen Jeruzalem op 16 maart. Omdat het oproer zelfs daarna niet staakte, werd de tempel van Jeruzalem verwoest, en werd overgegaan tot het in ballingschap brengen van de joodse intelligentsia die als aanstoker van het oproer werd beschouwd (de Babylonische ballingschap).

Nabonidus, zoon van een priesteres uit Babylon, de koning van Babylon in 555 v.Chr., werd door de Joden gesteund en v.v., omdat zij geleidelijk de Arabische oasen mochten koloniseren om de handelsroute te beschermen.

In 550 v.Chr. nam Cyrus de Grote, de koning van het Perzische Rijk, heerser van het rijk der Meden, de macht in het grootste deel van Klein-Azië over en isoleerde Babylon.

In 539 v.Chr. werd Mesopotamië een deel van het Perzische Rijk en werd Babylon bezet door Cyrus II, koning van de Perzische Achaemeniden. Hij slaagde erin door een tot dan ongeëvenaarde manoeuvre de onneembare wallen van de stad te belegeren en in te nemen. Van de beroemde wallen van Babylon was er slechts één die doorgang gaf naar de koninklijke stadskern en dat was dan nog via de bazaar. Daarnaast was er ook de afwatering naar de Eufraat, maar die werd door dikke metalen hekken afgesloten, waar iemand die lang genoeg de adem had in gehouden om onder water te zwemmen tegenaan stootte. Cyrus of zijn staf smeedden een plan om de Eufraat toch als toegang te kiezen. Aan elke toegangspoort liet hij een grote legermacht zijn kamp opslaan om het signaal af te wachten. Op een avond toen er feest in de stad was, begonnen zijn soldaten stroomopwaarts een kanaal te graven om de Eufraat af te leiden. Toen het rivierpeil voldoende was gedaald trok een kleine voorhoede de stad binnen en kon de poorten openen, waarop het hele leger binnenstormde. Herodotus maakt melding van dit wapenfeit.
Het wordt tevens in de Hebreeuwse Bijbel verhaald. Cyrus nam de stad zonder veel verweer van de dronken feestvierders in.

Later zou hij in een decreet opnieuw volledige godsdienstvrijheid toestaan, wat ertoe leidde dat afstammelingen van de uit Juda verbannen joden vrij konden terugkeren naar het land van hun voorouders.

Babylon werd de hoofdstad van de 9e satrapie en een belangrijk centrum van studie en wetenschap. Onder de Achaemeniden bloeiden de antieke Babylonische kunsten en kundes, zoals de astronomie, de mathematica en de geneeskunde. De dierenriem werd volledig in kaart gebracht en benoemd. De stad werd tevens het administratieve centrum van het Perzische Rijk, dat in die tijd de hele bekende wereld aanvoerde. Gedurende twee eeuwen zou het een vitale rol in de geschiedenis spelen. Er zijn talloze archeologische ontdekkingen gedaan die een beter licht werpen op die tijd, waaronder de Cyruscilinder die tijdens opgravingen in 1879 door Hormuzd Rassam gevonden werd.

De eerste Perzische koningen hielden de religieuze dienst van Marduk in stand, maar onder Darius III leidden overtaxering en talloze oorlogen tot verval van de belangrijkste heiligdommen en de kanalen van Babylon. Hierdoor desintegreerde het omliggende land. Ondanks verwoede pogingen tot opstand (in 522 v.Chr., 521 v.Chr. en 482 v.Chr.) bleven het land en de stad onder het stevig gezag van de Perzen tot aan de komst van Alexander de Grote in 331 v.Chr.

In 445 v.Chr. wist Nehemia, een joods ambtenaar van hoge rang aan het hof van Artaxerxes I en stadhouder voor Juda in Jeruzalem geworden, de koning te bewegen om de wederopbouw van de muur van zijn stad toe te staan. Hij voerde dit heel snel uit, in 25 dagen, wegens morrende buren rondom. Zo'n 10.000 afstammelingen van vroegere ballingen kwamen vervolgens vanuit Babylon naar Jeruzalem om er zich te vestigen.

In 331 v.Chr. werd Darius III door de Macedonische heerser Alexander de Grote verslagen in de Slag bij Gaugamela, en in oktober viel Babylon in handen van de jonge veroveraar.

Onder Alexander bloeide Babylon opnieuw op als centrum van studie en handel. Maar na de dood van Alexander in 323 v.Chr. in het paleis van Nebuchadnezzar, werd zijn rijk onder zijn generaals verdeeld, en begonnen decennia van twist en strijd, waar Babylon opnieuw het brandpunt van werd.

Het aanhoudende oproer deed de stad leeglopen. Een kleitablet uit 275 v.Chr. meldt dat de inwoners van Babylon werden getransporteerd naar Seleucia, waar een paleis werd gebouwd en een tempel, onder de oude naam Esagila.

Tegen de tijd dat de Parthen in 141 v.Chr. het gebied overnamen was Babylon in een desolate sluimer gehuld.

Onder de Sassaniden werd Babylon negen eeuwen lang een provincie van het Perzische rijk, tot ongeveer in 650. Het bleef zijn eigen volkeren en cultuur bewaren, er werden varianten van het Aramees gesproken. Voorbeelden van hun cultuur zijn terug te vinden in de Babylonische Talmoed, het Mandeïsme en in de religie van de profeet Mani, de stichter van het Manicheïsme.

Keer op keer werd de stadstaat weer bezocht door vijandelijke legers, tot alle inwoners verdreven waren en de stad een woestenij geworden was. Ctesiphon (en later Bagdad) nam de rol van Babylon over.

De uitgravingen en overblijfselen van Babylon maken deel uit van een archeologisch park. In april 2003 werd in het kader van de Irakoorlog in Babylon een 150 hectare groot militair kampement van het Amerikaanse leger gevestigd, sinds september 2003 vormt het een militair steunpunt voor Poolse troepen in Irak. Daarbij is het 2600 jaar oude wegplaveisel vergruisd, zijn grotere delen met behulp van puinresten geëgaliseerd ten behoeve van staanplaatsen voor vrachtwagens en landingsplaatsen voor helikopters. Verder is archeologisch materiaal gebruikt als onder meer zandzakvulling. De enorme schade is begin 2005 door John Curtis van het Brits Museum beschreven, grotendeels op basis van een Pools archeologisch rapport dat in 2003 is opgesteld na de overname van de Amerikaanse basis (Camp Babylon) door de Polen. In 2004 verplaatsten de Polen zich naar een verder gelegen nieuwe basis. Op dit moment zijn reconstructiewerkzaamheden bezig en hebben de Amerikanen officieel verontschuldigingen aangeboden voor de ontstane schade. Ze beweerden daarbij dat de meeste schade is ontstaan door plunderaars.

De stad Babylon wordt in de Bijbel Babel genoemd. Het Hebreeuws werkwoord voor verwarren lijkt in klank op het Akkadische Bab-ili.
Het Nederlandse woord babbelen is etymologisch afkomstig van het woord Babel via het verhaal van de gelijknamige toren.

Volgens James Pritchard was de Babylonische ballingschap de belangrijkste gebeurtenis voor Israël wegens het stempel dat het naliet op het jodendom.

De stad Babel/Babylon wordt in de Bijbelse apocalyptiek gezien als type van de bron van immens kwaad (zie ook satan) en het machtscentrum van de tegenstrevers van God. Volgens het boek Openbaring van Johannes wordt de stad Babel/Babylon op het eind van de menselijke geschiedenis verwoest. Of dit letterlijk opgevat moet worden is steeds een discussiepunt tussen Bijbeluitleggers gebleven. De meesten van hen gaan ervan uit dat de stad Babel/Babylon als zinnebeeld voor een goddeloos systeem moet worden gezien. Anderen menen dat de stad Babel/Babylon in de eindtijd letterlijk herbouwd is en ook letterlijk door God wordt vernietigd.

De stad Babel/Babylonië wordt meerdere keren genoemd als Babel de grote hoer, dit kwam door de (van een Bijbels standpunt geziene) afgoderij van de bewoners. De stad Babel/Babylon staat in de Bijbel dan ook symbool voor alles wat met perverse en onreine zaken te maken heeft.

Volgens de Bijbelboeken zou de profeet Jesaja voorzegd hebben dat de machtige, onoverwinnelijke stad Babel/Babylon zou worden verslagen en zo volkomen door de Meden verwoest, dat hij daarna nooit meer zou worden bevolkt. (Jesaja 13:17-22)
In die tijd was dit een verbazingwekkende voorzegging, want de stad Babel/Babylon werd beschouwd als een van de zeven wonderen van de oude wereld (of althans haar hangende tuinen) en werd onneembaar geacht. Toch belegerden naar schatting 150 jaar na Jesaja's voorzegging de Meden en de Perzen de torenhoge muren van de stad Babel/Babylon. Dat was geen kleinigheid. Deze muren waren vijfenveertig meter hoog en zo breed dat er vijf wagens naast elkaar overheen konden rijden.
Maar de Meden en de Perzen waren slim. Zij damden de rivier de Eufraat af die onder de Babylonische muur door naar de stad stroomde. Terwijl de stad Babel/Babylon zich bedronk op een door de koning aangericht feest, marcheerde het leger van de Meden over de droge rivierbedding onder de muur door en veroverde de stad. In dezelfde nacht verscheen voor de arrogante Babylonische koning Belsazar het 'teken aan de wand': mene, mene, tekel, en parsin. De profeet Daniël gaf de dronken menigte hiervoor de volgende verklaring: 'God heeft uw koningschap geteld en er een einde aan gemaakt; gij zijt in de weegschaal gewogen en te licht bevonden. Uw koninkrijk is gebroken en aan de Meden en Perzen gegeven.' Die nacht ging het Babylonische koninkrijk te gronde. (Daniël 5:1-30)

Over de discussie over de verhouding Bijbelse teksten en Babylonische teksten zie: Babel und Bibel (Duits voor: Babel en Bijbel).

In de Bijbel staat het verhaal over de zogenaamde Toren van Babel, dat deels uiting geeft aan de afgunst voor de cultuur waarin de ziggurat als symbool centraal stond, en anderzijds teruggaat op een oude Sumerische mythe. Het combineerde de Joodse moraal met hun minachting voor de 'heidenen'. De toren waaraan gerefereerd wordt, heeft in feite nooit het probleem van de taalverwarring gekend, want het gaat om de ziggoerat waar bovenop de tempel van de Mardoek stond en die dus al heel vroeg volledig is afgeraakt. Volgens de ontdekking van de grondvesten door Koldewey was deze 91 meter hoog en breed. In de ogen van de joden werd het heiligdom als symbool van decadentie gezien, temeer vanwege het gebruik van de hiëros gamos die er jaarlijks met Nieuwjaar plaatsvond. Bij dat feest bepalen de goden het lot van de twaalf maanden en wordt de aarde geregenereerd door a-ki-til, de kracht die de wereld doet herleven, dankzij het ritueel. Dit ritueel duurde 12 dagen, waarin de koning na boetedoening op zekere dag in processie naar boven trok om in de kleine tempel bovenaan de ziggurat de sacrale seksuele verbintenis te realiseren met de priesteres die de godin op aarde vertegenwoordigt. Anders dan in onze gemeenzame opvatting was de tempel niet alleen een heiligdom voor de cultus, maar ook het symbool voor de hele stad met haar eigen schutsgodin. Het hele gebouw symboliseerde de band tussen hemel en aarde. In de praktijk was het evenzeer het centrum van de religieuze cultus als dat van de administratieve en economische leefwereld. De En of koning-priester belichaamde de top van deze functie. De tempel verwees naar de Me, de wetmatigheid die in de hemel geldt, en was aldus een symbolische afbeelding van de visie van de kosmos. De toren heette dan ook Huis dat het fundament is van Hemel en Aarde. Het had 8 à 9 niveaus, en het dateerde in feite al uit de Oud-Babylonische tijd (ca. 1800–1530 v.Chr.)

De scheldterm Hoer van Babylon verschijnt voor het eerst in geschriften van joodse profeten die zelf de Babylonische ballingschap hadden ondergaan. 'Hoererij' heeft in het Hebreeuws de betekenis van 'afgoderij'. Hiermee wordt bedoeld dat men andere goden dient dan Jahweh.

Met de term 'Hoer van Babylon' werd dus aanvankelijk bedoeld: de eredienst van de godin die schutsgodin was van Babylon, Inanna wier priesteressen er voor de puriteinse joden onbegrepen en ongewaardeerde rituelen op na hielden. Voor de oude Mesopotamiërs, zoals voor andere oude culturen, waren religie en seks onafscheidelijk verbonden en stonden beide in het teken van de vruchtbaarheid (van het land en van de mensen).

Herodotos, antiek auteur, en lang als 'heidens' beschouwd en geweerd, rapporteerde in de 5e eeuw v.Chr. over de manier waarop de rituele praktijken in Babylon werden gepercipieerd. Hij beschreef de oude stad als een oord waar jonge meisjes in een tempel moesten wachten tot een man een zilveren munt in hun schoot wierp en ze dan moesten meegaan naar een kamertje. Hiermee doelde hij ongetwijfeld op de tempelprostitutie die in tegenstelling tot de koninklijke hiëros gamos voor de gewone lieden bedoeld was.

De term 'Hoer van Babylon' is in het noorden en het westen ingeburgerd naar aanleiding van de Openbaring van Johannes, waarin hij zijn apocalyptische visioen beschreef.

Later zou Maarten Luther de Hoer van Babylon in Rome situeren. Maar hij doelde toen op het kerkelijk instituut.

Het populaire gebruik van Babylon in rasta reggaeliedjes is afkomstig van de leringen van Marcus Garvey. Rastafari's vereenzelvigen zich met de situatie van de Joden in de Bijbel, maar dan gericht op de hedendaagse situatie, de nasleep van de slavernij, armoede en onrecht in Jamaica.
Het gebruik van Babylon in deze context geeft een centrale gedachte weer en benadrukt dat zij er nu onder lijden. Zo kunnen zij hun statement kracht bij zetten en gebruiken Babylon must fall in plaats van Injustice must fall, poverty shall stop.




#Article 112: Bandoneon (503 words)


Een bandoneon is een harmonica-achtig muziekinstrument, dat Heinrich Band in 1854 uit de concertina ontwikkelde. De warme en wollige klank maakt het geschikt voor het spelen van melancholisch getinte muziek, zoals de tango. De bandoneon heeft een uitzonderlijk lange balg die door de bespeler als het ware 'gebroken' wordt op de knie om zeer felle accenten te krijgen. 

De bandoneon verschilt wezenlijk van de accordeon en trekzak omdat elke afzonderlijke toets aan beide kanten van het instrument een afzonderlijke toon geeft, in plaats van een akkoordmogelijkheid onder een knop aan de linkerhand. De bandoneon is wisseltonig; duwen en trekken geeft een verschillende toon, net als bij de trekzak, de mondharmonica en de Anglo-concertina die de bandoneon voorafging. Door de indeling van de knoppen (op het eerste gezicht bijna willekeurig) is het instrument niet makkelijk bespeelbaar. De bandoneon is voornamelijk chromatisch (zie: Chromatische mondharmonica) in tegenstelling tot de Anglo-concertina en de trekzak die in een bepaalde stemming staan, bijvoorbeeld CF voor trekzak en GC voor Anglo-concertina. Er zijn ook diatonische bandoneons (142-Reinische Tonlage). 

Aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw was de bandoneon in Duitsland een populair instrument (meer dan 1000 bandoneonverenigingen), maar door het nazisme, de Tweede Wereldoorlog en de groeiende populariteit van de makkelijker bespeelbare accordeon raakte het instrument daar in onbruik.

De bandoneon werd in de 19e eeuw steeds in omvang uitgebreid, zodat hij nu een bereik van bijna 5 octaven heeft. Men zegt dat het instrument rond 1880 door de Ier Thomas Moore werd geïntroduceerd in Argentinië, maar waarschijnlijker is, dat het instrument meekwam met de vele seizoenarbeiders uit Italië, waar de bandoneon ook populair was.
In Argentinië werd het een van de populairste volksinstrumenten en het ontwikkelde zich tot het kenmerkende instrument van de Argentijnse tango. Hierbij dient te worden vermeld dat aan de groeiende vraag naar geschikte bandoneons bovenal kon worden voldaan door de Duitse bandoneonfabriek van Alfred Arnold in Carlsfeld (Oost-Duitsland). Tot in 1938 produceerde deze duizenden instrumenten, speciaal voor export naar Argentinië. Vooral de types 'Doble-A' en 'Premier' - laatstgenoemde in een kleinere oplage - vonden gretig aftrek, elk met hun eigen karakteristieke geluid, waarover men beweerde dat alleen Alfred Arnold zelf het geheim kende. Ieder instrument is overigens uniek door het vele handwerk waarmee de bandoneons werden gemaakt.

De bekendste bandoneonspeler (tevens componist) wereldwijd is Astor Piazzolla. Deze tango nuevo-bandoneonist maakte met vele kamerorkesten en grotere orkesten tal van bekende nuevo tango's zoals Adiós Nonino, die gespeeld werd op het huwelijk van Prinses Máxima en Koning Willem-Alexander. De bekendste Nederlandse bandoneonspeler is Carel Kraayenhof. In Vlaanderen is onder meer Gwen Cresens bekend als bandoneonist; vroeger was ook Alfredo Marcucci bekend in Vlaanderen.

Omdat de bandoneon niet makkelijk te bespelen valt, zijn er pogingen gedaan om makkelijkere versies te bouwen. De Gabla en Atzarin bandoneons zijn daar voorbeelden van. Beide kenden geen groot succes.

Er zijn historisch zeer vele modellen bandoneon, maar de basiselementen van de bouw komen wel overeen. Zie onderstaande fotoserie van de onderdelen van een moderne bandoneon:




#Article 113: Braille (697 words)


Braille is een speciaal voor blinden ontwikkeld lees- en schrijfalfabet. De Fransman Louis Braille (1809-1852), die zelf op driejarige leeftijd blind was geworden, ontwikkelde en perfectioneerde dit schrift, tot het in 1829 als bruikbare methode gebruikt kon worden op het Parijse blindeninstituut waar hij verbleef. Pas in 1854 werd het echter officieel als alfabet geaccepteerd.

Het Nederlandse braille is sinds 1947 de standaard in zowel Vlaanderen als Nederland. Het is gebaseerd op het Unified international braille, dat sinds 1878 de conventie is voor de meeste brailleschriften in de wereld, waaronder ook het Chinese braille, Arabische braille, Griekse braille en Hebreeuwse braille.

Waarschijnlijk had Braille het idee voor een reliëfalfabet van een Franse militaire uitvinding uit 1819. De artillerieofficier Charles Barbier ontwikkelde het 'nachtschrijven', een systeem van twaalf puntjes waarmee ook 's nachts boodschappen konden worden doorgegeven.

Braille is een zogenaamd reliëfalfabet; de letters en andere aanduidingen worden door middel van puntjes in het papier gedrukt, zodat er een kleine verhoging voelbaar is, die met de vingertoppen 'gelezen' kunnen worden. De puntjes zijn gegroepeerd op rasters van 2 bij 3 puntjes (een vereenvoudiging van de twaalf puntjes van het nachtschrijven), waarbij in totaal 63 tekens mogelijk zijn. Zijn bij de punten- en streepjescode van het 'morse' de meest gebruikte letters het eenvoudigst gehouden, bij braille neemt de complexiteit van de combinaties toe met de plaats van de letter in het alfabet.

De braillepuntjes zijn genummerd: van linksboven naar linksonder 1, 2 en 3; van rechtsboven naar rechtsonder 4, 5 en 6. De combinaties zijn ingedeeld in 7 groepen. De puntjes 1, 2, 4 en 5 worden gebruikt voor de letters a t/m j (groep 1). Punt 3 komt erbij voor de letters k t/m t (groep 2) en voor de resterende letters wordt punt 6 erbij gebruikt, behalve voor de letter 'w', die Braille, als Fransman, minder nodig vond en die hij daarom indeelde bij de bijzondere combinaties.

Ook bestaat er het kortschrift in graden, een soort steno voor braille, en braillemethoden voor muziek en wiskunde.

Met een brailleleesregel kan een blinde de tekst die op het computerscherm verschijnt in braille lezen. Op deze apparaten bestaat een braillecel uit 8 puntjes: linksonder punt 3 komt punt 7 en rechtsonder punt 6 komt punt 8. Met die 8 puntjes zijn 255 combinaties mogelijk; vier keer zoveel als de 63 combinaties uit zespunts-braille.

Om van een letter een hoofdletter te maken, plaatst men er in braille een hoofdletterteken voor. In het Nederlandse braille bestaat het hoofdletterteken uit braillepunten 4 en 6.

In afkortingen zoals 'NAVO' is het niet nodig om het hoofdletterteken voor elke letter te herhalen. Een permanent hoofdletterteken geeft aan dat het hele woord in hoofdletters is geschreven. In het Nederlandse braille bestaat het permanent hoofdletterteken uit braillepunten 4 en 5.

Het Nederlandse braille vormt cijfers door een cijferteken (braillepunten 3, 4, 5 en 6) te plaatsen voor de eerste tien letters van het alfabet. 12 schrijven we dan als cijferteken a b.

Met de zes puntjes van het brailleschrift zijn 63 combinaties mogelijk (plus de lege cel die als spatie geldt). Na toewijzing van letters (26), hoofdletters (2) en cijfers (1) blijven er van de 63 combinaties nog maar 34 over voor leestekens, letters met accenten en alle andere symbolen zoals een apenstaartje.

De toewijzing van die symbolen is internationaal niet gestandaardiseerd omdat elke taal zijn eigenheden heeft. Het Nederlandse braille is de standaard voor het Nederlandse taalgebied.
De organisaties die in Nederland en Vlaanderen betrokken zijn bij het lezen, produceren en onderwijzen van braille werken samen in de braille-autoriteit. Een van de doelen van deze samenwerking is het ontwikkelen en vastleggen van de braillestandaarden.

Het schrijven in braille gebeurt van rechts naar links, zodat bij omkering van het papier de bobbeltjes van links naar rechts gelezen kunnen worden. Een geoefende braillelezer kan ruim 100 woorden per minuut lezen en losse letters vrijwel even snel als een ziende. Brailleboeken nemen wel vijf keer zoveel ruimte in als gewone boeken.

Er bestaan brailleschrijfmachines (met 9 toetsen: 1 voor elk puntje, een spatietoets, een correctietoets en een toets om naar de volgende regel te gaan), brailleprinters en brailleleesregels (waarmee blinden tekst kunnen lezen die anders op het computerscherm verschijnt).




#Article 114: Belgische Grondwet (9229 words)


De Belgische Grondwet (Frans: Constitution belge, Duits: Verfassung Belgiens) werd aangenomen op 7 februari 1831. Hij organiseert België als een parlementaire, constitutionele monarchie, met ministeriële verantwoordelijkheid voor het regeringsbeleid en scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.

Bij het opstellen van de Grondwet was België een unitaire staat, maar sinds 1970 is het land geleidelijk omgevormd tot een federale staat in het kader van opeenvolgende staatshervormingen. Naar aanleiding van deze ingrijpende wijzigingen werd besloten tot een herschikking, de Gecoördineerde Grondwet van 11 februari 1994.

De Grondwet is mee geëvolueerd met de politieke geschiedenis, maar elementaire principes uit 1831 zijn vandaag de dag nog steeds van toepassing. Exhaustief is de Grondwet niet: enkele grondrechten worden niet gewaarborgd en het verloop van de regeringsvorming, de rol van politieke partijen en de relatie met de Europese Unie worden niet of nauwelijks geregeld.

Men verwijst verkort naar de Belgische grondwet met Gw. of GW.

Op 6 oktober 1830, twee dagen na het uitroepen van de onafhankelijkheid, stelde het Voorlopig Bewind een grondwetscommissie in die een ontwerp moest uitwerken. Dat er vrij grote eensgezindheid bestond, bleek al op de eerste bijeenkomst op 12 oktober, waar met 8 tegen 1 voor een monarchie gekozen werd. Jean-François Tielemans was de enige tegenstemmer. Op nauwelijks vijf dagen vergaderen waren alle grondlijnen uitgezet. Voor het uitschrijven van het uiteindelijke ontwerp hielden Nothomb en Devaux de pen vast. Het werd met enkele kleine wijzigingen goedgekeurd door de commissie en verscheen op 27 oktober. Vanaf 25 november werd het ontwerp besproken in het Nationaal Congres. Van de alternatieve voorstellen die circuleerden zijn er een twintigtal bewaard gebleven. Het belangrijkste was een ontwerp van Joseph Forgeur, Jean Barbanson, Joseph-Stanislas Fleussu en Charles Liedts, dat meer nadruk legde op provinciale autonomie en democratie. Op 7 februari 1831 sloot het Nationaal Congres de debatten en stemde voor de Belgische Grondwet.

Het resultaat was een evenwichtige synthese van de Franse, Nederlandse en Britse constituties. Zo'n 90% van de artikelen was min of meer verbatim terug te voeren op deze voorbeelden: een 40% was behouden uit de Grondwet van 1815, een 35% was afkomstig uit het Franse charter van 1814 (licht gewijzigd in 1830), 10% uit de Franse grondwet van 1791 en 5% uit de Engelse traditie. De Britse invloed was diepgaander dan de beperkte letterlijke ontlening suggereert. Er is zelfs beweerd dat de Belgische Grondwet heel dicht komt bij een schriftelijke reproductie van de Engelse constitutie. Het nieuwe materiaal, ongeveer een tiende deel, ging over zaken als de macht van de koning, de verhouding tussen kerk en staat, de vrijheid van vereniging en de verkiezing van senatoren. In de finale analyse was de tekst van 1831 geen juridisch amalgaam, maar een originele creatie. Liberaal-pluralistische staatsinstellingen van Engelse snit werden gecombineerd met een Franse visie op de volkssoevereiniteit en het (atomistische) kiezerskorps, onder weglating van het holistische natiebegrip uit de buitenlandse modellen. Het land was geen dynastiek bezit meer van een absoluut vorstenhuis, en zelfs geen gematigde monarchie waar de koning een aantal rechten had afgestaan. Alle macht ging uit van de natie, terwijl de koning geen andere macht bezit dan wat hem uitdrukkelijk is toegekend. Dit constitutionele regime moest een 'besluitenregering' zoals die van Willem I der Nederlanden onmogelijk maken.

De grondwetgever van 1831 schuwde abstracte en theoretische principes. Bekende concepten als de scheiding der machten, de rechtsstaat of de scheiding van kerk en staat zijn zeker aanwezig, maar worden niet in alle consequenties doorgetrokken.

Het originele exemplaar heeft verschillende branden overleefd en bevindt zich vandaag nog steeds in het Paleis der Natie in Brussel, waar de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat gevestigd zijn. Daar wordt het bewaard in een kluis van de archiefdienst. Tijdens speciale evenementen kunnen bepaalde stukken van de Grondwet tentoongesteld worden, maar dat is eerder uitzonderlijk.

De Grondwet markeerde een overgang van verlicht despotisme naar een constitutionele en parlementaire monarchie. De rol van de koning was constitutioneel omschreven en de ministers waren tegenover het parlement verantwoordelijk voor zijn daden. Dat parlement, door cijnskiesrecht voorbehouden aan de vermogende klasse, was georganiseerd in een tweekamerstelsel: de Kamer van volksvertegenwoordigers zou gedomineerd worden door de hoge burgerij en de Senaat door de hoge grondadel. Naar Zuid-Nederlandse traditie was er ruimte gemaakt voor een vrij grote provinciale autonomie, al gingen deze entiteiten terug op een door de Fransen ingevoerde hervorming. De uitgebreide catalogus van grondrechten kreeg een prominente plaats.

Overal in Europa waar een liberale monarchie werd opgericht, kende het Belgische model navolging. De Grondwet was niet alleen aantrekkelijk omwille van zijn inhoud, maar ook dankzij de beknopte en heldere formulering. De voornaamste imitaties werden aangenomen in Spanje (1837), Griekenland (1844 en 1864), Piëmont-Sardinië (1848), Luxemburg (1848), Bulgarije (1864) en Roemenië (1866). In Nederland (1848), Pruisen (1850) en Iran (1906) vormde hij een gewichtige inspiratiebron, en nog na de Eerste Wereldoorlog kende hij navolging in Polen, Hongarije en Tsjecho-Slowakije.

In het voorbeeld van Nederland ging het om een grondwetsherziening die het parlementarisme en de ministeriële verantwoordelijkheid invoerde, zoals bepleit door Thorbecke. Van de achttien nieuwe artikelen waren er tien letterlijk bij de zuiderburen geleend.

De Grondwet was oorspronkelijk in het Frans opgesteld. De officiële Nederlandstalige versie dateert van 1967. Daarvoor had de versie in het Nederlands slechts de status van vertaling. In 1991 werd ook een Duitse versie officieel aangenomen.

Aanvankelijk was de Grondwet uitermate stabiel: bij de afloop van de Eerste Wereldoorlog had maar één grondwetsherziening plaatsgevonden (1893). Ze had gezorgd voor een democratisering van het kiesstelsel, wat ook een thema was van de twee reeks grondwetsherzieningen (1920-21). Vervolgens kende de Grondwet een nieuwe periode van stabiliteit. Na bijna een halve eeuw werd die doorbroken om een begin te maken met de federalisering van het land. Een tweede staatshervorming volgde in 1980 en vanaf dan zou er bijna geen jaar meer voorbij gaan zonder grondwetsherziening.

De doorgevoerde grondwetswijzingen zijn (chronologisch volgens afkondigingsdatum):

Het grondgebied en de samenstellende entiteiten van België komen aan bod in titel I (art. 1-7).

In 1831 was het land een centralistisch georganiseerde staat georganiseerd in drie niveaus: het nationale niveau, de provincies en de gemeenten. De federalisering vanaf 1970 voegde hieraan het deelstatelijke niveau toe. Sinds 1993 verklaart artikel 1 van de Grondwet dat België een federale staat is, samengesteld uit gemeenschappen en gewesten. De gemeenschappen zijn de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap (art. 2). De gewesten zijn het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (art. 3).

Voorts is België verdeeld in vier taalgebieden: het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied. Deze taalgebieden dienen om de territoriale bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten af te bakenen. De grenzen kunnen enkel gewijzigd worden door een bijzondere wet (art. 4).

Art. 5 geeft de verdeling van het grondgebied in provincies weer. Het Vlaamse Gewest omvat de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen. Het Waalse Gewest omvat de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en Waals-Brabant. Een bijzondere wet kan bepaalde gebieden aan de indeling in provincies onttrekken (wat gebeurd is met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). Bij decreet kan het aantal provincies verhoogd worden. Art. 6 bepaalt dat onderverdelingen van de provincies (arrondissementen, kantons enz.) alleen door de wet kunnen worden bepaald. De grenzen van de staat, de provincies en gemeenten kunnen enkel gewijzigd worden bij wet (art. 7).

De Belgische overheden moeten met hun beleid een duurzame ontwikkeling beogen. Dit is sinds 2007 onderdeel van de Grondwet (artikel 7bis). Het begrip omvat een sociale, economische en ecologische dimensie, alsook intergenerationele solidariteit. Dit is het enige artikel onder titel Ibis.

De twee grondwetsartikelen over nationaliteit staan in het deel over politieke rechten en grondrechten, omdat deze aan Belgen toekomen. Deze rechten vallen onder titel II, De Belgen en hun rechten genaamd.

Nochtans kent de Grondwet aan vreemdelingen op Belgische bodem in principe gelijke rechten toe, zowel voor hun persoon als hun vermogen (art. 191). Uitzonderingen zijn mogelijk voor zover expliciet bij wet bepaald. Volgens het Grondwettelijk Hof moeten deze uitzonderingen objectief verantwoord zijn en niet onevenredig met het nagestreefde doel.

Het verkrijgen, behouden en verliezen van de nationaliteit is bij wet te regelen (art. 8). Constitutioneel is er dus geen voorkeur voor het jus soli, het jus sanguinis of een combinatie (al liet het oorspronkelijke art. 133 wel toe dat vreemdelingen die vóór 1814 in België woonden door een eenvoudige verklaring de nationaliteit bekwamen). Naturalisatie wordt al sinds 1831 bij wet verleend (art. 9).

Het stemrecht is niet langer voorbehouden aan Belgen. De Grondwet laat toe dat het bij wet wordt uitgebreid naar zowel burgers van de Europese Unie die niet de Belgische nationaliteit hebben als vreemdelingen van buiten de EU (art. 8). Deze constitutionele mogelijkheid is enkel op het gemeentelijke niveau in de praktijk gebracht.

De grondrechten zitten voornamelijk vervat in titel II: De Belgen en hun rechten van de Grondwet. Achtereenvolgens komen aan bod:

Toch zijn er ook grondrechten die de Belgische Grondwet niet expliciet waarborgt. Voorbeelden hiervan zijn het verbod op foltering en het recht op een eerlijk proces. Deze rechten zijn daarentegen wel gewaarborgd in internationale mensenrechtenverdragen die België binden. Naast de grondrechten die in titel II van de Grondwet worden opgesomd, gelden in België immers ook de rechten die vervat liggen in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat gesloten werd in het kader van de Raad van Europa. Op de naleving van dat verdrag wordt toegezien door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Binnen de Europese Unie is ook het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (2000) van belang, met als rechterlijk orgaan het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg. Beide grondrechtencatalogi hebben een verschillende rechtskracht. Uit art. 51 van het EU-Handvest wordt afgeleid dat dit document geen directe werking heeft voor burgers, maar wel direct gericht is tot België als EU-lidstaat. Het EVRM heeft in België wel directe werking, wat men afleidt uit art. 34 van de Belgische Grondwet en uit het Smeerkaasarrest van het Hof van Cassatie uit 1971.

Sinds 2003 kan het Grondwettelijk Hof, alle wetten, decreten en ordonnanties toetsen aan titel II van de Grondwet, en de rechten vervat in art. 170, 172 en 191 (in verband met de gelijkheid van Belgen en vreemdelingen, het verbod te discrimineren op het vlak van belastingen enz.). Zo kan vermeden worden dat er wetten in strijd met deze mensenrechten zouden toegepast worden. Op die manier wordt de naleving van de rechten van de Belgen dus verzekerd. Bij de interpretatie van de rechten uit titel II van de Grondwet maakt het Grondwettelijk Hof ook gebruik van het EVRM, zodat er geen verschillende interpretaties van dezelfde beginselen kunnen ontstaan.

In titel III wordt de staatsstructuur van België vastgelegd naar beleidsniveau (internationaal, federaal, deelstatelijk, lokaal) en volgens het principe van de scheiding der machten. De wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht worden in principe aan verschillende instanties toevertrouwd. Deze drieledige structuur wordt op alle niveaus van de staat toegepast, van het federale tot het gemeentelijke niveau. De instanties van iedere macht moeten elkaar in het oog houden en adviseren en controleren, zodat ze hun macht op een verantwoorde manier uitoefenen. Daarom spreekt men eerder van een samenwerking dan van een strikte scheiding der machten. De scheiding der machten is een basisprincipe van de Belgische rechtsstaat, maar is echter niet uitdrukkelijk in de grondwet bevestigd. Men moet de scheiding als het ware afleiden uit de geest van de Belgische grondwet.

In principe moet de macht van de staat uitgeoefend worden door de instanties die de grondwet aanwijst (art. 33). Het is door dit artikel dat er in België geen bindend referendum kan worden gehouden zonder de grondwet te wijzigen: het aannemen van een wet wordt in de grondwet immers opgedragen aan de Koning, Kamer van volksvertegenwoordigers en Senaat en dus niet aan de bevolking door middel van directe democratie. Gewestelijke, provinciale en gemeentelijke volksraadplegingen zijn wel uitdrukkelijk toegelaten (artikelen 39bis en 41). Het ontbreken van referenda op nationaal niveau is een gevolg van de nationale soevereiniteit die de grondwetgevers van 1831 in gedachte hadden.

België was oorspronkelijk een unitaire staat, zonder deelstaten. De communautaire problemen tussen Nederlandstaligen en Franstaligen maakten een behoud van deze structuren onmogelijk. Op taalvlak werd een regeling uitgewerkt in de taalwetgeving, wat echter niet voldoende bleek. Een ruimere autonomie werd daarom uitgewerkt in de opeenvolgende staatshervormingen. De inrichting van de deelstaten is omschreven in de eerste titel (zie hoger: Territoriale samenstelling).

De Grondwet stelt alvast in het vooruitzicht dat de federale overheid slechts uitdrukkelijk toegewezen bevoegdheden zal hebben (art. 35). Alle residuaire bevoegdheden zullen aan de deelstaten toekomen. Vooraleer deze wijziging in voege kan treden, moet er in de grondwet een lijst komen van de exclusieve bevoegdheden van de federale overheid, wat een erg omvangrijke taak is, en moet een bijzondere wet bepalen wie bevoegd zal zijn voor het residu (verdeling tussen gemeenschappen en gewesten). Tot deze politiek erg gevoelige regeling gemaakt is, ligt het residu nog bij de federale overheid, aldus de overgangsbepaling die van kracht blijft totdat de bevoegdheidslijst en bijzondere wet worden aangenomen.

De Grondwet laat toe dat de uitoefening van bepaalde bevoegdheden wordt toevertrouwd aan volkenrechtelijke instellingen (artikel 34). Deze sedert 1970 ingevoerde bepaling moest met name het lidmaatschap van de Europese Unie schragen. De rechters hebben het aangegrepen om een theorie over de voorrang van het Europese recht op te bouwen (zie verder: Status en handhaving).

De federale wetgevende macht wordt tezamen uitgeoefend door de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat en de koning (art. 36). De wetgevende bevoegdheid wordt uitgeoefend door middel van wetten, bijzondere wetten, interpretatieve wetten, naturalisatiewetten, begrotingswetten, programmawetten, kaderwetten, opdrachtwetten en volmachtenwetten.

Federale verkiezingen vinden (in principe) om de vier jaar plaats (art. 65 en 70). Elke kiezer heeft slechts één stem (art. 61). De stemming is verplicht en geheim (art. 62). Om senator of volksvertegenwoordiger te worden moet men Belg zijn, het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten, 18 jaar oud zijn en in België wonen (art. 64 en 69).

De Kamer van volksvertegenwoordigers telt 150 leden die rechtstreeks worden verkozen door de burgers (art. 63). De Senaat telt 60 leden, waarvan er 50 worden afgevaardigd uit de deelstaatparlementen (gemeenschappen en gewesten) en 10 gecoöpteerd op basis van de verkiezingsresultaten voor de Kamer (art. 67).

Men kan niet tegelijk lid zijn van beide kamers. Een parlementslid dat benoemd wordt tot minister moet zijn zetel in het parlement voor de duur van het ministerschap opgeven (art. 50). Een parlementslid dat als bezoldigd ambtenaar benoemd wordt, moet zijn zetel in het parlement opgeven (art. 51). Deze bepalingen zijn opgenomen om te vermijden dat zij slaafs de regering zouden volgen in alle stemmingen in het parlement, omdat ze van die regering afhankelijk zouden zijn voor hun inkomen. Dit is ingevoerd na een aantal misbruiken in de 19e eeuw.

De vergaderingen van de kamers zijn in principe openbaar (art. 47). Beslissingen worden bij volstrekte meerderheid genomen. Beslissingen kunnen enkel geldig genomen worden indien de meerderheid van de parlementsleden aanwezig is (art. 53).

De parlementaire onverantwoordelijkheid houdt in dat parlementsleden niet kunnen vervolgd worden voor het uiten van een mening of een stem in de uitoefening van hun functie (art. 58). Strafrechtelijke vervolgingen in het algemeen zijn slechts toegelaten met de toestemming van de kamer waartoe het parlementslid behoort (art. 59).

De oorspronkelijke grondwet gaf de Kamer en de Senaat gelijke bevoegdheden in alle materies. Wetsvoorstellen moesten daarom vaak verschillende keren heen en weer gezonden worden tussen beide kamers, wat voor veel vertraging zorgde. De huidige grondwet beperkt de gelijke bevoegdheid van beide kamers tot bepaalde materies (art. 77). Voor andere materies heeft de Senaat een evocatierecht (art. 78). Dit betekent dat de Senaat wetsvoorstellen enkel behandelt als een meerderheid van zijn leden daarom vraagt (met ten minste een derde van de leden van elke taalgroep). Alleen de Kamer is bevoegd voor wetten inzake naturalisaties, aansprakelijkheid van ministers, staatsfinanciën en vaststelling van het legercontingent (art. 74).

Naast de bevoegdheid om over wetten te stemmen, beschikt elke kamer over het recht om parlementaire onderzoekscommissies op te richten (art. 56).

De derde tak van de wetgevende macht wordt gevormd door de Koning (die ook de uitvoerende macht vormt). Net als de beide Kamers heeft hij het recht om wetgeving te initiëren (art. 75), via het neerleggen van een wetsontwerp. De Koning neemt niet deel aan de debatten over de wetten of aan de stemmingen. Hij bekrachtigt de wetten en kondigt ze af eens ze gestemd zijn. De bekrachtiging is de instemming van de Koning als wetgever en de afkondiging zijn verklaring als uitvoerder dat de wet overeenkomstig de procedures tot stand gekomen is. Theoretisch kan de Koning een gestemde wet dus tegenhouden, maar de abortuskwestie maakte duidelijk dat dit een constitutionele crisis zou veroorzaken.

Op federaal niveau berust de uitvoerende macht bij de Koning (art. 37). Hiermee worden de Koning en de federale regering bedoeld.

De grondwettelijke macht van de Koning gaat bij erfopvolging over op de natuurlijke en wettige nakomelingschap van Leopold I van België, in de rechte lijn en volgens eerstgeboorterecht (art. 85). Deze nakomeling verliest zijn rechten op de troon wanneer hij huwt zonder de toestemming van de Koning. Als er geen nakomelingen zijn, kan de koning een opvolger aanstellen die de goedkeuring nodig heeft van de Kamer en de Senaat. Wanneer dit niet gebeurt, is de troon onbezet (art. 86).

Bij de troonsbestijging legt de Koning in een vergadering van de Verenigde Kamers de volgende eed af: “Ik zweer dat ik de Grondwet en de wetten van het Belgische volk zal naleven, 's Lands onafhankelijkheid handhaven en het grondgebied ongeschonden bewaren” (art. 91).

De Koning kan niet tegelijk Koning zijn van België en van een andere staat. Een zogenaamde personele unie is slechts mogelijk wanneer in beide kamers een 2/3-meerderheid behaald wordt. Dit artikel is één keer gebruikt, nl. in 1885 toen Leopold II ook soeverein werd van Kongo-Vrijstaat.

De Koning is onschendbaar en wordt gedekt door ministeriële verantwoordelijkheid (art. 88). De Koning kan in principe niet vervolgd worden voor zijn daden of voor de meningen die hij uit. Elke officiële handeling van de Koning moet daarom bevestigd worden door een minister, die hierdoor de verantwoordelijkheid opneemt voor die handeling. De Koning kan dus op zijn eentje geen enkele beslissing nemen. In de praktijk gaat het dan ook om beslissingen van de regering, die ondertekend worden door de Koning.

De Civiele Lijst van de Koning, de toelage die de Koning krijgt, wordt bij wet vastgesteld voor de duur van zijn regeerperiode (art. 89). Zolang hij aan de macht blijkt, kan het bedrag dus niet gewijzigd worden. Dit is bedoeld om te vermijden dat er voortdurende discussies zouden zijn over de monarchie.

Wanneer de Koning sterft, komen de kamers uiterlijk de tiende dag na zijn overlijden samen om de nieuwe Koning de eed te horen afleggen. In tussentijd worden zijn bevoegdheden uitgeoefend door de federale regering, die beslist bij consensus en regeert in naam van het Belgische volk (art. 90). Als de troonopvolger nog minderjarig is, wordt een regent en een voogd aangesteld door de kamers (art. 92). Dit geldt ook als de Koning in de onmogelijkheid verkeert te regeren (geestesziekte, coma, buitenlandse gevangenschap enz.), nadat de regering die onmogelijkheid heeft vastgesteld (art. 93). Ook wanneer de troon onbezet is (geen opvolger), stellen de kamers een regent aan. Daarna komen er verkiezingen en stellen de nieuwe kamers een nieuwe Koning aan (art. 95). Dit artikel zorgt ervoor dat de bevolking via de verkiezingen wordt betrokken in de keuze van een nieuwe vorst. Het regentschap mag slechts aan één persoon worden opgedragen en die persoon moet de grondwettelijke eed hebben afgelegd (art. 94).

De Koning benoemt en ontslaat zijn ministers. De regering is verplicht haar ontslag in te dienen wanneer zij is weggestemd door een constructieve motie van wantrouwen en dan is de Koning verplicht de voorgedragen opvolger te benoemen (art. 96). Alleen Belgen kunnen minister zijn (art. 97) en leden van de koninklijke familie zijn uitgesloten (art. 98).

De regering bestaat maximaal uit 15 ministers (geen beperking op het aantal staatssecretarissen). Ze bestaat uit evenveel Nederlandstaligen als Franstaligen (pariteit), eventueel de premier uitgezonderd (art. 99).

De ministers hebben zitting in elke kamer en het woord moet hen verleend worden wanneer zij er om vragen (art. 100). Deze regel is ingevoerd om het mogelijk te maken voor de ministers om hun beleid te verdedigen. Daarom kunnen de kamers ook hun aanwezigheid vorderen (art. 100). De ministers zijn verantwoordelijk voor het gevoerde beleid tegenover de Kamer van volksvertegenwoordigers (art. 101). Dit is de tegenhanger van de onverantwoordelijkheid van de Koning. Sinds 1993 kan de Senaat het vertrouwen in de regering niet meer opzeggen.

Net als parlementsleden kunnen ministers niet het voorwerp zijn van enig onderzoek naar aanleiding van een mening die ze hebben geuit in de uitoefening van hun ambt (art. 101). In geen geval kan een bevel van de Koning hen ontslaan van die verantwoordelijkheid (art. 102), om te vermijden dat op die manier niemand verantwoording zou dragen voor het beleid. Ministers die een misdrijf hebben begaan in de uitoefening van hun ambt kunnen enkel vervolgd worden voor het hof van beroep. Ook wanneer zij een misdrijf hebben gepleegd tijdens hun ambtstermijn, maar dat niets te maken heeft met de uitoefening van hun functie, worden zij vervolgd voor het hof van beroep wanneer die vervolging plaatsvindt tijdens hun ambtstermijn (art. 103). Een strafvordering tegen een minister kan enkel ingesteld worden door het Openbaar Ministerie, en niet, zoals voor andere burgers, door het slachtoffer. Hiervoor is toestemming nodig van de kamers, net als voor de aanhouding van een minister. De mogelijkheden van burgerlijke partijstelling worden geregeld bij wet. Bovendien mag de Koning een veroordeeld minister enkel genade verlenen op verzoek van de kamers (art. 103).

De Koning benoemt en ontslaat de staatssecretarissen. Deze zijn lid van de federale regering, maar niet van de ministerraad (om de pariteit te omzeilen). Zij worden toegevoegd aan een minister. De Koning bepaalt hun bevoegdheden en de mate waarin zij het recht van medeondertekening krijgen. In de regel zijn op hen dezelfde bepalingen van toepassing als op ministers (art. 104).

De Koning heeft geen andere macht dan die welke de Grondwet of andere wetten hem uitdrukkelijk toekennen (art. 105). De uitvoerende macht heeft dus enkel die bevoegdheden die ze van de wetgevende macht heeft gekregen. Aangezien de Koning onschendbaar is (art. 88), heeft geen enkele akte die van hem uitgaat gevolgen wanneer ze niet is ondertekend door een minister. Die minister wordt verantwoordelijk voor die handeling of akte ten aanzien van het parlement (art. 106).

De Koning verleent de graden in het leger en benoemt de ambtenaren bij het algemeen bestuur en bij de buitenlandse betrekkingen. Andere ambtenaren benoemt hij alleen krachtens een uitdrukkelijke wetsbepaling (art. 107). De Koning maakt de verordeningen en neemt de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn. Daarbij mag hij nooit de wetten zelf schorsen of vrijstelling van hun uitvoering verlenen (art. 108). Hij bekrachtigt de wetten en kondigt ze af (art. 109).

De Koning mag door de rechters uitgesproken straffen kwijtschelden of verminderen (art. 110). Ten aanzien van federale en deelstaatministers kan dit genaderecht alleen worden uitgeoefend als het betrokken parlement ermee instemt (art. 111).

De Koning heeft het recht munt te slaan (art. 112), mensen in de adelstand te verheffen (art. 113) en militaire orden te verlenen (art. 114).

Er is een Raad van de Vlaamse Gemeenschap, Vlaamse Raad genoemd, en een Raad van de Franse Gemeenschap. De samenstelling en de werking worden geregeld in de Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen. Er is een Raad van de Duitstalige Gemeenschap, waarvan de samenstelling en de werking door een gewone wet worden bepaald. Tenzij anders geregeld, is er ook voor elk gewest een Raad. (art. 115)
De Raden zijn in ieder geval samengesteld uit rechtstreeks verkozen mandatarissen (art. 116)
De leden worden gekozen voor vijf jaar. Tenzij een bijzondere wet er anders over beschikt, vinden de verkiezingen voor alle Raden plaats op dezelfde dag en bovendien samen met de verkiezingen voor het Europese Parlement. (art. 117)

De bijzondere wet regelt de verkiezingen voor de Raden, net als de samenstelling en de werking ervan. Een gewone wet volstaat met betrekking tot de Raad van de Duitstalige Gemeenschap.
Een bijzondere wet kan deze aangelegenheden toevertrouwen aan de Raden zelf (de zogenaamde constitutieve autonomie). Die bevoegdheden moeten dan uitgeoefend worden door de Raden met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van de betrokken Raad aanwezig is. (art. 118)

Binnen de grenzen van de Staat hebben de leden van de Raden vrij verkeer op alle verkeerswegen door de openbare overheden geëxploiteerd of in concessie gegeven. (art. 118bis)

Een lid van een Raad kan niet tegelijk lid zijn van de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat, tenzij als gemeenschapssenator (art. 119). De leden genieten dezelfde onschendbaarheid als de federale parlementsleden (art. 120).

Er is een Regering van de Vlaamse Gemeenschap en een Regering van de Franse Gemeenschap, waarvan de samenstelling en de werking worden bepaald door de Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen. Er is ook een Regering van de Duitstalige Gemeenschap, waarvan de samenstelling en de werking door een gewone wet worden bepaald. Ook de Gewesten beschikken normaliter over een regering (art. 121). De leden van die regeringen worden in ieder geval gekozen door de leden van de Raad (art. 122). Ook met betrekking tot de regeringen kan constitutieve autonomie gegeven worden aan de Gemeenschappen en Gewesten, door middel van een bijzondere wet (art. 123).

Geen lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering kan worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem in de uitoefening van zijn ambt uitgebracht (art. 124). Voor de vervolging van de regionale ministers geldt dezelfde regeling als voor de federale ministers (art. 125).

De bepalingen met betrekking tot de Gemeenschaps- en Gewestregeringen zijn ook van toepassing op de gewestelijke staatssecretarissen (art. 126).

Elke gemeenschap heeft de bevoegdheden welke haar door de Grondwet of door de (bijzondere) wetten worden toegekend (art. 38).
De Raden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet:

Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap (art. 127).

Daarnaast zijn de Raden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap bevoegd om bij decreet de persoonsgebonden aangelegenheden te regelen. Ook hieromtrent kunnen ze samenwerken met de andere gemeenschappen of verdragen sluiten.
Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede, tenzij wanneer een bijzondere wet er anders over beschikt, ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap (art. 128).

Art. 129 bepaalt dat de Raden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap bij decreet regelen, het gebruik van de talen voor:

Deze decreten hebben kracht van wet, respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, uitgezonderd wat betreft:

De Raad van de Duitstalige Gemeenschap regelt bij decreet:

Een wet stelt de in 1° en 2° vermelde culturele en persoonsgebonden aangelegenheden vast, alsook de in 4° vermelde vormen van samenwerking en de wijze waarop de verdragen worden gesloten.
Deze decreten hebben kracht van wet in het Duitse taalgebied (art. 130).

De wet stelt de regelen vast ter voorkoming van elke discriminatie om ideologische en filosofische redenen (art. 131). Dit resulteerde in de procedure van de ideologische alarmbel.

Het recht van initiatief berust bij de Gemeenschapsregering en bij de leden van de Gemeenschapsraad (art. 132).
Alleen het decreet kan een authentieke uitlegging van de decreten geven (art. 133).

De bijzondere wet bepaalt de bevoegdheden van de gewesten (art. 39).

De wetten ter uitvoering van artikel 39 bepalen de rechtskracht van de regelen die de organen, welke zij oprichten, uitvaardigen in de aangelegenheden, welke zij aanduiden. Zij kunnen aan deze organen de bevoegdheid toekennen om decreten met kracht van wet uit te vaardigen op het gebied en op de wijze die zij bepalen (art. 134).
Dit artikel is erg vaag, wat zijn oorsprong vindt in het feit dat men oorspronkelijk niet goed wist wat men met de Gewesten moest aanvangen. Later is de omschrijving bewust zo vaag gehouden om bij bijzondere wet makkelijk bevoegdheden te kunnen overdragen, zonder daarvoor de zware procedure van Grondwetsherziening te moeten volgen. Daardoor zijn de gegevens m.b.t. de Gewesten niet terug te vinden in de Grondwet maar in de Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen.

Een bijzondere wet regelt de instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (art. 135). Dit is de Bijzondere Brusselwet. Er bestaan taalgroepen in het parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Wanneer die taalgroepen apart vergaderen vormen zij colleges die bevoegd zijn voor de gemeenschapsaangelegenheden. Hun samenstelling, werking, bevoegdheden en financiering worden geregeld door een bijzondere wet. De colleges vormen samen het Verenigd College, dat fungeert als overleg- en coördinatieorgaan tussen de beide gemeenschappen (art. 136).

De organen van de Vlaamse en Franse Gemeenschap kunnen gewestbevoegdheden uitoefenen, onder de voorwaarden en op de wijze die de bijzondere wet bepaalt (art. 137). Dit was in de eerste plaats bedoeld voor Vlaanderen, waar het geringe gewicht van de Brusselaars een fusie toeliet tot één parlement en één regering. Dit zijn eigenlijk gemeenschapsinstellingen die ook alle functies van het Vlaams Gewest uitoefenen. Aan de andere kant van de taalgrens is dit niet gebeurd, door de sterke positie van Franstalig Brussel en omdat het Waals Gewest ook het gebied van de Duitstalige Gemeenschap omvat.

De omgekeerde beweging wordt ook mogelijk gemaakt door de grondwet (art. 138): bevoegdheden van de Franse Gemeenschap verdelen over het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie (COCOF). De delegerende parlementen moeten beslissen met een tweederdemeerderheid.

Ook een overdracht van Waalse gewestbevoegdheden aan de Duitstalige Gemeenschap is grondwettelijk mogelijk (art. 139).

Doordat de keuze voor een federale staat waarin de rechtsnormen van het centrale niveau op gelijk hoogte staan als die van de deelstaten, is er nood aan procedures en instanties om de conflicten tussen de verschillende entiteiten op te lossen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen bevoegdheidsconflicten (men is het niet eens wie voor een bepaalde materie bevoegd is) en belangenconflicten (het ene niveau kan door zijn handelingen de belangen van het andere niveau schaden).

De Grondwet laat het voorkomen van bevoegdheidsconflicten over aan een bijzondere wet (art. 141). Als preventie faalt, kan het Grondwettelijk Hof het bevoegdheidsgeschil beslechten. Voor belangenconflicten, waar men per hypothese binnen zijn bevoegdheid is gebleven, verlaat de Grondwet zich op een politieke oplossing. Alle entiteiten moeten het principe van de federale loyauteit in acht nemen bij de uitoefening van hun bevoegdheden. Als er toch een belangenconflict ontstaat tussen wetgevende vergaderingen, doet de Senaat uitspraak bij wege van gemotiveerd advies (niet bindend). Voor belangenconflicten tussen regeringen voorziet een bijzondere wet de procedure om ze te voorkomen en te regelen (art. 143).

Er bestaat voor geheel België een Grondwettelijk Hof, waarvan de samenstelling en de werking door een bijzondere wet worden bepaald. Dit hof is grondwettelijk bevoegd om bij wege van arrest uitspraak te doen over bevoegdheidsconflicten, schendingen van het gelijkheidsbeginsel en van de onderwijsvrijheid. Een bijzondere wet kan het hof bevoegd maken om de naleving van nog andere grondwetsartikelen te toetsen.

Een zaak kan bij het Hof aanhangig worden gemaakt door iedere bij bijzondere wet aangewezen overheid, door ieder die doet blijken van een belang of, prejudicieel, door ieder rechtscollege (art. 142).

De rechterlijke macht behoort tot de bevoegdheid van de federale overheid. De federaal georganiseerde hoven en rechtbanken zijn ook bevoegd om schendingen van normen die uitgaan van de deelstaten te bestraffen.

Geschillen over burgerlijke rechten behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken (art. 144). Geschillen over politieke rechten behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen (art. 145). Dergelijke geschillen kunnen dus aan de rechterlijke macht worden onttrokken. Alle rechtscolleges moeten krachtens een wet worden ingesteld. Uitzonderingsrechtbanken mogen niet in het leven worden geroepen (art. 146).

Er bestaat voor geheel België een Hof van Cassatie, dat enkel toeziet op de correcte toepassing van de rechtsnormen en dus geen kennis neemt van de feitelijke omstandigheden (art. 147).

De terechtzittingen van de rechtbanken zijn publiek, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden. In dat geval kan de rechtbank enkel bij gemotiveerd vonnis beslissen om achter gesloten deuren te zetelen. Inzake politieke misdrijven en drukpersmisdrijven is unanimiteit tussen de rechters vereist om de deuren te sluiten (art. 148). Dit artikel zorgt ervoor dat de samenleving controle kan uitoefenen op de rechtspraak. Vonnissen bevatten een motivering en worden in openbare terechtzitting uitgesproken (art. 149).

Criminele zaken, politieke misdrijven en persmisdrijven worden aan een jury voorgelegd (in de Assisenhoven). Dit is niet vereist voor racistische drukpersmisdrijven (art. 150).

De rechters zijn onafhankelijk in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden. Het openbaar ministerie is onafhankelijk in de individuele opsporing en vervolging, maar de justitieminister kan vervolging bevelen en bindende richtlijnen vaststellen inzake strafrechtelijk beleid, inclusief opsporing en vervolging (art. 151, § 1).

Er bestaat voor geheel België een Hoge Raad voor de Justitie. Deze bestaat uit een Nederlandstalig en uit een Franstalig college. Elk college telt evenveel leden en is paritair samengesteld:

Binnen elk college is er een benoemings- en aanwijzingscommissie en een advies- en onderzoekscommissie, die elk paritair zijn samengesteld uit de twee bovenstaande categorieën (art. 151 §2).

De Hoge Raad voor de Justitie oefent zijn bevoegdheden uit in volgende materies :

Onder de voorwaarden en op de wijze bepaald bij de wet, worden de bevoegdheden vermeld onder 1° tot en met 4° toegewezen aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie en de bevoegdheden vermeld onder 5° tot en met 8° toegewezen aan de bevoegde advies- en onderzoekscommissie. De wet bepaalt in welke gevallen de commissies hun bevoegdheden gezamenlijk uitoefenen. De Raad kan nog bijkomende bevoegdheden krijgen bij bijzondere wet (art. 151 §3).

De vrederechters, de rechters in de rechtbanken, de raadsheren in de hoven en in het Hof van Cassatie worden door de Koning benoemd. Deze benoeming geschiedt op gemotiveerde voordracht van de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie, bij een tweederdemeerderheid en na afweging van de bekwaamheid en geschiktheid. De voordracht kan enkel door de Koning worden geweigerd op de wijze bij de wet bepaald en mits motivering. De hoven geven, voorafgaandelijk aan de voordracht, een gemotiveerd advies over de benoeming van raadsheren (art. 151 §4). De voorzitters van de hoven en rechtbanken worden door de Koning aangewezen, op gemotiveerde voordracht van de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie, bij een tweederdemeerderheid. De benoeming van de voorgedragen kandidaat kan enkel worden geweigerd mits motivering. In geval van aanwijzing tot eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of van de hoven geven de betrokken algemene vergaderingen voorafgaandelijk aan de voordracht een gemotiveerd advies. De voorzitter en de afdelingsvoorzitters van het Hof van Cassatie, de kamervoorzitters van de hoven en de ondervoorzitters van de rechtbanken worden door de hoven en de rechtbanken in deze functies aangewezen uit hun leden. De wet bepaalt de wet de duur van de aanwijzingen in deze functies (art. 151 §5).

De magistraten worden onderworpen aan periodieke evaluaties (art. 151 §6), maar zijn overigens voor het leven benoemd. Zij worden in ruste gesteld op de bij de wet bepaalde leeftijd en genieten het bij de wet bepaalde pensioen. Geen rechter kan uit zijn ambt worden ontzet of worden geschorst dan door een vonnis. De overplaatsing van een rechter kan niet geschieden dan door een nieuwe benoeming en met zijn toestemming (art. 152). Dit artikel is opgenomen om te vermijden dat de regering een rechter die voor haar ongunstige uitspraken doet zou straffen door hem uit zijn ambt te ontzetten, te degraderen, over te plaatsen... Het biedt een grote waarborg voor de onafhankelijkheid van de rechters.

De Koning benoemt en ontslaat de leden van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken (art. 153). Zij zijn de vervolgende overheid en voeren deels het vervolgingsbeleid van de regering uit. Zij zijn dus logischerwijs minder onafhankelijk van de regering dan de zetelende magistratuur.

De wedden van de leden der rechterlijke orde worden door de wet vastgesteld (art. 154). Ook deze bepaling heeft de bedoeling de onafhankelijkheid van de rechters te garanderen. Wanneer de regering hiervoor bevoegd zou zijn, zouden zij anders rechters financieel kunnen benadelen wanneer zij de regering in het ongelijk zouden durven stellen. Rechter mogen geen bezoldigde ambten aanvaarden van een regering, tenzij onbezoldigd en behoudens de wettelijke gevallen van onverenigbaarheid (art. 155). Dit artikel wil voorkomen dat de regering rechters zou omkopen door hen lucratieve functies aan te bieden, waardoor ze op een andere manier weer afhankelijk zouden worden van de regering.

Er zijn in België vijf hoven van beroep (art. 156):

In oorlogstijd zijn er militaire gerechten. De organisatie van de militaire gerechten, hun bevoegdheid, de rechten en verplichtingen van de leden van deze gerechten, alsmede de duur van hun ambt worden bij wet geregeld.

Er zijn rechtbanken van koophandel (nu ondernemingsrechtbank genoemd), arbeidsgerechten en Strafuitvoeringsrechtbanken. De wet regelt hun organisatie en bevoegdheid (art. 157).

Het Hof van Cassatie doet uitspraak over conflicten van attributie (art. 158). Dit zijn bevoegdheidsconflicten tussen de rechterlijke macht (met bovenaan het Hof van Cassatie) en de administratieve rechtscolleges (met bovenaan de Raad van State).

De hoven en rechtbanken passen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen (art. 159). Deze bepaling is onderdeel van de rechtsstaat. Ze geeft aan de rechter de mogelijkheid om besluiten van de regering die niet in overeenstemming zijn met de wet, de grondwet of een verdrag met rechtstreekse werking buiten toepassing te laten (ze blijven nog wel bestaan). Op die manier wordt de burger beschermd tegen machtsmisbruik door de uitvoerende macht. Hiernaast heeft men ook nog de mogelijkheid om dit besluit te laten vernietigen door de Raad van State.

Er bestaat voor geheel België een Raad van State, waarvan de samenstelling, de bevoegdheid en de werking door de wet worden bepaald (met mogelijkheid tot delegatie aan de Koning).
De Raad van State doet bij wege van arrest uitspraak als administratief rechtscollege en geeft advies aan de parlementen en regeringen over de wetsontwerpen (art. 160).
Dit artikel geeft weer dat de Raad van State uit twee afdelingen bestaat met elk hun eigen taak.

Onder de Raad van State kunnen administratieve rechtscollege worden ingesteld krachtens een wet (art. 161).

De provinciale en gemeentelijke instellingen worden bij de wet geregeld. Hierbij moeten minstens de volgende principes verzekerd worden (art. 162):

De bevoegdheid om dit te regelen is in 2001 overgedragen aan de gewesten.

De bevoegdheden die in het Vlaamse en het Waalse Gewest worden uitgeoefend door verkozen provinciale organen, worden in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad uitgeoefend door de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, via de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (art. 163).

Het opmaken van de akten van de burgerlijke stand en het houden van de registers behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de gemeenten (art. 164).

Bij wet kunnen agglomeraties en federaties van gemeenten opgericht worden. Elke agglomeratie en elke federatie heeft een raad en een uitvoerend college. De voorzitter van het uitvoerend college wordt door de raad uit zijn leden verkozen; zijn verkiezing wordt door de Koning bekrachtigd; de wet bepaalt zijn statuut. De grenzen van de agglomeraties en van de federaties van gemeenten kunnen niet worden veranderd of gecorrigeerd dan krachtens een wet (art. 165). Van de mogelijkheid om agglomeraties op te richten werd enkel gebruikgemaakt met betrekking tot Brussel. De bevoegdheden van de agglomeratie Brussel worden uitgeoefend door de organen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op de manier die bepaald wordt in de bijzondere wet. Deze organen:

De Koning heeft de leiding van de buitenlandse betrekkingen, wat niet wegneemt dat de gemeenschappen en gewesten bevoegd zijn tot internationale samenwerking in hun domein, inclusief het sluiten van verdragen (art. 167 §1 lid 1). Deze paragraaf wil de eenheid van het Belgisch buitenlands beleid verzoenen met deelstatelijke autonomie. Doel is te vermijden dat de entiteiten een tegenstrijdig buitenlands beleid zouden voeren, waardoor België internationaal in ernstige problemen zou kunnen komen.

De koning voert het bevel over de krijgsmacht, stelt de staat van oorlog vast alsook het einde van de vijandelijkheden. Hij brengt de kamers hiervan op de hoogte, zodra het belang en de veiligheid van de staat het toelaten (art. 167 §1 lid 2). Vier koningen hebben er een beroep op gedaan: Leopold I (in de onafhankelijkheidsoorlog met Nederland), Leopold II (toen er dreiging was dat België in de Frans-Duitse oorlog van 1870 betrokken zou worden), Albert I (in de Eerste Wereldoorlog) en Leopold III (in de Tweede Wereldoorlog). Ze meenden hiervoor niet, zoals voor andere handelingen, de steun van een minister nodig te hebben op grond van deze bepaling en het feit dat ze gezworen hadden het grondgebied ongeschonden te bewaren (zie art. 91). Na de Koningskwestie werd beslist dat dit artikel net zoals alle andere bepalingen van de Grondwet vereist dat de regering instemt met alle handelingen van de Koning.

Geen afstand, geen ruil, geen toevoeging van grondgebied kan plaatshebben dan krachtens een wet (art. 167 §1 lid 3). Dit artikel werd opgenomen om te vermijden dat de Koning zonder het parlement daarin te kennen een verdrag zou gesloten hebben met Nederland na de onafhankelijkheid.

De Koning sluit verdragen met betrekking tot de federale bevoegdheden, mits de kamers het goedkeuren (art. 167 §2). De deelstaatregeringen sluiten verdragen die betrekking hebben op hun bevoegdheden. Deze verdragen moeten instemming verkrijgen van het betrokken parlement (art. 167 §3). De bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten op dit vlak wordt nader geregeld in een bijzondere wet (art. 167 §4). De Koning kan de verdragen gesloten vóór 18 mei 1993 (de datum waarop de gemeenschappen en gewesten bevoegd werden om verdragen te sluiten) opzeggen in overeenstemming met de betrokken deelstaatregering (art. 167 §5). Deze bepaling was nodig omdat bij die verdragen België partij is en niet de deelstaat.

Van bij het begin der onderhandelingen over elke herziening van de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en van de verdragen en akten waarbij deze verdragen zijn gewijzigd of aangevuld, worden de kamers daarover geïnformeerd. Zij krijgen kennis van het ontwerpverdrag vóór de ondertekening ervan (art. 168). Dit artikel moet ervoor zorgen dat het parlement nauwer betrokken wordt bij de evoluties in de ontwikkeling van de Europese Unie. Daardoor kunnen ze de regering meer sturen bij de onderhandelingen over het verdrag.

Wanneer een deelstaat zijn verplichtingen onder internationaal recht niet nakomt, kan de federale overheid in de plaats treden van die deelstaat en dit probleem oplossen (art. 169). Dit om te vermijden dat België hiervoor aansprakelijk gesteld zou worden en schadevergoeding zou moeten betalen.

Belastingen voor de federale staat kunnen enkel ingevoerd worden door een wet. Belastingen voor gemeenschappen en gewesten kunnen enkel ingevoerd worden door een decreet of ordonnantie. Belastingen voor provincies of gemeenten kunnen enkel worden ingevoerd door een beslissing van hun raad. Die gemeentelijke of provinciale belasting kan eventueel afgeschaft worden door een wet (art. 170). Dit artikel heeft de bedoeling om er voor te zorgen dat er enkel belastingen kunnen ingevoerd worden door de volksvertegenwoordigers en niet door de uitvoerende macht, op eender welk niveau.

De belastingen ten behoeve van de staat, de gemeenschap en het gewest moeten jaarlijks door het parlement worden goedgekeurd (art. 171). Ze zijn dus slechts voor één jaar geldig, om te vermijden dat de belastingen zich zouden opstapelen zonder dat de wetgevende macht nog een overzicht zou hebben van de belastingdruk.

Inzake belastingen kunnen geen voorrechten worden ingevoerd. Geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet (art. 172). Dit artikel zorgt ervoor dat niemand gediscrimineerd wordt op het fiscale vlak. Het is dus een concrete toepassing van art. 10.

Behalve voor de provincies, de polders en wateringen en de andere wettelijke uitzonderingen kan van de burgers geen retributie worden gevorderd dan als belasting ten behoeve van de staat, de gemeenschap, het gewest, de agglomeratie, de federatie van gemeenten of de gemeente (art. 173).

Elk jaar wordt door de Kamer van volksvertegenwoordigers de eindrekening vastgesteld en de begroting goedgekeurd (art. 174 lid 1). De eindrekening is het overzicht van inkomsten en uitgaven van het afgelopen jaar. Op die manier controleert het parlement of de regering het belastinggeld goed gespendeerd heeft. De begroting bevat een schatting van de inkomsten en uitgaven van het volgend jaar, waarvoor het parlement dan zijn toestemming moet geven. De Kamer van volksvertegenwoordigers en de senaat zijn wel bevoegd om te beslissen over hun eigen middelen, los van de regering (art. 174 lid 2). Dit zorgt ervoor dat de regering het parlement niet zonder financiële middelen kan zetten. Alle staatsontvangsten en -uitgaven moeten op de begroting en in de rekeningen worden gebracht (art. 174 lid 3). De regering kan dus niet in het geheim bepaalde middelen gebruiken, elke cent moet verantwoord worden.

Een bijzondere wet stelt het financieringsstelsel voor de Vlaamse en de Franse Gemeenschap vast. De parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, de bestemming van hun ontvangsten bij decreet (art. 175). Ook voor de Duitstalige Gemeenschap (art. 176) en voor de gewesten (art. 177) geldt deze regeling. Onder de voorwaarden en op de wijze die de bijzondere wet bepaalt, draagt het parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest financiële middelen over aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en aan de Vlaamse en de Franse Gemeenschapscommissies (art. 178).

Pensioen en gratificaties ten laste van de staatskas mogen enkel worden toegekend krachtens een wet (art. 179). Op die manier vermijdt men dat de regering bepaalde personen gunsten zou toekennen ten koste van de belastingbetaler.

De leden van het Rekenhof worden door de Kamer van volksvertegenwoordigers benoemd, voor de tijd bij de wet bepaald. Dit hof is belast met het nazien en het vereffenen der rekeningen van het algemeen bestuur en van allen die tegenover de staatskas rekenplichtig zijn. Het waakt ervoor dat geen artikel van de begroting wordt overschreden en dat de middelen niet anders aangewend worden. Het hof oefent tevens algemeen toezicht uit op de inkomsten van de staat, met inbegrip van de fiscale ontvangsten. Het stelt de rekeningen van de overheden vast en is ermee belast daartoe alle nodige inlichtingen en bewijsstukken te verzamelen. De algemene staatsrekening wordt aan de Kamer van volksvertegenwoordigers voorgelegd met de opmerkingen van het rekenhof, het zogenaamde blunderboek (art. 180).

De wedden en pensioenen van de voorgangers in de erediensten en niet-confessionele diensten komen ten laste van de Staat (art. 181). Oorspronkelijk was dit artikel een toegeving aan de katholieken: voortaan zouden de priesters door de overheid betaald worden. Pas veel later is dit uitgebreid tot de vrijzinnige organisaties die zich bezighouden met zingeving.

De wet bepaalt op welke wijze het leger wordt aangeworven. Zij regelt eveneens de bevordering, de rechten en de verplichtingen van de militairen (art. 182). Het legercontingent, dit is het aantal personen dat onder de wapens is, wordt jaarlijks goedgekeurd door een wet, die slechts voor een jaar van kracht is (art. 183). Hieruit blijkt dat het leger toch voor een belangrijk deel onder controle van het parlement blijft staan. Hiermee wou men een staatsgreep door het leger of de uitvoerende macht vermijden.

De organisatie en de bevoegdheid van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (de lokale en federale politie), worden bij de wet geregeld, net als de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden (art. 184).

Enkel krachtens een wet mogen vreemde troepen worden aangeworven, het grondgebied bezetten of erdoorheen trekken (art. 185). Hiermee wil men vermijden dat de uitvoerende macht een staatsgreep zou plegen met de hulp van een buitenlands leger.

Militairen kunnen niet van hun graden, ererechten en pensioenen worden ontzet dan op de wijze bij de wet bepaald (art. 186).

De Grondwet kan noch geheel, noch ten dele worden geschorst (art. 187). Op die manier is de burger beveiligd tegen alle machten en kan hij niet zomaar zijn grondwettelijke rechten verliezen. Ook wordt belet dat een van de staatsmachten alle macht naar zich toe zou trekken door eenzijdig de grondwet te schorsen.

Met ingang van de dag waarop de Grondwet uitvoerbaar wordt, zijn alle daarmee strijdige wetten, decreten, besluiten, reglementen en andere akten opgeheven (art. 188). Hiermee zorgde de grondwetgever ervoor dat het recht uit de Oostenrijkse, Franse of Nederlandse tijd niet langer zou gelden, voor zover het onverenigbaar was met de grondwet.

De tekst van de Grondwet is in het Nederlands, in het Frans en in het Duits gesteld (art. 189). Hiermee wordt aangegeven dat de tekst van de grondwet in de drie landstalen authentiek is (i.e. gelijkwaardig en zonder verschillen in betekenis).

Geen wet, geen besluit of verordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur is verbindend dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald (art. 190). Door dit artikel wordt vermeden dat de burger niet zou weten aan welke wetten en besluiten hij zich zou moeten houden. Die bekendmaking gebeurt wat de federale overheid en de deelstaten betreft in het Belgisch Staatsblad.

Vreemdelingen genieten de persoonlijke en vermogensrechtelijke bescherming die voor Belgen geldt, tenzij de wet daarvan afwijkt (art. 191 - zie hoger: Nationaliteit en vreemdelingen).

Het opleggen van een eed en het vaststellen van de bewoordingen kan enkel bij wet (art. 192). Dit toon aan hoe groot het belang was dat vroeger aan zo'n zware morele verplichting werd gehecht. In de meeste gevallen luidde te tekst: Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk.

De Belgische Natie kiest als kleuren rood, geel en zwart, en als rijkswapen de Belgische Leeuw met de kenspreuk EENDRACHT MAAKT MACHT (art. 193). In dit artikel is een fout geslopen: de kleuren zijn omgekeerd (normaal geeft men de kleuren van een vlag weer vanaf de stok en zou het dus zwart-geel-rood moeten zijn) en er is niet vermeld of het gaat om horizontale dan wel verticale strepen. Het nationale volkslied, de Brabançonne, is niet opgenomen.

De stad Brussel is de hoofdstad van België en de zetel van de federale regering (art. 194).

Een herziening van de grondwet start met een verklaring door de federale wetgevende macht dat er redenen zijn tot herziening van bepaalde artikelen (art. 195 lid 1). De drie takken van de wetgevende macht, die in deze fase de pre-constituante worden genoemd, moeten hierover dezelfde verklaring afleggen. Enkel de artikelen die in de drie verklaringen voorkomen, zijn vatbaar voor herziening die aangenomen worden bij gewone meerderheid (50%+1). Na de verklaring zijn beide kamers van rechtswege ontbonden (art. 195 lid 2) en volgen er dus verkiezingen. Theoretisch krijgt de burger daardoor de mogelijkheid om zich in de verkiezingen uit te spreken over de voorgestelde wijzigingen. Na de verkiezingen komen de nieuwe kamers bijeen en beslissen, in overeenstemming met de Koning waarbij dit geheel de constituante vormt, over de punten die aan herziening zijn onderworpen (art. 195 lid 3 en 4). Ze mogen niet beraadslagen wanneer niet ten minste twee derden van hun leden aanwezig zijn. Een herziening is alleen aangenomen als ze ten minste twee derden van de stemmen heeft verkregen (art. 195 lid 5).

Er mag geen herziening van de Grondwet worden ingezet of voortgezet in oorlogstijd of wanneer de Kamers verhinderd zijn vrij bijeen te komen op het federale grondgebied (art. 196). Tijdens een regentschap mag in de Grondwet geen verandering worden aangebracht wat betreft de grondwettelijke macht van de Koning en de artikelen 85 tot 88, 91 tot 95, 106 en 197 van de Grondwet (art. 197).

In overeenstemming met de Koning kunnen de grondwetgevende kamers de nummering van de artikelen en de onderverdelingen van artikelen van de Grondwet, evenals de onderverdeling van de Grondwet in titels, hoofdstukken en afdelingen aanpassen, de terminologie van de niet aan herziening onderworpen bepalingen wijzigen om deze in overeenstemming te brengen met de terminologie van de nieuwe bepalingen en de Nederlandse, de Franse en de Duitse tekst van de Grondwet met elkaar in overeenstemming brengen. Hiertoe mogen de Kamers niet beraadslagen wanneer niet ten minste twee derden van de leden aanwezig zijn. De veranderingen zijn alleen aangenomen als het geheel van de wijzigingen ten minste twee derden van de stemmen heeft verkregen (art. 198). Deze techniek om de Grondwet wat op te frissen en de structuur te verhelderen heet coördinatie.

De Grondwet is in principe de hoogste rechtsnorm in België. Regels die in strijd zijn met de grondwet, kunnen worden vernietigd of buiten toepassing verklaard.

Niettemin is de Grondwet ondergeschikt aan het volledige EU-recht. Deze zienswijze wordt gehuldigd door het Europese Hof van Justitie, dat daarin – vrij uniek binnen Europa – gevolgd lijkt te worden door de Belgische rechters. In het arrest-Orfinger (1996) liet de Raad van State het Europese verbod op discriminatie naar nationaliteit vóórgaan op de grondwettelijke regel dat ambtenaren Belg moeten zijn. Weliswaar hing de Raad zijn redenering nog op aan artikel 34 van de Grondwet, dat de constitutionele grondslag vormt voor het toevertrouwen van de interpretatie van Europese verdragen aan het Hof van Justitie. Deze rechtspraak ligt in de lijn van het monisme met primauteit van het internationaal recht, een jurisprudentieel leerstuk dat in België is ingevoerd door het Hof van Cassatie door het Smeerkaasarrest van 1971. Deze uitspraak maakt het Belgische recht ondergeschikt aan het internationaal recht met rechtstreekse werking. Volgens het Smeerkaasarrest is elke rechter verplicht de toepassing van een wet of een decreet te weigeren wanneer deze wet of dit decreet in strijd is met een verdrag met rechtstreekse werking. Het Hof van Cassatie heeft nog niet expliciet gesteld dat dit ook geldt voor grondwettelijk recht.

Sinds 1988 beschikt België over een Grondwettelijk Hof, een rechtscollege dat erop toeziet dat de Grondwet door de verschillende wetgevende instanties wordt nageleefd. Tot 2007 heette het 'Arbitragehof'. De naamswijziging markeerde een uitbreiding van het aantal grondwettelijke bepalingen waaraan het hof kan toetsen (hetzij na een vernietigingsberoep, hetzij via prejudiciële vraag). Waar het voorheen enkel toezag op bevoegdheidsverdelende regels en de beginselen van gelijkheid, non-discriminatie en onderwijsvrijheid (artikelen 10-11 en 24), werd dit voortaan het volledige deel over rechten en vrijheden (titel III), de wettigheid en gelijkheid van belastingen (artikelen 170-172) en de bescherming voor vreemdelingen (art. 191). Het hof kan ook toetsen aan mensenrechtenverdragen, algemene beginselen en andere grondwetsbepalingen via de artikelen 10-11 of analoge grondwetsbepalingen. In dit geval geldt het vereiste van directe werking niet.

Naast de eigenlijke Grondwet bestaan in België nog twee andere teksten met grondwettelijke waarde:

Deze grondwettelijke status vloeit voort uit het decreet van 24 februari 1831 waarmee de Volksraed achteraf verklaarde dat hij deze twee eerdere decreten genomen had als corps constituant. Van de onafhankelijkheidsverklaring is echter niet zeker of deze ook als decreet werd opgevat. Klaarblijkelijk wilde men deze decreten buiten de Grondwet houden om ze niet voor herziening vatbaar te maken. Niettemin heeft de Raad van State geoordeeld dat de wetgevende macht ze toch kan opheffen of wijzigen. De Raad laat het zelfs aan de wetgever over om te beslissen of aan het decreet een rechtswaarde moet worden toegekend die gelijk is aan die van een grondwetsbepaling (en dus of een herzienbaarverklaring nodig is). In het parlement zijn herhaaldelijk voorstellen ingediend om het decreet voor herziening vatbaar te verklaren, als eerste stap naar een opheffing. De voorstellen in deze zin komen vaak van Vlaams-nationalistische politici.




#Total Article count: 113
#Total Word count: 193729